Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2385

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
728-H-01 en 738-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 1 mei 2002

Rekestnummers : 728-H-01 en 738-H-01

Rekestnrs. rechtbank : 00-7036

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

in de zaak met rekestnummer 728-H-01 van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Dongelmans.

en in de zaak met rekestnummer 738-H-01 van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Dongelmans.

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins,

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 7 september 2001 en de man is op 10 september 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 juli 2001.

De vrouw heeft op 18 december 2001 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd 27 november 2001 en 8 februari 2002.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 7 februari 2002 en 20 maart 2002.

Op 22 maart 2002 zijn de zaken mondeling behandeld. Het hof heeft de beide zaken, in verband met hun verknochtheid, gevoegd. De vrouw heeft aldaar haar verzoek gewijzigd in die zin, dat het incidenteel hoger beroep in de zaak met rekestnummer 738-H-01 wordt ingetrokken en dat zij het alimentatieverzoek ten behoeve van haarzelf vermindert tot een bedrag van ƒ 1.400,- per maand. De minderja-rigen zijn in raadkamer gehoord.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 28 augustus 1981 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige:

[O.], geboren op 2 juni 1984, en

[A.], geboren op 27 november 1985,

hierna te noemen: de kinderen.

Bij verzoekschrift dat op 9 november 2000 bij de rechtbank te 's-Gravenhage is ingekomen heeft de man verzocht tussen de partijen de echtscheiding met nevenvoorzieningen uit te spreken. De vrouw heeft - kort samengevat- zelfstandig verzocht om:

- het ouderlijk gezag over de kinderen alleen aan haar te laten toekomen;

- vaststelling van een kinderalimentatie van ƒ 750,- per maand per kind;

- vaststelling van een alimentatie voor haar van ƒ 3.600,- per maand;

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap en

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Bij de bestreden beschikking is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitge-sproken.

Bij die beschikking is aan de vrouw ten laste van de man een alimen-tatie opgelegd van ƒ 640,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de dag waarop de beschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

Tevens is de door de man te betalen kinderalimen-tatie bepaald op ƒ 600,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de dag waarop de beschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

Voorts is het verzoek van de vrouw te bepalen dat alleen aan haar het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen, afgewezen. Tevens zijn de verzoeken van de man om een omgangsregeling vast te stellen en dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij hem zullen hebben, afgewezen. Verder is iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de proceskosten aangehouden.

Bij beschikking van 11 oktober 2001 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage in deze zaak voorlopige voorzieningen uitgesproken, waarbij is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, dat de minderjarigen voorlopig aan de vrouw zullen worden toevertrouwd en dat de man met ingang van 11 september 2001 voorlopig ƒ 635,- per maand kinderalimentatie zal verstrekken. Het verzoek tot alimentatie voor de vrouw is afgewezen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man.

De man is geboren op 9 februari 1954 en is alleenstaand. Hij is in loondienst als medisch fotograaf. Per maand bedraagt zijn brutoloon exclusief vakantietoeslag ƒ 5.337,- blijkens de salarisspecificatie van april 2001. Hij is zie-kenfondsverzekerde.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren op 25 augustus 1954 en woont met de twee kinderen van partijen in de voormalige echtelijke woning. Sinds 18 augustus 2000 heeft de vrouw werk als binnenhuisadviseuse gedurende 14 uur per week, waarmee zij ƒ 1.274,- netto per maand exclusief vakantietoeslag verdiende. Sinds 8 november 2001 werkt de vrouw gedurende 23 uur per week en blijkens de salarisspecificaties van januari en februari 2002 verdient zij thans € 997,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overwerk.

BEOORDELING VAN HET WEDERZIJDSE HOGER BEROEP

1. In geschil is het uitspreken van de echtscheiding in combinatie met de aanhouding van het verzoek tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de kinder- en partneralimentatie, het gezag en de omgangsregeling.

2. De vrouw verzoekt in de zaak met rekestnummer 728-H-01 de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de echtscheiding, de kinderalimentatie, de alimentatie ten behoeve van de vrouw, de afwijzing van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en het eenhoofdig ouderlijk gezag, en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw gedaan in eerste instantie toe te wijzen, alsook de echtscheiding uit te spreken. Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek in hoger beroep aangepast in die zin dat zij het alimentatieverzoek ten behoeve van zichzelf heeft verminderd tot ƒ 1.400,- per maand. De man bestrijdt mondeling haar beroep.

3. De man verzoekt in de zaak met rekestnummer 738-H-01 de door hem te betalen kinderalimentatie te bepalen op ƒ 500,- per maand per kind en het verzoek van de vrouw voor partneralimentatie af te wijzen. Voorts verzoekt hij een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen, in die zin dat hij gerechtigd is de kinderen bij zich te hebben één weekend per 14 dagen en voorts de helft van de vakanties. Daartegen voert de vrouw verweer.

4. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen.

echtscheiding en voortgezet gebruik echtelijke woning

5. Anders dan de man is het hof met de vrouw van oordeel dat zij ontvankelijk is in haar beroep tegen de echtscheiding aangezien de wettelijke termijn van zes maanden na datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zou zijn gaan lopen zonder dat een beslissing over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zou zijn genomen.

Het hof zal, nu het belang van de vrouw vaststaat en zij vervolgens heeft aangegeven ook de echtscheiding te wensen, de echtscheiding bekrachtigen en bepalen dat de vrouw gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toekomt.

gezag en omgangsregeling

6. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden beslist dat het gezamenlijk gezag dient te worden gehandhaafd en dat het verzoek tot een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen moet worden afgewezen. Het hof verenigt zich met deze oordelen en de gronden waarop deze berusten. In hoger beroep zijn zowel uit de overgelegde stukken als uit het verhandelde ter zitting en het minderjarigenverhoor geen gezichtspunten naar voren gekomen die een ander oordeel zouden rechtvaardigen. Gelet op het spaarzame contact dat de kinderen met hun vader wensen te onderhouden, alsmede gelet op hun leeftijd (inmiddels bijna 18 en 16 jaar), kan het aan de kinderen zelf worden overgelaten wanneer zij contact wensen met de vader. De beschikking van de rechtbank dient op deze punten bekrachtigd te worden.

behoefte, draagkracht en alimentatie

7. De vrouw handhaaft haar standpunt dat de man een kinderalimentatie dient te betalen van ƒ 750,- per maand per kind. Zij stelt dat de kinderen daar behoefte aan hebben, mede gezien het feit dat de kinderen na het gymnasium nog verder willen studeren. Volgens de vrouw is de behoefte van de kinderen tezamen thans circa ƒ 2.100,- per maand exclusief vakantie, voeding en woonlasten. Aanvankelijk heeft de man een hogere behoefte dan ƒ 500,- per maand per kind bestreden. Uit de beschikking voorlopige voorzieningen van 11 oktober 2001 blijkt echter dat de man een hogere behoefte dan het aldaar door hem aangeboden bedrag van ƒ 600,- per maand per kind niet heeft weersproken. Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegezegd bereid te zijn kinderalimentatie te blijven betalen tot het einde van de studie van de kinderen, indien zijn draagkracht dat toelaat. De exacte hoogte van de behoefte van de kinderen kan in het midden blijven nu de man de draagkracht mist om de door de vrouw gestelde behoefte te voldoen. Gelet op die behoefte dient naar het oordeel van het hof de man een groter aandeel in de totale kosten van de kinderen te dragen dan zijn draagkracht toelaat, zelfs indien in aanmerking wordt genomen dat de vrouw een groter aandeel dan voorheen in de kosten van kinderen kan bijdragen, gelet op haar toegenomen inkomen sinds november 2001.

Het hof houdt wat betreft het inkomen van de man rekening met zijn inkomen uit loondienst en de gemiddelde winst uit onderneming van ƒ 5000,- per jaar, hetgeen blijkt uit de overgelegde aangiften inkomstenbelasting 1997 tot en met 1999, waardoor naar het oordeel van het hof de door de man gemaakte onkosten genoegzaam zijn komen vast te staan. Met de door de vrouw gestelde en door de man weersproken free lance inkomsten uit fotoreportages en inkomsten uit buitenlandse ondernemingen houdt het hof geen rekening nu deze inkomsten niet aannemelijk zijn geworden. Het door de vrouw gedane bewijsaanbod zal, naar het oordeel van het hof, niet de gewenste informatie opleveren, waardoor de beslissing anders zou komen te luiden.

Tegen de in de beschikking voorlopige voorzieningen meegenomen huur van ƒ 650,- en een premie ziektekostenverzekering van 231,- per maand aan de lastenkant van de man is geen bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee ook rekening houden. Geen rekening wordt gehouden met omgangskosten nu de man slecht sporadisch contact heeft met zijn kinderen. De herinrichtingskosten worden niet meegenomen in de draagkrachtberekening, nu de man deze niet heeft aangetoond.

8. Uit het bovenstaande volgt dat de man in staat moet worden geacht een kinderalimentatie te betalen van € 340,- per maand per kind. Bespreking van de behoefte van de vrouw en het verzoek tot limitering kan achterwege blijven aangezien na de betaling van de kinderalimentatie de man niet in staat is, gelet op zijn draagkracht, een alimentatie voor de vrouw te betalen. De bestreden uitspraak is niet in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en dient op deze punten te worden vernietigd.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt de door de man aan de vrouw te beta-len kinder-alimentatie met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op € 340,- per maand per kind, voortaan bij vooruit-betaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewo-ning van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan voort te zetten gedu-rende zes maanden na de in-schrijving van de echt-scheidingsbeschikking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oor-deel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Duindam en Van Oldenborgh, bijge-staan door A. Snel als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 1 mei 2002.

De griffier is buiten staat

deze beschikking mede

te ondertekenen.