Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AD5891

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
00/678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 15 november 2001

Rolno. : 00/678

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats appellant],

eiser, hierna te noemen: [Appellant],

procureur: mr. M. van Gemert,

- - t e g e n - -

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde, hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. E.J. Daalder.

HET GEDING

Bij exploit van 8 juni 2000 heeft [Appellant] de Staat gedagvaard voor dit hof en daarbij een request-civiel ingediend tegen het door dit hof in de zaak met rolnummer 94/768 gewezen tussenarrest. [Appellant] concludeerde bij conclusie van eis conform dit exploit.

De Staat heeft bij conclusie van antwoord op request-civiel op dit exploit gereageerd, waarna [Appellant] nog een akte uitlating producties heeft genomen.

Ten slotte zijn de stukken in handen van het hof gesteld voor het wijzen van arrest.

BEOORDELING VAN DE VORDERING

1. de vaststaande feiten:

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, niet of niet voldoende gemotiveerd betwist en/of gestaafd door overgelegde bescheiden of ambtshalve wetenschap van het hof staat ten processe het volgende vast:

(a) bij het hof is aanhangig de appelzaak met rolno. 94/768, waarin [Appellant] van de Staat schadevergoeding vordert op grond van ten onrechte aan hem in 1968 opgelegde terbeschikkingstelling van de regering;

(b) op 23 maart 1995 heeft het hof in die zaak een tussenarrest gewezen, waarbij [Appellant] werd toegelaten door getuigen te bewijzen, dat door of vanwege de Staat in de periode tussen 22 december 1982 en 1989 bij hem verwachtingen zijn opgewekt c.q. aan hem toezeggingen zijn gedaan dat hem in verband met zijn terbeschikkingstelling een financiële tegemoetkoming zou worden uitbetaald;

(c) uitgaande van een in die zaak geproduceerde (kopie) brief van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 21 december 1982, waarbij de aanspraak van [Appellant] op schadevergoeding ter zake als voormeld werd afgewezen, overwoog het hof in zijn tussenarrest dat een eventuele vordering uit dien hoofde op 22 december 1982 opeisbaar is geworden, dat de verjaringstermijn (van die vordering) op 1 december 1983 aanving en dat deze termijn vijf jaar later op 31 december 1987 verstreek;

(d) in de zaak met rolno. 94/768 zijn een aantal getuigen gehoord, onder wie de voormalige Staatssecretaris van Justitie mr. V.N.M. Korte-van Hemel, die omtrent deze brief van 21 december 1982 het volgende verklaarde:

“U (de raadsheer-commissaris, hof) toont mij een ongetekende kopie d.d. 21 december 1982 van een brief gericht aan de heer [Appellant] en afkomstig van het Ministerie van Justitie waarin een financiële claim van de heer [Appellant] wordt afgewezen. Ik weet niet wie deze brief heeft getekend en zelfs niet of deze brief conform deze kopie is uitgegaan. Ik zelf placht destijds conceptbrieven te beoordelen aan de hand van daarop gegeven commentaar van het ambtelijk apparaat. Dergelijke brieven placht ik zelf te ondertekenen nadat deze door de typekamer waren geminuteerd. Niet alle brieven die tot mijn beleidsterrein behoorden werden door mij gezien en ondertekend. Bovengenoemde kopie-brief, die ongetekend bij de heer [Appellant] (die zulks hier verklaart) is terechtgekomen, komt voort uit het ambtelijk apparaat en is mij tot heden onbekend gebleven. Uiteraard kan ik voor die brief geen verantwoordelijkheid nemen.”

2. de vordering en de daarvoor aangevoerde gronden

2.1 [Appellant] vordert, dat bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het tussenarrest van 23 maart 1995 wordt vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende zal beslissen zoals gevorderd in de appeldagvaarding in de zaak met rolnummer 94/768. Aldaar wordt, naar het hof ambtshalve bekend is, gevorderd, dat voor recht wordt verklaard dat de Staat jegens [Appellant] onrechtmatig heeft gehandeld op gronden zoals bij inleidende dagvaarding in die zaak gesteld en voorts dat de Staat wordt veroordeeld aan [Appellant] te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

2.2 Het request-civiel steunt op de stelling, dat het tussenarrest, gelet op de voormelde inhoud van de verklaring van de getuige Korte-van Hemel, is gewezen op een bescheid dat voor vals is erkend of vals is verklaard door de getuige die deze brief zou hebben geschreven; kennelijk wordt hier gedoeld op de grond voor request-civiel als omschreven in artikel 382 sub 7 Rv.

3. het verweer

De Staat betwist dat sprake is van valsheid in de zin van genoemde wetsbepaling en stelt dat de bewijslast te dezer zake op [Appellant] rust.

4. het oordeel van het hof

4.1 Als grond voor herroeping van een rechterlijke uitspraak als het onderhavige tussenarrest wordt in artikel 382 onder 7 genoemd het geval dat is gevonnist “op stukken die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard zijn”. Van erkenning van valsheid door de tegenpartij van [Appellant], in casu de Staat, is hier geen sprake, alleen al omdat de getuige Korte-van Hemel ten tijde van haar verklaring de Staat niet meer kon vertegenwoordigen, terwijl evenmin kan worden gezegd dat het stuk waarover mr. Korte-van Hemel verklaarde vals is verklaard nu een daartoe strekkende rechterlijke uitspraak niet bestaat. De vraag is derhalve thans nog slechts of de verklaring van de getuige Korte-van Hemel ertoe moet leiden dat dit hof vaststelt dat de bedoelde brief vals is.

4.2 Met betrekking tot de betekenis die aan voormelde verklaring van mr. Korte-van Hemel moet worden gehecht overweegt het hof als volgt. In het oog moet worden gehouden, dat de getuige verklaart over de door de raadsheer-commissaris aan haar getoonde kopie van de brief van 21 december 1982 (productie 2 bij conclusie van antwoord in de zaak 94/768) en niet over de pas in de request-civielprocedure overgelegde productie 4 van de Staat (dezelfde kopie maar voorzien van de - naar is gesteld door de Staat - paraaf van de getuige). Het door [Appellant] ontvangen exemplaar van die brief (al dan niet voorzien van de handtekening van de getuige) maakt geen deel uit van de processtukken (in deze zaak en) in de andere zaak 94/768, zodat het ook niet kon worden (is) getoond aan deze getuige. Ten slotte staat als onbestreden vast, dat de beide kopieën die door de Staat achtereenvolgens in de onderhavige zaak in het geding zijn gebracht, afkomstig zijn uit het departementale dossier van deze (schadevergoedings)zaak.

4.3 Tegen de achtergrond van het onder 4.2 overwogene en in aanmerking nemend dat de getuige als voormalig bewindspersoon, naar aannemelijk is, zeer vele brieven heeft ondertekend in door haar ambtenaren behandelde kwesties en dat haar verklaring betrekking heeft op een zaak die zich ruim 17 jaar tevoren had afgespeeld, moet worden geoordeeld dat de verklaring van de getuige er in wezen op neerkomt dat zij zich niet meer kan herinneren deze brief van 21 december 1982 ondertekend te hebben en derhalve geen doorslag-gevende betekenis heeft voor het waarheidsgehalte van de brief van 21 december 1982. Het hof voegt hieraan nog toe, dat [Appellant] nimmer heeft gesteld dat de inhoud van de, in de zaak 94/678 overgelegde kopiebrief afweek van de door hem ontvangen brief en ook niet nader heeft aangegeven waarin de beweerde valsheid van dat stuk heeft bestaan. De enkele suggestie dat de “kwaadwillende” ambtenaar [A] in dezen een rol heeft gespeeld en de ontkenning van de authenticiteit van de paraaf van mr. Korte-van Hemel onder productie 4 voormeld zijn niet als een behoorlijke adstructie van de valsheid aan te merken. Het aanbod van [Appellant] om te bewijzen, dat het arrest a quo op bedrog berust dan wel is gewezen op stukken die vals zijn verklaard, zal het hof passeren als onvoldoende gespecificeerd.

4.4 De slotsom van het vorenoverwogene is, dat de door [Appellant] aangevoerde grond voor herroeping van het tussenarrest niet bestaat, zodat de vordering zal worden afgewezen en [Appellant] in de kosten moet worden veroordeeld.

5. BESLISSING

het hof:

5.1 wijst de vordering af;

5.2 verwijst [Appellant] in de kosten, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 420,= aan verschotten en op ƒ 1.700,= aan salaris van de procureur;

5.3 verklaart deze uitspraak wat betreft de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vrij, De Groot en Boele en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 november 2001.

Coll.: