Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AE1720

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
19-04-2002
Zaaknummer
99/1108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak 31 januari 2002:

Rolnummer: 99/ 1108

Rolnr.rechtbank: 98/ 3356

HET GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE, vijfde civiele kamer, heeft het vol-gende arrest gewezen in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

Georgia - Pacific Corporation,

gevestigd te Atlanta, Georgia (Verenigde Staten van Amerika),

appellante,

hierna te noemen: GP,

procureur: mr. T. Schaper,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

Hagleitner Betriebshygiene GMBH & Co. KG,

gevestigd te Zell am See, Oostenrijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Hagleitner,

procureur: (aanvankelijk mr. S.U. Ottevangers, thans:),

mr. F.I.S.A.L. van Velsen.

Het geding

GP is in hoger beroep gekomen van het vonnis door de rechtbank te

's-Gravenhage op 23 juni 1999 tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven (met een productie) heeft zij twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke Hagleitner bij memorie van antwoord heeft bestreden.

Partijen hebben hun standpunten voor het hof doen bepleiten, GP door haar procureur en Hagleitner door haar (huidige) procureur mr. Van Velsen voornoemd.

Vervolgens hebben partijen stukken (waaronder de pleitnotities) gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.a GP is houdster van het Nederlands octrooi 191.311, dat is verleend onder dagtekening 19 april 1995 op een aanvrage van 12 september 1986 voor een afgeefinrichting voor buigzaam baanmateriaal vanaf een wikkelrol, hierna: het octrooi. Voorrang is ingeroepen vanaf 18 oktober 1985. De eerste conclusie van het octrooi luidt als volgt:

Afgeefinrichting voor buigzaam baanmateriaal vanaf een wikkelrol, voorzien van:

een aan een wand bevestigbaar gestel;

een door het gestel gedragen orgaan, voor het draaibaar ondersteunen van een wikkelrol van buigzaam baanmateriaal;

een roteerbaar op het gestel aangebrachte holle toevoerrol voor het geleiden van de baan van het materiaal vanaf de wikkelrol naar een plaats waar deze door een gebruiker kan worden aangegrepen, waarbij de omtreksmantel van de toe-voerrol althans één in de lengterichting verlopende doorlaatopening bezit;

in de toevoerrol heen en weer beweegbaar aangebrachte draagmiddelen met een daarop gemonteerd snijblad dat een snijrand heeft, op welke draagmiddelen zich voorbij de tegenoverliggende uiteinden van de toevoerrol uitstrekkende nok-volgers zijn aangebracht; en

op het gestel aangrenzend aan de uiteinden van de toevoerrol aangebrachte, stationaire nokbanen, waarmee de nokvolgers bij rotatie van de toevoerrol samenwerken, teneinde via de draagmiddelen het snijblad gedwongen volgens een baan heen en weer te bewegen tussen een snijstand, waarbij de snijrand buiten de omtreksmantel van de toevoerrol door de althans ene opening uitsteekt en een stand binnen de toevoerrol,

met het kenmerk, dat via de draagmiddelen (60, 38) het snijblad (40) wordt geleid in een plat vlak, dat op afstand evenwijdig verloopt aan een diametraal vlak van de toevoerrol (30).

De hieronder (in verkleinde vorm) afgedrukte figuren 2 en 4, deel uitmakend van het octrooischrift, tonen elk de toevoerrol in zijaanzicht, figuur 2 in de stand waarbij het snijblad zich binnen de toevoerrol bevindt en figuur 4 in de snijstand.

b. Hagleitner brengt (in ieder geval) in Oostenrijk handdoekautomaten in het verkeer.

Hagleitner heeft onweersproken gesteld voor deze handdoekautomaten een ook voor Nederland geldend Europees octrooi EP 0 895 457 B1 te hebben verkregen (vgl. de mededeling (ex Regel 51(4) Europees Octroioiverdrag) betreffende de Europese octrooiaanvrage nr.97 917 170.9 van Hagleitner) (productie 10).

2. Het hof overweegt ambtshalve dat het hier een Nederlands octrooi betreft, verleend op een octrooiaanvrage welke is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Rijksoctrooiwet 1995, zodat ingevolge artikel 102, lid 1 van die wet uitsluitend het bepaalde bij en krachtens de Rijksoctrooiwet (1910) van toepassing is.

3. GP heeft in dit geding gevorderd Hagleitner te verbieden om op enigerlei wijze betrokken te zijn bij directe dan wel indirecte inbreuken op het octrooi, met ne-venvorderingen, en heeft daarnaast - bij wege van provisionele voorziening- eveneens een inbreukverbod gevorderd.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vorderingen van GP afgewezen, omdat de handdoekautomaten van Hagleitner niet onder de bescher-mingsomvanmg van het octrooi vallen.

4. Het geschil, dat door de twee grieven in volle omvang aan het hof wordt voor-gelegd, betreft de vraag of de handdoekautomaten van Hagleitner als equiva-lente uitvoeringsvormen van de geoctrooieerde uitvinding van GP zijn te be-schouwen.

5. Ingevolge artikel 30, lid 2 Rijksoctrooiwet (1910), in overeenstemming met artikel 69, lid 1 van het Europees Octrooiverdrag, het Protocol bij dat artikel, en arti-kel 8, lid 3 van het Verdrag van Straatsburg wordt de beschermingsomvang van het octrooi bepaald door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen tot uitleg van die conclusies dienen en wel zodanig dat zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke rechtszekerheid aan derden wordt geboden. De vraag of er sprake is van equivalente uitvoeringsvormen die onder het bereik van een conclusie vallen dient binnen het hiervoor geschetste kader te worden beantwoord.

6. Blijkens de beschrijvingsinleiding van het octrooischrift is het octrooi afgeba-kend van het Amerikaanse octrooischrift 4.188.844 (DeLuca) betreffende een vergelijkbare afgeefinrichting. In de beschrijvingsinleiding (pag.1, reg. 19-25) wordt vermeld dat bij die afgeefinrichting, verkort weergegeven, het snijblad op een boogvormige wijze door een opening in de omtreksmantel van de toevoerrol naar buiten treedt. Hierop volgt (reg. 25-29): "Dit geeft nog niet naar aanvraagster is gebleken de in deze publikatie vermelde gewenste mooie snede in het bij voorkeur te verwerken gegaufreerde of gecrêpte papieren handdoekmateriaal, omdat de baan van dit materiaal, hoewel de publikatie anders aangeeft, neigt om over het snijblad te rekken in plaats van daardoor op doelmatige wijze te worden geperforeerd of afgesneden."

Vervolgens vermeldt de beschrijvingsinleiding dat de uitvinding (reg. 30-33) "beoogt een afgeefinrichting van de in de aanhef genoemde soort te verschaffen, die ook bij betrekkelijk rekbare buigzame papieren baanmaterialen een doelmatige snede tot stand zal brengen met een minimum aan papierbeweging en een niet significante rek van het rekbare materiaal."

Dit doel wordt bereikt doordat de afgeefinrichting volgens de uitvinding het ken-merk heeft dat (reg. 33-35) "via de draagmiddelen het snijblad wordt geleid in een plat vlak, dat op afstand evenwijdig verloopt aan een diametraal vlak van de toevoerrol."

De beschrijvingsinleiding vervolgt (reg. 36-40): "De afgeefinrichting volgens de uitvinding waarborgt het verkrijgen van een perfect rechte snede. Doordat het vlak waarin het mes beweegt op afstand ligt van een diametraal vlak van de toevoerrol, komt het snijblad te voorschijn bij het voorwaarts bewegen van het mes in dezelfde richting als de rotatie van de toevoerrol, teneinde mogelijk te maken dat de snijrand van het snijblad in de materiaalbaan dringt zonder deze te veel van de toevoerrol weg te rekken."

7. GP heeft betoogd dat met de handdoekautomaten van Hagleitner in wezen hetzelfde resultaat wordt bereikt op in wezen dezelfde wijze met in wezen dezelf-de middelen als bij het octrooi.

8. Als productie 7 heeft Hagleitner in eerste aanleg een (rekbaar) papieren hand-doek in het geding gebracht welke in een van haar automaten is afgesneden. Partijen zijn het erover eens dat de in die handdoek gerealiseerde snede repre-sentatief is voor de sneden die met de Hagleitner-automaten worden verkregen. Een afbeelding daarvan is in het vonnis opgenomen onder 12 (pag. 5).

9. Deze snede heeft een patroon die door GP zelf als golvend, deinend of kab-belend wordt omschreven. In haar betoog baseert GP zich op een vergelijking van deze snede met de "zigzag"- snede die wordt verkregen in een kennelijk in de praktijk toegepaste afgeefinrichting volgens het DeLuca-octrooi, Zij stelt dat het resultaat van het snijden door de Hagleitner-automaat zich op in wezen de-zelfde wijze van die "zigzag" onderscheidt als het resultaat volgens het octrooi. Het in de kabbeling/deining gelegen verschil met de snede volgens het octrooi, bij welke snede volgens GP enige rafelvorming onvermijdelijk is, is in haar visie voor de gebruiker na het handen wassen functioneel totaal onbelangrijk. Voorts is volgens GP de verlenging van het te snijden vlak door de kabbelingen zo minimaal, dat er, in tegenstelling tot de "zigzag"- golven waardoor de lengte ver-dubbeld wordt, ook geen extra trekkracht van enige betekenis nodig is.

GP ziet hierbij over het hoofd dat het DeLuca-octrooi niet beperkt is tot die kennelijk in de praktijk toegepaste afgeefinrichting en de daarmee verkregen "zig-zag"-snede.

GP heeft opgemerkt (zie het als productie 3 door GP in eerste aanleg overgeleg-de inbreukrapport van het Nederlandsch Octrooibureau van 17 september 1998, hoofdstuk 3 en fig.3) dat het snijorgaan 3 in de inrichting bekend uit het DeLuca-octrooi beweegt in een (baan volgens een) cirkelboog om de rotatie-as 21, waar-bij de straal van die cirkelboog wordt bepaald door de lengte van de zwaaiarm 20.

Nergens in het DeLuca-octrooi is te lezen hoe groot de lengte van de zwaaiarm of de straal (kromming) van de cirkelboog van het snijorgaan dient te zijn. De gemiddelde vakman zal dan ook begrijpen dat die cirkelvormige baan van het snijorgaan meer of minder gekromd kan zijn, zodanig dat in het geval dat de baan minder gekromd is (en een plat vlak benadert) een "golvende"(deinende of kabbelende) snede wordt verkregen. Zulk een snede ligt, naar het oordeel van het hof, binnen hetgeen het DeLuca-octrooi leert.

Daaraan doet niet af, dat met de in de praktijk toegepaste afgeefinrichting die is geconstrueerd volgens het DeLuca-octrooi een "zigzag"-snede wordt verkregen.

10. Zoals hierboven vermeld, wordt de lezer in de beschrijvingsinleiding voorge-houden (pag.1, reg. 36) dat de afgeefinrichting volgens het octrooi het verkrijgen van "een perfect rechte snede" waarborgt. GP neemt hiermee afstand van de snede volgens het DeLuca-octrooi, dat zoals hierboven reeds is vermeld, ook betrekking heeft op een "golvende"snede.

Er is in het octrooischrift geen plaats te vinden die voor de vakman reden kan zijn te veronderstellen dat deze waarborg gerelativeerd moet worden in die zin, dat de term "perfect rechte snede" ook zou omvatten de golvende snede volgens het DeLuca-octrooi. De advocaat van Hagleitner heeft met een schaar voor het hof gedemonstreerd dat het mogelijk is gegaufreerd of gekrept handdoekmateriaal met een schaar perfect recht te snijden. Op grond van de hierboven weergege-ven passages zal de vakman duidelijk zijn dat de mooie snede, die bij het

DeLuca-octrooi in het bij voorkeur te verwerken gegaufreerde of gecrêpte papie-ren handdoekmateriaal niet kan worden bereikt wegens de rek van dat materiaal over het snijblad, bij het octrooi wel kan worden verkregen: de snede wordt tot-standgebracht "met een minimum aan papierbeweging en een niet significante rek van het rekbare materiaal". De golvende snede die wordt bereikt door het snijmechanisme in de Hagleitner automaat, is een wezenlijk ander resultaat dan dat volgens het octrooi wordt gewaarborgd: een perfect rechte snede.

11. Ook het betoog van GP (pleitnotities mr Schaper, par.17) dat de wijze waarop in de handdoekautomaten van Hagleitner de snijfunctie wordt vervuld in wezen dezelfde is als die bij het octrooi, overtuigt niet.

12. De bevestiging van het snijorgaan in de toevoerrol van de Hagleitner hand-doekautomaat is hieronder schematisch afgebeeld (verkleinde kopie van bijlage 7 bij het inbreukrapport van het Nederlandsch Octrooibureau).

Partijen zijn het met elkaar eens dat deze schematische voorstelling een juiste weergave is van de onderdelen die van belang zijn voor beoordeling van het geschil.

Het snijmes (3) is bevestigd op een draagmiddel bestaande uit een draaibare arm (70) met aan de achterzijde een nok (71) die door een gekromde sleufvormi-ge nokkenbaan (72) beweegt. De voorzijde van die arm (70) is draaibaar beves-tigd aan het boveneinde van een zwaaiarm (73) met een nok (75) die op haar beurt wordt geleid in een tweede gekromde sleufvormige nokkenbaan (76).

13. GP stelt (zie het rapport, in het bijzonder par. 19, 23 en 25) dat met deze constructie van Hagleitner de straal van de (fictieve) boogvormige cirkel waar-langs het snijmes (3) beweegt niet wordt bepaald door de lengte van de zwaai-arm (73) zoals in het DeLuca-octrooi, maar dat door het gebruik van de beide zwaaiarmen (70.,73) met de twee nokken in de nokbanen het snijmes (3) welis-waar beweegt langs een boogvormige cirkel, maar dat deze cirkel een straal heeft die (vele malen) groter is dan de lengte van de zwaaiarm (73).

GP merkt vervolgens op (pleitnotities mr Schaper hoger beroep par.13) dat het mes over de korte afstand (van die fictieve grote cirkel) waarover het mes het papieren handdoekmateriaal doorsnijdt "niet voor 100% recht is maar wel heel veel méér recht is dan de kromme beweging van het mes bij DeLuca" (naar het hof begrijpt bij de in de praktijk toegepaste inrichting volgens DeLuca).

Het feit dat het mes "niet helemáál continu" recht naar buiten komt in combinatie met de karteling van het snijblad verklaart de "minimale kabbeling/deining" van het snijresultaat in de automaten van Hagleitner, aldus, beknopt, GP (pleitnotities

mr. Schaper hoger beroep par.15).

14. Op grond van de formulering van het (relatief korte) kenmerk en de hierboven weergegeven passages uit de beschrijvingsinleiding zal het voor de vakman dui-delijk zijn dat de essentie van de technische maatregel, die volgens dat kenmerk de uitvinding vormt, hierin is gelegen dat het snijblad wordt geleid in een plat vlak dat op afstand evenwijdig verloopt van een diametraal vlak van de toevoerrol. In het octrooischrift is nergens steun te vinden voor een uitleg die ruimte laat voor enige kromming van de baan waarlangs het snijblad beweegt bij buitentreding door een opening in de omtreksmantel van de toevoerrol. De geoctrooieerde uit-vinding beoogt met zoveel woorden het bezwaar (bij DeLuca) van het boogvor-mig uittreden van het snijblad volledig op te heffen door deze uittreding langs een plat vlak te laten plaatsvinden.

Immers, in het GP-octrooi is nu juist voor een, van het DeLuca-octrooi afwijkende constructie gekozen met een snijorgaan dat niet langer op het boveneinde van een zwaaiarm is bevestigd maar op een heen en weer verschuifbare plaat (42) met twee nokken (60) die elk worden geleid in rechte nokkenbanen (38) (zie

fig.2 van het octrooi en het voormelde rapport, par. 15 en 16), een constructie waarmee geen cirkelvormige baan voor het snijorgaan kan worden bereikt maar slechts een baan in een plat vlak.

In dit laatste slaagt de handdoekautomaat van Hagleitner niet, doordat het snij-blad, zoals bij het DeLuca-octrooi, is bevestigd aan een zwaaiarm en ondanks de corrigerende, tot een baan met grote straal leidende werking van de draaibare bevestiging aan de zwaaiarm (73) en de geleiding van de nok (71) door de ge-kromde nokkenbaan (72), onvermijdelijk nog steeds boogvormig beweegt, ook al zou dat in de praktijk gering kunnen zijn.

De wijze waarop bij Hagleitner de snijfunctie wordt vervuld is daarmee wezenlijk anders dan die volgens het octrooi.

15. Uit het bovenstaande blijkt dat het hof van oordeel is dat het niet aan redelij-ke twijfel onderhevig is hoe de vakman het octrooi zal begrijpen. Er bestaat dan ook geen reden over te gaan tot raadpleging van het verleningsdossier. Ten overvloede, voor het geval wel van zodanige twijfel uitgegaan zou worden, wordt het volgende overwogen met betrekking tot het verleningsdossier.

16. De oorspronkelijke aanvrage van het octrooi is op 1 september 1987 ter inzage gelegd. In de Terinzagelegging staat (in de conclusies) ten aanzien van de baan die het snijblad volgt het volgende vermeld (pag. 14, reg. 18 - 21):

"(…) middelen die het draagorgaan in de toevoerrol ondersteunen voor het bewegen van het snijblad in een baan, die evenwijdig verloopt aan en zijdelings is versprongen ten opzichte van een straal van de toevoerrol; (..)"

Bij brief van 6 december 1989 laat de Octrooiraad aan de octrooigemachtigde van GP weten op grond van de resultaten van het onderzoek naar de stand van de techniek (welke zijn meegedeeld bij brief van 5 september 1989) van oordeel te zijn dat de aanvrage niet aan de wettelijk gestelde eisen voldoet.

In antwoord hierop geeft de octrooigemachtigde bij brief van 22 juni 1990 als zijn mening te kennen dat bij twee van de drie voorbekende publicaties (DeLuca en de Britse octrooiaanvrage 1.482.193) het snijblad zodanig is gemonteerd dat het in een gebogen baan in en uit de toevoerrol beweegt, waarna wordt gesteld (pag. 3, reg. 4 - 8):

"Teneinde dit kenmerk beter in conclusie 1 te doen uitkomen (bedoeld is kennelijk: teneinde het kenmerk van conclusie 1 beter ten opzichte van dit bekende af te bakenen, hof) is thans in de conclusie aangegeven dat de beweging van het snijblad plaatsvindt in een plat vlak langs een baan die evenwijdig verloopt aan en zijdelings is versprongen ten opzichte van een straal van de toevoerrol."

In overeenstemming hiermee is in een bijlage bij die brief voor het desbetreffen-de onderdeel van conclusie 1 de volgende tekstwijziging voorgesteld (reg. 16 - 19):

"(…) middelen die het draagorgaan in de toevoerrol ondersteunen voor het be-wegen van het snijblad in een plat vlak langs een baan, die evenwijdig verloopt aan en zijdelings is versprongen ten opzichte van een straal van de toevoerrol; (…)"

Het hof is van oordeel dat dit voor de vakman een bevestiging zal vormen dat de geleiding van het snijblad in een plat vlak essentieel is voor de uitvinding.

De Octrooiraad deelt de octrooigemachtigde bij brief van 30 augustus 1993 mede dat enerzijds wel een octrooieerbare uitvinding wordt gezien, maar anderzijds nog een aantal bezwaren tegen de conclusies en/of overige stukken openbaar-making van de aanvrage in de weg staat. In dat verband merkt de Octrooiraad onder meer op (pag. 2, reg. 11 - 14):

"Het lijkt alsof voor het in de aanvrage gestelde probleem, het lijnperforeren van een gegaufreerde of gecrêpte handdoekpapierbaan, welke rekbaar is, reeds in de publikatie een afdoende oplossing is verschaft.

Waarom dit toch niet zo is, zal in de inleiding aannemelijk gemaakt dienen te worden."

De octrooigemachtigde antwoordt bij brief van 1 maart 1994 (reg. 10 - 13):

"In de nieuwe beschrijvingsinleiding zijn de door u aangehaalde punten besproken, zodat er gaarne op wordt vertrouwd dat de aanvrage met de nieuwe stukken in hoofdzaak voor openbaarmaking in aanmerking zal kunnen komen." Een nieuwe beschrijvingsinleiding was bijgevoegd. Daarin wordt het octrooi duidelijk afgebakend van DeLuca, onder een beschrijving van het nadeel dat de inrichting volgens dat octrooi door het op boogvormige wijze naar buiten treden van het snijblad niet de gewenste mooie snede geeft, in het bijzonder bij betrekkelijk rek-bare buigzame velvormige materialen, zoals gegaufreerde of gecrêpte papieren handdoeken (pag. 2, reg. 17 - 20). In het vervolg van deze nieuwe beschrij-vingsinleiding wordt gesteld dat dit probleem zou kunnen worden opgelost door het gebruik van roterende precisiescharen (zoals beschreven in DeLuca) maar dergelijke scharen voor toepassing in afgeefinrichtingen voor buigzaam velvormig materiaal veel te duur zijn (pag. 2, reg. 22 - 28). Daarna wordt het doel van de uitvinding omschreven en duidelijk gemaakt dat het schuiven van het snijblad in en uit de toevoerrol langs hetzelfde vlak als het vlak van het snijblad het vol-tooien van een perfect rechte snede waarborgt (pag. 3, reg. 12 - 15).

Dit zal bij de vakman elke twijfel omtrent het beoogde resultaat, een perfect rechte snede, te vergelijken met die van precisiescharen, wegnemen.

17. Het beroep van GP op equivalentie kan dus niet slagen. De grieven falen en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. GP zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en verwijst GP in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hagleitner begroot op € 2530,-

(ƒ 5.575,=).

Dit arrest is gewezen door mrs. Fasseur-van Santen, Van Sandick en Kiers-Becking, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.