Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE1905

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
24-04-2002
Zaaknummer
2000 - 0555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 14 maart 2002

Rolnummer: 00/555

Rolnr. rechtbank: 99/173

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. A.H. Westendorp,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie)

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de Staat,

geïntimeerde,

procureur: mr. C. M. Bitter.

Het geding

[appellant] heeft bij dagvaarding van 29 december 1998 voor de rechtbank te 's-Gravenhage gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 10.000,-- met rente en kosten. De rechtbank heeft die vordering bij vonnis van 8 december 1999 afgewezen.

[appellant] is bij exploot van 7 maart 2000 van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven met producties heeft hij daartegen één grief aangevoerd, welke door de Staat bij memorie van antwoord met productie is bestreden.

Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat bij de beoordeling van de grief uit van de feiten zoals in het bestreden vonnis onder 1.Feiten zijn vastgesteld, nu tegen die vaststelling in hoger beroep niet is opgekomen.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

[appellant] was gedetineerd in het huis van bewaring "De Schans" te Amsterdam toen een tweetal andere gedetineerden, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], op 20 oktober 1994 bij een ontsnappingspoging vanuit een schildershok in paviljoen 5, een afdeling van De Schans, een ontploffing hebben veroorzaakt met behulp van semtex, een kneedbaar en geurloos explosief. [appellant], die toen op enkele meters afstand van de plaats van de ontploffing aan het telefoneren was, heeft door die explosie oorletsel en volgens hem ook psychisch letsel opgelopen. [appellant] heeft uit het Schadefonds geweldsmisdrijven een vergoeding voor zijn schade ontvangen van in totaal ƒ 2.950,--.

3. Stellende dat daardoor zijn werkelijk geleden schade niet is vergoed vordert [appellant] betaling van ƒ 10.000,--. Aan die vordering heeft hij ten grondslag gelegd, dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van een uitbraakpoging zoals in dit geval heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft voorop gesteld dat [appellant] zich in een bijzondere positie bevond, omdat hij als gedetineerde voor zijn veiligheid in belangrijke mate afhankelijk was van maatregelen die door de Staat waren genomen. Volgens de rechtbank had de Staat echter het redelijkerwijs mogelijke gedaan om letsel voor [appellant] te voorkomen door dagelijkse controle van de vertrekken op de afdeling, door fouillering en/of visitering van gedetineerden die de afdeling bezochten en daaruit vertrokken, door het gebruik van metaaldetectoren bij de ingang van de afdeling en de inrichting, door het volgen van gedetineerden bij hun bewegingen binnen de inrichting, door verslaglegging van met wie zij contacten onderhielden, zowel op als buiten de afdeling en tenslotte door extra toezicht op [betrokkene 1] te houden. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de Staat het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan mee laten wegen dat niet was gebleken dat de Staat over informatie beschikte over ontsnappingspogingen of over de aanwezigheid van explosieven binnen de inrichting en dat het opsporen van semtex bijzonder moeilijk is.

4. [appellant] komt in zijn (enige) grief op tegen het onder 3 samengevatte oordeel van de rechtbank en vult de grondslag van zijn vordering aan met de stelling dat de semtex door één of meer bewaarders de inrichting is binnengebracht en aan [betrokkene 1] of [betrokkene 2] is verstrekt en dat de Staat daarom als werkgever uit hoofde van artikel 6:170 BW jegens [appellant] aansprakelijk is.

5. [appellant] heeft in hoger beroep niet aangegeven waarom hij meent dat de Staat onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen, respectievelijk onvoldoende toezicht en controle heeft uitgeoefend, ter voorkoming van ontsnappingspogingen van gedetineerden en van het gevaar dat daarmee voor medegedetineerden is gemoeid tengevolge van het binnensmokkelen van gevaarlijke stoffen als semtex. Noch ten aanzien van het door de rechtbank daarover aangenomen uitgangspunt, noch ten aanzien van de beoordeling door de rechtbank van de in de Schans genomen voorzorgsmaatregelen heeft [appellant] gesteld dat en waarom die onjuist of ontoereikend zijn. Ook het hof is op de door de rechtbank genoemde gronden van oordeel dat de Staat redelijkerwijs voldoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van ontsnappingpogingen, van invoer van gevaarlijke stoffen en van daaruit voor (andere) gedetineerden voortvloeiende schade.

6. [appellant]s stelling dat de semtex door een bewaarder in dienst van de Staat de inrichting is binnengebracht en dat de Staat daarom uit hoofde van artikel 6:170 BW jegens hem aansprakelijk is, heeft de Staat bestreden. De Staat heeft betwist dat de semtex door een bewaarder in de Schans is ingevoerd en heeft voorts aangevoerd dat een dergelijke invoer geen daad is, waarvoor de Staat als werkgever aansprakelijk is.

7. Het hof verwerpt laatstgenoemd verweer. Tot de taak van penitentiaire inrichtingswerkers(PIWers) behoort het bewaken van gedetineerden en die taak brengt mee dat PIWers, die in de gelegenheid zijn buiten de inrichting gevaarlijke stoffen te verkrijgen, geregeld toegang tot en contact met gedetineerden hebben. Die taak stelt hen meer dan anderen in staat om gevaarlijke stoffen in te voeren en vergroot dus de kans daarop. De Staat heeft over de taakvervulling van de PIWers binnen de inrichting juridische zeggenschap, evenals over gedragingen van PIWers die de veiligheid in gevaar brengen. Gedragingen, zoals het verschaffen van explosieven aan een gedetineerde, houden daarom voldoende functioneel verband met hun taakvervulling en leiden, indien bewezen, tot aansprakelijkheid van de Staat als werkgever.

8. Het hof zal [appellant] toelaten tot het bewijs door getuigen van zijn stelling dat de semtex , die op 20 oktober 1994 in de Schans tot ontploffing is gebracht, de inrichting is ingevoerd en/of aan [betrokkene 1] en/of aan [betrokkene 2] ter hand is gesteld door één of meer PIWers, in dienst van de Staat.

9. Uit hetgeen door [appellant] is aangevoerd vindt het hof onvoldoende aanwijzingen voor het oordeel dat die stelling behoudens tegenbewijs is bewezen en om terzake tegenbewijs aan de Staat op te dragen. Uit de stellingen van partijen over de betrokkenheid van PIWers bij de ontsnappingpoging van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] volgt dat onderzoek naar die betrokkenheid heeft plaatsgevonden, dat een PIWer veroordeeld is voor het binnensmokkelen van touw en musketonhaken, maar juist is vrijgesproken van het binnensmokkelen van de semtex, waarvan de ontploffing het gestelde letsel veroorzaakte. De door [appellant] overgelegde verklaring van Alan Strong heeft betrekking op een andere ontsnappingspoging (namelijk in een periode voorafgaande aan de ontsnappingspoging van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]), respectievelijk op andere semtex dan de onderhavige.

De stelling dat het niet anders kan dan dat de semtex via een bewaarder is binnengekomen is door de Staat betwist. De door [appellant] aangevoerde en niet door de Staat betwiste feiten, zoals de aard en omvang van de binnen de inrichting getroffen veiligheidsmaatregelen, acht het hof onvoldoende aanwijzing om die stelling voorshands, behoudens tegenbewijs, bewezen te achten.

10. Door [appellant] is tenslotte verdedigd dat op de Staat een verhoogde stelplicht rust. Volgens [appellant] dient de Staat gegevens te verstrekken over de in de Schans getroffen veiligheidsmaatregelen, over het volledige strafdossier en alle onderzoeken die zijn gedaan naar bewaarders die mogelijkerwijs bij het binnenbrengen van de semtex betrokken zijn geweest.

Het hof is van oordeel dat de Staat voldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan. In de procedure heeft de Staat de nodige informatie over de getroffen veiligheidsmaatregelen verstrekt en over de herkomst van de semtex heeft de Staat, gezien productie 2 bij de memorie van grieven, alle daarover afgelegde verklaringen aan [appellant] ter beschikking gesteld, behoudens kennelijk enkele processen-verbaal van verhoren van mede-gedetineerden, in verband met overwegingen van privacy. Uit de stelling van de Staat dat ook niet uit intensief onderzoek door politie en rijksrecherche naar de uitbraakpoging duidelijk is geworden hoe de explosieven het huis van bewaring zijn binnengebracht en waar die waren verborgen (memorie van antwoord, onder 2), volgt dat de Staat meent dat hij niet over andere relevante informatie beschikt. Uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan het hof ook niet afleiden welke verdere informatie de Staat nog zou moeten verstrekken om [appellant] in staat te stellen aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast te voldoen.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellant] toe tot het bewijs door getuigen, dat de semtex , die op 20 oktober 1994 in de Schans tot ontploffing is gebracht, de inrichting is ingevoerd en/of aan [betrokkene 1] en/of aan [betrokkene 2] ter hand is gesteld door één of meer PIWers, in dienst van de Staat;

- bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op 17 april 2002, om 14.00 uur in één der lokalen van het paleis van justitie te 's-Gravenhage aan de Prins Clauslaan 60 aldaar, ten overstaan van de raadsheer-commissaris mr. D.J. de Brauw, die het hof als zodanig benoemt;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Brauw, De Groot en Meijer, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2002, in bijzijn van de griffier.