Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:AA9762

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2200510900 PO
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200510900 PO

parketnummer 1100604398

datum uitspraak 23 januari 2001

verstek

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 24 juni 1999 in de ontnemingszaak tegen

[naam veroordeelde]

geboren te [plaats datum]

1. Procesgang

Bij onherroepelijk vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 24 juni 1999 is de veroordeelde terzake van handelen in strijd met bepalingen in artikel 31b juncto artikel 31a van de Auteurswet 1912, meermalen gepleegd, veroordeeld tot het verrichten van 240 uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij vonnis van 24 juni 1999 aan de veroordeelde, ter ontneming van weder-rechte-lijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van f.8.639,-- bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door negentig dagen hechtenis.

De veroordeelde heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2001.

Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen door de raadsman van veroordeelde, mr L.H.J.M. van Mierlo, advocaat te Breda, naar voren is gebracht.

3. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4. Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de hierboven bedoelde strafbare feiten.

De vordering van het openbaar ministerie kan derhalve worden toegewezen op de wijze als hierna zal worden aangegeven.

5. Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de bewijsmiddelen zoals deze door de eerste rechter zijn gebezigd en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

6. Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot betaling door de veroordeelde aan de Staat van een bedrag van f.8.639,-- met bevel dat indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen, waarbij de duur van de vervangende hechtenis niet wordt verminderd door het voldoen van een gedeelte van het verschuldigde bedrag.

Aan de hand van de in het rapport d.d. 20 mei 1999, nummer 2764.AVM.98, van [. . .], financieel deskundige bij de regiopolitie Zuid-Holland Zuid, neergelegde bevindingen, stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op f.8.639,--.

Dit bedrag is gebaseerd op het in het rapport opgenomen -door veroordeelde niet weersproken- wederrechtelijk verkregen bruto voordeel, verminderd met de navolgende kosten:

waarde auto na afschrijving f.1.500,--

servicebeurten en onderhoud auto f. 800,--

brandstof f.110,--

verzekering f. 80,--

wegenbelasting f. 35,--

Totaal f.225,-- per maand

gedurende 12 maanden f.2.700,--

Met betrekking tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent de draagkracht van veroordeelde, overweegt het hof, dat het hof heeft kennisgenomen van het verslag d.d. 7 september 2000 ex artikel 325 Faillissementswet betreffende veroordeelde.

Blijkens dit verslag vindt een schuldsanering plaats, welke loopt vanaf 9 augustus 2000. Tevens blijkt uit het verslag dat de in eerste aanleg opgelegde verplichting tot betaling van f.8.639,-- binnen deze schuldsanering valt.

Het hof is van oordeel, dat, nu de hiervoor bedoelde betalings-verplichting in de schuldsanering is begrepen het hof niet van de matigingsbevoegdheid ingevolge artikel 36c, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht gebruik dient te maken, omdat de regeling van de schuldsanering al voldoende tot matiging leidt.

Bij regelmatige uitvoering van de schuldsanering vervalt de vordering immers na vier jaar.

Het hof ziet in het aangevoerde evenmin aanleiding af te zien van het opleggen van vervangende hechtenis. Zij zal deze dan ook opleggen. Zolang er echter sprake is van een regelmatige uitvoering als hiervoor bedoeld mag de vervangende hechtenis niet ten uitvoer worden gelegd. Dit wordt slechts anders indien veroordeelde zich niet houdt aan de regels van de schuldsanering.

Het bovenstaande in aanmerking genomen stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat vast op f.8.639,--.

Het hof zal de veroordeelde de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Straf-recht.

8. BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt als bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op f.8.639,-- (ACHTDUIZEND ZESHONDERD NEGENENDERTIG GULDEN).

Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het wederrechte- lijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van f.8.639,-- (ACHTDUIZEND ZESHONDERD NEGENENDERTIG GULDEN).

Beveelt dat, voor het geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van NEGENTIG DAGEN, welke duur niet wordt verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag.

Dit arrest is gewezen door mrs Koning, Reinking en Davids,

in bijzijn van de griffier Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2001.