Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AD5880

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
BK-00/02557
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2236

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tiende enkelvoudige belastingkamer

23 oktober 2001

nummer BK-00/02557

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende een beschikking op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR).

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 oktober 2001, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn echtgenote mevrouw Y, alsmede namens de Inspecteur A, tot bijstand vergezeld door B. Ter zitting is tevens behandeld het beroep van Y met Hofkenmerk BK-00/02558.

Beslissing

Het Gerechtshof:

· verklaart het beroep gegrond;

· vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

· vermindert de verzuimboete tot ƒ 250, en

· gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.1. Op 12 februari 1999 is aan belanghebbende een aangiftebiljet P voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het kalenderjaar 1998 gezonden. Het desbetreffende biljet vermeldt als uiterste reactiedatum 1 april 1999. Belanghebbende heeft daaraan niet voldaan.

1.2. Op 6 oktober 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende schriftelijk aangemaand om vóór 20 oktober 1999 de aangifte in te dienen. In deze aanmaning is belanghebbende erop gewezen dat het niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangifte tot een boete kan leiden van ten hoogste ƒ 2.500.

1.3. Op 2 november 1999 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een herinnering gezonden en hem verzocht voor 16 november 1999 te reageren.

1.4. De Inspecteur heeft de aangifte op 18 november 1999 ontvangen.

2. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de AWR een verzuimboete opgelegd van ƒ 1.750.

3.1. Belanghebbende heeft de hem toegezonden aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1994, 1995, 1996 en 1997 eveneens niet binnen de op het biljet gestelde termijn ingediend. De aangiften voor de jaren 1994, 1996 en 1997 zijn voorts niet ingediend binnen de in de desbetreffende aanmaningen gestelde termijn.

3.2. In geen der onder 3.1 genoemde gevallen is door de Inspecteur een boete opgelegd. Evenmin is in die gevallen door hem aan belanghebbende meegedeeld dat, hoewel hij in verzuim is, geen boete zal worden opgelegd, maar dat het verzuim bij een volgende gelegenheid wel zal worden meegewogen.

4. In geschil is de hoogte van de opgelegde verzuimboete ten belope van ƒ 1.750.

5. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur bij het vaststellen van de verzuimboete terecht het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, zoals dit is gewijzigd bij Besluit van 16 september 1999, Stcrt. 179, (hierna: BBBB 1998) tot uitgangspunt heeft genomen. Het onderhavige verzuim heeft plaatsgehad na de inwerkingtreding van de wijziging van dit besluit. Het BBBB 1998 en de hiervoor genoemde wijziging daarvan zijn voorts behoorlijk gepubliceerd. Belanghebbendes klacht dat hij niet op de hoogte was van deze wijziging faalt.

6. Het Hof is voorts van oordeel dat het BBBB 1998 een goed uitgangspunt biedt voor de bepaling van de strafmaat voor het ingevolge artikel 67a van de AWR beboetbare feit. Daarbij mogen voor de bepaling van de strafmaat worden meegewogen gelijke verzuimen begaan met betrekking tot aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over kalenderjaren vóór 1998, nu dergelijke verzuimen op grond van het toen geldende artikel 9, derde lid, van de AWR eveneens tot een ordeboete aanleiding gaven. Het door de Belastingdienst terzake gevoerde beleid is neergelegd in het Voorschrift administratieve boeten 1993 (Regeling van 28 september 1992, nr. AFZ 92/6316, Stcrt. 193, hierna: VAB 1993). In paragraaf 15 van het VAB 1993 werd voor de bepaling van de hoogte van de toe te passen ordeboete eveneens betekenis toegekend aan de omstandigheid dat sprake was van een eerste, tweede, derde of volgend verzuim. De bepaling van paragraaf 46, derde lid, van het BBBB 1998, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat verzuimen die hebben plaatsgevonden onder het VAB 1993 voor het bepalen van het aantal verzuimen mede in aanmerking worden genomen, is naar 's Hofs oordeel dan ook niet in strijd met enige rechtsregel.

7. Voor de bepaling van het antwoord op de vraag of sprake is van een eerste, tweede, of volgend verzuim, dienen naar 's Hofs oordeel, in lijn met wat in het commune strafrecht als recidive geldt, slechts die beboetbare feiten in aanmerking te worden genomen die hebben geleid tot een onherroepelijke strafbaarverklaring. Nu vaststaat dat ter zake van de te late aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende over jaren vóór 1998 geen boeten zijn opgelegd noch anderszins een onherroepelijke strafbaarverklaring is gevolgd, moet het onderhavige verzuim in aanmerking worden genomen als eerste verzuim. De boete beloopt ingevolge paragraaf 21, derde lid, van het BBBB 1998 dan ƒ 250. Tot oplegging van een lagere boete ziet het Hof geen aanleiding.

8. Belanghebbendes beroep op afwezigheid van alle schuld behoeft voor zover dit betrekking heeft op vroegere verzuimen, gelet op hetgeen onder 7 is overwogen, geen behandeling. Voor zover belanghebbende zijn beroep of afwezigheid van alle schuld ook heeft willen doen uitstrekken tot het niet tijdig indienen van de onderhavige aangifte, heeft hij ter zake geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een dergelijk oordeel zouden kunnen leiden.

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende dergelijke kosten heeft gemaakt. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad ƒ 60 te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 23 oktober 2001 door mr. Overgaauw en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Nederveen.

(Nederveen) (Overgaauw)

aangetekend aan partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.