Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AD3838

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-05-2001
Datum publicatie
25-09-2001
Zaaknummer
99/6723
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 30 mei 2001

Rekestnummer : 874-H-00

Rekestnr. rechtbank : A. 99/6723

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam vader],

wonende te [woonplaats vader],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. C.L.W. Wachter,

tegen

[naam moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. H.J.W. Alt.

PROCESVERLOOP

De vader is op 28 november 2000 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 29 september 2000.

De moeder heeft op 14 februari 2001 een verweerschrift, tevens verzoekschrift in incidenteel appèl ingediend.

De vader heeft op 5 maart 2001 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd 15 december 2000, 11 april 2001, 17 april 2001, 18 april 2001 en 24 april 2001.

Op 27 april 2001 is de zaak mondeling behandeld. Aldaar heeft de moeder alsnog ingestemd met de door de vader opgevoerde schuldenlast.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

Uit de affectieve relatie van partijen is op [geboortedatum kind] de minderjarige [naam kind] geboren, die door de vader voor haar geboorte is erkend. De ouders, die sinds maart 1997 gescheiden leven, oefenen krachtens beschikking van 4 maart 1993 van de kantonrechter te Gouda gezamenlijk het gezag uit over [naam kind]. [naam kind] woont sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.

Aanvankelijk betaalde de vader de moeder in onderling overleg ƒ 250,- per maand kinderalimentatie. Gedurende de periode van juli 1998 tot juni 1999 betaalde de vader, na verzoek daartoe van de moeder, ƒ 400,- per maand kinderalimentatie. Met ingang van 1 juni 1999 heeft de vader de betalingen stop gezet.

De gemeente die aan de moeder een bijstanduitkering verstrekt, heeft zich onthouden van verhaal van kosten van bijstandsverlening.

Op 20 oktober 1999 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van 1 oktober 1999 te bepalen op ƒ 400,- per maand. De vader heeft zich tegen het verzoek verzet.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de vader met ingang van 1 oktober 2000 een kinderalimentatie ten bedrage van ƒ 150,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Hieronder zal het hof bedragen op hele guldens afronden.

Ten aanzien van de vader.

De vader is geboren op [geboortedatum vader] en woont samen met een nieuwe partner - en een minderjarig kind - die niet in eigen levensonderhoud voorziet. Op jeugdige leeftijd was de vader korte tijd werkzaam als taxichauffeur. Nadien heeft hij, totdat hij zijn wervelkolom ernstig beschadigde, gewerkt als koetsier en rijknecht bij de Koninklijke Stallen. In de vijf jaren na de beëindiging van zijn dienstverband ontving hij wachtgeld, dat jaarlijks werd uitbetaald. Nadien heeft de vader als zelfstandige gewerkt als bewegingstherapeut bij paarden, acupuncturist, masseur en verkoper van kruiden. Aan de vader en zijn huidige partner is, met ingang van 15 juni 2000, een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin toegekend.

Aan de man en zijn huidige partner is door de gemeente een woonkostentoeslag van ƒ 486,- per maand toegekend voor de periode van 1 oktober 2000 tot 1 juli 2001. Nadien zullen zij in aanmerking komen voor de maximale huursubsidie. De vader is ziekenfondsverzekerde.

Het inkomen uit de alternatieve genezerspraktijk bedroeg in 1998 volgens de overgelegde resultatenrekening ƒ 8.182,- negatief. Volgens de proef- en saldibalans van het eerste halfjaar van 1999 bedroeg de netto winst in 1999 ƒ 826,-.

De vader en zijn partner hadden en hebben de volgende maandlasten:

- ¦ 858,- huur tot 1 juli 2000;

- ¦ 884,- huur met ingang van 1 juli 2000;

- ¦ 39,- premie aanvullende- en tandartsverzekering, exclusief eigen risico;

- ¦ 500,- afbetaling op schulden via een regeling.

De vader zoekt werk als alternatief genezer, al dan niet in loondienst.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

De vader verzoekt te bepalen dat de bestreden beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad is zolang door het hof nog niet is beslist op het hoger beroep. Kennelijk heeft de vader bij de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen belang. Hij komt immers pas tegen het einde van de appèltermijn in hoger beroep, hij heeft zelf verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling, zonder bij dat verzoek bij het hof aan te dringen op een incidentele beslissing op het onderhavige verzoek voorafgaand aan die mondelinge behandeling en hij heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoekt tot schorsing niet nogmaals herhaald of mondeling toegelicht. Nu de vader bij zijn schorsingsverzoek kennelijk geen belang heeft zal hij in dat verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de draagkracht van de vader en de ingangsdatum van de kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt de kinderalimentatie te bepalen op nihil of op een bedrag als het hof juist acht.

3. De moeder verzet zich tegen het beroep van de vader en verzoekt incidenteel de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 1999 te bepalen op ƒ 400,- per maand, althans op een hoger bedrag dan ƒ 150,- per maand. De vader verzet zich daartegen.

4. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen, voorzover daarvan hierna niet wordt afgeweken.

5. Het hof acht het aannemelijk dat de vader zijn alternatieve genezerspraktijk in juni 2000 heeft beëindigd. De stelling van de moeder dat de vader thans nog (zwarte) inkomsten geniet uit alternatieve genezersactiviteiten acht het hof niet aannemelijk, zodat moet worden aangenomen dat de vader en zijn gezin moeten leven van een bijstandsuitkering.

Aan de orde is derhalve- hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht - of ten aanzien van de vader verdiencapaciteit moet worden aangenomen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

6. Niet aannemelijk is geworden dat de alternatieve genezerspraktijk van de vader niet winstgevend was op enig moment vóór 1998, of in de toekomst niet winstgevend kan zijn. Aannemelijk is dat de resultaten uit die genezerspraktijk zijn achtergebleven, omdat de vader door diverse verhuizingen een groot deel van zijn patiëntenbestand is kwijtgeraakt (hij hield praktijk aan huis) en dat de buurt waarin hij thans woont niet gunstig is voor het werven van nieuwe patiënten. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de inspanningen van de vader om weer als alternatief genezer, althans binnen dat circuit, werkzaam te zijn, op termijn zullen uitmonden in een inkomen waaruit de vader wel weer in staat zal zijn de door de moeder gevraagde kinderalimentatie te voldoen. Het kan hem om voornoemde redenen niet worden tegengeworpen dat hij zich richt op het vinden van werk in het door hem gewenste circuit. Ook al niet, omdat hij niet kan terugkeren naar zijn eerdere beroep als koetsier en rijknecht, voor welk werk hij is afgekeurd, en hij inmiddels een gedegen opleiding als alternatief genezer heeft doorlopen. Wél kan hem worden tegengeworpen dat hij, naast voornoemde verwervingsinspanningen, zich niet ook heeft ingespannen om buiten het hiervoor genoemde circuit een parttime baan te vinden - waar het hof de vader toe in staat acht, mede gelet op de gunstige arbeidsmarkt - zodat hij wél voldoende draagkracht zou hebben voor kinderalimentatie.

7. Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de lasten van de vader is het hof van oordeel dat aan de vader voldoende draagkracht moet worden toegerekend om kinderalimentatie te kunnen betalen. Nu de vader feitelijk slechts inkomen uit een bijstandsuitkering heeft, heeft de rechtbank op goede gronden de kinderalimentatie ten laste van de man vastgesteld op 10% van de op de vader toepasselijke bijstandsnorm, door de rechtbank becijferd op ƒ 150,- per maand. Daarbij merkt het hof op dat de moeder geen grief heeft gericht tegen de door de rechtbank toegepaste bijstandsnorm.

8. De grief van de moeder ten aanzien van de ingangsdatum van de kinderalimentatie, zal het hof als onvoldoende gemotiveerd passeren.

9. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring;

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Dusamos en Van Oldenborgh, bijgestaan door mr. Oostveen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2001.

Bij afwezigheid van de voorzitter

ondertekend door de oudste raadsheer.