Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AS4913

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
BK-01/00054
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, Voorschrift administratieve boeten 1993, eerdere verzuimen kunnen alleen in aanmerking worden genomen, indien de belastingplichtige ter zake van dat feit op behoorlijke wijze door de Inspecteur op de hoogte is gesteld, zulks uiterlijk bij het opleggen van de aanslag voor het betreffende jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

6 november 2001

nummer BK-01/00054

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende een beschikking genomen op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet).

Het onderzoek ter zitting van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 23 oktober 2001, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur B. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Voorts heeft belanghebbende ter zitting elf, door de griffier als zodanig gewaarmerkte, producties overgelegd, zulks zonder bezwaar van de wederpartij die ter zitting in de gelegenheid is gesteld zich daarover uit te laten. Vermelde pleitnota en producties behoren tot de gedingstukken.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert de verzuimboete tot ƒ 250,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende en vastgesteld op ƒ 25, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.1. Op 12 februari 1999 is aan belanghebbende een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 toegezonden.

1.2. Op 25 oktober 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende schriftelijk aangemaand om vóór 8 november 1999 het aangiftebiljet in te dienen. In deze aanmaning is belanghebbende erop gewezen dat het niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangifte kan leiden tot een boete die kan oplopen tot ƒ 2.500.

1.3. Bij brief van 7 december 1999 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een herinnering gezonden en hem verzocht vóór 22 december 1999 te reageren.

2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar/premieheffing 1998 opgelegd met dagtekening 27 oktober 2000. De aanslag is vastgesteld op een positief bedrag. Gelijktijdig met het opleggen van deze aanslag heeft de Inspecteur een beschikking genomen waarbij een verzuimboete is opgelegd van ƒ 750.

3. Belanghebbende heeft op 1 november 2000 alsnog aangifte gedaan voor het jaar 1998. Het door hem ingediende aangiftebiljet is aangemerkt als een bezwaarschrift.

4. Bij de uitspraak op het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is de boete gehandhaafd.

5.1. Belanghebbende heeft de hem toegezonden aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1994, 1995, 1996 en 1997 niet ingediend.

5.2. Met betrekking tot deze jaren heeft de Inspecteur, na eerst een aanmaning te hebben verzonden, ambtshalve aanslagen opgelegd. Naar de Inspecteur ter zitting desgevraagd heeft verklaard is op deze aanslagen niet vermeld dat sprake was van een verzuim en is geen boete opgelegd. Evenmin is aan belanghebbende op andere wijze medegedeeld dat een verzuim is geconstateerd.

6. In geschil is de hoogte van de aanslag, alsmede van de opgelegde verzuimboete ten belope van ƒ 750.

7. Het standpunt van belanghebbende is, kort samengevat,:

- in 1998 heeft hij tijdelijk een bijstandsuitkering ontvangen en tijdelijk loon uit dienstbetrekking; niet valt in te zien dat hij nu nog een groot bedrag aan belasting moet betalen; bovendien wijkt de situatie in 1998 niet af van die van 1996, over welk jaar hij belasting terugontvangen heeft;

- nu de aangifte als een bezwaarschrift is aangemerkt, is hem de mogelijkheid van bezwaar onthouden;

- de ambtshalve aanslagen worden te laat opgelegd zodat hem niet een te late indiening van het aangiftebiljet kan worden verweten;

- voor het jaar 1999 was een boete opgelegd van ƒ 2.500, welke boete na bezwaar is verminderd tot nihil.

8. Bij berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting met buitenaanmerkinglating van de door belanghebbende ontvangen aanvullende bijstanduitkering, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de Uitvoeringsregeling inkomsten-belasting 1990, bedraagt de verschuldigde belasting ƒ 451 meer dan de voorheffingen. De Inspecteur heeft derhalve voor het onderhavige jaar terecht een aanslag opgelegd. De omstandigheid dat, naar belanghebbende stelt en het Hof niet geheel uitsluit, inhoudingsplichtigen een te laag bedrag aan loonheffing hebben ingehouden als gevolg van een onjuiste tariefgroepindeling, doet daar niet aan af.

9. Met betrekking tot de opgelegde boete overweegt het Hof als volgt. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur bij het vaststellen van de verzuimboete terecht het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, zoals dit is gewijzigd bij besluit van 16 september 1999, AFZ 99/2684, Stcrt. 179, VN 1999/42.6 (hierna: het BBBB 1998) tot uitgangspunt heeft genomen. Het verzuim waaraan belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt, heeft zich voorgedaan op 8 november 1999, het tijdstip waarop belanghebbende niet heeft voldaan aan de in de aanmaning gestelde termijn.

10. Het Hof is voorts van oordeel dat het BBBB 1998 een goed uitgangspunt biedt voor de bepaling van de hoogte van de verzuimboete voor het ingevolge artikel 67a van de Wet beboetbare feit. Daarbij worden voor de bepaling van de strafmaat meegewogen eerdere verzuimen met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel. Hierbij worden, naar het oordeel van het Hof terecht, verzuimen begaan met betrekking tot de onderhavige aangiften over jaren vóór 1998 mee in aanmerking genomen, aangezien zodanige verzuimen op grond van het toen geldende artikel 9, derde lid, van de AWR eveneens tot een ordeboete aanleiding gaven. Het toentertijd door de Belastingdienst ter zake gevoerde beleid is neergelegd in het Voorschrift administratieve boeten 1993 (Regeling van 28 september 1992, nr. AFZ 92/6316, Stcrt. 193, hierna: het VAB 1993). In § 15 van het VAB 1993 werd voor de bepaling van de hoogte van de toe te passen ordeboete eveneens betekenis toegekend aan de omstandigheid dat sprake was van een eerste, tweede, derde of volgend verzuim.

11. Met betrekking tot de vraag of voor de toepassing van het bepaalde in § 21 van het BBBB 1998 sprake is van een tweede of volgend verzuim is het Hof van oordeel dat eerdere verzuimen alleen in aanmerking kunnen worden genomen, indien de belastingplichtige ter zake van dat feit op behoorlijke wijze door de Inspecteur op de hoogte is gesteld, zulks uiterlijk bij het opleggen van de aanslag voor het betreffende jaar.

12. Naar vaststaat is belanghebbende met betrekking tot geen van de in 5.1 vermelde jaren op de hoogte gesteld dat hij door het niet indienen van de onderwerpelijke aangiften in verzuim was. Derhalve dient het onderhavige verzuim te worden aangemerkt als een eerste verzuim. Het Hof acht in dit geval de in § 21, derde lid, van het BBBB 1998 voor een eerste verzuim voorziene boete van ƒ 250 gepast en zal de opgelegde boete tot dat bedrag verminderen.

13. De door belanghebbende aangevoerde stellingen leiden niet tot het oordeel dat de boete dient te worden verminderd tot nihil. De Inspecteur heeft de, na het opleggen van de aanslag, ingediende aangifte terecht als een bezwaarschrift aangemerkt. Op basis hiervan heeft de heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 Awb plaatsgevonden. De onderhavige aanslag is opgelegd op 27 oktober 2000, derhalve binnen de driejaarstermijn van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De omstandigheid dat voor het jaar 1999 de boete is verminderd tot nihil, brengt niet mee dat de verzuimboete betrekking hebbende op 1998 eveneens tot nihil moet worden verminderd. Niet is aannemelijk geworden dat belanghebbende voor het jaar 1999 terecht een boete heeft belopen en dat de vermindering bij hem een vertrouwen heeft gewekt dat zulks ook voor het onderhavige jaar zal geschieden.

14. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op ƒ 25 wegens reiskosten. Voor een hogere vergoeding, zoals door belanghebbende bepleit, ziet het Hof geen aanleiding. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad ƒ 60 te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 6 november 2001 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lader.

(Lader)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.

nummer BK-01/00054