Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AB0085

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00-H-379
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 10 januari 2001

Rekestnummer : 00-H-379

Rekestnr. rechtbank : 99-6695

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam vader],

wonende te [woonplaats vader],

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. A.J.F. Manders,

tegen

[naam moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. T.G. Brown-Knip.

PROCESVERLOOP

De vader is op 29 mei 2000 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 5 april 2000.

De moeder heeft op 31 juli 2000 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl, ingediend.

De vader heeft een verweerschrift in het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vader zijn nog aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 26 juni 2000 respectievelijk 1 augustus 2000.

Op 1 november 2000 is de zaak mondeling behandeld door mr. Schuering als raadsheer-commissaris. De tot 29 oktober 2000 minderjarige [kind2] heeft bij brief van 30 oktober 2000 haar mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 december 1994 is tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind1] op 3 december 1980, [kind1] op 29 oktober 1982, [kind3] op 14 juni 1986 en [kind4] op 31 januari 1990.

Bij de echtscheidingsbeschikking, die is ingeschreven op 27 december 1994, is de moeder belast met het ouderlijk gezag over de vier kinderen en is bepaald dat de vader kinderalimentatie van ƒ 50,- per kind per maand zal betalen.

Bij beschikking van 6 maart 1996 van dezelfde rechtbank is - met wijziging van voormelde beschikking - bepaald dat voortaan alleen aan de vader het ouderlijk gezag zal toekomen over de toen minderjarigen [kind1] en [kind2].

Bij beschikking van 18 februari 1997 is de kinderalimentatie voor alle vier minderjarige kinderen op grond van gewijzigde omstandigheden bepaald op nihil met ingang van 6 maart 1996, met nihilstelling van de achterstand in betalingen.

Bij verzoekschrift van 28 oktober 1999 aan de rechtbank te ‘s-Gravenhage heeft de moeder onder meer verzocht, op grond van gewijzigde omstandigheden, de beschikkingen van 6 maart 1996 respectievelijk 18 februari 1997 te wijzigen in dier voege, dat zij alleen met het ouderlijk gezag over [kind2] zal worden belast en voorts dat de door de vader aan de moeder te betalen alimentatie wordt bepaald op ƒ 250,- per maand per kind voor de toen drie minderjarige kinderen; ten behoeve van [kind2] met ingang van januari 1998, althans met ingang van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van de wijziging van het gezag en ten behoeve van [kind3] en [kind4] met ingang van indiening van het verzoekschrift.

Bij de bestreden beschikking is de moeder belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [kind2]; voorts is bepaald dat de vader met ingang van 28 oktober 1999 ten behoeve van de drie minderjarige kinderen een kinderalimentatie ten bedrage van ƒ 142,- per maand per kind zal betalen.

Ten aanzien van de vader.

De vader is geboren op 1 januari 1955. Hij leeft samen met zijn huidige echtgenote, geboren op 30 december 1970, en hun kind [naam kind vader en echtgenote], geboren op 16 augustus 1999. Hij is in loondienst. Uit de jaaropgave 1999 blijkt een belastingplichtig loon van ƒ 53.904,-. Per maand bedraagt zijn bruto loon ƒ 4.145, 25, exclusief vakantiegeld. Hij is zie-kenfondsverzekerde. Het maximale spaarloon wordt op zijn loon voor belasting ingehouden. Zijn echtge-note heeft geen eigen inkom-sten.

De vader heeft de volgende maandlasten, afgerond op hele bedragen:

- ¦ 857,- huur na aftrek van huursubsidie;

- ¦ 18,- huur garage;

- ƒ 316,- premie ziek-tenfonds, werkgevers- en werk-nemersdeel totaal, exclusief eigen risico;

- ƒ 12,- eigen risico ziektekosten;

- ƒ 500,- aflossing op een schuld aan de MNF Bank, waarvan ƒ 354,- rente en ƒ 146,- aflossing. Hiervan heeft de rechtbank ƒ 250,- in aanmerking genomen, waarvan ƒ 175,- aan rente en ƒ 75,- aan aflossing.

Voorts heeft hij, bij wijze van alimentatie, een schuld op zich genomen die [kind1] was aangegaan om een scooter te kopen. De aflossing hierop bedraagt ƒ 115,- per maand, voor 72 termijnen. [kind1] heeft daarop zijn verzoekschrift aan de rechtbank tot het ten laste van zijn vader bepalen van alimentatie ingetrokken.

Met [kind2], die in september 2000 is gaan studeren, heeft hij de afspraak, dat hij haar gedurende haar studie een bijdrage betaalt van tenminste ƒ 100,- per maand.

Hij betaalt sinds een half jaar de muziektherapie van [kind4] ten bedrage van ƒ 50,- per maand.

Ten aanzien van de moeder.

De moeder is geboren op 19 februari 1958. Zij heeft bescheiden inkomsten uit arbeid, die tot de norm voor een eenoudergezin met een bijstandsuitkering worden aangevuld. De behoefte van de kinderen aan alimentatie is door de rechtbank, uitgaande van vier kinderen, bepaald op ƒ 225,- per kind per maand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. Zowel in het principale als in het incidentele hoger beroep is in geschil de draagkracht van de vader. De behoefte van de kinderen staat tussen de partijen, als in hoger beroep niet langer in geschil, vast.

2. De vader verzoekt de beschikking van 5 april 2000 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie ten behoeve van [kind2], [kind3] en [kind4] met ingang van 29 oktober 1999 te bepalen op nihil, althans op een bedrag dat het hof redelijk voorkomt. Hij voert daartoe één grief aan.

3. De moeder verzoekt in het principale appèl de vader niet ontvankelijk te verklaren, danwel zijn verzoek af te wijzen; in het incidentele appèl verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie op ƒ 160,- per maand per kind te stellen. Zij voert daartoe eveneens één grief aan.

4. Het hof overweegt ten aanzien van de beide aangevoerde grieven als volgt.

5. De grief van de vader richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat de vader dient te worden aangemerkt als alleenstaande, waaruit voortvloeit dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening is gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, tariefgroep 2 en een draagkrachtpercentage van 60. De moeder heeft de feitelijke gezinssituatie zoals door de vader naar voren is gebracht, niet weersproken, maar zij betwist dat het nieuwe gezin van de vader voorrang verdient op de financiële verplichtingen die hij heeft jegens de kinderen uit zijn vorige huwelijk. Het hof is van oordeel dat het nieuwe gezin voor de vader, afgewogen tegen de belangen van de vier andere kinderen, geen onredelijke lasten oplevert. De omstandigheid dat de huidige echtgenote van de vader vooralsnog geen financiële bijdrage levert aan het gezin, acht het hof - gelet op haar nog korte verblijf in Nederland en op de jonge leeftijd van [naam kind vader en echtgenote] - niet onredelijk jegens de andere kinderen, aangezien de vast te stellen bijdrage van de vader in elk geval niet tot gevolg zou hebben dat de kinderen in het gezin van de moeder boven bijstandsniveau zouden komen; dit wordt niet anders door de vader als alleenstaande aan te merken. Gelet op het inkomen van de vader betekent iedere substantiële bijdrage aan de kinderen voor hem een inspanning. Het hof acht het in het licht van het voorgaande redelijk, rekening te houden met de gezinsnormen, derhalve met tariefgroep 3, de bijstandsnorm voor een gezin en een draagkrachtpercentage van 45. Deze grief slaagt derhalve.

6. De grief van de moeder is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat de vader ƒ 95,- omgangskosten per maand heeft. Zij stelt dat de kinderen wel af en toe naar de vader gaan, maar niet op regelmatige basis. De kinderen eten en overnachten naar haar zeggen niet of heel zelden bij de vader. Naar haar mening dient in het geheel geen rekening te worden gehouden met omgangskosten. De vader stelt dat de kinderen veelvuldig bij hem zijn. Ter zitting heeft hij gesteld dat zij ook bij hem eten. Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omgangskosten meer bedragen dan ongeveer ƒ 25,- per maand, zodat het hof daarmee redelijkerwijze rekening houdt.

7. Als voorts rekening wordt gehouden met het inkomen van de vader en zijn lasten zoals in het vorenstaande onder de vaststaande feiten omschreven - met dien verstande dat het hof, evenals de rechtbank, terzake de schuld aan de MNF Bank rekening houdt met een aflossingsbedrag van ƒ 250,- per maand (waarvan ƒ 175,- aan rente en ƒ 75,- aan aflossing ) - laat de draagkracht van de vader een kinderalimentatie van in totaal ƒ 160,- per maand toe.

8. Aangezien de vader maandelijks reeds ƒ 100,- aan [kind2], ƒ 115,- op de schuld van [kind1] alsmede ƒ 50,- voor de muziektherapie van [kind4] betaalt, betekent dit dat hij thans meer betaalt dan waartoe hij op grond van de vastgestelde draagkracht is gehouden. Het hof zal, met al het voorgaande rekening houdend, de kinderalimentatie tot 1 september 2000 op ƒ 100,- in totaal bepalen en vanaf 1 september 2000 op nihil stellen.

9. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen, en in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik-king van de rechtbank van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 18 februari 1997 - de door de vader aan de moeder te betalen kin-derali-mentatie ten behoeve van [kind2], [kind3] en [kind4] met ingang van 29 oktober 1999 op ƒ 100,- per maand in totaal;

bepaalt de door de vader met ingang van 1 september 2000 aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil;

wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Van den Wildenberg en Mulder, bijge-staan door mr. Verkuil als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 10 januari 2001.