Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AB1583

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
873-H-98
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2002, 56

Uitspraak

Uitspraak : 28 februari 2001

rek.nr. : 873 H 98

rek.nr.rb. : 98.360

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

Beschikking

in de zaak van

de GEMEENTE ZOETERMEER,

te Zoetermeer,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

mr. H.M.D. Bentfort van Valkenburg,

tegen

[naam man],

wonende te [woonplaats man],

hierna te noemen: [man],

mede als wettig vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen:

[naam minderjarige 1],

[naam minderjarige 2] en

[naam minderjarige 3],

verweerders, tevens incidenteel verzoekers, in hoger beroep,

procureur mr. J.J.P.M. Benders.

HET GEDING

Voor de loop van het geding tot en met de tussenbeschikking van het hof van 23 april 1999 verwijst het hof naar die be-schikking.

In die beschikking heeft het hof de ge-meente tot 30 oktober 1999 gelegen-heid gegeven deugdelijk vergelij-kingsmate-riaal op te sporen en aan de hand daarvan dan wel aan de hand van de uitslag van ander onderzoek het hof in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de vraag of aanne-me-lijk is dat het omstreden identiteitsbewijs een bewijs-stuk is in de zin van artikel 43 lid 2 Wet GBA. Het hof heeft [man] uitgenodigd om, voor zover haar mogelijk, aanvul-lende gegevens hieromtrent uiter-lijk ter zelfder tijd in het geding te bren-gen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Ter uitvoering van de haar gegeven opdracht heeft de ge-meente bij brief van 29 oktober 1999 een brief aan het hof geschreven met voornamelijk de volgende stellingen:

* Uit artikel 43 lid 2 van de Wet Gemeente-lijke Basisadmini-stratie Persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) leidt de gemeente af dat zij in beginsel alleen documenten betreffen-de de staat van personen in de bevolkingsadministratie kan opne-men die zijn gelegaliseerd door de overheid in het land van herkomst.

De gemeente voelt zich hierin gesteund door een circulaire van het ministerie van justitie van 8 mei 1996 en stelt dat ge-meente-ambtenaren aan die circulaire zijn gebonden. De gemeen-te ziet dat beginsel als een redelijke uitleg van de wet en wijst op vier groepen vreemdelingen voor wie de regel volgens de circulaire niet geldt; [man] valt buiten die groepen.

* In de bijlage bij die circulaire wordt opge-merkt dat legali-satie van Somalische documenten niet mogelijk is en dat in Europa door Somalische diplomaten of consuls uitgegeven pas-poorten of akten van de burgerlijke stand niet behoeven te worden aanvaard.

* Niet kan worden geverifieerd of Somalische documenten met datum van voor de burgeroorlog zijn geantedateerd; soms blijkt dit te zijn geschied.

* In beginsel rust de bewijslast niet op de gemeente; de betrokkene moet gegevens verschaffen.

* Desgevraagd heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst meegedeeld niet over voldoende deugdelijk vergelijkingsmateri-aal te beschikken om de echtheid van de in deze zaak omstreden documenten te kunnen vaststellen, maar dat zeer wel mogelijk is dat deze echt zijn.

* Een oproep aan bevolkingsambtenaren Somalische documenten van voor 1 oktober 1994 te tonen heeft een te grote verschei-denheid aan documenten opgeleverd om voldoende houvast te bieden. Het hof merkt op dat enkele van deze, door de gemeente overgelegde, voorbeelden gelijkenis vertoonden met de in dit geding omstreden documenten.

* Tot meer acht de gemeente zich niet gehouden.

* De gemeente blijft bij haar standpunt.

2. Het hof is van oordeel dat de gemeente zich voldoende heeft ingespannen om de door het hof gestelde vragen te beant-woor-den. Weliswaar is niet onderzocht of in het Verenigd Konink-rijk of in Italië, die in Europa de nauwste historische banden met Somalië hebben, deugdelijk vergelijkingsmateriaal is te vinden, maar onderzoek daarnaar acht het hof te veel gevraagd van de gemeente. Afhankelijk van het belang dat aan de deugde-lijkheid van de bevolkingsadmini-stratie op dit punt wordt gehecht, ligt hier eerder een taak voor de rijks-over-heid. Vooralsnog staat voor het hof niet onomstotelijk vast dat het overgelegde document door het bevoegde gezag is ingevuld en evenmin dat de datum op het document die van afgifte is.

3. De tekst van de Wet GBA roept vragen op over de betekenis in die wet van het begrip "staat van personen". Gebruikelijk is daaronder te verstaan iemands afstamming, kunne en al dan niet gehuwd zijn. Onduidelijk is of ook de geboortedatum hiertoe wordt gerekend. Zo ja, dan wordt voor dit gegeven - overigens om praktische redenen begrijpelijk - vaak inbreuk gemaakt op het beginsel dat slechts aan gelegaliseerde buitenlandse documenten gegevens worden ontleend, want het hof is ambtshal-ve bekend met de gewoonte als geboortedatum te vermelden, bij gebrek aan gelegaliseerd stuk, de datum die de betrokkene zelf of iemand voor hem bij binnenkomst in Nederland of bij de eerste gelegenheid daarna aan de Nederlandse overheid heeft opgegeven.

4. Nationaliteit is op het eerste gezicht een gegeven dat niet de staat van personen betreft, maar is anderzijds soms van groot belang voor de vaststelling van iemands afstamming of van diens huwelijk, waarvoor het recht van zijn nationali-teit immers vaak beslissend is. Zorgvuldigheid bij de vermelding van de vreemde nationaliteit is dus van belang, hoewel buiten Nederland voor zover bekend een Nederlandse vermelding van een niet-Nederlandse nationaliteit geen gewicht heeft, zelfs niet als het een Nederlandse ingezetene betreft. Ook naar Neder-lands recht heeft vermelding van een buitenlandse nationali-teit in de bevolkingsadministratie slechts betrekkelijk belang, althans niet de bewijsfunctie die de burgerlijke stand heeft voor daarin opgenomen gegevens.

5. De door de gemeente aangehaalde circulaire is in casu niet van toepassing, nu deze handelt over de staat van personen en het hier gaat om de nationaliteit. Wel moet het hof beoordelen of de ge-meente bij haar omstreden besluit de beginselen van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen, onder meer het verbod op besluiten waarbij de nadelige gevolgen voor de belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de te dienen doelen en het discriminatieverbod. In dat kader moet het beroep van de gemeente worden beoordeeld op het feit dat zij [man] anders behandelt dan leden van vier groepen vreemdelingen waartoe zij niet behoort.

6. Het hof is vooralsnog van oordeel dat het verschil in behandeling door de gemeente van verschillende groepen vreem-delingen niet gerechtvaardigd is. Uiteraard is er een goede reden om de uitgezonderde groepen vreemdelingen niet te dwingen om verwanten of anderen in gevaar te brengen met pogingen uit hun land van herkomst documenten te verkrijgen. Niet valt evenwel in te zien waarom het beroep op overmacht van die vreemde-lingen voor hen gunstiger uitwerkt dan het beroep op overm-acht van Somaliërs van wie in de circulaire met bijlage wordt vastgesteld dat zij in de onmogelijkheid verkeren aan een document te komen waaraan gegevens over hen mogen worden ontleend in de bevolkingsadministratie. Uit die vaststelling concludeert het hof dat ook de Somaliërs onbetwist in een situatie van overmacht verkeren en overmacht is nu eenmaal een onoverkomelijk beletsel, wat ook de oorzaak zij. Verschil naar gelang de oorzaak van de overmacht lijkt niet te rechtvaardigen.

7. Gegeven dat:

* in de bevolkingsadministratie ongedocumenteerde opgaven over geboortedata, wellicht ook over afstamming, van met volwassenen meereizende jonge kinderen, en van vier vrij talrijke groepen vreemdelin-gen worden aanvaard,

* onvoldoende geverifieerde opgaven van Somaliërs ondanks evenzeer erkende overmacht voor hen om die opgaven te laten verifiëren niet worden aanvaard,

* de kans op misbruik van de mogelijkheid de Somalische natio-naliteit op te geven gering lijkt bij controle op het gebruik van Somalisch als moedertaal,

* de rechtsgevolgen van de vermelding van een vreemde nation-aliteit in de bevolkingsadministratie gering zijn en deze vermelding geen bewijskracht heeft,

staat het hof dus voor de vraag of de gemeente binnen de grenzen van behoorlijk bestuur de vrij-heid heeft om het opge-nomen gegeven `Somalische nationa-liteit' te wijzigen in: onbekende nationaliteit.

8. De gemeente heeft gewezen op de voorbeeldfunctie van de te nemen beslissing en waarschuwt voor de draagwijdte daarvan. Dit geeft het hof reden om, nu het niet de burgerlijke stand maar de bevolkingsadministratie betreft, in verband met het nationaliteitsaspect in deze bestuursrechtelijke zaak aan de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burger-lijke staat en de nationaliteit te vragen of het voorgaande, in het bijzonder de opsomming onder 7. haar aanleiding geeft algemene opmerkingen te maken die van belang kunnen zijn voor de afwe-ging waarvoor het hof staat.

9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING IN HOGER BEROEP

Het hof:

verzoekt de Commissie van advies voor de zaken be-treffende de burgerlijke staat en nationaliteitsaangelegenhe-den per brief de volgende vragen te beantwoorden:

1. Bent u bereid over een of meer van de in deze beschikking genoemde vragen ten behoeve van het hof algemene opmerkin-gen te maken?

2. Zo ja, welke zijn deze algemene opmerkingen?

heropent de behandeling en houdt de verdere behandeling aan tot 26 mei 2001 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Schuering en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door Lekahena als griffier, en uitge-spro-ken ter openbare terecht-zitting van 28 februari 2001.