Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2483

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
632-H-00
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 9 januari 2002

Rek.nummer : 632-H-00

Rek.nr rb. : 99-3368

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te 's-Gravenhage,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. M. Soffers,

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag,

zetelende te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: B & W,

gemachtigde: drs. H.M. Beck.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 17 augustus 2000 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 21 juni 2000.

B & W heeft op 15 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 26 januari 2001 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Wel is verschenen haar raadsvrouwe mr. M. Soffers. Namens

B & W zijn verschenen mevrouw J.E. Hartog en mevrouw mr. M. Hertogs.

Nadien zijn bij het hof volgens afspraak ter zitting de volgende stukken ingekomen:

Van de zijde van de vrouw een afschrift van een door een geneeskundige ondertekende verklaring d.d. 12 februari 2001 omtrent een op 23 juni 1993 door het Juliana Kinderziekenhuis ingesteld onderzoek, op 13 februari 2001 gevolgd door toezending van het origineel van die verklaring, alsmede een reactie hierop van B & W d.d. 19 februari 2001.

Ten slotte ontving het hof op 31 augustus 2001 een schriftelijke conclusie in deze zaak van het Openbaar Ministerie. De gemeente en de vrouw hebben hierop bij brieven van respectievelijk 19 november 2001 en 26 november 2001 gereageerd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende vast.

De vrouw is sedert 15 maart 1978 in de GBA in Nederland opgenomen met als geboorteda-tum 20 januari 1977.

Bij de stukken bevindt zich een originele ondertekende doorslag van een vonnis van 13 juli 1994 van de rechtbank in eerste aanleg te Karakoçan, Turkije, met een beëdigde vertaling daarvan, waarbij de geboortedatum van de vrouw is gewijzigd in 20 juni 1974.

Op 9 september 1994 heeft de vrouw naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit gekregen door naturalisatie van haar moeder.

Op 4 januari 1999 heeft de vrouw B & W verzocht om haar in de gemeentelijke basis- administratie (GBA) opgenomen geboortedatum te wijzigen van 20 januari 1977 in 20 juni 1974. B & W heeft bij beslissing van 8 april 1999 de verzochte wijziging geweigerd.

Op 3 mei 1999 heeft de vrouw van die beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank te

's-Gravenhage en verzocht te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage gehouden is binnen bij uitspraak te bepalen termijn te gelasten in de GBA als geboortedatum van de vrouw te vermelden 20 juni 1974, met veroordeling van de gemeente 's-Gravenhage en iedere belanghebbende die het verzoek tegenspreekt, in de proceskosten. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw bij beschikking van 21 juni 2000 afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende haar verzoek tot geboortedatumwijziging toe te wijzen, met veroordeling van B & W in de kosten van deze procedure. B & W bestrijdt haar beroep. Het openbaar ministerie heeft schriftelijk geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2. De vrouw voert in haar beroepschrift aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de openbare orde zich verzet tegen erkenning van het Turkse vonnis van 13 juli 1994 waarbij haar geboortedatum werd gewijzigd. Ter toelichting stelt zij dat het oordeel van de Turkse rechtbank is gebaseerd op objectieve feiten (zoals een rapport van 12 juli 1994 van de gezondheidscommissie van het Staatsziekenhuis in Elazig, waarin staat dat de vrouw, gelet op botonderzoek, op dat moment 20 jaar is) en subjectieve feiten (zoals de waarneming van het fysieke voorkomen van de vrouw) alsmede een getuigenverklaring onder ede. De vrouw meent verder dat de juistheid van het Turkse vonnis wordt bevestigd door de rapportage van het Juliana Kinderziekenhuis van 23 juni 1993, waarin wordt geconcludeerd dat de skeletleef-tijd van de vrouw op dat moment tenminste 18 jaar is.

3. Het hof gaat, evenals de rechtbank, voorbij aan de uitspraak van de Turkse rechtbank van 13 juli 1994, waarbij de geboortedatum van de vrouw is gewijzigd. Krachtens artikel 37 lid 2 van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie worden aan een buiten Nederland gedane rechterlijke uitspraak over de burgerlijke staat geen gegevens ontleend, voorzover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in zo'n uitspraak vermelde feiten. Deze bepaling acht het hof van (overeenkomstige) toepassing op de geboortedatum. Beoordeeld moet worden of de uitkomst daarin van een rechterlijk onderzoek waarvan niet aannemelijk is dat het op een gedegen medisch onderzoek steunt, maatgevend mag zijn in het licht van de grote maatschappelijke belangen die zijn gemoeid met voorkoming van onbetrouwbare vastlegging van geboortegegevens in de basisadmini-stratie, waaraan belangrijke gevolgen zijn verbonden, zoals bij toekenning van studietoelage, minimumloon en, later, oudedagsvoorzieningen.

4. Naar het oordeel van het hof kunnen aan het Turkse vonnis niet zonder meer gegevens worden ontleend inzake de geboortedatum van de vrouw, omdat dit vonnis, anders dan de vrouw stelt, niet op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens is gebaseerd.

Immers, aan de observatie van de rechtbank te Karakoçan kan geen overwegende betekenis worden toegekend met betrekking tot de leeftijd van de vrouw. Het rapport van de gezond-heidscommisie uit 1994 van het Staatsziekenhuis Elazig, Turkije, waarnaar in het vonnis van de rechtbank wordt verwezen, vermeldt als conclusie dat de vrouw gelet op het botonderzoek 20 jaar is. Maar dit rapport bevat geen enkele toelichting of nadere motivering en levert naar het oordeel van het hof onvoldoende betrouwbare gegevens op. Blijkens de wetenschappelijke beschouwing van [een] kinderarts-endocrinoloog, is het onmogelijk om op grond van botonderzoek tot een exacte leeftijdsschatting te komen. Ook de conclusie van de afdeling radiodiagnostiek van het Juliana Kinderziekenhuis, dat het skelet van de vrouw ten tijde van het onderzoek op 23 juni 1993 zeer goed past bij een leeftijd van 19 jaar, geeft geen zekerheid omtrent de precieze geboortedatum van de vrouw. Met slechts de getuigenverklaring van één familielid van de vrouw, [A.], dat hij weet dat 20 juni 1974 de echte geboortedatum van de vrouw is, omdat zij vlak voor zijn bruiloft geboren is, acht het hof alles tezamen onvoldoen-de vast komen te staan dat de vrouw op 20 juni 1974 geboren is.

5. De vrouw heeft aangevoerd dat uit door haar overgelegde medische verklaringen, schooldi-ploma's enzovoorts blijkt dat de geboortedatum van 20 juni 1974 juist is. Noch uit de medische verklaringen, noch uit het feit dat de vrouw zelf als geboortedatum op school of opleidingen 20 juni 1974 heeft opgegeven, blijkt de juistheid van deze geboortedatum. Het door de vrouw aangeboden bewijs passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd en niet ter zake doende.

6. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in de Turkse uitspraak van 13 juli 1994 vermelde geboortedatum omdat daarmee een wellicht onjuiste geboortedatum wordt vervangen door een andere geboortedatum waarvan de juistheid ook niet vast staat.

7. Dit alles brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

bepaalt dat de vrouw en B & W ieder de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, De Bruijn-Lückers en Duindam, bijge-staan door Lekahena als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 9 januari 2002.