Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AB2691

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2001
Datum publicatie
17-07-2001
Zaaknummer
1002100600; RLN 2200074501;
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200074501

parketnummer 1002100600

datum uitspraak 4 juli 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 27 december 2000 in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [plaats] op [datum]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2001.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens mededeling van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat

hij op 6 januari 2000 te Rotterdam [X] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [X] de woorden toegevoegd: "Ik heb een wapen, je moet niet weggaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal_ en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen-ver-klaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, en heeft daartoe aangevoerd hetgeen is weergegeven in de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen.

Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat wat de raadsman heeft opgeworpen niet het punt van de bewezenverklaring maar dat van de strafbaarheid van het feit raakt.

9. Strafbaarheid van het feit

Het hof is van oordeel dat het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar is, en overweegt daarbij als volgt.

Uit de stukken en uit de behandeling van de zaak in hoger beroep is - voorzover hier van belang - het volgende aannemelijk geworden.

Verdachte was op 6 januari 2000 eigenaar van een pizzeria. Op die datum is één van zijn bezorgers overvallen door onder meer [X], en beroofd van een aan verdachte toebehorende bromfiets. Kort na die overval heeft verdachte telefonisch contact met één der overvallers gehad, en afgesproken dat hij zijn bromfiets zou terugkopen. In dat gesprek gaf de overvaller aan verdachte te kennen dat hij een wapen had, en dit onder omstandigheden zou gebruiken. Min of meer aansluitend heeft verdachte zich per auto begeven naar de plaats waar dat zou gebeuren. Aldaar trof hij enige jongens, onder wie [X] die in bezit was van verdachte's bromfiets. Toen verdachte op een gegeven moment geld wilde overhandigen aan één van genoemde jongens griste deze dat uit zijn handen en ging ervandoor. Ook [X] maakte zich, als bestuurder op verdachte's bromfiets rijdend, uit de voeten. In zijn auto achtervolgde verdachte [X]. Op een gegeven moment kwam [X] ten val. Verdachte stapte uit en zei, toen [X] probeerde weg te lopen: "Ik heb een wapen, je moet niet weggaan". Verdachte had daarbij zijn hand, waarin een telefoon, in zijn zak om zijn woorden kracht bij te zetten. Onder die bedreiging is [X] bij verdachte in de auto gestapt. Verdachte is vervolgens naar een politiebureau gereden waar hij [X] heeft overgedragen aan de politie.

Naar 's hofs oordeel leidt het vorenstaande tot de volgende conclusies.

1. Verdachte was op grond van het bepaalde in artikel 53, eerste lid, van het Wetboek van

Strafvordering bevoegd om [X] aan te houden.

2. Verdachte heeft redelijke middelen aangewend om tot deze aanhouding te geraken.

Het hof neemt hierbij met name in aanmerking dat een overval op een pizzabezorger, als waarvan in casu sprake is, moet worden beschouwd als een zeer ernstig geweldsmisdrijf, en voorts dat verdachte redelijkerwijs kon menen dat [X] deel uitmaakte van een groep die ernstig geweld niet schuwde. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte ter effectuering van de aanhouding van [X] disproportioneel of anderszins onrechtmatig is opgetreden.

3. Het hof merkt nog op dat geenszins aannemelijk is geworden dat verdachte afspraken die hij met de politie heeft gemaakt niet is nagekomen. Eerder heeft het hof de indruk dat de politie zich tegenover verdachte, die voorafgaand aan de onderhavige aanhouding de politie meermalen heeft gebeld om door te geven wat hij ging doen, nogal afwachtend heeft opgesteld en zodoende bij verdachte de gedachte heeft doen post vatten dat hij zelf de kastanjes uit het vuur moest halen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar is en dat verdachte in zoverre moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep _ voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen _ en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is

tenlas-tegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is.

Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Hamaker, Wurzer en Mendlik,

in bijzijn van de griffier mr. Couvret.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 juli 2001.

De raadsheer mr. Mendlik is buiten staat dit arrest te ondertekenen.