Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AE8537

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
197-H-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 26 september 2001

Rekestnummer : 197-H-01

Rekestnr. rechtbank : 00-4140

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te [X], Nederlandse Antillen,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr.J.W. Wladimiroff-Nater,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [X], Nederlandse Antillen,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. D. Regts.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 12 maart 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 januari 2001.

De man heeft op 16 juli 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw is op 1 mei 2001 bij het hof een aanvullend beroepschrift ingekomen, waarin de vrouw het beroep ten aanzien van de partneralimentatie en de doorbetaling van de ziektekosten intrekt. Zij handhaaft nog slechts het verzoek tussen haar en de man de echtscheiding uit te spreken.

Op 1 augustus 2001 is de zaak mondeling behandeld. De partijen zijn niet in persoon ter zitting verschenen. Namens de vrouw is ter zitting verschenen mr. A.K. Oostlander, namens de man mr. F.P.E. Mulock Van der Vlies Bik. Mr. Oostlander heeft ter zitting een copie van de vergunning tot verblijf van de vrouw in de Nederlandse Antillen, afgegeven op 9 april 2001, overgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man (geboren [in] 1931) en de vrouw (geboren [in]i 1953) zijn [in] 1990 met elkaar gehuwd. Door dit huwelijk is gewettigd hun [in] 1987 [geboren dochter].

Sedert mei 1999 wonen de partijen op [X]. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Bij verzoekschrift dat op 11 juli 2000 bij de rechtbank te 's-Gravenhage is ingekomen heeft de vrouw verzocht de echtscheiding tussen de partijen uit te spreken, alsmede enkele voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen te treffen.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank verklaard dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek, aangezien het blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 814 Rv. niet de bedoeling van de wetgever is geweest om Nederlanders die hun domicilie op de Nederlandse Antillen of Aruba hebben, onder Nederlanders in de zin van art. 814 lid 1 onder a Rv. te begrijpen.

Fleurtje woont bij de man. De vrouw is ingetrokken bij een vriendin. Partijen wonen sinds april 2000 apart.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en alsnog de echtscheiding tussen de partijen uit te spreken.

2. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ten aanzien van Nederlanders die in de overzeese rijksdelen van Nederland verblijven, niet kan worden gezegd dat zij in den vreemde verblijven, zodat op hen art. 814 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing is.

3. Het hof stelt vast, dat artikel 814 lid 1 Rv. naar de letter van toepassing is. De rechtbank legt deze bepaling kennelijk zo uit dat het de bedoeling van de wetgever is: te waarborgen dat Nederlanders die in het buitenland verblijven zich tot een rechter binnen het koninkrijk kunnen wenden om te scheiden, terwijl van Nederlanders die in de overzeese rijksdelen verblijven niet kan worden gezegd dat zij in het buitenland verblijven. Daarbij gaat de rechtbank eraan voorbij dat in de parlementaire stukken over in de overzeese rijksdelen verblijvende Nederlanders niet wordt gerept. Bij wijzigingen van het artikel, nadat de vraag in de rechtsliteratuur was opgeworpen, heeft de wetgever afgezien van een wijziging van de onderhavige bepaling die de toepasselijkheid van onderdeel a uitdrukkelijk beperkt tot Nederlanders zonder woonplaats in een ander rijksdeel. Het hof ziet dan ook geen grond om af te wijken van de bewoordingen van de onderhavige wetsbepaling.

Voorts pleit tegen de uitleg van de rechtbank eveneens dat het tweede lid van art. 814 Rv. de toepasselijkheid van art. 429c, vijftiende lid, uitsluit. De rechtsmacht van de rechter in Nederland mag dus niet worden afgewezen met een beroep op het ontbreken van aanknoping met de Nederlandse, in dit geval in tegenstelling tot de Nederlands-Antilliaanse, rechtssfeer.

Het hof is dan ook van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de rechtbank zich niet onbevoegd had mogen verklaren.

4. Vervolgens dient het hof de vraag te beoordelen welk recht op het verzoek tot echtscheiding dient te worden toegepast.

Gelet op de heersende opvatting dient de vraag te worden beantwoord met behulp van

analogische toepassing van de Wet conflictenrecht echtscheiding, waarbij de Hoge Raad er kennelijk vanuit gaat dat de nationaliteit in een geval als het onderhavige geen aanknopings-punt vormt, zodat bij het ontbreken van een gemeenschappelijke rechtskeuze het recht van het land waar partijen hun gewone verblijfplaats hebben dient te worden toegepast. Nu beide partijen op [X] wonen is dit Nederlands-Antilliaans recht.

5. Op 15 maart 2001 is op de Antillen een nieuw artikel 150 van Boek 1 B.W. in werking getreden, (P.B. 2001, no. 24). Daarin is geregeld dat echtscheiding, waarvoor sinds 1 januari 2001 de duurzame ontwrichting als enige echtscheidingsgrond geldt, indien er nog uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen zijn, niet op verzoek van een der echtgenoten kan worden uitgesproken tegen de wil van de andere echtgenoot, tenzij de echtgenoten tenminste drie jaren onafgebroken duurzaam gescheiden hebben geleefd. Voordat kan worden vastgesteld of met toepassing van dit artikel het verzoek kan worden ingewilligd, dient te worden vastgesteld of de betreffende bepaling van toepassing is, nu het inleidend verzoek is ingediend, voordat het nieuwe Boek 1 B.W. en het nadien gewijzigde artikel 150 daarvan in werking was getreden.

6. In het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen, 2000, no 119 is afgekondigd de Landsverordening van de 32ste oktober 2000 regelende het overgangsrecht ter gelegenheid van de invoering van de Boeken 1,3,5,6,7 en 8 van het Burgerlijk Wetboek. In artikel 14, lid 2 van deze Landsverordening is bepaald: "Het tevoren geldende recht blijft van toepassing, indien een geding als bedoeld in het eerste lid in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen verkeert op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, tenzij de rechter tot voortzetting van het geding beslist." Met een geding als bedoeld in het eerste lid wordt kennelijk bedoeld een geding dat is aangevangen voordat de wet van toepassing is geworden. Aangezien het hoger beroep is ingesteld op 12 maart 2001 was op dat moment de wet reeds van toepassing en was het geding nog niet in staat van wijzen, evenmin als op 15 maart 2001, het tijdstip waarop het hiervoor gedeeltelijk geciteerde artikel 1:150 B.W. in werking trad. De nieuwe wet is derhalve van toepassing.

7. Beide partijen hebben zich bij de behandeling van het geding kennelijk niet gerealiseerd, dat artikel 150 van Boek 1 B.W. op 15 maart 2001 gewijzigd was. De vraag die nu beantwoord moet worden is of de man de echtscheiding niet wil, aangezien partijen nog niet onafgebroken drie jaar duurzaam gescheiden hebben geleefd. Over dit onderwerp is met de raadslieden van de partijen wel gesproken, maar met name de man heeft zich daar niet persoonlijk over uit kunnen laten.

8. Teneinde partijen niet met een beslissing te overvallen zal het hof partijen de gelegenheid geven zich schriftelijk over de wijziging van artikel 1:150 B.W. en hun standpunt dienaangaande uit te laten.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt dat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding;

stelt de partijen in de gelegenheid schriftelijk hun standpunt kenbaar te maken aan het hof en aan elkaar als in overweging 8 bedoeld; de man eerst binnen drie weken na heden en vervolgens de vrouw binnen drie weken daarna;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Hehemann, Pannekoek-Dubois en De Gooijer, bijge-staan door mr. Verkuil als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 26 september 2001.