Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE2309

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
154-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 27 maart 2002

Rekestnummer : 154-H-01

Rekestnr. rechtbank : 00/3362

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats], Indonesië,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. M. Timmer,

tegen

1. [geïntimeerde],

wonende te [[woonplaats]]

hierna te noemen: de moeder,

en

2. [geïntimeerde],

wonende te [[woonplaats]]

hierna te noemen: haar huidige echtgenoot,

verweer-ders in hoger beroep,

procureur mr. J. van Roy-Vissers.

PROCESVERLOOP

De vader is op 2 januari 2001 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 1 november 2000.

De moeder en haar huidige echtgenoot hebben op 23 augustus 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 25 mei 2001.

Van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming is bij het hof een brief ingekomen gedateerd 7 augustus 2001, onder meer inhou-dende de mededeling dat de Raad in deze geen rapporten en/of adviezen heeft uitge-bracht en om die reden niet ter terechtzitting vertegenwoordigd zal zijn.

Van de zijde van de moeder en haar echtgenoot is op 26 september 2001 bij het hof een faxbericht ingekomen gedateerd 20 september 2001 waarin wordt medegedeeld dat de echtgenoot in het ziekenhuis is opgenomen en waarin is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden.

Aangezien het hof op 26 september 2001 de dag waarop de mondelinge behandeling was bepaald geen kennis van dit faxbericht had en alleen de procureur van de vader was verschenen is de zaak niet inhoudelijk behandeld en is de mondelinge behandeling van de zaak aangehouden.

Op 27 maart 2002 is de zaak mondeling behandeld. De vader, is hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Hij heeft zich door zijn procureur laten vertegenwoordigen. De procureur van de vader heeft ter zitting het beroepschrift in die zin gewijzigd dat het beroep zich alleen richt tegen de geslachtsnaamswijziging en niet langer tegen de bepaling betreffen-de het gezamenlijk gezag.

De moeder met haar echtgenoot zijn verschenen. Voorafgaand aan de behandeling zijn de minderjarigen [L.] en [D.] in raadkamer gehoord. Het hof heeft ook de jongste minderjarige, die eerst op 13 mei 2002 de leeftijd van 12 jaar zal bereiken, opgeroepen om haar mening betreffende de geslachtsnaamswijziging te geven.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige: [L.], geboren op 12 juni 1987 en [D.], geboren op 13 mei 1990, hierna te noemen: de kinderen.

Beide kinderen, die de geslachtsnaam van de vader dragen, verblijven sinds het uiteengaan van de partijen feitelijk bij de moeder.

Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 december 1991 is tussen de vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken. De moeder is bij beschikking van 1 april 1992 belast met de voogdij over de kinderen.

Bij verzoekschrift dat bij de rechtbank te 's-Gravenhage op 7 juni 2000 is ingekomen heeft de moeder ver-zocht haar en haar huidige echtgenoot te belasten met het gezamenlijk gezag over de kinderen. Voorts hebben beiden verzocht de geslachtnaam [X] van de kinderen te wijzigen in [Y] en de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te [woonplaats] te gelasten de geslachtnaam [Y] in te schrijven in de registers van de Burgerlijke Stand.

De rechtbank heeft bij de bestreden be-schikking verzoek toegewezen.

De vader is in eerste aanleg verschenen noch vertegen-woor-digd, en heeft geen verweerschrift ingediend.

BEOORDELING

1. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende het verzoek van de moeder en haar huidige echtgenoot af te wijzen.

2. De moeder en haar huidige echtgenoot verzoeken de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek althans deze hem te ontzeggen met zijn veroordeling in de kosten van het geding in beide instanties.

3.Ter terechtzitting is namens de vader volhard bij het standpunt dat wijziging van de geslachtsnaam zich tegen het belang van de kinderen verzet.

Hij acht de geslachtsnaam een belangrijk onderdeel van de inmiddels gevormde identiteit van de kinderen en acht het niet ondenkbaar dat de kinderen de gevolgen van een wijziging van de geslachtsnaam niet kunnen overzien. Hij is bang dat door de wijziging van de geslachts-naam, die weliswaar de familierechtelijke betrekkingen tussen hem en de kinderen niet doorsnijdt, de relatie tussen hem en de kinderen negatief wordt beïnvloed. De wijziging is immers onomkeerbaar.

4. Met betrekking tot de geslachtsnaamswijziging stelt de moeder dat haar kinderen niets liever willen dan de achternaam van haar echtgenoot, de heer [Y], dragen. Beide kinderen gebruiken die naam reeds.

5. Nu de beide kinderen volmondig hebben ingestemd met de wijziging van de geslachtsnaam en uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat hun belang zich daar tegen verzet, kan het verzoek daartoe worden toegewezen en dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Duindam en Jansen, bijge-staan door mr. Souren-Cramer als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 27 maart 2002.