Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AA9932

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
681-H-00
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 17 januari 2001

Rekestnummer : 681-H-00

Rekestnr. rechtbank : 99-4575

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam man],

wonende te [woonplaats man],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.H. Barendrecht,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.A.M. Perquin.

PROCESVERLOOP

De man is op 7 september 2000 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 7 juli 2000.

De vrouw heeft op 6 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof brieven met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 19 september 2000 en 2 oktober 2000.

Op 13 december 2000 is de zaak mondeling behandeld door mr. Van den Wildenberg als raadsheer-commissaris.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

Bij beschikking van 20 maart 2000 heeft de rechtbank tussen de par-tijen, met elkaar gehuwd op 22 juni 1972, de echtscheiding uitgespro-ken, welke op 17 mei 2000 is ingeschreven.

Bij die beschikking is de behandeling pro forma aangehouden, teneinde de man in de gelegenheid te stellen de afkoopwaarde van de kapitaalverzekering per 13 januari 1999 te laten bepalen. Voorts is iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is de verdeling van de bij OHRA afgesloten kapitaalverzekering bij leven, polisnummer: [nummer polis], op einddatum polis - 1 juni 2006 - als volgt vastgesteld:

zowel aan de man als de vrouw wordt de helft van de rechten toebedeeld, voortvloeiende uit voormelde verzekering. Voorts is vastgesteld dat de vaststelling van de verdeling onverlet laat het recht van de vrouw als (een van de) begunstigde(n) ingeval van vooroverlijden van de man.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de bovengenoemde kapitaalverzekering in de verdeling van de gemeenschap valt en bij de verdeling moet worden betrokken. Voorts verzoekt de man uit te gaan van 13 januari 1999 als peildatum voor de waardering. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

2. Vast staat dat de voormalige werkgever van de man, [werkgever man], terzake van de beëindiging van zijn dienstbetrekking per 1 oktober 1994, een vergoeding van ƒ 75.000,- heeft uitgekeerd als schadeloosstelling voor de schade, ontstaan door staking of vermindering van pensioenopbouw in dienstverband. Terzake van deze uitkering is krachtens een daartoe opgemaakte stamrechtovereenkomst de bovengenoemde kapitaalverzekering afgesloten. Bij in leven zijn op de lijfrente-ingangsdatum (1 juni 2006) wordt aan de man een oudedagslijfrente uitgekeerd van ƒ 158.071,90.

3. In de beschikking van 20 maart 2000 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de man in de gegelegenheid te stellen de afkoopwaarde van de kapitaalverzekering per 13 januari 1999 (de door hem onweersproken gestelde peildatum) te laten bepalen. Voorts is iedere verdere beslissing aangehouden.

Het houdt de partijen verdeeld of de door de rechtbank op 20 maart 2000 gegeven beschikking, behoudens de vaststelling van de afkoopwaarde van de kapitaalverzekering, een tussen- dan wel een eindbeschikking is. De man stelt dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de levensverzekering en de peildatum - blijkens de laatste alinea van de beschikking van 20 maart 2000 - een eindbeschikking is, waaraan de rechtbank gebonden was en waarop de rechtbank niet terug mocht komen in het verdere verloop van de procedure. De vrouw stelt dat de rechtbank slechts heeft overwogen dat door de man onweersproken is gesteld dat voor de waardering van een peildatum van 13 januari 1999 dient te worden uitgegaan, zodat sprake is van een tussenbeschikking.

4. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking niet is teruggekomen op het standpunt dat de kapitaalverzekering in de gemeenschap van goederen viel. Blijkens haar beschikking van 20 maart 2000 heeft de rechtbank ten aanzien van de peildatum voor de waardering geen definitieve beslissing genomen. Iedere verdere beslissing was aangehouden, zodat het de rechtbank vrij stond op eerdere beslissingen terug te komen en de zaak nog in volle omvang aanhangig was.

5. Tussen de partijen is in confesso - mede gelet op de van de zijde van de man overgelegde pleitnotities - dat de bovengenoemde kapitaalverzekering in de inmiddels ontbonden huwelijksgemeenschap valt. De man heeft (terzake van de beëindiging van zijn dienstbetrekking) een aantal jaren vermindering van inkomen gehad. Ter compensatie van die inkomensvermindering heeft de man een bedrag van ƒ 75.000,- ontvangen, welk bedrag, blijkens een in november 1994 gesloten stamrecht-overeenkomst, door zijn voormalige werkgever rechtstreeks is gestort als koopsom voor de ten behoeve van de man af te sluiten kapitaalverzekering. Omdat de koopsom reeds op 1 september 1994 is gestort, was de man toen, maar ook thans geen premie meer verschuldigd. Als gevolg van de vorengenoemde overeenkomst is het gezinsinkomen vanaf 1994 achteruit gegaan, in welke achteruitgang de vrouw ook heeft gedeeld, zodat het nadelige effect derhalve ook bij haar terecht is gekomen. Dit alles in aanmerking nemende acht het hof de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde verdeling redelijk, zodat de bestreden beschikking in zoverre moet worden bekrachtigd. Hetgeen de partijen ieder voor zich in zoverre voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, omdat bespreking ervan niet tot een ander oordeel kan leiden. Het oordeel van de rechtbank, dat de vorengenoemde verdeling onverlet laat het recht van de vrouw als (een van de) begunstigde(n) ingeval van vooroverlijden van de man, deelt het hof niet. In zoverre dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is immers komen vast te staan dat niet de vrouw, maar de kinderen begunstigden zijn ingeval van vooroverlijden van de man.

6. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, behoudens voor zover daarbij is vastgesteld dat de vaststelling van de verdeling van de bij OHRA afgesloten kapitaalverzekering, polisnumer [nummer polis], onverlet laat het recht van de vrouw als (een van de) begunstigde(n) ingeval van vooroverlijden van de man.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Fockema Andreae-Hartsuiker en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 17 januari 2001.