Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AF5760

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
13-03-2003
Zaaknummer
BK-01/00751
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AI0408
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AI0408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/46
Module Ruimtelijke ordening 2001/4787 met annotatie van T. ten Have
Belastingblad 2002/958
FutD 2002-1005
OGR-Updates.nl 1000444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

14 november 2001

nummer BK-01/00751

UITSPRAAK

op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastingen van de gemeente Z (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te noemen legesnota.

1. Legesnota en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is bij wege van schriftelijke kennisgeving van 16 november 2000 een bedrag van ƒ 2.500 aan leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het toekennen van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

1.2. De tegen de schriftelijke kennisgeving gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 60. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Het Hof heeft het verzoek van de Inspecteur om de zaak versneld te behandelen afgewezen.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 3 oktober 2001, gehouden te Den Haag. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat tot de gedingstukken behoort.

3. De verordening

3.1. De raad van de gemeente Z heeft in zijn zijn openbare vergadering van 16 december 1999 vastgesteld de Legesverordening 2000 (hierna: de Verordening) en een daarbij behorende Tarieventabel (hierna: de Tarieventabel), welke Verordening en Tarieventabel - voor zover in het onderhavige geval van belang - zijn gewijzigd bij besluit van de raad van 6 juli 2000. De Verordening en de vorengenoemde wijziging zijn in werking getreden op 1 januari 2000 respectievelijk op 17 juli 2000.

3.2. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op 22 december 1999 respectievelijk op 12 juli 2000 bekendgemaakt in een plaatselijk blad, onder vermelding dat de Verordening c.q. de wijziging daarvan voor een ieder ter inzage lag in het gemeentehuis bij de sector Financiën, afdeling Belastingen.

3.3. De tekst van de Verordening en van de daarbij behorende Tarieventabel behoort in kopie tot de stukken van het geding.

3.4. De voor dit geding van belang zijnde bepalingen van de Verordening en de Tarieventabel, in de vanaf 17 juli 2000 geldende tekst, luiden als volgt:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "leges" worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze Verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

Artikel 6 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. (…)

Artikel 7 Wijze van heffing

De leges worden geheven bij wege van een (…) gedagtekende schriftelijke kennisgeving (…).

Artikel 10 Teruggaaf

Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges ter zake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet (Stb. 1994,762) en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.

De te dezen van belang zijnde bepaling van de Tarieventabel luidt als volgt:

7.11.18.0 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover van toepassing wordt gegeven aan artikel 4 en volgende van de "Procedureverordening Planschadevergoeding 2000"

ƒ 2.500,--.

In geval van toekenning van een schadevergoeding wordt het vorengenoemde legesbedrag gerestitueerd.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

Bij brief van 3 november 2000 heeft de gemachtigde van belanghebbende bij de raad van de gemeente Z een aanvraag om schadevergoeding ingediend (hierna: de aanvraag) als bedoeld in artikel 49 WRO (hierna: de schadevergoeding), ter zake van een waardedaling van belanghebbendes woning aan de a-laan xx te W. Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag zijn van belanghebbende op de voet van onderdeel 7.11.18.0 van de Tarieventabel de onderhavige leges geheven.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of het gemeentebestuur ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag terecht de onderhavige leges heeft geheven, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. De hoogte van het legesbedrag is op zich niet in geschil.

5.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht.

6. Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van het gevorderde legesbedrag.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

7. Overwegingen omtrent het geschil

7.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van de aanvraag niet als een dienst in de zin van artikel 2 van de Verordening kan worden aangemerkt doch dat het gemeentebestuur met het verrichten van werkzaamheden met betrekking tot die aanvraag een publieke taak vervult. Mitsdien kan volgens belanghebbende geen sprake zijn van heffing van leges.

7.2. De door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als een dienst, indien het gaat om werkzaamheden die niet alleen liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening, maar bovendien rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (vgl. Hoge Raad 7 mei 1997, nr. 31 845, BNB 1997/208*).

7.3. Naar het oordeel van het Hof moeten de in verband met de aanvraag van belanghebbende door of vanwege het gemeentebestuur te verrichten werkzaamheden worden aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 2 van de Verordening. De desbetreffende werkzaamheden betreffen niet - anders dan bijvoorbeeld bij werkzaamheden op het gebied van politietoezicht en brandbestrijding - de publieke taakuitoefening en zij houden voorts rechtstreeks en in overheersende mate verband met een individualiseerbaar belang, te weten het belang van belanghebbende om een door toepassing van overheidsvoorschriften aan zijn eigendom toegebrachte vermogensschade te doen compenseren. Het in behandeling nemen van de aanvraag is er immers op gericht om te onderzoeken of er gronden zijn om aan belanghebbende de door hem verzochte schadevergoeding toe te kennen. Ook kunnen de werkzaamheden niet worden beschouwd als werkzaamheden die rechtstreeks voortvloeien uit het aan het gemeentebestuur opgedragen algemeen toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften.

7.4. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat artikel 49 WRO bepaalt dat de belanghebbende het desbetreffende verzoek bij de gemeenteraad dient in te dienen. Van onredelijke en willekeurige legesheffing is geen sprake, nu de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat een primaire beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding ongeveer ƒ 7.500 (excl. BTW) kost. Daarbij komt dat, naar de Inspecteur eveneens onweersproken heeft gesteld, de heffing van de onderhavige leges mede ertoe strekt het lichtvaardig indienen van aanvragen om planschadevergoeding zoveel mogelijk te voorkomen. Nu blijkens de tekst van onderdeel 7.11.18.0 van de Tarieventabel in geval van toekenning van een schadevergoeding het onderhavige legesbedrag wordt gerestitueerd is naar het oordeel van het Hof van het opwerpen van een onredelijke financiële drempel, zoals belanghebbende heeft gesteld, dan ook geen sprake.

7.5. Nu de hoogte van het gevorderde bedrag op zichzelf niet in geschil is, volgt uit al het vorenoverwogene dat van belanghebbende terecht de onderwerpelijke leges zijn geheven.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 14 november 2001 door mrs. Biemond, Schuurman en Vonk. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Crabbendam.

(Crabbendam) (Biemond)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:14 november 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.