Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AE2460

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
451-R-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 12 december 2001

Rekestnummer : 451-R-01

Rekestnr. rechtbank : 00/5439

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te Gouda,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. B.J. de Deugd,

tegen

de GEMEENTE GOUDA,

zetelende te Gouda,

de verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: dhr. F. van der Pauw.

PROCESVERLOOP

De man is op 8 juni 2001 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 10 april 2001.

De gemeente heeft op 5 juli 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen gedateerd 2 juli 2001, 26 juli 2001 en 14 september 2001.

Van de zijde van de gemeente is bij het hof een brief ingekomen gedateerd 9 augustus 2001.

Op 3 oktober 2001 is de zaak mondeling behandeld door mr. Pannekoek-Dubois als raads-heer-commissaris. Ter zitting heeft de man zijn zus, [mevr. (.)], meegenomen teneinde voor hem te vertalen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man is gehuwd geweest met [(.)], hierna te noemen: de vrouw, van [1991] tot [2000]. De man is eerder gehuwd geweest met [(-)] van wie hij op 23 oktober 1991 is gescheiden en met wie hij op 26 juli 2000 is hertrouwd.

De gemeente verleent met ingang van 30 september 1999 bijstand aan de vrouw naar de norm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder, verhoogd met een toeslag van 20%. Bij brief van 10 november 1999, verzonden op 18 november 1999, heeft de gemeente de man verzocht inlichtingen te verstrekken op grond waarvan de verhaalsbijdrage kon worden vastgesteld. Zij deelde daarbij mee dat in het geval de man die inlichtingen niet zou verstrek-ken, de gemeente ambtshalve de ver-haalsbijdrage zou vaststellen op de volledige bruto bij-stands-kosten, onder aftrek van de door de man betaalde alimen-tatie.

Op 28 januari 2000, 22 februari 2000 en 23 maart 2000 heeft de gemeente aan de man een verhaals-besluit gezonden, geda-teerd respectievelijk 25 januari 2000, 21 februari 2000 en 21 maart 2000, waarin de onder-houdsbijdrage voor de man werd vast-gesteld op ƒ 580,64 per maand ingaande 18 november 1999 en bij de laatste beschikking op ƒ 687,69 per maand ingaande 1 april 2000.

Op 15 mei 2000 is een aanmaningsbrief verzonden. De man heeft niet betaald.

Op 1 september 2000 heeft de gemeente de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht:

- de door de man ten behoeve van de vrouw verschuldigde verhaalsbijdrage vast te stellen op ƒ 580,64 per maand ingaande 18 november 1999 en op ƒ 687,69 per maand ingaande 1 april 2000;

- de man te veroordelen de verhaalsbedragen aan de gemeente te voldoen zolang de bijstandsverlening aan de vrouw voortduurt en daarenboven de inmiddels ontstane achter-stand in de betalingen vanaf 18 november 1999 af te lossen in bedragen van ƒ 250,- per maand;

- de man, voor het geval de bijstand aan de vrouw wordt beëindigd, met ingang van die datum te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 687,69 per maand totdat de ach-terstand in de betalingen volledig is afgelost;

- de man, in geval van niet tijdige betaling van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is, te veroordelen tot betaling ineens van de hierboven vermelde bedragen;

- de man te veroordelen in de kosten van het geding.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank als volgt beslist:

- bepaalt het bedrag dat de man terzake van de gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van de vrouw aan de gemeente verschuldigd is:

- over de periode van 18 november 1999 tot 1 april 2000 op ƒ 580,64 per maand;

- over de periode van 1 april 2000 tot 1 september 2000 op ƒ 687,69 per maand;

- over de periode van 1 september 2000 tot 10 april 2001 op ƒ 272,51 per maand.

- bepaalt dat de man de schuld met ingang van 1 mei 2001 met ƒ 250,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dient af te lossen, zulks totdat die schuld zal zijn voldaan en dat de -resterende- schuld terstond opeisbaar zal zijn zodra hij deze aflossingsverplichting niet nakomt;

- bepaalt dat de man terzake van verhaal van kosten van bijstand ten behoeve van de vrouw met ingang van 10 april 2001 ƒ 272,51 per maand aan voormelde gemeente dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zolang en voor zover die bijstand wordt verleend.

Hieronder zal het hof zonodig bedragen op hele guldens afronden.

Ten aanzien van de man

De man is geboren op 20 mei 1952. Hij is in loondienst. Zijn bruto loon bedroeg volgens de jaaropgave 1999 ƒ 58.368,-. Blijkens de verklaring van zijn werkgever ontvangt de man geen extra inkomen uit overwerk meer vanaf 1 oktober 2000. De jaaropgave 2000 toont een bruto-inkomen van ƒ 51.140,-. Per 26 maart 2001 is de man van baan veranderd. Sindsdien bedraagt zijn bruto-inkomen, inclusief compensatie afbouw, ƒ 3.614,- per vier weken exclusief vakantiegeld. Hij is tegen ziektekosten verzekerd via het ziekenfonds. Hij woont samen met zijn thans 14 jaar oude zoon Abdelrahim.

De man heeft de volgende maandlasten:

- ƒ 500,- huur en enige servicekosten;

- ƒ 188,- verwervingskosten, incl. reiskosten over de periode vanaf 1 september 2000;

- ƒ 19,- onvergoede ziektekosten over de periode vanaf 1 september 2000.

De man wordt aangesproken voor een schuld bij de Defam.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omvang van de verhaalsbijdrage ten laste van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de verhaalsbijdrage ten laste van hem vast te stellen op nihil, dan wel op een lager bedrag dan door de rechtbank werd vastgesteld. De gemeente bestrijdt zijn beroep.

3. De gemeente verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en te bepalen dat pas rekening gehouden kan worden met de door de man opgevoerde schulden vanaf het tijdstip waarop is aangetoond dat ook daadwerkelijk op die schulden wordt afgelost.

4. Bij brief van 9 augustus 2001 heeft de gemeente meegedeeld dat zij de vastgestelde bijdrage over de periode 18 november 1999 tot 1 juni 2001 wenst te handhaven en dat - nu blijkt dat door de man vanaf 1 juni 2001 op de schuld aan de Defam wordt afgelost met een bedrag van ƒ 300,- per maand - vanaf 1 juni 2001 gedurende een periode van drie jaar de verschuldigde verhaalsbijdrage kan worden vastgesteld op nihil.

5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen rekening dient te worden gehouden met de onderhoudsverplichtingen van hem jegens zijn huidige echtgenote en kinderen in Marokko. Hij voert daarbij aan dat hij gedurende zijn huwelijk met de vrouw met regelmaat grote bedragen overgemaakt heeft aan zijn huidige echtgenote en kinderen in Marokko, uit hoofde van de aan hen verschuldigde bijstand. De man verwijst naar de bepalingen van art. 1:81, 82 en 392 BW, waarin deze verplichtingen naar Nederlands recht zijn vastgelegd. De man verzoekt het hof om op voet van art. 429s Rv die verplichtingen nader te onderzoeken. Tevens beroept de man zich op art. 6 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen 1973, die de Nederlandse rechter mogelijkheid biedt om op grond van Nederlands recht een onderhoudsverplichting jegens de kinderen te doen vaststellen. Voorts voert de man aan dat hij voldoet aan een verplichting van moraal en fatsoen door zijn huidige echtgenote en kinderen in Marokko te ondersteunen, aangezien zij in een arme streek van Marokko leven en geen eigen inkomsten hebben, noch in de gelegen-heid zijn om daar enig inkomen te vergaren. De man stelt dat hij door middel van bankaf-schriften genoegzaam heeft aangetoond dat hij met regelmaat grote bedragen voldoet aan zijn huidige echtgenote en kinderen in Marokko. Ter zitting heeft de man nog aangevoerd dat zijn huidige echtgenote geen eigen bankrekening heeft en dat de door hem overgemaakte bedragen bestemd zijn voor zowel zijn huidige echtgenote als zijn kinderen in Marokko. Die kinderen zijn geboren respectievelijk in 1974, 1976, 1977 en 1995.

6. De gemeente stelt dat de door de man aangetoonde betalingen naar Marokko plaatsvonden op een rekening van een meerderjarige dochter en dat er geen bedragen worden overge-maakt aan zijn huidige echtgenote. De man bevestigt dat er geen bedragen worden overge-maakt aan zijn huidige echtgenote, maar op rekening van zijn meerderjarige dochter. De gemeente is van mening dat met deze betalingen geen rekening gehouden kan worden aangezien er volgens de Nederlandse wetgeving geen onderhoudsplicht bestaat voor kinderen die meerderjarig zijn. De gemeente stelt voorts, onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 september 1999 nr. R98/124, dat er alleen met betaling van onderhoudsbijdragen aan familieleden in het buitenland rekening gehouden kan worden indien de man tot deze betalingen verplicht is en hij van die betalingen deugdelijke bewijzen kan leveren. Ter zitting heeft de gemeente aangevoerd dat het bijstandsverhaal dient te prevaleren boven de onderhoudsverplichting in Marokko.

7. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen.

8. Het hof gaat er van uit dat de man een verplichting heeft in het levensonderhoud van zijn minderjarige kinderen te voorzien, maar niet in dat van zijn meerderjarige kinderen. Voorzover ingevolge de Marokkaanse wetgeving een verplichting tot onderhoud na het meerderjarig worden voorduurt, heeft deze verplichting geen voorrang boven het bijstandsverhaal. Daarenboven heeft de man niet aangetoond dat zijn meerderjarige kinderen niet in eigen levensonderhoud (kunnen) voorzien. De enkele mededeling terzake van de man is daartoe onvoldoende. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit een verplichting blijkt te voorzien in het levensonderhoud van zijn in Marokko verblijvende huidige echtgenote in de periode dat hij niet met haar gehuwd was, laat staan van de omvang van zo'n verplichting. De man heeft onweersproken gesteld dat het de bedoeling is dat zijn huidige echtgenote zich in Nederland bij hem voegt, maar dat dit nog niet is gebeurd vanwege problemen met de vreemdelingendienst. Het hof acht het redelijk met een verplichting ten opzichte van zijn huidige echtgenote rekening te houden vanaf het moment van het huwelijk totdat zij zich bij de man heeft gevoegd. Dit brengt met zich mee dat het hof voor wat de draagkracht van de man betreft niet rekening zal houden met de gezinsnorm maar met de bijstandsnorm van een eenoudergezin (in verband met de bij de man in Nederland wonende 14-jarige zoon). De man heeft aangegeven dat de door hem naar Marokko overgemaakte bedragen (de man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat hij gemiddeld ƒ 1.000,- per maand heeft overgemaakt) bestemd waren zowel voor zijn drie meerderjarige kinderen, als voor zijn aldaar verblijvende minderjarig kind en zijn huidige echtgenote. Het hof gaat er vanuit, nu de man geen verdere toelichting op de bestemming van de gelden heeft gegeven, dat van dit bedrag voor ieder van de vijf in Marokko wonende gezinsleden een gelijk bedrag bestemd was, dat wil zeggen ƒ 200,- per maand per persoon.

9. Het hof zal op grond van het hiervoor overwogene bij de draagkracht van de man rekening houden met betalingen van ƒ 200,- per maand voor zijn minderjarige in Marokko verblijvende dochter, en tevens vanaf het moment van zijn (her)trouwen met betalingen van ƒ 200,- per maand voor zijn huidige echtgenote.

10. Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de man over de periode 18 november 1999 tot 1 april 2001 uitgaan van een gemiddeld bruto-jaarinkomen van ƒ 51.140,- en over de periode vanaf 1 april 2001 met zijn nieuwe salaris. Het hof houdt voorts rekening met de in verband met de ZFW te betalen premie (werkgevers- en werknemersdeel). Het hof zal evenals de rechtbank over de periode vanaf 1 september 2000 rekening houden met een bedrag van ƒ 188,- per maand in verband met verwervingskosten inclusief reiskosten en zal voorts een bedrag van ƒ 19,- per maand aan onvergoede ziektekosten in aanmerking nemen. Tenslotte houdt het hof rekening met de bijstandsnorm van een eenoudergezin zolang zijn huidige echtgenote niet bij hem woont en met een draagkrachtpercentage van 50%.

11. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man toelaat een aandeel in de bijstandskos-ten van de gemeente te voldoen van:

- over de periode van 18 november 1999 tot 26 juli 2000 ƒ 454,- (€ 206,-) per maand;

- over de periode van 26 juli 2000 tot 1 september 2000 ƒ 264,- (€ 120,-) per maand;

- over de periode van 1 september 2000 tot 1 april 2001 ƒ 113,- (€ 51,-) per maand;

- over de periode van 1 april 2001 tot 1 juni 2001 ƒ 86,- (€ 39,-) per maand.

De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigd.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt dat de man aan de gemeente moet voldoen ter zake van - ten behoeve van de vrouw - gemaakte kosten van bijstand, een bedrag van:

- over de periode van 18 november 1999 tot 26 juli 2000 ƒ 454,- (€ 206,-) per maand;

- over de periode van 26 juli 2000 tot 1 september 2000 ƒ 264,- (€ 120,-) per maand;

- over de periode van 1 september 2000 tot 1 april 2001 ƒ 113,- (€ 51,-) per maand;

- over de periode van 1 april 2001 tot 1 juni 2001 ƒ 86,- (€ 39,-) per maand.

wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door mr. Visser als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 12 december 2001.