Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AE0259

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
1200004000
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van invoeren van 44,5 kg. en 3 kg. cocaïne (invoer per schip in kisten motoren en motoronderdelen).

Verwerping verweer dat de telefoontaps onrechtmatig zijn geweest.

Verwerping verweer dat de doorzoeking ter inbeslagneming op 4 mei 2000 onrechtmatig heeft plaatsgevonden.

4 1/2 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer 2200224000

Parketnummer 1200004000

datum uitspraak 28 februari 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 23 augustus 2000 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [...] 1940,

thans gedetineerd in de penitentiaire Inrichting Utrecht,

Loc. Nieuwegein-mannen, te Nieuwegein.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 augustus 2000 en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2001.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair onder c is tenlastegelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair onder a en b tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Bijlage:

Hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1998 tot en met 19 april 2000, in de gemeente Vlissingen, en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen meermalen,

Vanuit Suriname, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/ of opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet

Hoeveelheden cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

Hebbende hij, verdachte, en/ of zijn mededaders toen en daar opzettelijk:

a) in de periode van 1 maart 2000 tot en met 19 april 2000, althans in elk geval in de periode van 1 april 1998 tot en met 19 april 2000, ongeveer 44,5kilogram cocaine, in kisten waarin tevens motoronderdelen en/ of motoren werden vervoerd- geborgen / verpakt en vervolgens die kisten met die cocaine vanuit Suriname per schip naar Nederland laten brengen, en

b) in de periode van 1 april tot en met 1 juli 1999, althans in elk geval in de periode van 1 april 1998 tot en met 19 april 2000, ongeveer 3 kilogram cocaine, in een motor/ motoronderdelen en in een kist waarin tevens motoronderdelen en/ of motoren werden vervoerd, geborgen/ verpakt en vervolgens die kist en die motor(onderdelen) met die cocaine vanuit Suriname per schip naar Nederland laten brengen,

Hetgeen anders of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- enjof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in

de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Nadere bewijsoverweging

7.1 De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep wederom het verweer gevoerd dat de telefoontaps bij verdachte onrechtmatig zijn geweest, aangezien er geen schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris is en er niet binnen drie dagen procesverbaal is opgemaakt, ingevolge de artikelen 1261 lid 4 juncto lid 7 juncto 126m eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Het hof verwerpt dit verweer en van de arrondissementsrechtbank sluit zich aan bij de overweging en maakt die tot de zijne.

7.2 Vervolgens voert de raadsman opnieuw in hoger beroep het verweer dat de doorzoeking ter inbeslagneming op 4 mei 2000 bij verdachte ingevolge artikel 97 lid 3 Sv onrechtmatig heeft plaatsgevonden, aangezien niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 6 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).

Het hof verwerpt ook dit verweer.

De huiszoeking ter inbeslagneming, aan de [adres] te Amersfoort, is uitgevoerd door een hulpofficier van justitie, ingevolge artikel 97 lid 3 juncto lid 1 en 2 Sv, bepalende dat de hulpofficier van justitie alleen bevoegd is indien het optreden van de rechter-commissaris en dat van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, sprake is van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, machtiging van de rechter-commissaris wordt verkregen en de doorzoeking dringend noodzakelijk is.

Gebleken is dat de rechter-commissaris reeds op 1 mei 2000 verlof heeft verleend tot doorzoeking van de woning van verdachte, maar eveneens is gebleken dat noch de rechtercommissaris te Middelburg noch die te Utrecht op het moment dat de zoeking op 4 mei 2000 moest plaats vinden in staat was deze te leiden. Zoeking was op die datum echter wel dringend noodzakelijk.

Op die dag werden namelijk de kisten met motoronderdelen door verdachte naar Culemborg getransporteerd en het onderzoek vergde dat bij aankomst van dat transport (of zo spoedig mogelijk daarna) die kisten in beslag werden genomen én verdachte werd aangehouden én -ter voorkoming van verlies van bewijsmateriaal- in de woning van verdachte doorzoeking ter inbeslagneming plaats vond. Het betrof hier verdenking van invoer van verdovende middelen, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De officier van justitie zelf was betrokken bij de doorzoeking in Culemborg zodat de zoeking in de woning van verdachte aan de hulpofficier mocht worden overgelaten.

Deze hulpofficier van justitie heeft op 4 mei 2000 een machtiging tot doorzoeking ter inbeslagneming aan de rechter-commissaris gevraagd, welke hem dezelfde dag mondeling is verleend.

In het Wetboek van Strafvordering is niet bepaald dat die machtiging in een later stadium schriftelijk moet worden vastgelegd. Op basis van de mondeling verleende machtiging was de hulpofficier van justitie bevoegd om de woning van verdachte binnen te treden. Ingevolge artikel 97, lid 4 Sv was een afzonderlijke machtiging als bedoeld in artikel 2 Awbi niet meer vereist. Artikel 6 Awbi ziet slechts op machtigingen als bedoeld in artikel 2 van die wet en aan dat artikel 6 kan derhalve evenmin de eis worden ontleend dat de machtiging van de rechtercommissaris op schrift diende te worden gesteld.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid,

onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het primair onder a, b en c tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de arrondissementsrechtbank zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis vermelde straf en dat de verdachte derhalve zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, gedurende een periode van ongeveer twee jaar, samen met anderen, op de in de bewezenverklaring omschreven wijze schuldig gemaakt aan de invoer van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne.

De cocaïne was geborgen in balken van kisten en in onderdelen van een motorfiets. De totale hoeveelheid cocaïne bedroeg ongeveer 47,5 kilogram. De verdachte heeft gehandeld uit louter winstbejag om zijn schulden af te lossen en in zijn levensonderhoud te voorzien.

De door de verdachte en zijn mededaders gepleegde invoer van een dergelijke hoeveelheid cocaïne is een misdrijf, dat bijdraagt aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensrnisdrijven wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Het hof is gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat verdachte voor het onder 1 c tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair onder c tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair onder a en b tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER EN EEN HALF (4,5) JAAR.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs Kok, Gerritzen en Van Rijnberk, in bijzijn van de griffier mr Couvret.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 februari 2001.