Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AA9952

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
711-H-99
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 10 januari 2001

Rek.nummer : 711-H-99

Rek.nr rb. : 98-5809

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam vader],

wonende te [woonplaats vader],

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,

hierna te noemen: de biologische vader,

procureur mr. F.A.M. Engels,

tegen

[naam moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

verweerder, tevens inci-denteel ver-zoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[naam wettige vader],

wonende te Rijswijk,

hierna te noemen: de wettige vader.

HET GEDING

Het hof verwijst voor de loop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 3 maart 2000, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is de behandeling van de zaak aangehouden voor een onderzoek door het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg te Leiden (hierna te noemen: het ABJ).

Op 4 juli 2000 is bij het hof een onderzoeksrapport van het ABJ gedateerd 3 juli 2000 ingekomen.

Op 11 oktober 2000 is de zaak mondeling behandeld.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. Het ABJ is in zijn rapport van 3 juli 2000 tot de conclusie gekomen dat op dat moment niet in het belang van [het kind] is als zij omgang met haar vader krijgt. [het kind] is uit het onderzoek naar voren gekomen als een meisje dat, met name op cognitief gebied, nog onrijp is. Zij ervaart een sterke, positieve band met haar moeder en is zeer gevoelig voor diens stemmingen. Indien van haar geƫist zou worden dat zij, tegen de wens en tot verdriet van haar moeder, omgang zou hebben met haar biologische vader, kan haar ontwikkeling sterk onder druk komen te staan en geschaad worden. Gebleken is dat de moeder afwerend en angstig tegenover contact met de biologische vader staat, hetgeen waarschijnlijk van negatieve invloed zal zijn op [het kind], als zij omgang zou hebben met de biologische vader. De biologische vader lijkt nog te zeer beheerst te worden door gevoelens van boosheid op de moeder. Het ABJ acht het wel haalbaar en niet in strijd met het belang van [het kind] om de biologische vader door middel van informatieverstrekking op de hoogte te houden van de ontwikkeling van [het kind]. Het ABJ acht voorts individuele deskundige begeleiding van de moeder en de biologische vader in de vorm van psychotherapie raadzaam.

2. Ter terechtzitting heeft de vader te kennen gegeven zich te kunnen vinden in het oordeel van het ABJ en zich, echter niet van harte, te realiseren dat omgang nu niet tot de mogelijkheden behoort. Hij heeft verzocht aan de afwijzing van de omgang een termijn te verbinden van drie jaar. Hij heeft voorts aangegeven wel graag op de hoogte te willen blijven van de ontwikkelingen van [het kind].

3. De moeder heeft gesteld dat een informatieregeling niet aan de orde kan zijn, omdat de biologische vader van [het kind] geen ouder is in de zin van art. 1:377b BW. De biologische vader meent dat hij recht heeft op informatie over [het kind]. Een biologische vader die het kind niet erkend heeft, zoals in casu, heeft op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM), een informatierecht, indien hij tot het kind in een betrekking staat die aangemerkt moet worden als familylife.

4. Het hof is van oordeel dat, gelet op de conclusie van het rapport van het ABJ en het verhandelde ter terechtzitting, onder de huidige omstandigheden een omgangsregeling tussen [het kind] en haar biologische vader in strijd met de zwaarwegende belangen van [het kind] is. Er dient thans voor [het kind] een periode van rust te zijn. Het hof acht de door de biologische vader verzochte termijn van drie jaar redelijk en overweegt dat na het verstrijken van die periode opnieuw dient te worden bezien of de zich thans voordoende beletselen voor omgang, al dan niet bij wijze van proef, tussen de vader en [het kind] nog steeds aanwezig zijn. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover het de omgang betreft, dient te worden bekrachtigd.

5. Voor wat betreft de verzochte informatie is het hof van oordeel dat, nu er sprake is van familylife tussen hem en [het kind], de biologische vader op grond van art. 8 EVRM in beginsel recht heeft op informatie over [het kind]. Het hof acht het thans echter te belastend voor de moeder om de informatie via haar te laten lopen, nu dit te veel spanningen met zich meebrengt en dit in strijd met de zwaarwegende belangen van [het kind] is. Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voorzover daarbij een informatieregeling is bepaald.

6. Het hof ziet geen aanleiding om zoals de moeder heeft verzocht de biologische vader in de kosten van dit geding te veroordelen en zal derhalve, gelet op de aard van de procedure, de kosten tussen de partijen compenseren.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 10 september 1999 voor zover het de omgang betreft, met dien verstande dat de afwijzing van het verzoek van de biologische vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [het kind] slechts geldt voor een periode van drie jaar met ingang van heden;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover hierbij een informatieregeling is vastgesteld;

wijst het verzoek om een informatieregeling af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Pannekoek-Dubois en Mulder, bijge-staan door mr. Philippa als grif-fier, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 10 januari 2001.