Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AB3032

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
BK-01/480
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AP1367
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer,

26 juli 2001

nummer BK-01/480

UITSPRAAK

Op het beroep van X te Z, tegen de uitspraak van de Inspecteur P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende met betrekking tot de hierna vermelde beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 10 november 2000 een verklaring

verstrekt als bedoeld in artikel 3 d, tweede lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de wet) waarin is vermeld dat belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voor het jaar 2001 geldende voorwaarden voor verzekering krachtens de wet.

1.2 Belanghebbende heeft tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.

De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende bij de bestreden uitspraak van 2 februari 2001 afgewezen en de verklaring gehandhaafd.

2. Het geding

2.1 Belanghebbende is van voormelde uitspraak bij het hof in beroep gekomen. In verband daarmee is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 60,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 14 juni 2001 gehouden te ’s-Gravenhage. Ter zitting zijn de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur verschenen. Beide partijen hebben hun standpunt ter zitting mondeling doen toelichten, de vertegenwoordiger van de Inspecteur aan de hand van een pleitnota.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

a. belanghebbende geniet sinds 1 januari 1999 winst uit onderneming. Zij verstrekt adviezen op automatiseringsgebied.

b. In het jaar 2000 was belanghebbende via een particuliere ziektekosten-verzekering tegen ziektekosten verzekerd.

c. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2000 een zogenoemd schattings-formulier voor ondernemers voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over het jaar 1999 ingediend, uitkomend op de belastbaar inkomen van ƒ 35.000,=.

d. Met dagtekening 15 september 2000 is aan belanghebbende met inachtneming van deze schatting een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 35.000,=.

e. Op 13 september 2000 is bij de Inspecteur het aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen van belanghebbende voor het jaar 1999 ingekomen. In dit aangiftebiljet is een belastbaar inkomen van

ƒ 56.390,= vermeld.

f. Met dagtekening 13 oktober 2000 is aan belanghebbende de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur de aangifte van belanghebbende gevolgd en het belastbare inkomen over 1999 op ƒ 56.390,= vastgesteld.

4. Omschrijving van het geschil

In geschil is of belanghebbende terecht als verzekerde in de zin van artikel 3 d van de wet is aangemerkt.

5. Standpunt van belanghebbende

Belanghebbende heeft zich in beroep op het volgende standpunt gesteld. Belanghebbende is in 1999 met haar onderneming gestart. Volgens de uitspraak op het bezwaar dient in dit geval voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende voor 2001 als verzekerde in de zin van de wet is aan te merken van de gegevens met betrekking tot de hoogte van het belastbare inkomen over 1999 die op de peildatum 1 oktober 2000 bij de belastingdienst aanwezig zijn, te worden uitgegaan. Reeds op 8 september 2000 is het aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over 1999 bij de belastingsdienst ingediend. In dit aangiftebiljet is een belastbaar inkomen van ƒ 56.390,= vermeld. De belastingdienst had daarom van deze gegevens dienen uit te gaan. Als deze gegevens op de peildatum bij de belastingdienst nog niet zouden zijn verwerkt, dan kan dat niet aan belanghebbende worden tegengeworpen.

6. Standpunt van de Inspecteur

De Inspecteur heeft zich in beroep, samengevat, op het volgende standpunt gesteld:

a) belanghebbende geniet vanaf 1 januari 1999 winst uit onderneming. Dit betekent dat in haar geval het inkomen over 1999 bepalend is voor het verzekeringsjaar 2001. Daarbij geldt als peildatum 1 oktober 2000.

b) Uit de systemen van de belastingdienst was per 1 oktober 2000 geen beter gegeven bekend dan het door het belanghebbende zelf over 1999 geschatte inkomen van ƒ 35.000,=, zoals vermeld op het door haar op 22 augustus 2000 ingediende schattingsformulier voor ondernemers.

c) Weliswaar is op 13 september 2000 haar aangiftebiljet voor de inkomsten-belasting over 1999 bij de belastingdienst binnengekomen met daarin een belastbaar inkomen van ƒ 56.390,= vermeld, doch de gegevens uit dit biljet waren op de peildatum 1 oktober 2000 nog niet in de systemen van de belastingdienst opgenomen, zodat daarmee op de peildatum geen rekening kon worden gehouden.

d) De verzekeringsplicht mag niet afhangen van het al dan niet op 30 september van enig jaar deponeren van een aangiftebiljet in de brievenbus van de belastingdienst. Voor de belastingdienst moet er ruimte en tijd zijn om de gegevens hieruit in zijn systemen op te nemen.

7. beoordeling van het beroep

7.1 Op grond van artikel 3d, eerste lid van de wet is gedurende een kalenderjaar de zelfstandige verzekerd; die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid aanhef en onderdeel a van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en een inkomen geniet dat niet meer bedraagt dan ƒ 41.200,= per jaar. Op grond van het derde lid van dit artikel blijven voor de toepassing van het eerste lid wijzigingen in het inkomen die door de Inspecteur van de Rijksbelastingdienst na 1 oktober worden vastgesteld, buiten beschouwing.

7.2 In artikel 3d, vierde lid van de wet is bepaald dat voor de toepassing van het eerste en het derde lid van dat artikel onder inkomen wordt verstaan: het inkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Verder is in dit vierde lid bepaald dat bij ministeriële regeling wordt bepaald over welk tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen en dat nadere regels kunnen worden gesteld ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid.

7.3 Op grond van artikel 4, tweede lid van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (de Regeling) wordt voor de beoordeling van de ziekenfondsverzekering voor het jaar 2001 van een zelfstandige, die vanaf 1999 en daarna zelfstandig is gebleven, het inkomen in aanmerking genomen dat in 1999 is genoten en niet het geschatte inkomen over 1999.

7.4 Volgens het vijfde lid van dit artikel 4 geldt als peildatum voor de vaststelling van het inkomen telkens 1 oktober. Daarbij is artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat, indien over enig jaar het inkomen nog niet definitief is vastgesteld, het voorlopig vastgestelde inkomen in aanmerking wordt genomen. Indien het inkomen nog niet voorlopig is vastgesteld, geldt het inkomen volgens de aangifte voor dat jaar. Voor zover geen aangifte is gedaan geldt het geschatte en voor zover geen schatting is gedaan het door de Inspecteur te schatten inkomen.

7.5 Vaststaat dat belanghebbende vanaf 1999 als zelfstandige winst uit onderneming geniet. Uit de aan de Inspecteur op de peildatum 1 oktober 2000 ter beschikking gestelde gegevens kon blijken dat het door belanghebbende in haar aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting 1999 geschatte inkomen ƒ 56.390,= bedroeg. De belastingdienst had immers reeds op 13 september 2000 het door belanghebbende ingediende aangiftebiljet ontvangen met daarin dit geschatte inkomen. Dit bedrag ligt ruim boven de grens van ƒ 41.200,= zodat de eerst op 10 november 2000 aan belanghebbende verzonden verklaring dat zij als zelfstandige aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering 2001 voldeed, onjuist is en ten onrechte aan belanghebbende is verstrekt.

7.6 Het hof verwerpt het standpunt of verweer van de Inspecteur dat hij bij de vaststelling van deze verklaring geen rekening behoefde te houden met de gegevens uit het op 13 september 2000 door de belastingdienst ontvangen aangiftebiljet, nu deze gegevens op de peildatum 1 oktober 2000 nog niet in de systemen van de belastingdienst waren verwerkt. In artikel 4, vijfde lid van de Regeling is uitdrukkelijk bepaald dat als peildatum voor de vaststelling van het inkomen telkens 1 oktober geldt, voor de beoordeling van de ziekenfonds-verzekering van een zelfstandige. De rechtszekerheid en een redelijke wetstoepassing brengen in dat geval mee dat de betrokken ondernemer erop mag vertrouwen en ermee kan volstaan dat hij de van hem verlangde gegevens uiterlijk voor deze datum aan de belastingdienst ter hand stelt of doet stellen. Het is onder deze omstandigheden niet toelaatbaar en onaanvaardbaar dat de betrokken ondernemer omtrent de vraag of hij de van hem verlangde gegevens tijdig bij de belastingdienst heeft ingediend, afhankelijk zou zijn van de toevallige snelheid waarmee de betrokken eenheid van de belastingdienst de door hem ingediende gegevens in zijn systemen zou (kunnen) hebben verwerkt.

8. slotsom

De voorgaande rechtsoverwegingen brengen het hof tot de volgende slotsom. Het beroep van belanghebbende is gegrond. De Inspecteur had onder de gegeven omstandigheden bij de vaststelling van het inkomen van belanghebbende dienen uit te gaan van het door belanghebbende aangegeven inkomen van ƒ 56.390,=, een inkomen dat ruim boven de te dezen toepasselijke grens van ƒ 41.200,= ligt. Het hof zal de bestreden uitspraak en de daarbij gehandhaafde beschikking (verklaring) daarom vernietigen.

9. proceskosten en griffierecht

Nu het beroep van belanghebbende gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur in de proceskosten te veroordelen. Deze veroordeling heeft, nu van andere voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten niet is gebleken, betrekking op de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hof stelt die kosten met toepassing van artikel 2 van het Besluit proceskosten fiscale procedures, vast op ƒ 1.420,=.

De Inspecteur zal belanghebbende tevens het door haar gestorte griffierecht dienen te vergoeden.

10. beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de bestreden uitspraak en de daarbij gehandhaafde beschikking

(verklaring);

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende en bepaalt deze kosten op ƒ 1.420,=, welke kosten dienen te worden vergoed door de Staat der Nederlanden;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van ƒ 60,= te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 26 juli 2001 door mrs. Vierhout, Van Knobelsdorff en Van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van de Vijver.

Deze beslissing is dezelfde dag ter openbare terechtzitting uitgesproken.

(Van de Vijver) (Vierhout)

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Aangetekend aan partijen verzonden: 26 juli 2001