Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AF6953

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2001
Datum publicatie
07-04-2003
Zaaknummer
BK-00/00117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/257
FED 2002/176
V-N 2001/52.20 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

7 juni 2001

nummer BK-00/00117

UITSPRAAK

Op het beroep van [X]. te [Z] tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen [P] van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 november 1991 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 9.022, zonder verhoging.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Dat hof heeft bij uitspraak van 29 oktober 1998 het beroep ongegrond verklaard. Op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij arrest van 5 januari 2000,

nr. 34.974, onder andere gepubliceerd in BNB 2000/83, de uitspraak van voornoemd hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing in meervoudige kamer verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

2.2. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk

uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid beiden gebruik hebben gemaakt. Zij hebben kennisgenomen van elkaars reactie.

2.3. Daarna heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad ter zitting van 15 maart 2001, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen [A] als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B], directeur van belanghebbende, alsmede [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door [D]. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Vaststaande feiten

3.1. In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het gerechtshof te Amsterdam vastgestelde en door de Hoge Raad overgenomen feiten, alsmede van de feiten zoals die voor dit hof zijn gebleken en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn weersproken.

3.2. De volledige feiten welke dit hof ingevolge het zojuist overwogene als uitgangspunt dienen, zijn als volgt te omschrijven:

Op een terrein te [Z] van ruim 300 meter diep en 25 meter breed bevinden zich - naast een negental woonhuizen waarmee belanghebbende geen bemoeienis heeft - 21 met elkaar verbonden loodsen en ongeveer 16 losse loodsen, alle verhuurd aan derden.

Op een deel van het verharde parkeerterrein zijn in een aaneengesloten rij een tiental in 1991 voor ƒ 2.700,-- exclusief omzetbelasting per stuk door belanghebbende gekochte zeecontainers geplaatst. Elke container is voorzien van een eigen elektriciteitsaansluiting, waarvan de tussenmeter voor de registratie van het gebruik van elektra zich bevindt in een gezamenlijke kast. In de nabijheid van de containers is op het terrein één watertappunt aanwezig. De huur van een container bedraagt ƒ 200,-- per maand. De containers worden voornamelijk gebruikt als opslagplaats voor materialen. Vanwege de vochtigheid zijn ze voor andere doeleinden nauwelijks geschikt.

De gemeente is van de plaatselijke situatie op de hoogte. Volgens belanghebbende is er voor de plaatsing en verhuur van de containers geen gemeentelijke vergunning nodig.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

In geschil is of, in verband met het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals die bepaling luidde, de containers zijn aan te merken als onroerende (standpunt belanghebbende) dan wel als roerende zaken (standpunt Inspecteur).

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. In het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 31 oktober 1997, NJ 1998,97 Vakstudie Nieuws 1997, blz. 4334 ( het zgn. portacabin-arrest) zijn een viertal maatstaven aangegeven die dienen ter beantwoording van de vraag of een bouwwerk onroerend is in de zin van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek:

(i). een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen;

(ii). bij de beantwoording van de vraag of een gebouw 'bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven' worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht;

(iii). de bestemming van een gebouw om 'duurzaam ter plaatse te blijven' dient naar buiten kenbaar te zijn; dit vereiste vloeit voort uit het belang dat zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn;

(iv). De verkeersopvattingen kunnen niet worden gebezigd als zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Bij onzekerheid of sprake is van 'duurzaam met de grond verenigd', kunnen zij echter wel in aanmerking worden genomen voor de nadere bepaling van wat in een gegeven geval heeft te gelden als 'duurzaam', 'verenigd', 'bestemming' en 'naar buiten kenbaar'.

5.2. Met betrekking tot de tien zeecontainers staat vast dat die door of in opdracht van belanghebbende in 1991 zijn geplaatst en sedertdien aan derden zijn verhuurd, hetgeen onverminderd voortduurt. Aldus is, anders dan de Inspecteur stelt, de bedoeling van belanghebbende om de containers duurzaam ter plaatse te laten blijven, naar buiten kenbaar en is dat ook uit de situatie ter plaatse af te leiden. Niet is gesteld of gebleken dat bij belanghebbende het voornemen bestaat die situatie te beëindigen. Door inwerking van vocht zullen de containers thans ook wel niet meer voor andere, laat staan voor hun oorspronkelijke doeleinden geschikt zijn. Getoetst aan voormelde maatstaven moet dan ook de conclusie zijn dat de zeecontainers als onroerende zaken zijn aan te merken.

5.3. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan belanghebbende is en de uitspraak van de Inspecteur dient te worden vernietigd.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1. Er is aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de te dezen nog toepasselijke Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, welke op de voet van het Besluit proceskosten fiscale procedures, worden vastgesteld op ƒ 2.840,-- wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.2. Voorts dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, lid 7, van laatstvermelde wet het door belanghebbende voor deze zaak gestorte griffierecht ad

ƒ 80,-- te vergoeden.

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor deze

zaak gestorte griffierecht ad ƒ 80,-- te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is op 7 juni 2001 vastgesteld door mrs. Pieters, Vierhout en Van Knobelsdorff, in tegenwoordigheid van de gerechtsauditeur mr. Postema. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van de Vijver. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Vierhout.

(Van de Vijver) (Vierhout)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.