Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AD3826

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
25-09-2001
Zaaknummer
01.304
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 18 juli 2001

Rekestnummer : 304-R-01

Rekestnr. rechtbank : 01.99

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam moeder]

wonende te [woonplaats moeder],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E. Grabandt.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [naam vader],

wonende te [woonplaats vader],

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Jeugdbescherming en Reclassering Zuid-Holland Noord,

kantoor houdende te Gouda,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

3. de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoor houdende te Den Haag,

hierna te noemen: de Raad.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 13 april 2001 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 20 februari 2001.

Op 14 mei 2001 en bij brief van 18 juni 2001 zijn van de zijde van de moeder aanvullende stukken bij het hof ingekomen.

Van de zijde van de Raad is bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 16 mei 2001.

Op 20 juni 2001 is de zaak mondeling behandeld. De hierna te noemen oudste minderjarige is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Wel heeft zij haar mening bij brief van 12 juni 2001 kenbaar gemaakt.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de op respectievelijk [geboortedata minderjarige kinderen] uit hun (inmiddels door echtscheiding ontbonden) huwelijk geboren minderjarige kinderen [namen minderjarigen], die wettelijk ten huize van de ouders wonen doch feitelijk bij de moeder verblijven.

Op 15 januari 2001 heeft de Raad bij de bovengenoemde kinderrechter een verzoekschrift ingediend, strekkende tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen.

Bij de bestreden beschikking zijn de minderjarigen met ingang van 20 februari 2001 tot 20 februari 2002 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de Raad in haar (het hof leest: zijn) verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzochte te ontzeggen.

2. Volgens de moeder kan een ondertoezichtstelling alleen worden uitgesproken als de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarigen ernstig worden bedreigd; de maatregel is niet bedoeld - zoals in casu - om een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen af te dwingen. Nu de minderjarigen - na een hectische echtscheidingsprocedure - de thuissituatie bij de moeder als positief ervaren en zij enige rust in hun leven hebben gevonden, meent de moeder dat van de bovengenoemde omstandigheden geen sprake is en dat de maatregel van ondertoezichtstelling derhalve niet geïndiceerd is.

3. In de rapporten van de Raad van 12 januari 2001, 7 december 2000 en 7 augustus 2000 komt naar voren dat de kinderen - vanwege de strijd tussen de ouders - in een loyaliteitsconflict zijn geraakt. Beide kinderen lijden sterk onder de gevolgen van de strijd tussen hun ouders. De loyaliteitsgevoelens naar moeder toe zijn - met name van de zijde van [naam minderjarige] - zeer versterkt. De band tussen [naam minderjarige] en de moeder is symbiotisch. Vanwege [naam minderjarige] afwijzende houding naar vader wordt het [naam minderjarige] - die meer een neutrale positie inneemt - onmogelijk gemaakt om haar vader weer te ontmoeten. Zij heeft daarvoor, gezien haar leeftijd, de steun van haar moeder en het gezelschap van haar zus nodig. De moeder is het niet eens met het feit dat zij haar opstelling moet veranderen, omdat de kinderen op grond van eigen ervaringen met hun vader tot hun afwijzende houding zijn gekomen en niet door haar houding. Er zijn geen gronden om de vader het recht op omgang met zijn kinderen te ontzeggen. Hoewel de rust die de kinderen thans krijgen hen goed doet, verandert er niets in hun negatieve visie op hun vader. De onzichtbare loyaliteit dient in het belang van de kinderen hersteld te worden. Indien geen herstel plaats vindt kunnen de kinderen hier nadelige gevolgen aan over houden die kunnen doorwerken in andere relaties. De moeder, die zich niet bewust is van de onzichtbare loyaliteit bij haar kinderen, zou de kinderen ten dienste kunnen zijn indien zij hen de ruimte zou geven openlijk loyaal naar hun vader te kunnen zijn. Zij is daartoe echter niet in staat en blijkt te verharden in haar standpunt, wat schadelijk is voor de kinderen. De Raad vreest dat de kinderen, voor wie thans geen andere mogelijkheid bestaat dan vader los te laten en te kiezen voor moeder, van deze opstelling in hun latere leven de nadelige gevolgen zullen blijven meemaken.

4. In het op 7 augustus 2000 uitgebrachte rapport meldt de Raad geen advies uit te kunnen brengen over de defintieve omgangsregeling. De Raad is voornemens een kort onderzoek in te stellen om de kinderrechter om een zogeheten omgangsondertoezichtstelling te verzoeken. Voorts adviseert de Raad het gezamenlijk ouderlijk gezag te handhaven. Aan het besluit ligt ten grondslag de conclusie dat het voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen belangrijk is dat zij contact kunnen onderhouden met hun vader, maar op dit moment is dit niet te realiseren vanwege de extreem afwijzende houding van [naam minderjarige]. Het is naar de mening van de Raad de verantwoordelijkheid van de moeder om daar iets aan te doen. De kinderen het contact met hun vader onthouden kan opgevat worden als een situatie die de kinderen bedreigt in hun ontwikkeling, wat een grond is voor ondertoezichtstelling. Het dwingend opleggen van proefcontacten is echter zinloos: ook dán zal dit niet gebeuren. Omdat een omgangsregeling niet van de grond is gekomen, evenmin als proefcontacten, is een onderzoek gewenst naar de mogelijkheid van een ondertoezichtstelling om de kinderen langer te kunnen voorbereiden op omgang met hun vader. De Raad kan daarom geen advies uitbrengen over de definitieve omgangsregeling.

In zijn op 7 december 2000 uitgebrachte rapport besluit de Raad de kinderrechter te verzoeken om de minderjarigen onder toezicht te stellen van Jeugdzorg. Aan het besluit ligt ten grondslag de conclusie dat het niet nakomen van een omgangsregeling kan worden opgevat als een situatie die de kinderen bedreigt in hun ontwikkeling. Het onthouden van contact met vader is ongunstig voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Een omgangsregeling afdwingen zonder dat de moeder de kinderen hierin kan ondersteunen, is echter eveneens ongunstig voor de ontwikkeling van de kinderen. Omdat hulp in het vrijwillige kader zal falen - moeder wil dit immers niet - dient er een ondertoezichtstelling te komen om hulpverlening veilig te stellen. Ter zitting heeft de Raad zijn ingenomen standpunt gehandhaafd en nader onderbouwd waarom de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, door het zeer negatieve vaderbeeld van de kinderen en de weigering hulp te aanvaarden bij de moeder. De vader en Jeugdzorg hebben ter zitting medegedeeld zich te kunnen vinden in het standpunt van de Raad.

5. Het hof acht het in beginsel in het belang van de kinderen om hun vader te kennen en regelmatig contact met hem te hebben. Concrete omstandigheden, waarvan naar het oordeel van het hof niet is gebleken, kunnen evenwel reden geven van dat beginsel af te wijken. Ter zitting is gebleken dat de strijd tussen de ouders onverminderd voortduurt. De onwil van de kinderen en met name van [naam minderjarige] om contact met hun vader te hebben komt hoofdzakelijk voort uit de opstelling van de moeder. De sterk afwijzende uitingen van de kinderen gebruikt de moeder als een schild waarachter zij zich tracht te verschuilen. Op deze manier laat de moeder de kinderen geen enkele ruimte om hun eigen gevoelens te ontwikkelen. Moeder heeft ter zitting niet kunnen aangeven hoe zij de kinderen in deze moeilijke situatie begeleidt en stimuleert om contacten met vader aan te gaan, noch heeft zij verklaard enige noodzaak daartoe in te zien. Een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen zal - zonder wijziging van deze omstandigheden - geen kans van slagen hebben. Om die reden is het hof met de Raad van oordeel dat het voortduren van deze buitengewoon ongezonde situatie onwenselijk is, mede gelet op het negatieve beeld dat de kinderen van hun vader hebben en de nadelige gevolgen die dit zal hebben op hun ontwikkeling. Omdat de moeder meent dat het goed gaat met haar en de kinderen heeft zij, desgevraagd ter zitting, medegedeeld dat noch zij, noch de kinderen hulp nodig hebben en zij is derhalve niet bereid om hulp in een vrijwillig kader te aanvaarden. Het hof meent, om enerzijds de noodzakelijke begeleiding van de omgang te garanderen en anderzijds de ontwikkeling van de kinderen veilig te stellen, dat begeleiding in het kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is, nu uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken is dat de minderjarigen zodanig opgroeien, dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Het vorenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Dusamos en Punselie, bijgestaan door Suderée als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2001.