Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AD5053

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
0903220797
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200007300

parketnummer 0903220797

datum uitspraak 2 oktober 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE ?S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 4 oktober 1999 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum]

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op

de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 17 april 2001

en 18 september 2001.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd, dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep, daar de officier van justitie alleen hoger beroep heeft ingesteld om de eenparigheidsregel, zoals neergelegd in artikel 424 lid 2 Wetboek van Strafvordering, buiten toepassing te stellen. De officier van justitie heeft naar het oordeel van de advocaat-generaal aldus geen belang bij het ingestelde hoger beroep.

Het hof verwerpt de mening van de advocaat-generaal. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in het ingestelde beroep, reeds omdat niet uit te sluiten valt dat de officier van justitie om principiële redenen hoger beroep heeft ingesteld om de aanvaarding door de rechtbank van oorafdrukken als bewijsmiddel door een hoger rechtscollege te laten toetsen.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Gevoerd bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat ten aanzien van de onder 3 tot en met 10 tenlastegelegde feiten een eventuele bewezenverklaring afhangt van de waarde die aan de vondst en de herkenning van de oorafdrukken wordt gehecht. De gevonden oorafdrukken kunnen naar de mening van de verdediging alleen gebruikt worden als aanvulling op overig bewijs. De verdediging wijst hierbij met name op het rapport van de Recherche Advies Commissie. De verdediging meent dat de proefnemingen met de oorafdrukken volgens bestaande methoden als bijvoorbeeld de Oslo-methode uitgevoerd hadden moeten worden. De raadsman pleit overeenkomstig zijn aan het hof overlegde en aan het proces-verbaal van deze terechtzitting gehechte pleitnotitie.

Over de waardering van de identificatie door middel van oorafdrukken heeft het hof ter terechtzitting van 17 april 2001 en 18 september 2001 als getuige-deskundige gehoord [A], hoofdinspecteur van politie, verbonden aan het Instituut voor Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde te Zutphen, die in de onderhavige zaak het vergelijkend onderzoek naar de op de plaats van de inbraken (respectievelijk pogingen daartoe) aangetroffen oorafdrukken en de proefafdrukken van de verdachte heeft uitgevoerd en dienaangaande bij proces-verbaal heeft gerelateerd. [A] heeft over de uitkomsten van aanvullend onderzoek bovendien nader gerapporteerd in zijn (aanvullend) proces-verbaal van 13 september 2001 en over methodische aspecten van het vergelijkend onderzoek van oorafdrukken bij rapport van 12 september 2001 een aantal door het hof in zijn tussenarrest van 15 mei 2001 geformuleerde vragen beantwoord.

Ter terechtzitting van 18 september 2001 is als getuige-deskundige tevens gehoord [B], verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, die eveneens een deskundigenrapport d.d. 13 september 2001, met bijlagen, heeft uitgebracht naar aanleiding van door het hof in zijn tussenarrest geformuleerde vragen.

Op basis van de verklaringen van de getuige-deskundigen en de door hen geproduceerde documenten constateert het hof het navolgende.

1. De methode van het vergelijkend onderzoek van oorafdrukken om een (identificerend) verband te leggen tussen de op de plaats delict aangetroffen afdruk en de proefafdruk van een verdachte is van betrekkelijk recente datum. De methode is gebaseerd op de veronderstelling dat de oren (en dus ook: de afdrukken daarvan) van de mens uniek zijn en dat daarom, indien overeenstemmende kenmerken en/of bijzonderheden worden aangetroffen en tevens onverklaarbare verschillen ontbreken, omtrent het verband tussen een bepaalde afdruk (op de plaats delict) en (het oor van) de verdachte conclusies kunnen worden getrokken. Die conclusie brengt de mate van waarschijnlijkheid (aannemelijkheid) tot uitdrukking dat de verdachte op de plaats delict die afdruk heeft gemaakt.

2. In het onderhavige geval heeft [A] de conclusie getrokken dat de afdrukken op de verschillende plaatsen delict met zekerheid afkomstig zijn van het linkeroor van de verdachte; hij is daarvan overtuigd, dat wil zeggen - in zijn bewoordingen ter terechtzitting van 18 september 2001 - daarover bestaat bij hem geen redelijke twijfel.

3. In confesso is dat identificatie op grond van vergelijkend onderzoek van oorafdrukken niet berust op enig mathematisch geformaliseerd en in empirisch onderzoek gevalideerd model (dat kwantitatieve uitspraken over de waarschijnlijkheid van de identificatie toelaat), zoals bij DNA-onderzoek het geval is. In dat opzicht verschilt - aldus [B] - het vergelijkend onderzoek van oorafdrukken echter niet van andere - veel beproefde - criminalistische onderzoeksmethoden, zoals vingerafdrukken en huls- en kogelvergelijking. De bewijswaarde dient, aldus [B], in dergelijke gevallen door de expert op basis van kennis en ervaring te worden ingeschat.

4. Naar het oordeel van [B] ligt bij het vergelijkend onderzoek van kwalitatief goede oorafdrukken het aannemelijkheidsquotiënt / de diagnostische waarde van deze methode waarschijnlijk eerder in de orde van grootte van honderd- of duizendtallen - ter terechtzitting van 18 september 2001 spreekt [B] over duizenden - dan tientallen. Dat is een aanzienlijk hogere waarde dan de minimale diagnostische waarde van 15 die volgens Van Koppen en Crombag blijkens het rapport van [B] voor bewijsmiddelen zou moeten gelden. Dit quotiënt is een maatstaf voor de aannemelijkheid dat de geïdentificeerde verdachte ook werkelijk de dader is.

5. In de onderhavige zaak berust de stellige, positieve identificatie door [A] van de verdachte als degene die op de plaatsen waar werd ingebroken (dan wel zulks werd beproefd) zijn oorafdruk heeft achtergelaten blijkens de door hem opgestelde (aanvullende) processen-verbaal en zijn verklaring ter terechtzitting van 18 september 2001 op de navolgende aspecten:

a. de scherpe omlijning van de op de plaats delict aangetroffen sporen, welke de indruk geven vrij vers te zijn,

b. de 'naadloze' overeenstemming in vorm en dimensies van de (zeven) onderdelen van het oor tussen de op de plaatsen delict aangetroffen sporen en de proefafdruk (van het oor van de verdachte), waarbij [A] tot de conclusie komt dat sporen en proefafdruk "nagenoeg identiek zijn" en dat "de aangetroffen verschillen ... zijn veroorzaakt door drukverschillen bij het luisteren en door de wijze van afnemen van de proefafdrukken", zulks in samenhang met

c. de overeenstemming in een zestal bijzonderheden (kenmerken) van bedoelde afdrukken, waarbij door [A] een kwalitatieve waardering wordt gegeven van de (geringe) kans op voorkomen van dergelijke bijzonderheden, en

d. het ontbreken van onverklaarbare verschillen tussen de bedoelde afdrukken.

6. [B] heeft ter terechtzitting van 18 september 2001 als zijn oordeel kenbaar gemaakt dat [A] hier te lande de grootste deskundigheid en ervaring op dit onderzoeksterrein bezit.

Het hof stelt vast dat met betrekking tot het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit naast de op de plaats delict aangetroffen oorafdruk aanvullend bezwarend materiaal wordt gevonden in de erkenning door de verdachte dat hij ter plaatse (de B-straat te Leiden) was en getuigenverklaringen dienaangaande. Bij de poging tot inbraak in de D-laan te Leiden (feit 2) werd - naast de identificatie van een aangetroffen oorafdruk - een op de plaats delict aangetroffen handpalmafdruk tot de verdachte herleid.

Bij de overige acht tenlastegelegde feiten berust het bewijs dat de verdachte ook deze heeft begaan nagenoeg uitsluitend op de stellige positieve identificatie van de aangetroffen oorafdrukken. Nochtans heeft het hof de overtuiging bekomen dat verdachte ook deze tenlastegelegde inbraken respectievelijk pogingen tot inbraak heeft begaan, waarbij het hof in aanmerking neemt dat

a. bij alle inbraken dezelfde modus operandi is toegepast, namelijk het oor te luisteren leggen en (vervolgens) de deur van de woning (trachten) open (te) breken;

b. alle inbraken op beperkte afstand van elkaar en in een kort tijdsbestek - op 15 april 1997 in Leiden respectievelijk rond 22 mei 1997 in Leiden en Katwijk - zijn gepleegd.

's Hofs overtuiging berust voor wat betreft de identificatie van de oorafdrukken op de ervaring en deskundigheid van degene die het onderzoek verrichtte, de door het hof getaxeerde plausibiliteit - mede op grond van de gehanteerde methode en de hierboven sub 5 weergegeven grondslag daarvoor - van de stelligheid van zijn conclusies en op hetgeen de deskundige [B] dienaangaande naar voren heeft gebracht.

De raadsman heeft nog naar voren gebracht dat het zorgvuldiger zou zijn geweest indien een onderzoeksmethode overeenkomstig de Oslo-confrontatie van getuigen zou zijn toegepast. Het hof merkt dienaangaande op dat zulks geen reële optie lijkt te zijn, gelet op de mededeling van [A] in zijn rapport dat hij er niet in is geslaagd in een verzameling van afdrukken van ten minste 1300 personen twee afdrukken te vinden die ten behoeve van onderwijsdoeleinden voldoende op elkaar leken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 4, 5, 6, 8, 9, en 10 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Het onder 2, 3 en 7 bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam] en oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair 34 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een groot aantal woninginbraken en pogingen daartoe. Dit zijn ernstige misdrijven, die - naast aanzienlijke schade en ongemak - aanleiding geven tot gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en hun omgeving.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 september 2001, al vele malen eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt. Gelet op het tijdsverloop zal het hof de verdachte, in plaats van de overwogen 24 maanden gevangenisstraf, de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende te [plaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van ƒ 2.975,-. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van ƒ 1.975,-.

De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade tot dit bedrag is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 5 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vast staat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van ƒ 1.975,- ten behoeve van het slachtoffer, subsidiair 34 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van EENENTWINTIG MAANDEN.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van ƒ 1.975,- (zegge: negentienhonderdvijfenzeventig) GULDEN en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer, welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van VIERENDERTIG DAGEN.

Bepaalt dat door voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van het bedrag ten behoeve van het slachtoffer, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat door betaling aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Von Brucken Fock, Aler en Verduyn,

in bijzijn van de griffier mr. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van

het hof van 2 oktober 2001.