Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AE0513

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
2200312600
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200312600

parketnummer 0975415899

datum uitspraak 18 december 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van

5 december 2000 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting

"De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 oktober 2001 en 4 december 2001.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu de opnamen van telefoongesprekken die in deze zaak zijn afgeluisterd gedurende de periode van 6 oktober 1999 tot 15 februari 2000, door toedoen van de politie niet bewaard zijn gebleven. Hierdoor wordt de verdediging in ernstige mate belemmerd.

Daar komt nog bij dat de processen-verbaal van de tap-gesprekken geen letterlijke weergave daarvan bevatten, maar een samenvatting, gemaakt door de uitluisterende verbalisant. In de processen-verbaal worden zo nu en dan opmerkingen gemaakt door de verbalisanten die subjectief zijn. Daarom is het des te ernstiger dat de schriftelijke weergave van de tapgesprekken niet door de verdediging kan worden gecontroleerd, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt dit verweer.

Uit de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen van de politieambtenaren [C] en [W] is gebleken dat de opnamen van afgeluisterde telefoongesprekken in de betreffende periode door een technische fout danwel een verkeerde verwerking in het systeem verloren zijn gegaan.

Van enig bewust handelen of nalaten met als doel de verwijdering van de betreffende taps, is geen sprake geweest.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte erkend heeft de betreffende telefoongesprekken te hebben gevoerd en hij tijdens zijn politieverhoren in staat is geweest commentaar en uitleg te geven met betrekking tot de inhoud van die gesprekken, kan ook niet worden gezegd dat door het verloren gaan van de opnamen in zodanige mate tekort is gedaan aan de rechten van de verdediging, dat dit zou moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

4. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest.

Terzake van feit 5 is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van f. 3.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis en terzake van feit 6 is de verdachte veroordeeld tot tweeëntwintig keer een geldboete van f. 1.000,-, telkens subsidiair 20 dagen hechtenis.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

5. Omvang van het hoger beroep

Voorzover de verdachte bij het -op tegenspraak gewezen- vonnis is veroordeeld terzake van de overtreding "overtreding van artikel 3, vierde lid van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening" en "overtreding van artikel 3, vierde lid van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, tweeëntwintig maal gepleegd", bij inleidende dagvaarding respectievelijk onder 5 en 6 tenlastegelegd, stond daartegen geen hoger beroep open.

Het hof neemt aan dat de verdachte en de officier van justitie ten aanzien van deze feiten beroep in cassatie hebben willen instellen. Het hof vindt hierin aanleiding het door de verdachte en de officier van justitie ingestelde hoger beroep in dienovereenkomstige zin te verstaan. Dit brengt mee dat de zaak in zoverre op dat beroep in cassatie zal moeten worden behandeld en beslist door de Hoge Raad der Nederlanden, tenzij dit rechtsmiddel vóór die behandeling zou worden ingetrokken.

Derhalve moeten de stukken van het geding ter behandeling en beslissing van de zaak als voormeld worden gezonden aan de hierna te noemen griffier.

6. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

12 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

1. dat hij op 21 maart 2000 te Den Haag, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,75 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. dat hij op 21 maart 2000 te Wateringen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,78 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. dat hij op 21 maart 2000 te Wateringen een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ en type 75 B en kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad;

4. dat hij in de periode van 1 december 1999 tot en met 21 maart 2000 te 's-Gravenhage, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid capsules van het geneesmiddel Ionamin Forte, bevattende Phentermine, zijnde Phentermine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7. dat hij op tijdstippen gelegen in de periode van 29 januari 2000 tot 21 maart 2000 in Nederland een vrouw, genaamd [slachtoffer 1] , door geweld en door bedreiging met geweld en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht tot prostitutie heeft gebracht,

door toen en daar, althans kort tevoren, kort samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft voor genoemde vrouw onderdak verzorgd, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw onder druk van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gedwongen / gedrongen ( een deel van ) het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te dragen, zonder dat zij daartoe uit hoofde van een afspraak gehouden was, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw meermalen geslagen en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw gedreigd te mishandelen en te doden;

8. dat hij in de periode van 2 januari 2000 tot 29 januari 2000 in Nederland een minderjarige vrouw, genaamd [slachtoffer 1] , tot prostitutie heeft gebracht,

door toen en daar, althans kort tevoren, kort samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft voor genoemde vrouw onderdak en een ruimte / lokatie om de prostitutie te bedrijven verzorgd, en

- hij, verdachte, heeft vervoer naar de werkplek verzorgd en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw onder druk van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gedwongen / gedrongen ( een deel van ) het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te dragen, zonder dat zij daartoe uit hoofde van een afspraak gehouden was, en

- hij, verdachte, heeft een vals paspoort voor genoemde vrouw geregeld zodat zij als prostituee aan het werk kon en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw een schuld opgelegd ten gunste van hem, verdachte;

9. dat hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 december 1999 tot 21 maart 2000 in Nederland een vrouw, genaamd [slachtoffer 2] , door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht tot prostitutie heeft gebracht,

door toen en daar, althans kort tevoren, kort samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft voor genoemde vrouw onderdak om de prostitutie te bedrijven verzorgd, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw onder druk van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gedwongen / gedrongen ( een deel van ) het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te dragen, zonder dat zij daartoe uit hoofde van een afspraak gehouden was, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw gedwongen XTC-pillen te slikken en

- hij, verdachte, heeft genoemde vrouw beperkt in haar bewegingsvrijheid en in het aangaan en onderhouden van andere, dan met de prostitutie verband houdende, persoonlijke relaties en contacten en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw meermalen geslagen en geschopt en getracht te wurgen en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw gedreigd te mishandelen en/of te doden;

- hij, verdachte, heeft het paspoort van genoemde vrouw afgenomen;

10. dat hij op tijdstippen gelegen in de periode van 02 januari 2000 tot 21 maart 2000 in Nederland een vrouw, genaamd [slachtoffer 3] , door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht tot prostitutie heeft gebracht,

door toen en daar, althans kort tevoren, kort samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft voor genoemde vrouw onderdak verzorgd, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw onder druk van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gedwongen / gedrongen ( een deel van ) het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te dragen, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw gecontroleerd ten aanzien van de hoogte van haar verdiensten en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw geslagen en gestompt en gebeten en aan de haren getrokken en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw gedreigd te mishandelen en/of te doden;

11. dat hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 december 1999 tot 21 maart 2000 in Nederland een vrouw, genaamd [slachtoffer 4] , door geweld en een of meer andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld en bedreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding tot prostitutie heeft gebracht,

door toen en daar, althans kort tevoren, kort samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt te handelen:

- hij, verdachte, heeft voor genoemde vrouw een ruimte / lokatie om de prostitutie te bedrijven verzorgd, en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw onder druk van uit feitelijke verhoudingen gedwongen / gedrongen ( een deel van ) het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te dragen, zonder dat zij daartoe uit hoofde van een afspraak gehouden was, en

- hij, verdachte, heeft genoemde vrouw gecontroleerd en genoemde vrouw niet de vrijheid gegeven om te mogen beslissen op en/of gedurende welke tijden zij al dan niet prostitutiewerkzaamheden zou verrichten en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw meermalen geslagen en gestompt en getracht te wurgen en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw gedreigd te mishandelen en/of te doden;

12 subsidiair. dat hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 december 1999 tot 21 maart 2000 in Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om een vrouw, genaamd [slachtoffer 5] , door geweld en of meer andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht tot prostitutie te brengen,

toen en daar, althans kort tevoren, kort samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt heeft gehandeld:

- hij, verdachte, heeft voor genoemde vrouw een ruimte / lokatie om de prostitutie te bedrijven verzorgd,

- hij, verdachte, heeft genoemde vrouw meegenomen naar Amsterdam om haar "de Wallen" te laten zien en

- hij, verdachte, heeft genoemde vrouw in Amsterdam enige tijd bij een prostituee (genaamd [prostituee]) achtergelaten om genoemde vrouw in te werken en

- hij, verdachte, heeft voornoemde vrouw geslagen en getracht te wurgen;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

10. Bewijsverweren

a. Door de raadsvrouw is gesteld, dat naar haar oordeel de opening van het gerechtelijk vooronderzoek tegen haar cliënt op 14 januari 2000 door de rechter-commissaris onrechtmatig is geweest, doordat een redelijk vermoeden van schuld jegens hem ontbrak. Gevolg hiervan is -aldus de raadsvrouw-, dat ook de tegen haar cliënt afgegeven tapmachtiging onrechtmatig dient te worden beschouwd en derhalve de opgenomen telefoongesprekken niet mogen dienen als bewijs voor datgene, wat aan cliënt tenlaste is gelegd.

Het hof verwerpt dit verweer op de volgende gronden:

Blijkens de op 12 januari 2000 door het openbaar ministerie ingediende vordering gerechtelijk vooronderzoek oordeelde de officier van justitie, dat tegen verdachte een redelijk vermoeden bestond dat hij zich in de periode van 1 juni 1998 tot 12 januari 2000 tezamen en in vereniging met anderen had schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 250ter van het Wetboek van Strafrecht.

Blijkens de inhoud van het rapport van de politie Haaglanden, gedateerd 10 januari 2000 was dit vermoeden tegen verdachte gebaseerd op een aantal opgenomen telefoongesprekken tussen [Y] en [A] -broers van verdachte tegen wie reeds op 1 oktober 1999 een gerechtelijk vooronderzoek terzake van overtreding van artikel 250ter van het Wetboek van Strafrecht was geopend- en verdachte. In genoemd rapport wordt door de opsteller, de brigadier [B] geconcludeerd, dat op basis van de bij het rapport gevoegde afgeluisterde telefoongesprekken het vermoeden bestaat, dat verdachte zich, samen met zijn broers, eveneens schuldig maakt aan zogenaamde vrouwenhandel.

Het hof is van oordeel dat op basis van het voormelde en met name gelet op de inhoud van deze telefoongesprekken die zich bij de stukken bevinden, de rechter-commissaris in redelijkheid heeft kunnen oordelen, dat tegen verdachte op overeenkomstige of soortgelijke wijze als tegen zijn broers een verdenking bestond, dat hij zich schuldig had gemaakt aan vrouwenhandel.

b. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de processen-verbaal waarin afgeluisterde telefoongesprekken zijn weergegeven waarvan de opnamen niet bewaard zijn gebleven, niet tot bewijs mogen dienen.

Het Hof overweegt hieromtrent het volgende.

Zoals hiervoor onder 3. is gerelateerd, zijn de opnamen van afgeluisterde telefoongesprekken gedurende de periode van 6 oktober 1999 tot 15 februari 2000 verloren gegaan.

Voorop moet worden gesteld dat het niet bewaren van zodanige opnamen, afbreuk kan doen aan de rechten van de verdediging. De verdachte is dan immers niet in staat door hem betwiste weergaven van die gesprekken

door middel van het beluisteren van die opnamen te verifiëren.

In de onderhavige zaak heeft verdachte erkend dan wel niet betwist de betreffende telefoongesprekken te hebben gevoerd en heeft hij een nadere uitleg van vele gesprekken gegeven zonder de weergave daarvan in het proces-verbaal bij die gelegenheid te betwisten. Door de verdediging is ook niet gewezen op bepaalde onjuistheden in de zogenaamde tap-journalen.

Het Hof is dan ook van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden deze processen-verbaal -in samenhang met de overige bewijsmiddelen- tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

11. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

7, 8, 9, 10 en 11: mensenhandel, meermalen gepleegd;

12 subsidiair: poging tot mensenhandel.

13. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

14. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. [adresvocaat-generaal] heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek van voorarrest, en beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in haar vordering.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van enkele maanden meermalen schuldig gemaakt aan mensenhandel ten behoeve van straat- of raamprostitutie en een poging daartoe.

Verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van de afhankelijke positie waarin hij vijf vrouwen had gebracht en daarbij de vrouwen vernederd en geweld tegen hen gebruikt. Ook heeft verdachte een pistool in zijn bezit gehad en heeft hij verschillende slachtoffers met een dergelijk wapen bedreigd.

Voorts heeft verdachte voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheden cocaïne en middelen die Phentermine bevatten aanwezig gehad.

Het hof neemt verder nog in aanmerking dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, al eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, terwijl hij ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten bovendien in een proeftijd liep van die eerdere veroordeling, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

15. Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 vuurwapen, kleur zilver, Astra 6.35 en 4 patronen S&B 6.35, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortelijke feiten, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en

- een hoeveelheid capsules van het geneesmiddel Ionamin Forte, bevattende Phentermine,

dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan en het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 57 en 250ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Verstaat dat de verdachte en de officier van justitie terzake van de in het vonnis waarvan beroep onder 5 en 6 tenlastegelegde overtredingen beroep in cassatie hebben ingesteld en bepaalt dat de stukken van het geding ter behandeling en beslissing op dat beroep zullen worden gezonden aan de griffier van de Hoge Raad der Nederlanden.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 12 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZES JAAR.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een vuurwapen, kleur zilver, Astra 6.35 en 4 patronen S&B 6.35;

- een hoeveelheid capsules van het geneesmiddel Ionamin Forte, bevattende Phentermine.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Stoker-Klein, Noordam en Den Os,

in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2001.