Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AD9364

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
18-02-2002
Zaaknummer
2200295600
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8306
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200295600

parketnummers 0975716000 en 0992565200

datum uitspraak 29 januari 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 14 november 2000 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Zoetermeer" te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 januari 2002.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6 primair, 7 en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen alsmede met betaling van de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6 primair, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van moord

en

moord, meermalen gepleegd;

feit 2 subsidiair:

medeplegen van poging tot een lijk verbranden en vernietigen, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, meermalen gepleegd;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 4:

diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 5:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 6 primair:

poging tot diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 7:

afpersing;

feit 8:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, met betrekking tot een wapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, met betrekking tot munitie van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal mr Plugge heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6 primair, 7 en 8 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als door de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg gevorderd. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam], [naam], [naam] en [naam] zullen worden toegewezen als in het vonnis waarvan beroep omschreven, de vordering van de benadeelde partij [naam] zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 6.755,65, zijnde € 3.403,35 wegens immateriële schade en € 3.352,30 wegens materiële schade en de vordering van de benadeelde partij [naam] zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.630,24, zijnde € 3.403,35 wegens immateriële schade en € 226,89 wegens materiële schade. Bovendien heeft de advocaat-generaal gevorderd dat met betrekking tot de toewijzing van de genoemde vorderingen van de benadeelde partijen tevens een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte verbleef al enige tijd met zijn medeverdachte en twee Ierse jongens als gast in een flat in Scheveningen. Aldaar waren allerlei soorten drugs en pillen alsmede alcohol in ruime mate voorhanden. Verdachte gebruikte excessief drugs, alle soorten door elkaar, met alcohol. In het verlengde van die ware drugs- en drankorgie, die weken gaande was, heeft verdachte drie brute moorden gepleegd op zijn gastheer en twee anderen, een daarvan samen met zijn medeverdachte en de andere twee terwijl zijn medeverdachte hem daarbij behulpzaam was.

Toen bij verdachte - naar aanleiding van een uitlating van een van de Ierse jongens over "een laatste pijpje roken" - eenmaal de gedachte had postgevat dat de Ieren hem en zijn medeverdachte wilden ombrengen, heeft hij het besluit genomen de slachtoffers te doden en hij was daar ook niet meer van af te brengen, al had hij alle gelegenheid ongehinderd te vertrekken. Verdachte heeft direct zijn medeverdachte hierbij betrokken en hij is vervolgens vastberaden en doeltreffend tot actie overgegaan. Nadat verdachte zijn hand had "ingetaped" en aan de medeverdachte een vuurwapen had gegeven teneinde hem te "dekken" en de medeverdachte volgens opdracht van verdachte een radio keihard had gezet, is verdachte de kamer waar de slachtoffers op dat moment rustig bijeen zaten, in gegaan en heeft hij op twee van hen in koelen bloede geschoten. Vervolgens is hij naar zijn medeverdachte gegaan, heeft hij diens vuurwapen gepakt en heeft hij daarmee, in de gang staande, om de hoek van de kamer in het wilde weg geschoten. Aangezien een van de slachtoffers - dat aangeschoten op de grond lag - nog leefde, heeft verdachte aan de medeverdachte opdracht gegeven om dit slachtoffer alsnog te steken met een mes. De medeverdachte heeft hierop met dat mes dat slachtoffer dodelijk in de hals gestoken.

In de dagen hierna zijn verdachte en zijn medeverdachte - al cocaïne "basend" - in de flat gebleven en hebben zij op lugubere wijze getracht zich te ontdoen van de lijken. Nadat de medeverdachte twee zagen was gaan kopen bij de Gamma, is geprobeerd de lijken in stukken te zagen; toen zulks niet lukte, heeft verdachte besloten de flat met de lijken in brand te steken. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte ontplofbaar materiaal in het bad gelegd, daar bovenop de lijken gedeponeerd en vervolgens dit geheel overgoten met olie, spiritus en benzine. Daarenboven is in de keuken de gasslang aangesneden, zodat er gas uitstroomde, kennelijk met de bedoeling een ontploffing in de flat teweeg te brengen. Terwijl de medeverdachte alvast in de auto zat te wachten, heeft verdachte tenslotte de lijken in brand gestoken.

Verdachte heeft op de meest grove en onomkeerbare wijze inbreuk gemaakt op het leven van drie jonge mensen, waarvan de ene - naar verdachtes eigen zeggen - zijn beste vriend was. Door dit alles is onherstelbaar en levenslang leed toegebracht aan de nabestaanden van de slachtoffers.

Tevens heeft verdachte door de poging brand te stichten in de flat - welke is gelegen in een groot flatgebouw met vele bewoonde woningen - de mogelijke zeer ernstige gevolgen hiervan voor de personen en goederen die zich bevonden in die woningen welbewust aanvaard. Het gevaar voor ontploffing en/of overslaan van de brand naar deze woningen en het levensgevaar voor de bewoners daarvan was gezien de wijze van handelen aanzienlijk. Dat de brand beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken.

Door dit alles is de maatschappelijke rechtsorde ernstig geschokt.

Kort voor deze niets en niemand ontziende feiten heeft verdachte, samen met zijn medeverdachte, twee ernstige roofovervallen gepleegd in woningen en één poging daartoe op straat, waarbij het gebruik van vuurwapens, bedreiging en grof geweld niet werden geschuwd.

Het is van algemene bekendheid dat de slachtoffers ernstige en soms blijvende psychische schade kunnen ondervinden van dergelijke gewelddadige overvallen en dat hierdoor de maatschappelijke onrust- en onveiligheidgevoelens sterk worden gevoed.

Dit geldt temeer wanneer slachtoffers in hun eigen woning worden overvallen en op grove wijze beroofd. Ter zitting is - uit schriftelijke verklaringen - gebleken hoezeer twee van die slachtoffers getraumatiseerd zijn geraakt en zich niet meer veilig weten in hun privé domein.

Kort na de moorden heeft verdachte een afpersing gepleegd waarbij hij een vuurwapen en geweld heeft gebruikt. Verdachte droeg al jaren, dag en nacht, een wapen bij zich.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 9 januari 2002, in het verleden is veroordeeld ter zake van een gekwalificeerde diefstal, vuurwapenbezit, rijden onder invloed en een drugsdelict.

Het hof heeft kennis genomen van het rapport d.d. 8 januari 2002 van het Pieter Baan Centrum te Utrecht, opgemaakt en ondertekend door A.J. de Groot, psycholoog, en F.R. Kruisdijk, psychiater.

De conclusie houdt in - zakelijk weergegeven - dat verdachte de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend en de onder 4, 5, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde feiten volledig kunnen worden toegerekend.

Het advies luidt - zakelijk weergegeven - dat verdachte een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken heeft en een hiermee gepredisponeerde neiging tot verslaving, welke duurzame aandoening zich gedurende vele jaren heeft ontwikkeld en ook levenslang aanwezig zal zijn. De kans dat verdachte de omgang met zijn gestoorde persoonlijkheid en zijn verslavingsgedrag zelf ter hand zal nemen is klein te achten, zodat de kans dat hij recidiveert met een ernstig delict ten gevolge van een identieke combinatie van persoonlijkheidsfactoren en verslavingsgedrag groot is. Hierbij is van belang dat verdachtes basiswantrouwen een bron is voor toekomstige paranoïde complotscenario's en dat deze in het kader van een wederom optredende psychose ten gevolge van drugsgebruik op stereotiepe wijze kunnen terugkeren met alle gevolgen van dien. De behandeling van een dergelijke stoornis kan jaren duren en zal een intensieve, sterk gestructureerde begeleiding vergen. Daarbij lijkt een fundamentele verandering van de persoonlijkheid niet haalbaar, doch wel een adequatere aanpassing van de stoornis aan de omgeving en de eisen die deze stelt. De maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege ware op te leggen.

Het hof neemt de conclusie van voornoemd rapport over en maakt deze tot de zijne en zal het gegeven advies opvolgen. De maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging is noodzakelijk, nu verdachte een gevaar voor zijn omgeving vormt en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen ernstig in het geding is.

De maatregel zal worden opgelegd in combinatie met een zeer langdurige gevangenisstraf gelet op de geschokte rechtsorde en om recht te doen aan de ernst en de veelheid van de feiten, de volledige toerekening aan verdachte van de roofovervallen alsmede de verminderde toerekening aan de levensdelicten en gezien de hiervoor omschreven gevaarlijkheid van verdachte, met dien verstande dat het hof in zijn uitspraak een advies zal opnemen omtrent het tijdstip waarop de TBS-behandeling dient aan te vangen.

Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld onder nummers 4 (250 gram cocaïne) en 115 (zakje met wiet) van de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen in strijd is met de wet of met het algemeen belang en bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan verdachte werd verdacht zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld onder nummers 457 en 458 van de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de verdachte geen afstand heeft gedaan, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [woonplaats], Ierland, zich als benadeelde partij gevoegd en twee vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal € 15.744,75. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 8.827,23.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij.

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [woonplaats], Ierland, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van € 7.872,38. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 6.792,42.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij.

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van € 7.890,10. In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij slechts aangetoond dat tot een bedrag van in totaal € 3.857,13 - zijnde een bedrag van € 453,78 wegens materiële schade en een bedrag van € 3.403,35 wegens immateriële schade - rechtstreeks schade is geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding te worden verklaard. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij.

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van € 4.828,36. In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij slechts aangetoond dat tot een bedrag van in totaal € 3.630,24 - zijnde een bedrag van € 226,89 wegens materiële schade en een bedrag van € 3.403,35 wegens immateriële schade - rechtstreeks schade is geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding te worden verklaard. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij.

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van € 2.659,15. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van

€ 1.815,12.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij.

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van € 11.084,48. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 1.040,06.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bedragen die overeenkomen met het voor zijn rekening te brengen aandeel in deze vorderingen, die hoofdelijk op hem en zijn medeverdachte rusten, en wel van een bedrag van € 6.577,88 ten behoeve van het slachtoffer [naam], een bedrag van € 6.792,42 ten behoeve van het slachtoffer [naam], een bedrag van € 1.928,57 ten behoeve van het slachtoffer [naam], een bedrag van € 1.815,12 ten behoeve van het slachtoffer [naam], een bedrag van € 907,56 ten behoeve van het slachtoffer [naam] en een bedrag van € 520,03 ten behoeve van het slachtoffer [naam].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57, 151, 157, 289, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6 primair, 7 en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte terzake van het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZESTIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege aan te laten vangen op 1 mei 2004.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld onder nummers 4 (250 gram cocaïne) en 115 (zakje met wiet) van de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld onder nummers 457 en 458 van de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Gelast de bewaring van de overige inbeslaggenomen voorwerpen waarvan door de verdachte geen afstand is gedaan, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, ten behoeve van de rechthebbende.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], wonende [woonplaats], Ierland, tot het gevorderde bedrag van ACHTDUIZEND ACHTHONDERDZEVENENTWINTIG EURO EN DRIEËNTWINTIG EUROCENT (€ 8.827,23) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.577,88 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van TIEN DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 6.577,88 ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij tot dit bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van (een deel van) het bedrag van € 8.827,23 komt te vervallen voorzover door de medeverdachte schadevergoeding aan deze benadeelde partij of aan de Staat ten behoeve van deze is betaald.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], wonende [woonplaats], Ierland, tot het gevorderde bedrag van ZESDUIZEND ZEVENHONDERDTWEEËNNEGENTIG EURO EN TWEEËNVEERTIG EUROCENT (€ 6.792,42) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.792,42 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van TIEN DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 6.792,42 ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij tot dit bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], wonende [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van DRIEDUIZEND ACHTHONDERDZEVENENVIJFTIG EURO EN DERTIEN EUROCENT (€ 3.857,13) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.928,57 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van TIEN DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 1.928,57 ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij tot dit bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van (een deel van) het bedrag van € 3.857,13 komt te vervallen voorzover door de medeverdachte schadevergoeding aan deze benadeelde partij of aan de Staat ten behoeve van deze is betaald.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], wonende [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van DRIEDUIZEND ZESHONDERDDERTIG EURO EN VIERENTWINTIG EUROCENT (€ 3.630,24) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.815,12 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van ZEVEN DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 1.815,12 ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij tot dit bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van (een deel van) het bedrag van € 3.630,24 komt te vervallen voorzover door de medeverdachte schadevergoeding aan deze benadeelde partij of aan de Staat ten behoeve van deze is betaald.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], wonende [adres] te [woonplaats], tot het gevorderde bedrag van ÉÉNDUIZEND ACHTHONDERDVIJFTIEN EURO EN TWAALF EUROCENT (€ 1.815,12) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 907,56 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van VIJF DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 907,56 ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij tot dit bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van (een deel van) het bedrag van € 1.815,12 komt te vervallen voorzover door de medeverdachte schadevergoeding aan deze benadeelde partij of aan de Staat ten behoeve van deze is betaald.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam], wonende [adres] te [woonplaats], tot het gevorderde bedrag van ÉÉNDUIZEND VEERTIG EURO EN ZES EUROCENT (€ 1.040,06) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 520,03 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de duur van VIJF DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag van € 520,03 ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij tot dit bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van (een deel van) het bedrag van € 1.040,06 komt te vervallen voorzover door de medeverdachte schadevergoeding aan deze benadeelde partij of aan de Staat ten behoeve van deze is betaald.

Dit arrest is gewezen door mrs Koning, Silvis en Mos-Verstraten, in bijzijn van de griffier mr Kleijne.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2002.