Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AB1584

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/201
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak :31 januari 2001

Rolnummer :99/201

Rol.nr rb. :95/638

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[naam man],

wonende te [woonplaats man],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

HET GEDING

Bij exploot van 14 december 1998 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 september 1998, door de recht-bank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de vonnissen van 30 mei 1995, 4 oktober 1995, 13 maart 1996, 16 oktober 1996 en 16 september 1998 heeft vermeld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de vrouw drie grie-ven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grie-ven bestreden. Tevens heeft hij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van twee grieven.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft de vrouw de grieven bestreden.

De man heeft nog een akte geno-men.

De vrouw heeft haar procesdossier aan het hof over-ge-legd.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het vonnis van 4 oktober 1995 is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In grief 1 in het principaal appel stelt de vrouw, dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen en beslist, dat de kosten van de tweede apotheker terecht deel uitmaken van de totale personeelskosten en dat met die kosten bij de berekening van de goodwill dus rekening moet worden gehouden.

3. Beide partijen gaan voor de berekening van de goodwill uit van de jaarrekening 1993. De vrouw geeft aan, dat in het KNMP goodwill-model in het algemeen de werkelijke personeelskosten worden overgenomen, maar dat bij boven- of onderbezetting correctie kan plaats vinden. De KNMP hanteert als norm voor de personeelskosten van een apotheek circa 30 % van bruto winst. De vrouw meent, dat correctie op zijn plaats is, nu naar haar mening de personeelskosten in de apotheek van de man bovenmatig zijn. Primair is de vrouw van mening, dat met niet meer personeelskosten dan 30 % van de bruto winst dient te worden gerekend., wat resulteert in een goodwill van f. 1.150.000,-. In ieder geval dienen volgens haar, voor berekening van de goodwill, de kosten van de tweede apotheker uit de personeelskosten te worden geëlimineerd, als kosten van incidentele aard. De vrouw voert daarbij aan, dat ook de accountant van de man in zijn meerjarenoverzicht deze kosten heeft geëlimineerd uit de personeelskosten. De KNMP heeft de goodwill, na eliminatie als hier bedoeld, berekend op f. 1.010.000,-.

4. Het hof is van oordeel, dat in beginsel van de werkelijke personeelskosten van deze apotheek dient te worden uitgegaan en niet van de door de vrouw voorgestane 30% norm. Van belang is de werkelijke situatie en niet een norm die slechts richtinggevend is of een gemiddelde weergeeft. Incidentele personeelsuitgaven kunnen reden zijn om van de werkelijke kosten af te wijken. Van belang is dus in hoeverre de kosten van de tweede apotheker als incidentele kosten zijn te beschouwen. Volgens de man is de tweede apotheker in dienst genomen, in plaats van een assistente, vanwege de krapte op de “assistente “-arbeidsmarkt. Hij is door de man ingezet voor “assistente “-werkzaamheden. Toen in 1994 de arbeidsmarkt weer verbeterde, heeft de man bij het vertrek van de tweede apotheker weer een assistente in dienst genomen. Het aantrekken in 1994 van meer assistentie blijkt ook uit de brief van 28 november 1997 van de accountant van de man. Dat de situatie op de arbeidsmarkt de man noodzaakte tot het in dienst nemen van de tweede apotheker, is door de vrouw niet, althans onvoldoende, betwist. Het feit dat de tweede apotheker al in 1992 in dienst was, doet hier niet aan af nu een krappe arbeidsmarkt zich niet van de ene dag op de andere manifesteert. De vrouw heeft haar, door de man betwiste, stelling dat de tweede apotheker in dienst was als vervanger van of aanvulling op de man, onvoldoende onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Wel is het hof het eens met de vrouw, dat, nu een apotheker een hoger salaris ontvangt dan een assistente, het verschil daartussen dient te worden aangemerkt als incidentele personeelskosten, die bij de berekening van de goodwill moeten worden geëlimineerd. Daarbij betrekt het hof ook, dat de personeelskosten in deze apotheek in de jaren 1994 en 1995 enigszins lager zijn dan in 1993, terwijl de formatie wat groter is, Nu de partijen zich daar niet over hebben uitgelaten, neemt het hof als uitgangspunt, dat het te elimineren bedrag ongeveer een derde van de kosten van de tweede apotheker bedraagt, ofwel f. 15.000,-. Dit leidt tot een goodwill van f. 820.000,-.

5. In grief 2 van het principaal appel stelt de vrouw, dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen en beslist, dat de berekende goodwill met 10% verminderd dient te worden wegens een sterk persoonsgebonden deel van die goodwill. Deze grief is gegrond. In de apotheek werken slechts Hindoestaanse assistentes. Het valt te verwachten dat bij overdracht door de man van de apotheek de nieuwe apotheker deze Hindoestaanse assistentes zal overnemen en er geen verlies aan klandizie zal optreden. De man heeft voor het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat er sprake is van een persoonsgebonden niet overdraagbare goodwill van de man. Dit betekent, dat er geen korting van 10% moet plaats vinden.

6. Van de goodwill van f. 820.000,- dient nog te worden afgetrokken het bedrag van de geactiveerde goodwill van f. 5.760,-. Voordat rekening wordt gehouden met de latente belastingclaim, bedraagt de goodwill dan ook f. 814.240,-.

7. Grief 3 in het principaal appel en de beide grieven in het incidenteel appel stellen de latente belastingclaim aan de orde. Partijen zijn het erover eens, dat de latente belastingclaim aan de man moet worden toebedeeld. Zij verschillen van mening over de waarde van deze claim.

8. Het hof gaat er met partijen van uit, dat de man de apotheek later dan 1 januari 2001 zal overdragen. Dan zal de nieuwe belastingwetgeving van toepassing zijn. Beide partijen zijn het erover eens, dat dan rekening moet worden gehouden met een belastingclaim van 52 %. De vrouw heeft onbetwist gesteld, dat ten aanzien van de stakingsvrijstelling van f. 45.000,- (aangenomen dat de man de onderneming zal staken na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar in het jaar 2001) een afbouwregeling geldt, waarbij over een periode van vijf jaar de vrijstelling wordt teruggebracht naar f. 8.000,-. Het moment waarop de man de apotheek zal overdragen en de latente belastingclaim zich zal openbaren. is onzeker. Het hof acht het met de vrouw redelijk uit te gaan van een stakingsvrijstelling van f. 25.000,-. De man heeft geen argumenten naar voren gebracht om van een ander bedrag uit te gaan.

9. Anders dan waarvan de man lijkt uit te gaan, dient de belastingclaim te worden gewaardeerd naar de peildatum van 18 januari 1994. Dit betekent, dat bepaald moet worden, welk bedrag de man op 18 januari 1994 opzij moest leggen om de claim van 52% te kunnen betalen op het onzeker moment in de toekomst dat de latente claim reëel zou worden. Het hof stelt dit bedrag, rekening houdend met de sterftekans van de man, op de helft van de claim per 18 januari 1994, dat wil zeggen op 26 %. Dit betekent, dat het hof de latente belastingclaim per 18 januari 1994 waardeert op f. 205.202,-. Rekening houdend met de belastingclaim waardeert het hof de niet op de balans verantwoorde goodwill van de apotheek op f. 814.240,- verminderd met

f. 205.202,-. Dat is f. 609.038,-. De rechtbank had deze gewaardeerd op f. 355.707,-. Het verschil is f. 253.331,-. De rechtbank had de aan de man toe te bedelen vermogensbestanddelen gewaardeerd op f. 178.779,-. Het hof zal dit bedrag vermeerderen met f. 253.331,- en deze vermogensbestanddelen waarderen op f. 432.110,-. Aan de vrouw wordt toebedeeld het saldo van haar postbankrekening ad f. 5.451,62. Voor het verschil ad f. 426.658,- is zij onderbedeeld. De man zal de helft daarvan (f. 213.329,-) aan de vrouw wegens overbedeling dienen te betalen.

9. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden ver-nie-tigd. Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn en de onderhavige procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk betreft, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt het vonnis door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen op 16 september 1998 gewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoen-de:

verdeelt de huwelijksgoederengemeenschap aldus dat:

- aan de man worden toebedeeld de bezittingen en schulden zoals die vermeld staan in productie 2 bij de akte van 2 december 1997, met dien verstande dat het saldo daarvan f. 432.110,- bedraagt;

- aan de vrouw wordt toebedeeld het saldo van haar postbankrekening per 18 januari ad f. 5.451,62;

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van f. 213.329,-;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Schuering en Pannekoek-Dubois en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.