Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AE0521

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2001
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
2200097901
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200097901

parketnummer 1015011100

datum uitspraak 26 juli 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 26 maart 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2001.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

1. dat hij op 6 september 2000 te Almere tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, 1.062042 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende kijst I;

2. dat hij op 06 september 2000 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad 603 gram van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. dat hij op 06 september 2000 te Almere een wapen van categorie III, te weten een pistool, kaliber 9 mm, en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Nadere bewijsoverweging

Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte niet wist dat de koffers, tassen en dozen die [R] op 6 september 2000 ter opslag in zijn garage bij hem kwam brengen, harddrugs bevatten.

Daarom ontbreekt de tenlastegelegde opzet, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt dit verweer.

De verdachte had - naar eigen zeggen - de dag tevoren van [R] een tas met ruim 600 gram cocaïne ter bewaring in ontvangst genomen. Hij wist dus dat [R] zich met harddrugs inliet en maakte zich daar zelf dus ook aan schuldig, ook al heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij daarover die avond heeft getobd. Toen [R] hem de volgende dag wederom zaken ter opslag aanbood, moet de verdachte zich gerealiseerd hebben dat het heel wel - wederom - om harddrugs zou kunnen gaan. Blijkens de verklaring van [R] heeft de verdachte er bij het uitladen blijk van gegeven een typische, anijsgeur te hebben geroken. Door desondanks met die opslag in te stemmen - blijkens de waarnemingen van het observatieteam zonder dat daarover langdurig werd gediscussieerd; in tegendeel: met actieve medewerking van de verdachte werden de goederen zijn garage binnengebracht - heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij harddrugs - in casu XTC-pillen - onder zijn hoede nam en heeft hij mitsdien die pillen met voorwaardelijk opzet aanwezig gehad. Het hof laat dan nog daar dat verdachtes lezing, dat [R] onaangekondigd bij hem is verschenen, weinig geloof verdient. Het ligt immers bepaald niet in de rede dat [R] met een zo grote lading verdovende middelen op de bonnefooi naar de verdachte is gereden om die harddrugs daar op te slaan en aldus het risico zou hebben aanvaard dat hij onverrichter zake zou moeten terugkeren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal [advocaat-generaal] heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren met aftrek van voorarrest, en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 11 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is samen met een ander betrokken geweest bij de opslag van een zeer grote handelsvoorraad harddrugs, te weten meer dan een miljoen XTC-pillen. Voorts heeft de verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie en ruim 600 gram cocaïne in huis gehad.

Gezien de effecten die harddrugs op de gezondheid hebben, vormt de handel in harddrugs een bedreiging voor de volksgezondheid in Nederland en andere landen. Daarnaast gaat de handel in harddrugs veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit. Door zijn woning respectievelijk zijn garage ter beschikking te stellen voor de opslag van dergelijke hoeveelheden harddrugs, vormde de verdachte een belangrijke schakel in de keten van het in omloop brengen van harddrugs. Tegen dergelijke bijdragen - hoe beperkt die op zichzelf ook mogen lijken - dient uit generaal en speciaal preventief oogpunt krachtig te worden opgetreden. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving en kan, met name in combinatie met (hard)drugs, ernstige gevolgen met zich meebrengen als deze wapens daadwerkelijk worden ingezet.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, eerder ter zake van opiumwetdelicten is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 11 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien dit de gezamenlijkheid van voorwerpen betreft met betrekking tot welke de onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en het ongecontroleerde bezit van al deze voorwerpen in strijd is met de wet of met het algemene belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht alsmede op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIJF JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen genoemd onder de nummers 1 tot en met 11 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mrs Aler, 't Hart en Korvinus,

in bijzijn van de griffier mr De Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juli 2001.

Mr 't Hart is buiten staat dit arrest te ondertekenen.