Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AE0325

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2001
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
2200110300
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200110300

parketnummer 1004006599

datum uitspraak 25 oktober 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 maart 2000 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 oktober 2001.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

BIJLAGE:

dat hij op 26 juni 1999 te Rotterdam opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, met een mes, in de borst en in de zij, gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd - zoals nader toegelicht in zijn pleitnotities - dat de verdachte heeft gehandeld in een noodweer- situatie.

Op grond van de eigen verklaringen van verdachte tegenover de politie afgelegd, gaat het hof uit van het volgende:

Verdachte is op 26 juni 1999 in zijn woning (op de tiende verdieping) telefonisch bedreigd door het latere slachtoffer, dat hem meedeelde dat hij verdachte nu zou komen vermoorden. Op de avond van die dag ging de deurbel en meldde het latere slachtoffer zich via de intercom. Vervolgens heeft verdachte bewapend met een mes de woning verlaten en is hij naar beneden gegaan. Nadat het slachtoffer beneden op straat met één hand boven zijn hoofd geheven op hem af kwam lopen, heeft hij het slachtoffer met het mes gestoken.

Vervolgens kwam het slachtoffer wederom op hem af en stak verdachte het slachtoffer nog een keer.

Deze feiten, in onderling verband en samenhang bezien, leiden het hof tot het oordeel dat verdachte, toen hij gewapend de woning verliet, willens en wetens zelf de confrontatie heeft gezocht.

Niet is aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Bovendien is het hof van oordeel, dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in een situatie heeft bevonden waaraan hij zich alleen heeft kunnen onttrekken door de confrontatie - in welke vorm dan ook - met het slachtoffer aan te gaan.

Derhalve faalt een beroep op noodweer.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Wesselink heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van de tenlastegelegde doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft L. op gewelddadige wijze van het leven beroofd. Door zijn handelen heeft verdachte groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Bovendien heeft zijn handelen de rechtsorde ernstig geschokt.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Michiels van Kessenich-Hoogendam, Reinking en Suyver, in bijzijn van de griffier Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2001.