Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2001:5

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
2200077898
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is gedurende bijna drie jaar actief geweest als leider van een strak geleide en op intimidatie geënte professionele organisatie met diverse besloten vennootschappen en internationale contacten, die op grote schaal actief was in de drugshandel.

Ook werd bij de organisatie het verboden middel BMK aangetroffen, dat als grondstof bekend staat voor amfetamine en XTC.

Bovendien had verdachte de beschikking over een Taurus‑revolver met bijbehorende munitie.

Tenslotte is verdachte schuldig verklaard aan het medeplegen moord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummers 1000501196 en 1003506895

datum uitspraak 9 februari 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's‑GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 19 maart 1998 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [plaats] op [dag] 1952,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vosseveld" te Vught.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 april 2000, 2 mei 2000, 9 mei 2000, 11 mei 2000, 18 september 2000, 19 september 2000, 22 september 2000, 5 januari 2001, 22 januari 2001 en 26 januari 2001.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie nader omschreven en gewijzigd.

Van de dagvaardingen, de vordering nadere omschrijving tenlastelegging en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

Het hof heeft deze feiten van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

3. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte en de officier van justitie is blijkens de door de raadsman en de advocaat-generaal gedane mededelingen op de terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde (zaak ‘[L.]’).

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

4. Geldigheid van de inleidende dagvaarding onder parketnummer 1000501196 (feit 1)

Het hof acht de woorden "en/of elders in het buitenland" in het onder 1 tenlastegelegde feit onvoldoende bepaald. Daarom zal het hof deze dagvaarding voor wat betreft de tenlastelegging van feit 1 in zoverre nietig verklaren.

5. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging ter zake van het onder parketnummer 1000501196 onder 1 tenlastegelegde (feit1), voor zover dit feit in Engeland zou zijn begaan.

Deze beslissing acht het hof niet juist op grond van het navolgende.

In zijn arrest van 30 september 1997, NJ 1998, 117 heeft de Hoge Raad ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet als volgt overwogen:

"5.5. Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden."

Mede gelet op het gegeven dat verdachte hier te lande woonachtig is en de verweten criminele organisatie primair in en vanuit Nederland zou opereren, is het hof van oordeel dat op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht bestaat, ook ten aanzien van die onderdelen die in Engeland zouden zijn begaan.

6. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. Verweren/verzoeken van de kant van de verdediging

De raadsman heeft bij pleidooi een aantal verweren gevoerd en verzoeken gedaan. Hij heeft zich tevens aangesloten bij hetgeen zijn collega in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte1] op de blz. 7 t/m 43 van diens pleitaantekeningen naar voren heeft gebracht, door deze pleitaantekeningen in afschrift bij zijn eigen pleitnotitie te voegen.

Deze verweren/verzoeken vat het hof kort als volgt samen.

A. Overschrijding van de redelijke termijn

Naar de mening van de raadsman is de redelijke termijn in de zin van artikel 5, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens overschreden.

Deze, van zijn collega overgenomen stelling, die alleen betrekking heeft op de behandeling van de zaak van de medeverdachte [medeverdachte1] in hoger beroep, is door de raadsman niet nader onderbouwd. Niettemin zal het hof enige overwegingen wijden aan het vraagstuk van de redelijkheid van de duur van de onderhavige strafzaak.

De artikelen 5, derde lid, en 6, eerste lid, EVRM streven verschillende doeleinden na.

Artikel 6, eerste lid, EVRM strekt ertoe te voorkomen dat de verdachte te lang in onzekerheid verkeert over het resultaat van de strafvervolging, terwijl het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 5, derde lid, EVRM gegeven is om de verdachte te beschermen tegen een te langdurig voorarrest. Het hof wijst op het arrest van het EHRM in de Zaak Jablonski tegen Polen van 21 december 2000, no. 33492/96, § 83, waarin het EHRM onder meer overwoog: “Article 5 § 3 is essentially to require his provisional release once his continuing detention ceases to be reasonable”. Als de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, vereist artikel 6, eerste lid, EVRM van de bevoegde autoriteiten nog meer voortvarendheid dan ingeval de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis zou bevinden. Zulks blijkt ook uit het hierna te bespreken arrest van de Hoge Raad. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdediging een beroep heeft willen doen op het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Verdachte is op 18 juni 1996 in verzekering gesteld. Blijkens de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek en inbewaringstelling d.d. 24 juni 1996 wordt hij verdacht van

zakelijk weergegeven - het deelnemen aan een criminele organisatie waaraan hij leiding gaf; het medeplegen van de uitvoer in april 1996 van 103 kilogram amfetamine en het medeplegen van de uitvoer in mei 1996 van 20 kilogram amfetamine en 20.000 pillen met die stof. In de verdere loop van het voorbereidend onderzoek wordt de vervolging uitgebreid met een zevental verdere feiten, waaronder een tweetal moorden en een poging tot moord.

De inhoudelijke behandeling van deze, zeer omvangrijke zaak in eerste aanleg heeft een aanvang genomen in december 1996; de rechtbank heeft - na 21 zittingsdagen (waarvan een enkele 'pro forma') - op 19 maart 1998, dus 21 maanden na de aanhouding van verdachte, vonnis gewezen.

Na een regiezitting op 24 november 1998 heeft het hof bij tussenarrest van 8 december 1998 op de verzoeken tot nader onderzoek van de verdediging beslist. Voor het verhoor van 16 getuigen wordt de zaak naar de rechter-commissaris verwezen; tevens wordt bepaald dat 11 getuigen ter terechtzitting zullen worden gehoord. Ter terechtzitting van 19 november 1999 wordt het voornemen kenbaar gemaakt om met de inhoudelijke behandeling van de zaak op 11 februari 2000 te beginnen. Op 1 februari 2000 buigt het hof zich over een aantal nadere verzoeken van de verdediging die onder meer samenhangen met de problemen die de raadsman heeft om op passende momenten de video- respectievelijk audioregistraties van verhoren te bekijken en te beluisteren. Mede in verband met de daarvoor nog benodigde tijd neemt de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang op de terechtzitting van 28 april 2000. Deze behandeling loopt gedurende tien zittingsdagen, waarvan de laatste valt op 26 januari 2001. Het aantal zittingsdagen wordt mede beïnvloed door nieuwe verzoeken van de zijde van de verdediging.

Vastgesteld moet worden dat de behandeling in hoger beroep nadat appel was ingesteld in totaal bijna 35 maanden in beslag heeft genomen. De totale behandelingsduur van de zaak is daarmee op 56 maanden gekomen.

In zijn arrest van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 heeft de Hoge Raad enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd met betrekking tot zijn huidige rechtspraak ter zake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer artikel 6, eerste lid, EVRM. Het hof zal aan de hand van deze algemene uitgangspunten de redelijkheid van de duur van de strafzaak beoordelen.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is volgens de Hoge Raad - voor zover in het licht van de onderhavige strafzaak van belang - afhankelijk van - onder meer - de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak, waartoe bijvoorbeeld kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte;
b. de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, waarbij valt te denken aan verzoeken van de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak;
c. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

Behoudens de hiervoor vermelde bijzondere omstandigheden behoort - aldus de Hoge Raad - in eerste aanleg én na het instellen van hoger beroep het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar, en binnen 16 maanden indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Het hof stelt vast dat - gemeten aan laatstgenoemde uitgangspunten - de behandeling in hoger beroep bijna 19 maanden langer heeft geduurd en dat bij de totale behandelingsduur dit uitgangspunt met 24 maanden is overschreden. Zwaarwegende en bijzondere omstandigheden kunnen die overschrijding naar 's hofs oordeel echter in overwegende mate verklaren. Daarbij gaat het allereerst om de complexiteit en de ernst van de zaak, die in eerste aanleg tot een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf leidde.

Tevens heeft de verdediging ernstige beschuldigingen jegens het opsporingsapparaat geuit en op uitgebreid nader onderzoek aangedrongen, dat heeft geleid tot terugwijzing naar de rechter-commissaris en een zeer uitgebreide behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg én in hoger beroep.

Vertraging is tenslotte ontstaan omdat het met regelmaat lastig bleek op een redelijke termijn nieuwe zittingsdagen, noodzakelijk geworden in verband met nieuwe verzoeken van de zijde van de verdediging, te plannen, gelet op de (overige) agenda's van raadsman én hof.

Alles overziende is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak - in het bijzonder in hoger beroep - weliswaar onwenselijk lang heeft geduurd, maar dat - getoetst aan de bovenvermelde criteria van de Hoge Raad – gelet op de hiervoor geschetste bijzondere omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat de redelijke termijn is overschreden.

Het beroep daarop wordt mitsdien verworpen.

B. Onvolledigheid van het dossier / onderzoek

De raadsman is, met zijn confrère, van mening dat - gelet op het beginsel van “equality of arms” - ten onrechte de verklaringen van een onbekend gebleven getuige, met wie blijkens het rapport d.d. 8 januari 1997 van [A.] een deal gesloten zou moeten worden, niet aan het strafdossier zijn toegevoegd. Mochten deze verklaringen niet aan het dossier (kunnen) worden toegevoegd, dan zouden de betrokken verbalisanten dienaangaande moeten worden gehoord. Daartoe dient de zaak te worden aangehouden.

De raadsman is bovendien van mening dat het volstrekt duidelijk is dat het bij deze getuige om de medeverdachte [medeverdachte1] gaat en dat volstrekt niet uit te sluiten is dat deze al langere tijd – in ieder geval in de periode relevant voor deze zaak en voor verdachte - als informant voor de CID optrad en informatie verschafte over strafbare feiten waaraan hij zelf deelnam. Daarmee is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan de orde en werd op onjuiste gronden het verhoor van [getuige1] en [getuige2] en van [getuige3] in de zaak tegen verdachte afgewezen; ook de over de contacten met de medeverdachte [medeverdachte1] opgemaakte "4x4-tjes" moeten daarom in de procedure worden gebracht.

Het hof stelt dienaangaande allereerst vast dat het onderzoek ter terechtzitting in verband met de gewijzigde samenstelling van het hof op 28 april 2000 opnieuw is aangevangen. Toen en nadien zijn van de kant van de verdediging geen verzoeken gedaan om de verklaringen van de onbekend gebleven getuige en de "4x4-tjes" die over de contacten tussen de Criminele Inlichtingendienst en de medeverdachte [medeverdachte1] (mogelijkerwijs) zijn opgemaakt, aan het dossier toe te voegen. Ter terechtzitting van 18 september 2000 is het verzoek gedaan de betrokken verbalisanten, [getuige3] en “[getuige1] en [getuige2]” als getuigen te horen. Het hof heeft op die datum dit verzoek afgewezen, aangezien de noodzaak daarvan niet was gebleken.

Het hof handhaaft deze beslissing.

Ten aanzien van de verklaringen van de onbekend gebleven getuige stelt het hof allereerst vast dat, blijkens het dienaangaande door [A.] d.d. 8 januari 1997 opgemaakte rapport (dat zich in geanonimiseerde vorm in het dossier bevindt, bij de stukken over een begin januari 1997 aan de Centrale Toetsingscommissie voorgelegd voorstel tot het maken van afspraken met een crimineel, overgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 1998, blz. 15), deze verklaringen zouden moeten dienen om nieuwe perspectieven te openen in het tegen

verdachte destijds vastgelopen onderzoek naar levensdelicten. Tevens kan worden vastgesteld dat - blijkens het schrijven van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam d.d. 22 juli 1997, de voorgestelde afspraak niet meer noodzakelijk is, "nu een aantal recentelijk aangehouden verdachten (...) voor de hoofdverdachte zeer belastende verklaringen hebben afgelegd". Hierop gelet is het hof van oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de verklaringen van deze getuige voor verdachte belastende informatie behelst. Het door de officier van justitie dienaangaande ter terechtzitting van 2 maart 1998 gestelde, namelijk dat de informatie niet ontlastend is, komt het hof alleszins aannemelijk voor. Het belang van bescherming van de veiligheid van de betrokken getuige en de met deze gemaakte afspraken verzetten zich ertegen dat diens verklaringen openbaar worden, omdat ernstig rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat diens identiteit aldus bekend zal worden. Het hof stelt bovendien vast dat de verdediging heeft nagelaten om - in het kader van een mogelijke compensatie - de getuige [A.], die reeds in eerste aanleg bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van de rechtbank een en ander maal is bevraagd, in hoger beroep - bij de rechter-commissaris, dan wel ter terechtzitting - wederom daarover te ondervragen.

Hierop gelet dient het verzoek de verklaringen van deze, onbekend gebleven getuige aan het dossier toe te voegen, te worden afgewezen, evenals het subsidiaire verzoek de betrokken verbalisanten te horen, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad.

In zijn pleitnotitie (blz. 44) wijst de raadsman van de verdachte nog op een door [A.] gedane toezegging dat hij zal onderzoeken of de betreffende verklaringen zijn afgelegd voor de dood van [E.] en stelt de raadsman dat die informatie alsnog moet worden aangeleverd. Daargelaten dat de getuige [A.] het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voor een groot deel heeft bijgewoond, dat de verdediging meermalen in de gelegenheid is geweest om hem aan de gedane toezegging te herinneren en de verdediging van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, waaruit het hof concludeert dat die informatie voor de verdediging kennelijk niet meer van zo groot belang was, alsmede dat de raadsman desgevraagd op de terechtzitting van 22 januari 2001 heeft geantwoord dat het hof op alle gedane verzoeken, behoudens een hier niet ter zake doend verzoek, had beslist, is de door de verdediging gevraagde informatie, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, thans niet relevant meer.

Het hof zal hierna ingaan op hetgeen door de verdediging in verband met de positie van de medeverdachte [medeverdachte1] is verzocht.

C. De positie van de medeverdachte [medeverdachte1] als informant / infiltrant

De verdediging stelt, mede in navolging van de confrère in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte1], dat uit de verklaring van deze verdachte ter terechtzitting van 22 januari 2001 blijkt dat hij werkzaamheden voor de RCID Rotterdam/Rijnmond verrichtte en dat hij nooit zou zijn aangehouden als hij zijn werkzaamheden naar tevredenheid had verricht.

Bovendien heeft de RCID verdachte gebruikt om te infiltreren in – naar het hof begrijpt – de groepering[verdachte]. Volgens de verdediging heeft de medeverdachte [medeverdachte1] zich gedragen als een criminele burgerinfiltrant. Omdat deze stellingen onvoldoende onderzocht konden worden en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte raken, dient de zaak voor nader onderzoek, onder meer door het horen van de getuigen [getuige1] en [getuige2] onder medeneming van de dagjournaals, te worden aangehouden.

Omtrent de rol van de medeverdachte [medeverdachte1] stelt het hof allereerst vast dat door de leider van het onderzoek, [A.], tegenover de rechter-commissaris op 15 november 1999 is verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte1] door zijn team niet als criminele burgerinfiltrant is ingezet. De verdediging heeft deze uitspraak op generlei wijze anders dan met de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte1] onderbouwd. De medeverdachte [medeverdachte1] heeft over zijn relatie tot verdachte en de contacten die hij met de CID heeft onderhouden, in zijn verhoor als getuige in de zaak tegen verdachte bij de rechter-commissaris op 1 oktober 1997 uitgebreid verklaard. Tevens heeft hij over zijn contacten met de CID ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 en 10 februari 1998 en ter terechtzitting in hoger beroep op 22 september 2000 en 5 januari 2001 verklaard. Deze verklaringen houden - zakelijk samengevat - het navolgende in. De medeverdachte [medeverdachte1] is in 1990 voor verdachte gaan werken. Nadat hij begin 1994 in Hoek van Holland was aangehouden, werd hij door verdachte op non-actief gesteld. Halverwege 1994 is verdachte weer begonnen met softdrugs en heeft de medeverdachte [medeverdachte1] voor hem gereden, van Spanje naar Nederland en vandaar naar Engeland.

De medeverdachte [medeverdachte1] werd op 13 december 1994 in Engeland wegens mensensmokkel gedetineerd en kwam na elf maanden, op 3 november 1995 weer vrij.

Hij mocht toen niet meer voor verdachte werken. Op 17 april 1997 werd de medeverdachte [medeverdachte1] in Spanje aangehouden; verdachte was tien maanden eerder, op 18 juni 1996 aangehouden.

Omtrent zijn contacten met de CID verklaart de medeverdachte [medeverdachte1] dat hij de CID na zijn vrijlating in Engeland informatie heeft verstrekt over een drietal tassen met vuurwapens en sempex (het hof leest: semtex) die hij voor verdachte moest bewaren. Ook heeft hij (op enig moment) met de CID over de zaak [L.] gesproken. Zijn contacten met de CID-ers [getuige1] en [getuige2] dateren van 1996, na zijn vrijlating. Met hen heeft hij - voor zover hij weet - nooit over de moord op [slachtoffer] gesproken. Wel hadden die contacten betrekking op een drietal containers met verdovende middelen in Panama, bestemd voor verdachte.

De medeverdachte [medeverdachte1] is volgens eigen zeggen toen naar Panama geweest om die containers vrij te maken. Verdachte, aldus de medeverdachte [medeverdachte1], “zat toen al binnen”.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mr [C.], destijds plaatsvervangend

CID-officier van justitie, op 19 september 2000 dienaangaande verklaard, dat zij tijdens de vakantie van de CID-officier van justitie werd benaderd over een aanbod van de medeverdachte [medeverdachte1] om containers in Panama vrij te maken. Zij heeft toen gesteld dat op dit aanbod niet kon worden ingegaan, omdat zulks een strafbaar feit zou opleveren.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat de medeverdachte [medeverdachte1] na zijn vrijlating uit Engelse detentie in november 1995 met de CID Rotterdam/Rijnmond contacten heeft onderhouden. Deze contacten lijken (vooral) betrekking te hebben gehad op het verstrekken van informatie als informant.

Het hof verwerpt - gelet op hetgeen door mr [C.] daaromtrent is verklaard - de suggestie dat de medeverdachte [medeverdachte1] op verzoek van de Nederlandse justitie containers met drugs zou hebben vrijgemaakt om aanvullend bewijs tegen verdachte, die overigens sedert 18 juni 1996 in voorarrest verblijft, te laten verzamelen; die containers zijn overigens verdwenen en nooit in Nederland aangekomen.

Overigens zou dit hebben plaatsgevonden buiten de tenlastegelegde periode.

Aangezien een redelijk begin van een feitelijke grondslag van de stellingen van de verdediging ontbreekt, ziet het hof de noodzaak van nader onderzoek van die stellingen niet in, waarbij naar het hof begrijpt de (toenmalige) chef CID [getuige3] en de runners [getuige1] en [getuige2] zouden moeten worden gehoord (verzoeken om deze getuigen te horen werden door het hof in andere samenstelling reeds op 8 december 1998 afgewezen) en de "4x4-tjes" over de contacten met de medeverdachte [medeverdachte1] zouden moeten worden ingebracht. De verzoeken dienen derhalve te worden afgewezen.

Gelet op de opmerking van de raadsman aan het begin van zijn pleidooi dat hier en daar doublures kunnen voorkomen, gaat het hof voorbij aan de stelling van de raadsman in zijn pleitnotitie (blz. 66) dat de weigering van het hof om CID-ers opnieuw te horen een ernstige schending van het beginsel van artikel 6 EVRM oplevert. Het hof neemt aan dat de raadsman hier doelt op “[getuige1]” en “[getuige2]”. Mocht dat niet het geval zijn, dan is het verzoek te vaag om de noodzaak daarvan te kunnen beoordelen.

D. Schending van het pressieverbod; niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie althans bewijsuitsluiting subsidiair onbetrouwbaarheid van het bewijs

De verdediging heeft gewezen op de verklaringen van [D.] d.d. 9 juni 1997 en

[E.] d.d. 3 november 1996, die door de rechtbank tot het bewijs zijn gebezigd en die naar haar oordeel wegens strijd met het pressieverbod, dat onder meer is neergelegd in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daartoe voert de verdediging aan dat sprake is geweest van bedreiging, misbruik van de verhoorsituatie en ongeoorloofde zedelijke druk. Ter onderbouwing van deze stelling worden een aantal passages uit de verhoren van [E.] en [D.], respectievelijk omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, naar voren gebracht.

Uit deze passages zou, zo leidt het hof af uit het door de raadsman gestelde, onder meer blijken van:

I. bij de verhoren van [E.]

1. voortzetting van het verhoor ondanks het feit dat deze in geestelijke nood verkeert en suïcidaal is;

2. het laten voortduren van het verhoor, hoewel verdachte van zijn zwijgrecht gebruik wil maken en naar zijn cel terug wil;

3. het voorhouden van de gevolgen van volharding in het zwijgen voor de te verwachten straf, de consequenties daarvan voor het contact met zijn dochter, mogelijke consequenties voor het ouderlijk gezag en - daar tegenover - de positieve invloed van medewerking aan het onderzoek op de latere strafeis;

4. het wijzen op de gevolgen van suïcide voor diens vrouw en dochter;

5. het laten afleggen van een verklaring onder (grote) druk en de mogelijke verwachting een deal te kunnen sluiten (blz. 13).

Voor zover de tot bewijs gebezigde verklaringen van [E.] desondanks niet van het bewijs mochten worden uitgesloten is de verdediging van mening dat diens verklaringen als niet betrouwbaar / ongeloofwaardig buiten beschouwing dienen te blijven. Hetwaarheidsgehalte valt niet te controleren als gevolg van het overlijden van [E.]. Zijn verklaringen zijn onder zodanige druk afgelegd, dat hij suïcide pleegde. Niet kan worden vastgesteld dat deze verklaringen een weergave zijn van hetgeen [E.] zelf heeft gehoord of gezien.

II. bij de verhoren van [D.]

1. het - ondanks volhardende weigering anders te verklaren - gedurende langdurige verhoren (verbatim) voorhouden van verklaringen van medeverdachten, waarbij onder meer wordt gewezen op het overlijden van [E.], een mogelijk hogere straf in appel in een

drugszaak en verdachte’s kleinkinderen.

2. de machtsuitoefening door de verhorende ambtenaren die hem foto's van het lijk tonen, hem een sticker op het voorhoofd plakken en hem denigrerende opmerkingen toevoegen.

Voor zover de tot bewijs gebezigde verklaringen van [D.] desondanks niet van het bewijs mochten worden uitgesloten is de verdediging van mening dat diens verklaringen als niet betrouwbaar / ongeloofwaardig terzijde geschoven dienen te worden. Daartoe wijst de verdediging op een aantal haars inziens onwaarschijnlijke elementen in de verklaringen van [D.]. Een andere beslissing van het hof zou naar haar mening gemotiveerd dienen te worden.

In HR 13 mei 1997, NJ 1998, 152 (De Zaanse verhoormethode) heeft de Hoge Raad overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van opsporings- en vervolgingsambtenaren onder bepaalde omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde oplevert dat zulks tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Van geval tot geval zal dit moeten worden beoordeeld, zodat een algemene regel daarvoor bezwaarlijk is te geven. Blijkens dat arrest heeft het hof omtrent een bepaald onderdeel van het verhoor geoordeeld dat daarmede de grenzen zijn overschreden van hetgeen nog in overeenstemming met de eisen van een behoorlijke procesorde kan worden geacht. Door te oordelen dat niet sprake was van een zodanige inbreuk op de eisen die aan een eerlijk proces moeten worden gesteld, dat deze tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging zou moeten leiden is het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.

In de zaak die tot genoemd arrest leidde werd de methode van verhoor van de verdachte aan de kaak gesteld. De thans door de verdediging aangevallen verhoormethoden hebben alleen betrekking op verhoren van medeverdachten, die tegenover de politie voor verdachte belastende verklaringen hebben afgelegd, niet op de verdachte zelf. Deze door de medeverdachten afgelegde verklaringen moeten in materiële zin als getuigenverklaringen tegen verdachte worden aangemerkt. Derhalve dient eerst te worden onderzocht of, indien bij een dergelijk verhoor de grenzen zijn overschreden van hetgeen nog in overeenstemming met de eisen van een behoorlijke procesorde kan worden geacht, deze vaststelling ook tot processuele sancties in de zaak tegen verdachte behoort te leiden.

Artikel 29, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat in alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, de verhorende ambtenaar zich onthoudt van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd, heeft alleen betrekking op verdachten. De artikelen 173 en 271, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bevatten een instructienorm voor de verhorende rechter. Hij dient ervoor zorg te dragen dat geen vragen worden gesteld, welke de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd. Deze beide bepalingen hebben ook betrekking op getuigen. Al deze voorschriften kunnen worden beschouwd als uitvloeisel van een algemeen aan ons strafprocesrecht ten grondslag liggend beginsel dat in alle gevallen waarin iemand in een strafrechtelijk onderzoek wordt gehoord, de verhorende rechter of ambtenaar zich onthoudt van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd. Zie ook HR 17 maart 1998, NJ 1998, 798 waarin de

Hoge Raad met het oog op de bruikbaarheid voor het bewijs van een getuigenverklaring de vraag onder ogen zag of van die verklaring kon worden gezegd dat zij in vrijheid was afgelegd.

Voor dit pressieverbod, dat de kern van ons strafprocesrecht raakt, kan ook een grondslag worden gevonden in de artikelen 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR. Immers door ongeoorloofde pressie wordt het recht voor de verdachte om zijn eigen proceshouding te bepalen wezenlijk aangetast (nemo tenetur-beginsel) en wordt tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. In dat belang - het vrijelijk bepalen van de proceshouding - wordt de verdachte in geval van ongeoorloofde pressie van een getuige niet getroffen. Vooropgesteld moet worden dat iedere getuigenverklaring door de rechter met de nodige behoedzaamheid behandeld dient te worden. Dit geldt te meer als de verdachte iedere betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde ontkent. Aan die behoedzaamheid en de door de rechter af te leggen verantwoording in geval van het gebruik van de getuigenverklaring ten nadele van de verdachte worden strengere eisen gesteld, naarmate er meer aanwijzingen zijn dat de verklaring is afgelegd onder omstandigheden die twijfel doen rijzen over de mate van vrijheid waarin die verklaring is afgelegd.

Bij de beoordeling van de vraag of op een getuige al dan niet geoorloofde pressie is uitgeoefend zijn verschillende omstandigheden van belang.

In de eerste plaats is van belang of sprake is van een verhoormethode, dat wil zeggen een als zodanig herkenbare systematische wijze van verhoren. Voorts is van belang of een in het algemeen in de opsporing gangbare verhoormethode is gebruikt. Vervolgens is van belang of de getuige tevens als verdachte wordt gehoord. Het verhoor kan in dat geval immers niet alleen belastend materiaal voor de getuige zelf maar ook voor andere bij de zaak betrokkenen opleveren. Niet uit te sluiten is bovendien dat het de verhorende ambtenaar niet in de eerste plaats is te doen om het verkrijgen van een verklaring van de betreffende getuige in diens eigen zaak, maar vooral om het verkrijgen van een belastende verklaring in de zaak van een medeverdachte. Daarbij is van belang of ten tijde van het verhoor van de getuige een raadsman optrad en of de getuige tijdens het verhoor rechtsbijstand heeft genoten en of hij om bijstand van een raadsman heeft verzocht. Gaat het om een (zeer) ernstig strafbaar feit en weigert de getuige tevens medeverdachte een verklaring af te leggen, dan staat het geldend strafprocesrecht er naar algemeen geldende inzichten niet aan in de weg dat hij pittig aan de tand wordt gevoeld. Bij (zeer) ernstige strafbare feiten behoeft niet zonder meer aan het belang van de getuige tevens medeverdachte om verstoken te blijven van verdere pogingen om een verklaring te verkrijgen een zwaarder gewicht te worden toegekend dan aan het belang van de rechtsorde dat de waarheid boven tafel komt. Tenslotte, en niet in de laatste plaats dient betekenis te worden toegekend aan nadien door de getuige tevens medeverdachte afgelegde verklaringen. Stelt de getuige tevens medeverdachte dat hij die verklaring onder ongeoorloofde pressie heeft afgelegd? Is de verdediging in de gelegenheid gesteld om de getuige te ondervragen over de toepassing van de door haar als onoorbaar aangemerkte verhoormethoden? Heeft de getuige tevens medeverdachte al dan niet de betwiste verklaring bevestigd?

Bij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging gaat het om een zaak van algemeen belang. Dat algemene belang is in het geding als een concreet belang van de verdachte op grove of doelbewuste wijze is geschonden of als het belang zo fundamenteel voor de strafrechtspleging is dat het openbaar ministerie de toegang tot de strafvervolging dient te worden ontzegd. Uitoefening van ongeoorloofde pressie op getuigen tast over het

algemeen slechts de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaring en derhalve de bruikbaarheid van die verklaring voor het bewijs aan. Het belang van de verdachte in geval van schending van het pressieverbod is vooral hierin gelegen dat met schending van dit verbod totstandgekomen verklaringen door de rechter niet ten nadele van de verdachte in diens eigen zaak voor het bewijs mogen worden gebruikt. Processuele sancties in geval van schending van het pressieverbod van een getuige dienen derhalve in de regel bewijsrechtelijk van aard te zijn. De uitgeoefende en als ongeoorloofd aangemerkte pressie kan van dien aard zijn dat de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaring dusdanig is aangetast dat zij niet dan wel, indien die verklaring op essentiële punten overeenstemt met andere tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen, slechts in (zeer) beperkte mate tot het bewijs kan meewerken. In het laatste geval rust op de rechter een bijzondere motiveringsplicht.

Ongeoorloofde pressie van een verdachte leidt zonder meer tot bewijsuitsluiting.

Een dergelijke processuele sanctie is ingeval van ongeoorloofde pressie van een getuige minder vanzelfsprekend. Immers het recht van de verdachte om vrijelijk zijn eigen proceshouding te bepalen wordt hierdoor niet aangetast.

Bij arrest van 17 maart 1998, NJ 1998, 798 heeft de Hoge Raad de vraag onder ogen gezien of van een onder hypnose afgelegde verklaring kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend. De ontzegging van bewijskracht aan een onder hypnose afgelegde verklaring steunt dus - zo concludeert de Hoge Raad - in belangrijke mate op de vaststelling dat "de mogelijkheid om in een concreet geval tot een verantwoord oordeel te komen omtrent het waarheidsgehalte van een onder hypnose afgelegde verklaring ontbreekt". Daarvan is in geval van een onder ongeoorloofde pressie afgelegde getuigenverklaring geen sprake. Door een nader verhoor van de getuige in aanwezigheid van de verdediging kan de rechter zich een zelfstandig oordeel vormen over de betekenis van de ongeoorloofde pressie voor het waarheidsgehalte van die getuigenverklaring. Zo is denkbaar dat, indien een getuige ten overstaan van de rechter op essentiële punten de betwiste verklaring bevestigt, het de rechter is toegestaan om de betwiste verklaringen ook op andere onderdelen tot het bewijs te bezigen indien hij van oordeel is dat vanwege het tijdsverloop bepaalde gedeelten van die verklaring meer in overeenstemming zijn met de waarheid dan de nadien ten overstaan van de rechter afgelegde verklaring.

Tegen deze achtergrond overweegt het hof ten aanzien van de bestreden verklaringen als volgt.

[E.] heeft als (mede)verdachte onder meer op 3, 7 en 12 november 1996 voor verdachte belastende verklaringen inzake gepleegde levensdelicten afgelegd. Die verklaringen hadden mede betrekking op hetgeen hij daarover van verdachte en van [D.] had vernomen. Zij werden afgelegd in een periode, waarin [E.] - blijkens het door de Rijksrecherche d.d. 7 februari 1997 opgemaakte rapport en de daarin opgenomen verklaringen - kennelijk onder grote psychische druk stond; [E.] had op 1 november 1996 een poging tot zelfdoding gedaan en heeft zichzelf in de nacht van 27 op 28 november 1996 het leven benomen.

Het hof acht, mede in aanmerking genomen de transcripten van de verhoren van

[E.] en de audiocassettebandjes waarop de verhoren van [E.] van 1 en 2 november 1996 zijn opgenomen en die door het hof ter terechtzitting van 11 mei 2000 deels zijn uitgeluisterd, geenszins aannemelijk geworden dat door de politie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van [E.] bij diens verhoren op hem met het oog op het verkrijgen van een voor verdachte belastende verklaring een zodanige

– ongeoorloofde - druk is uitgeoefend dat het openbaar ministerie de toegang tot de strafvervolging van verdachte dient te worden ontzegd. Dat een rechtstreeks verband zou bestaan tussen de suïcide van [E.] en de jegens hem door de politie toegepaste verhoormethoden, is door de verdediging weliswaar gesuggereerd doch op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Door het overlijden van [E.] is het niet meer mogelijk de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen te toetsen door [E.] zelf dienaangaande als getuige te (doen) bevragen. Mede gelet op de omstandigheid dat rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat de geschetste grote psychische druk van invloed is geweest op de inhoud van die verklaringen, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende compenserende mogelijkheden gevonden kunnen worden om de betrouwbaarheid van de bedoelde verklaringen te kunnen toetsen. Nu de verklaringen van [E.] over de levensdelicten op wezenlijke onderdelen slechts beperkte steun in andere verklaringen vinden, is het hof van oordeel dat die verklaringen niet als bewijsmiddel ten aanzien van de tenlastegelegde levensdelicten dienen te worden gebruikt en ook overigens buiten 's hofs oordeelsvorming daarover dienen te blijven. Het hof komt hierop terug bij zijn nadere overwegingen ten aanzien van de vraag of deze tenlastegelegde feiten bewezen geacht kunnen worden.

Nu de verklaringen van [E.] over de levensdelicten op de hiervoor weergegeven gronden door het hof buiten beschouwing worden gelaten, heeft verdachte er geen belang meer bij dat het hof andere gronden voor bewijsuitsluiting (in verband met de gestelde ontoelaatbare pressie) onderzoekt.

Het voorgaande geldt niet voor de Opiumwetdelicten en het misdrijf van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De door de verdediging aangehaalde passages uit de transcripten hebben bijna uitsluitend betrekking op de levensdelicten. De verklaringen van [E.] met betrekking tot de Opiumwetdelicten en het misdrijf van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht vinden bovendien in belangrijke mate steun in andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de door [D.] afgelegde verklaringen stelt het hof het navolgende vast. [D.] is vele malen als getuige door de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gehoord. Daarbij is de vraag of hij zijn verklaringen in het opsporingsonderzoek in vrijheid heeft afgelegd, ampel aan de orde geweest. Het hof heeft bovendien zelf kennisgenomen van door de raadsman gepresenteerde gedeelten van videoregistraties van die verhoren. Dienaangaande constateert het hof het navolgende.

In zijn verklaring op 17 februari 1997 als getuige bij de rechter-commissaris beklaagt [D.] zich over intimidatie en bedreiging gedurende de verhoren die hij in november 1996 als verdachte zou hebben moeten ondergaan.

Op 2 oktober 1997 is hij wederom door de rechter-commissaris als getuige gehoord, onder meer over de verhoren door de politie (in de voorafgaande maanden). [D.] verklaart dan: "Ik ben bij deze verhoren niet onder druk gezet. De verhoren zijn goed verlopen. ... Ik ben niet bedreigd." ... "Ik heb geen druk gevoeld tijdens de politieverhoren. ... De verklaring (het hof leest: verklaringen) die ik bij de politie heb afgelegd zijn waar. Ik heb geen dingen verklaard die niet waar zijn." Het hof tekent hierbij aan dat - blijkens het ter terechtzitting van 19 september 2000 overgelegde proces-verbaal d.d. 19 september 2000 van

[F.], met bijlage - [D.] op 18 juni 1996 als verdachte in verband met handel in verdovende middelen werd aangehouden, en op 11 juni 1997, terwijl hij gedetineerd was, opnieuw werd aangehouden als verdachte van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer]. Blijkens zijn eigen verklaring bij de rechter-commissaris op 2 oktober 1997 was [D.] inmiddels voor de Opiumwetdelicten veroordeeld en liep zijn hoger beroep tegen die veroordeling.

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 november 1997 (blz. 9) zegt hij bij zijn tweede verklaring bij de rechter-commissaris te blijven. "Wat ik toen heb verklaard is juist." En op 10 februari 1998 (blz. 10) verklaart hij: "Naar mijn idee zijn de verhoren in de [X.]-zaak in alle rust verlopen. Ook de verhoren in juni vorig jaar zijn rustig verlopen."

Ook in hoger beroep heeft [D.] verklaard over de wijze waarop hij door de politie werd verhoord. Op 2 mei 2000 (blz. 6) verklaart hij wederom dat er geen druk op hem is uitgeoefend.

Het hof stelt vast geen aanwijzingen te hebben dat [D.] niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard dat er tijdens de politieverhoren na zijn (tweede) aanhouding op 11 juni 1997 geen druk op hem is uitgeoefend. Ook de op verzoek van de verdediging afgespeelde gedeelten van de videoregistratie van die verhoren geeft het hof geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat [D.] toen in strijd met het “pressieverbod” is verhoord. Daarbij tekent het hof aan dat het “stickerincident” en de gestelde bedreigingen blijkens [D.]s eerste verklaring bij de rechter-commissaris (d.d. 19 februari 1997) niet in die periode hebben plaatsgevonden.

Bij deze stand van zaken behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking of de overige aan de verhorende ambtenaren verweten elementen van het verhoor jegens de verhoorde onoorbaar zijn geweest, omdat zij - ook in onderlinge samenhang bezien - geen aanleiding geven tot het vermoeden dat een verhoormethode is toegepast die afbreuk heeft gedaan aan de vrijheid van [D.] om te verklaren. Het hof zal daarbij onder G. afzonderlijke aandacht besteden aan het verwijt dat (onder meer) aan [D.] toezeggingen zijn gedaan.

Het hof verwerpt daarom het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging althans bewijsuitsluiting in verband met schending van het “pressieverbod” wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.

F. Het ontbreken van rechtsbijstand voor [E.] en [D.]

De verdediging heeft naar voren gebracht dat [E.] op 31 oktober 1996 en 1 en 2 november 1996 is verhoord terwijl hij feitelijk zonder raadsman was, geen verklaring wilde afleggen, zich in beperkingen bevond en hij duidelijk suïcidaal was. Ook aan [D.] is in een zekere periode rechtsbijstand onthouden en is hij volgens de verdediging door te doelen op het krijgen van minder straf en hulp als hij opening van zaken zou geven, afgetrokken van zijn raadsman. Naar de mening van de verdediging is aldus inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen de betrokken verklaringen van het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof is - met de verdediging - van oordeel dat rechtsbijstand aan verdachten als een van de pijlers van hun rechtspositie in een strafrechtelijk onderzoek heeft te gelden en dat het welbewust onthouden van die bijstand jegens hem of haar een inbreuk op beginselen van een goede procesorde kan opleveren. Indien een verdachte, die in enig stadium rechtsbijstand ontbeert, een verklaring aflegt over een medeverdachte - en in zoverre in materiële zin getuige is -, valt echter niet in te zien dat het ontbreken van die rechtsbijstand, bijzondere omstandigheden daargelaten, jegens die medeverdachte een schending van beginselen van een goede procesorde oplevert. Daarbij tekent het hof aan dat volgens huidig recht getuigen uitdrukkelijk om rechtsbijstand moeten verzoeken en van geval tot geval zal moeten worden bezien of een dergelijk verzoek voor inwilliging in aanmerking komt.

Mede in aanmerking genomen de naderhand door [D.] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen is geenszins aannemelijk geworden dat het ontberen van rechtsbijstand tijdens de verhoren door de politie van invloed is geweest op het waarheidsgehalte van de toen door [D.] afgelegde verklaringen. Gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat rechtsbijstand is onthouden met het oogmerk om voor verdachte belastende verklaringen te verkrijgen. Nu ook overigens geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot een andere beoordeling aanleiding zouden geven, verwerpt het hof het beroep op schending van beginselen van een goede procesorde jegens verdachte.

Daarbij overweegt het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de "zonder rechtsbijstand" door [E.] en [D.] als “getuige” afgelegde verklaringen nog het navolgende.

Zoals het hof hierboven heeft overwogen, zal het de verklaringen van [E.] omtrent de levensdelicten buiten beschouwing laten, omdat [E.] ten tijde van het afleggen van die verklaringen onder grote psychische druk stond en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen niet meer kan worden getoetst door hem als getuige ten overstaan van de verdediging daarover te (laten) bevragen. Ten aanzien van de door [D.] afgelegde verklaringen heeft het hof hierboven vastgesteld dat er naar zijn oordeel geen aanleiding is te vermoeden dat afbreuk is gedaan aan [D.]'s vrijheid om te verklaren. Ook de mogelijke veronderstelling dat de wijze waarop hij heeft verklaard is beïnvloed doordat hij (enige dagen) niet door een raadsman werd bijgestaan, vindt derhalve geen steun in de door het hof vastgestelde feiten.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting wordt verworpen.

G. Het sluiten van deals; het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in zijn vervolging

Naar de mening van de verdediging zijn aan [E.], [H.], [D.] en de medeverdachte [medeverdachte1], en wellicht ook aan [I.], toezeggingen gedaan of

voorgehouden dat bij de strafeis ermee rekening zal worden gehouden dat informatie is verstrekt, respectievelijk dat (in het geval van de medeverdachte [medeverdachte1]) niet-vervolging voor drugsdelicten in het vooruitzicht wordt gesteld of - aan de in Engeland gedetineerde [H.] - dat men zich zal inspannen voor spoedige overbrenging naar Nederland. Deze deals voldoen niet aan de gestelde eisen en zijn zozeer in strijd met beginselen van een goede procesorde dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet volgen.

Ter onderbouwing van dit standpunt wordt aangevoerd dat

a. a) [E.] herhaalde malen is voorgehouden dat - als hij zou gaan verklaren - daarmee bij de strafeis rekening gehouden zou worden, terwijl hij bovendien allerlei voordelen genoot, zoals bezoek van zijn vrouw en dochter;

b) ook [D.] toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot familiebezoek en met zijn verklaringen bij de strafeis zeer ernstig rekening is gehouden, waarbij wordt gewezen op de – in de ogen van de verdediging- zeer lage straf van twee jaren voor zijn aandeel in de moord op [slachtoffer], naast een delict met betrekking tot BMK;

c) de uitlevering van de medeverdachte [medeverdachte1] uitsluitend voor de moorden is gevraagd en niet voor drugszaken, terwijl hem een straf van drie tot vijf jaren door de officier van justitie mr [J.] is beloofd.

Mocht het hof aan de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte1] dienaangaande geen geloof hechten, dan zou de betrokken officier van justitie alsnog ter zake moeten worden gehoord.

In algemene zin constateert het hof dat het begrip “deal” met een crimineel niet scherp omlijnd is. In de Modelbrief van de procureurs-generaal bij de gerechtshoven d.d. 1 juli 1983 dienaangaande, die tot 1 april 1997 gold, wordt slechts gesproken van "het maken van bijzondere afspraken met criminelen", waarbij "kan worden aanvaard dat de tegenprestatie (hof: die door justitie wordt geleverd) ook buiten het gebruikelijke strafrechtelijke beleid ligt". In de Richtlijn afspraken met criminelen van het College van procureurs-generaal d.d. 13 maart 1997, Stcrt. 1997, 61, die in de plaats kwam van de Modelbrief, wordt gesproken van "een afspraak tussen een crimineel en het openbaar ministerie met het doel om een toetsbare getuigenverklaring te verkrijgen in ruil voor enige tegenprestatie van het openbaar ministerie. Die tegenprestatie kan onder meer bestaan in "het eisen van een lagere straf dan op basis van de tenlastelegging normaal zal zijn, onder vermelding van de motivering daarvoor in het requisitoir". Ten aanzien van de te volgen procedure houdt deze richtlijn onder meer in (5.6): "Elke afspraak dient in de vorm van een schriftelijke overeenkomst tussen het betrokken lid van het OM en de crimineel te worden vastgelegd." Gelet op deze richtlijnen en het algemene spraakgebruik zal naar het oordeel van het hof slechts sprake kunnen zijn van een deal of afspraak, indien de tegenprestatie van de kant van Justitie schriftelijk is vastgelegd en een zodanige, in meer of mindere mate scherp omschreven en harde toezegging inhoudt dat de betrokkene, met wie de overeenkomst wordt gesloten, daaraan concrete verwachtingen kan ontlenen.

Van zodanige afspraak kan naar 's hofs oordeel niet worden gesproken indien verhorende ambtenaren, al dan niet na overleg met de officier van justitie, een verdachte voorhouden dat zijn proceshouding - en in het bijzonder het door hem volledig en naar waarheid verklaren omtrent de feiten waarvan hij verdacht wordt - van invloed zal zijn op de te eisen of op te leggen straf, zelfs niet indien daarbij een min of meer concreet perspectief van een te verwachten straf(eis) wordt uitgesproken. Het hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 1996, NJ 1997, 59, waarin in een zaak waarin vanwege de officier van justitie aan een verdachte was medegedeeld dat, wanneer deze tot en met de terechtzitting bij zijn eerdere verklaringen zou blijven, de officier van justitie daarmee bij zijn eis rekening zou houden, werd overwogen:

"Het enkele feit van die toezegging kan niet tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn strafvervolging leiden, in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde feiten bekent en daarbij volledige opening van zaken geeft en hij bij die bekentenis blijft, niet alleen door de rechter bij de straftoemeting maar ook door de officier van justitie bij het formuleren van zijn eis in een voor die verdachte positieve zin in de beschouwingen mag en veelal ook zal worden betrokken."

Toetsend aan deze uitgangspunten stelt het hof met betrekking tot de aan de bedoelde medeverdachten geschetste perspectieven het navolgende vast.

a. [E.]

Het hof leidt uit hetgeen door [A.] ter terechtzitting in eerste aanleg op 12 februari 1998 en 2 maart 1998 als getuige is verklaard dat [E.] aan de verhorende ambtenaren het voorstel heeft gedaan een deal te sluiten, in ruil voor door hem af te leggen verklaringen.

Na overleg met de officier van justitie is besloten niet op dat voorstel in te gaan. Wel is hem te kennen gegeven dat met zijn proceshouding rekening gehouden zou worden.

Uit het proces-verbaal d.d. 18 november 1997 van [K.] (JA029.AMH) en het daarbij gevoegde transcript van verhoren leidt het hof af dat het verzoek om een deal door

[E.] op 31 oktober 1996 is gedaan en dat de verhorende ambtenaren hem vervolgens in algemene zin de consequenties van zijn proceshouding voor de eis hebben voorgehouden, in die zin dat die van aanzienlijke invloed op de te verwachten straf zou kunnen zijn.

Deze uitspraken zijn naar het oordeel van het hof op generlei wijze als deal of afspraak aan te merken. Dat [E.] voordelen zou hebben genoten die niet uitsluitend waren ingegeven door overwegingen van medemenselijkheid, acht het hof geenszins aannemelijk.

b. [D.]

De raadsman heeft bij zijn faxbericht van 8 mei 2000 naar voren gebracht dat aan [D.] door [A.] allerhande beloftes zijn gedaan, die op videoband 25 te beluisteren zouden zijn.

Het hof heeft die band ter terechtzitting van 9 mei 2000 beluisterd en bezien. De eigen waarneming van het hof, weergegeven op blz. 5 van het proces-verbaal van die terechtzitting, houdt in dat [A.] [D.] heeft voorgehouden dat voor de opheldering van een aantal moorden beloningen zijn uitgeloofd en dat hij zich zal inzetten om die aan [D.] te doen toekomen. [D.] verklaart echter aan toezeggingen geen herinnering te hebben .

Tevens heeft [D.] ter terechtzitting van 22 september 2000 verklaard dat hem is aangeboden om onder een andere naam elders een nieuw leven te beginnen; het hof begrijpt dat met [D.] de mogelijkheid van opname in een getuigenbeschermingsprogramma is besproken. Volgens [D.] heeft hij daar later niets meer van gehoord en heeft hij er op een gegeven moment niet meer naar gevraagd. Andere mogelijke toezeggingen zijn niet aan de orde gekomen.

Het hof is daarom van oordeel dat elke aanwijzing ontbreekt dat met [D.] een deal zou zijn gesloten. Het is niet aan het hof om zich een oordeel te vormen over de overwegingen die aan de straftoemeting in de zaken waarvoor [D.] terecht moest staan, ten grondslag hebben gelegen.

c. de medeverdachte [medeverdachte1]

Uit de stukken met betrekking tot de aan Spanje gevraagde rechtshulp blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte1] op 9 april 1997 internationaal werd gesignaleerd aan Spanje ter zake van moord. Uit het rechtshulpverzoek d.d. 3 april 1997 blijkt dat het daarbij zowel ging om de moord op [slachtoffer] als om de moord op [L.]. De medeverdachte [medeverdachte1] werd op 17 april 1997 in Spanje aangehouden en op 12 mei 1997 aan de Nederlandse Justitie overgedragen. Daaraan voorafgaande is hij twee maal - op 18 en 24 april 1997 - door Nederlandse opsporingsambtenaren verhoord.

De medeverdachte [medeverdachte1] heeft als getuige in de zaak tegen verdachte op 22 januari 2001 verklaard dat hij voor de 'korte uitleveringstermijn' had gekozen, omdat hij met de moord op [slachtoffer] niets te maken had. "Als ik de containers zou hebben afgeleverd, dan zou ik voor alle zaken uit het verleden niet meer vervolgd worden. Mij is door officier van justitie [J.] toegezegd dat, als ik zou meewerken, er voor mij voor alle zaken een gevangenisstraf tussen de 3 en de 5 jaar uit zou komen. Ik moest een belastende verklaring afleggen." Dienaangaande overweegt het hof het navolgende.

Het hof hecht geen geloof aan de door de medeverdachte [medeverdachte1] opgegeven reden voor medewerking aan verkorte uitlevering. Zij strookt noch met de door de medeverdachte [medeverdachte1] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 oktober 1997 en 20 november 1997 gegeven verklaring voor zijn medewerking - kort samengevat: vrees dat hij anders in Spanje zou moeten blijven - noch met de verklaringen die hij als verdachte in het opsporingsonderzoek naar die moord aflegde. Aan zijn verklaring omtrent toezeggingen door de officier van justitie hecht het hof evenmin geloof nu hij een dergelijke verklaring niet eerder heeft afgelegd, steun voor die verklaring in het dossier niet door het hof is aangetroffen en ook door de raadsman niet nader is aangegeven.

Het hof wijst het verzoek de betrokken officier van justitie hierover alsnog te horen af, omdat het op grond van het hierboven overwogene de noodzaak daarvan niet is gebleken.

d. [H.]

Het hof acht het, mede op grond van hetgeen [A.] dienaangaande bij de rechter-commissaris op 28 oktober 1996 heeft verklaard, aannemelijk dat aan [H.] is toegezegd dat zo mogelijk medewerking zou worden verleend aan diens overbrenging in het kader van de WOTS. Blijkens de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting van 18 november 1997 is een daartoe strekkend rechtshulpverzoek ook uitgevoerd.

Het hof vermag niet in te zien dat deze medewerking, gelet op de strekking van de verleende ondersteuning die past binnen het wettelijke en verdragsrechtelijke kader en het ter zake door

de Nederlandse overheid gevoerde beleid, zou moeten worden aangemerkt als een “deal” met de getuige [H.], noch dat die ondersteuning zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Het hof wijst er ten overvloede nog op dat de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep alle gelegenheid heeft gehad de door

[H.] afgelegde verklaringen kritisch op hun geloofwaardigheid te toetsen.

e. [I.]

Nu de verdediging op geen enkele wijze heeft aangegeven waarin die afspraken zouden bestaan en slechts de mogelijkheid daarvan oppert, gaat het hof hieraan voorbij.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens handelen in strijd met een goede procesorde in het kader van de gestelde deals wordt verworpen.

H. Hernieuwde vervolging ondanks het ontbreken van een werkelijk novum; misbruik van bevoegdheid

Naar de mening van de verdediging is het gerechtelijk vooronderzoek in de zaken onder parketnummer 10/005011-96 (onder meer de drugszaken), zonder verdachte daarvan in kennis te stellen, misbruikt om in de moordzaken (parketnummer 10/035068-95) nieuwe bezwaren te vinden en de vervolging te hervatten die met de kennisgeving van niet verdere vervolging d.d. 16 mei 1995 was geëindigd. Van nieuwe bezwaren "is niet werkelijk sprake (..) omdat het om dezelfde verdenking gaat als waarvoor een sepot werd verleend".

Daarom moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging.

Op 19 mei 1995 is verdachte in de zaak onder parketnummer (10)03506895 (de moord op [slachtoffer]) een kennisgeving van niet verdere vervolging wegens onvoldoende aanwijzing van schuld betekend. Op 7 maart 1997 wordt op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris te Rotterdam tegen verdachte ter zake een nieuw gerechtelijk vooronderzoek geopend. Aan deze vordering ligt ten grondslag een rapport d.d. 10 februari 1997 van [A.]. In dit rapport worden de bevindingen in de eerdere onderzoeken [X.] I en [X.] II beschreven. Tevens wordt aangegeven welke nieuwe informatie naar voren gekomen is in het onderzoek [N.] tegen verdachte. Deze betrof bedreigingen in november/december 1995 van [M.] door de medeverdachte [medeverdachte1], haar ex-man, waarbij ook de naam van verdachte naar voren kwam, die zou verlangen dat zij een belastende verklaring over hem introk.

Het rapport relateert tevens de verklaringen die door [E.] na zijn aanhouding als verdachte van deelneming aan de criminele organisatie rond verdachte, en door [I.] (over hetgeen hij van de medeverdachte [medeverdachte1] had vernomen) werden afgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan deze informatie als “nieuwe bezwaren” in de zin van artikel 255, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering worden aangemerkt. Het hof vermag niet in te zien dat het daarbij niet om dezelfde verdenking zou mogen gaan als waarvoor een kennisgeving van niet verdere vervolging werd uitgebracht; integendeel.

Met betrekking tot het gestelde misbruik overweegt het hof als volgt.

[E.] en anderen werden - blijkens het raam proces-verbaal inzake het project [N.] - verdacht van het deelnemen aan een criminele organisatie die onder de leiding van verdachte zou staan. Over de wijze waarop het onderzoek naar dat feit, en de in dat verband gepleegde andere feiten, werd ingericht, heeft de projectleider [A.] verklaard, zowel ter terechtzitting in eerste aanleg (op 12 februari 1998) als bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris, op 15 oktober 1997 en - na terugwijzing door het hof - op 15 november 1999. Op laatstgenoemde datum heeft hij onder meer als volgt verklaard: "Het onderzoek in [N.] verliep gefaseerd: we hebben ons allereerst beziggehouden met de drugszaken. ... Tijdens dat onderzoek kwamen ook verklaringen op tafel over de moordzaken. Onder andere de verklaring van [E.]. Na het onderzoek in de drugszaken hebben we een doorstart gemaakt naar de moordzaken." En ter terechtzitting van 12 februari 1998 verklaart hij: "Tijdens het onderzoek naar de verdovende middelen heeft niemand opdracht gehad de verdachten te verhoren over de liquidaties. Tijdens de verhoren in het kader van de criminele organisatie hadden verdachten grote angst voor[verdachte]. Dat in die sfeer de moorden ter sprake kwamen is volgens mij logisch."

Het hof is - hierop gelet - van oordeel dat geenszins aannemelijk is geworden dat het strafrechtelijk onderzoek naar de deelneming aan de criminele organisatie en de Opiumwetdelicten een “dekmantel” is geweest voor het onderzoek naar levensdelicten, of dat dwangmiddelen tegen medeverdachten zijn toegepast met het oogmerk hen te bewegen tot het afleggen van verklaringen over door verdachte gepleegde levensdelicten. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens misbruik van bevoegdheid wordt derhalve verworpen.

I. Ten onrechte afgewezen getuigen

De raadsman is van mening dat het hof bij tussenarrest van 8 december 1998 (blz. 6) op onjuiste gronden het verhoor van de CID-runners [getuige1] en [getuige2] heeft afgewezen en bij tussenarrest van 15 februari 2000 ten onrechte het verzoek om de getuigen [O.] en [P.] alsnog te horen, niet heeft gehonoreerd. Een en ander levert even zo vele inbreuken op het recht van verdachte op een eerlijk proces op.

Het hof constateert dat de raadsman opkomt tegen beslissingen van het hof in zijn oude samenstelling van 8 december 1998 respectievelijk 15 februari 2000. Voor zover de raadsman impliciet de wens kenbaar maakt dat die getuigen alsnog worden gehoord, wijst het hof dat verzoek af, omdat het hof de noodzaak daarvan niet is gebleken. Met betrekking tot de getuigen [getuige1] en [getuige2] verwijst het hof daartoe naar hetgeen hierboven onder C. werd overwogen.

Met betrekking tot de Engelse getuigen [O.] en [P.] maakt het hof de overwegingen dienaangaande in het tussenarrest van 15 februari 2000, die thans a fortiori gelden, tot de zijne.

J. De audio- en videobanden van verhoren

De weigering van het hof alle audio- en videobanden als processtuk aan te merken levert naar de mening van de verdediging zodanige schending van fundamentele rechten op dat deze tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging moet leiden.

De beslissing van het hof d.d 23 juni 2000 om slechts delen van de audio- en videobanden als processtuk aan te merken levert in de zienswijze van de verdediging onvoldoende compensatie van het aan de verdediging toegebrachte nadeel op.

Het hof heeft over deze banden bij tussenarrest van 23 juni 2000 een beslissing genomen.

Het hof handhaaft die beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, die als in dit arrest ingelast dienen te worden beschouwd.

K. De gang van zaken rond het verhoor van de getuigen [Q] en [H.]

De verdediging is van mening dat door het horen van deze getuigen door opsporingsambtenaren, voorafgaande aan het reeds bevolen verhoor door de rechter-commissaris, opzettelijke schade aan de verdediging is toegebracht, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging, dan wel bewijsuitsluiting.

De getuige [Q] is een aantal malen in het onderzoek “[L.]” als getuige door opsporingsambtenaren gehoord, achtereenvolgens onder meer op 6 september 1996,

18 november 1996 en 7 mei 1997. Op de twee laatstgenoemde data is hij eveneens in de zaak[X.] III gehoord. Vervolgens is [Q] op 4 november 1997 door de politie gehoord.

Het is dit verhoor, waartegen de raadsman opponeert, omdat de politie wist dat deze getuige door de rechter-commissaris, op grond van door hem gedaan verzoek d.d. 14 oktober 1997, zou worden gehoord. Met betrekking tot deze gang van zaken heeft de behandelend rechter-commissaris, mr [U.], blijkens haar notitie d.d. 5 november 1997, het navolgende gerelateerd. Zij was op de hoogte dat de politie trachtte de getuige naar Nederland te laten overkomen en ook naar haar kabinet te laten komen om als getuige een verklaring af te leggen. Zij heeft toen de officier van justitie gesuggereerd de getuige, indien hij in Nederland verscheen, eerst door de politie te laten verhoren. Dat is kennelijk gebeurd. De bezwaren van de raadsman tegen deze gang van zaken zijn ter terechtzitting van 17 november 1997 behandeld; de bezwaren van de verdediging zijn afgewezen. De getuige is vervolgens zelf ter terechtzitting van de rechtbank op 21 november 1997 en 2 maart 1998 gehoord.

Met betrekking tot de getuige [H.] constateert het hof het navolgende. Deze getuige was medeverdachte in de zaak [R.]. Hij is voor dat feit in Engeland aangehouden en aldaar geruime tijd gedetineerd geweest. Op 26 juni 1996 en 8, 9 en 10 oktober 1996 is hij - onder

meer over de criminele organisatie - in Engeland meermalen als getuige gehoord.

Op 10 oktober 1996 werd hij als getuige gehoord in de zaak [X.] III. [H.] is als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord op 18 december 1996 en 19 november 1997 en ter terechtzitting in hoger beroep op 2 mei 2000.

Op de terechtzitting van 1 oktober 1996 had de rechtbank de zaak naar de rechter-commissaris verwezen, onder meer tot het horen van de getuige [H.]. Ter terechtzitting van 25 november 1996 heeft de officier van justitie medegedeeld dat de rechter-commissaris eind november 1996 naar Engeland zou afreizen om de getuige aldaar te horen. In zijn brief van 28 november 1996 aan de rechter-commissaris beklaagt de toenmalige raadsman van verdachte zich erover dat het openbaar ministerie daags nadat de rechtbank op 1 oktober 1996 had beslist dat [H.] door de rechter-commissaris diende te worden gehoord, een spoed-rechtshulpverzoek aan de Engelse autoriteiten deed en [H.] vervolgens zonder rechter-commissaris of verdediging werd gehoord, terwijl de politie onlangs wederom naar

Engeland afreisde om [H.] te horen, terwijl de rechter-commissaris daartoe die week niet in de gelegenheid was. De rechter-commissaris heeft deze klachten kennelijk voor kennisgeving aangenomen; ter terechtzitting van 17 december 1996 is de toenmalige raadsman daarop niet terug gekomen.

Het hof stelt aangaande een en ander het navolgende vast.

Zowel [Q] als [H.] zijn door het opsporingsteam [N.] enkele malen als getuige gehoord, voordat hun verklaring ten overstaan van rechter en verdediging werd gevraagd.

Het hof is van oordeel dat de verhoren door het opsporingsteam op 4 november 1977 respectievelijk 8, 9 en 10 oktober 1997 geheel in de lijn liggen van het opsporingsonderzoek dat gelijktijdig met het gerechtelijk vooronderzoek werd voortgezet. Het hof constateert dat de getuige [Q] op 4 november 1997 (mede) op suggestie van de rechter-commissaris “eerst” door de opsporingsambtenaren is gehoord. Ten aanzien van de verhoren van [H.] op 8, 9 en 10 oktober 1997 blijkt uit de ter zake opgemaakte processen-verbaal dat de verhoren berustten op het door de officier van justitie te Rotterdam gedane rechtshulpverzoek en plaatsvonden met toestemming van de Engelse autoriteiten. Het hof gaat ervan uit dat het hierbij gaat om het rechtshulpverzoek met betrekking tot het onderzoek in de zaak [R.] nadat de verdovende middelen op 16 mei 1996 in Engeland in beslag waren genomen (Raam proces-verbaal [N.] bijl. blz. 184). Het hof heeft in het dossier geen spoor kunnen aantreffen van het door de toenmalige raadsman gestelde spoed-rechtshulpverzoek.

Hierop gelet is het hof van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat het opsporingsteam door aldus te handelen welbewust op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op rechten van de verdachte. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is derhalve geen plaats. Het beroep daarop dient daarom te worden verworpen. Evenmin is er aanleiding tot bewijsuitsluiting nu de verdediging inmiddels alle gelegenheid heeft gehad de getuigen ter terechtzitting te ondervragen.

L. De samenwerking met Engelse opsporingsambtenaren in de drugszaken; de inkijkoperatie?

In de zaak [R.] dient volgens de verdediging het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel moet bewijsuitsluiting volgen, omdat Engelse

opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied onderzoek hebben gedaan en/of hun onrechtmatig informatie door de Nederlandse politie is verstrekt. Bovendien moet het ervoor worden gehouden dat een niet-gemelde inkijkoperatie is uitgevoerd.

Het hof leidt uit het dossier van het opsporingsonderzoek in de zaak [R.] af dat de vrachtauto-combinatie van [H.] (waarin later verdovende middelen werden aangetroffen), door Nederlandse opsporingsambtenaren onder observatie is gehouden, totdat de combinatie op 15 mei 1996 te 20.29 uur in Hoek van Holland de ferry opreed en dat de combinatie bij het verlaten van de boot in Harwich door ambtenaren van H.M. Customs and Excise onder observatie werd genomen. Dit vond kennelijk plaats in het kader van een gecontroleerde aflevering, in het verlengde van het rechtshulpverzoek dat door de officier van justitie te Rotterdam op 1 april 1996 in de zaak Alva aan de Engelse autoriteiten was gedaan (Raam proces-verbaal [N.], bijl. blz. 167). Na de inbeslagneming is vervolgens een rechtshulpverzoek uitgegaan met het oog op het verkrijgen van onderzoeksresultaten uit Engeland (ibid. blz. 184).

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 december 1996 heeft [A.] als getuige over het onderzoek naar de Opiumwet-feiten en de samenwerking met de Engelse autoriteiten het navolgende verklaard: "Wij wisten dat [H.] geladen had bij Bridamar en op de boot naar Engeland was. ... Tot aan de boot zat er een observatieteam op het transport. De Engelse politie was al op de boot. Zij hadden de informatie van ons. ... Wij hadden [H.] eerder geobserveerd. Wat wij aan informatie waardevol vonden werd aan (Customs and Excise) doorgegeven. (Customs and Excise) nam geen risico's. Zij kwamen naar Nederland en waren ook op de boot. Zij zijn ook andere keren overgekomen." Het hof leidt hieruit af dat dat de Engelse opsporingsambtenaren reeds aan boord van de ferry in Hoek van Holland de observatie van het transport hebben “overgenomen”. Niet is gesteld, noch is op andere wijze maar enigszins aannemelijk geworden dat verdachte daardoor in enig rechtens te respecteren belang is getroffen. Naar het oordeel van het hof is evenmin de Nederlandse souvereiniteit met het handelen van de Engelse opsporingsambtenaren in het geding geweest en zou een beroep daarop verdachte overigens ook niet toekomen. Het optreden van de Engelse opsporingsambtenaren en de informatie-uitwisseling tussen Engelse en Nederlandse autoriteiten vindt overigens genoegzame grondslag in de rechtshulpverzoeken.

Voor de stelling van de verdediging dat een niet gemelde inkijkoperatie is uitgevoerd, is in het dossier geen enkel relevant aanknopingspunt te vinden.

M. Infiltratie op verdachte door [S.]

De verdediging handhaaft haar stelling dat nader onderzoek naar deze infiltratie noodzakelijk is nu wel degelijk vaststaat uit het proces-verbaal van het Fort-team dat op [T.] - en dus op verdachte - werd geïnfiltreerd.

Het hof stelt vast dat thans door de verdediging de stelling wordt betrokken dat [S.] op [T.] en - daarmee - op verdachte heeft geïnfiltreerd. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. De getuige [S.] heeft ter terechzitting van 5 januari 2001 (blz. 15) verklaard dat het contact met [T.] toevallig tot stand was gekomen. Ter terechtzitting van 22 januari 2001 heeft de getuige herhaald dat hij toevallig met dat bedrijf in aanraking was gekomen en dat het niet de opzet was om bij [T.] te infiltreren.

In reactie op de naam van een derde persoon verklaarde getuige vervolgens: "Ik heb alleen op [T.] geïnfiltreerd", zonder dat hij daarbij aangaf welke betekenis aan het begrip infiltratie zijns inziens zou moeten worden toegekend. Het hof stelt vast dat de verdediging de getuige hierover niet nader heeft bevraagd en evenmin heeft aangegeven waarom infiltratie op [T.] zou impliceren dat ook op verdachte wordt geïnfiltreerd. Daarvoor is ook geen aanwijzing te vinden in het Raam proces-verbaal van het [N.]onderzoek, waarin (op blz. 4/5, resp. 17/18) de naam van [T.] niet voorkomt als (mede)verdachte.

Hierop gelet is het hof van oordeel dat geen nieuwe feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die dienen te leiden tot een andere dan in zijn tussenarrest van 22 januari 2001 genomen beslissing ten aanzien van het in dat arrest onder a) en b) bedoelde nader onderzoek. Het hof handhaaft zijn overwegingen dienaangaande, die als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

Het hof wijst het verzoek tot nader onderzoek derhalve af.

Tot slot stelt de verdediging nog dat ten aanzien van alle drugszaken mutatis mutandis geldt hetgeen ten aanzien van de moordverdenking werd gesteld, zodat ook ten aanzien van die zaken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging dan wel bewijsuitsluiting moet volgen. Deze stelling acht het hof te vaag om daarop, aansluitend op

hetgeen hiervoor al is overwogen, nog afzonderlijk te reageren.

Het hof acht het niet nodig nog apart in te gaan op de in eerste aanleg door de raadsman

overgelegde pleitnotities, welke aan de in hoger beroep overgelegde pleitnotitie zijn gehecht, nu de raadsman desgevraagd heeft geantwoord “dat er geen nieuwe dingen in staan” en – naar het hof begrijpt de gevoerde verweren - “iets anders zijn geformuleerd”.

8. Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 9 tenlastegelegde feit (de zaak '[Z1.]') heeft begaan.

Verdachte moet derhalve van het onder 9 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

9. Overwegingen met betrekking tot het onder 7. tenlastegelegde feit

Verdachte wordt - kort samengevat - verweten dat hij op 22 mei 1994 samen met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft vermoord. Met betrekking tot dit verwijt overweegt het hof het navolgende.

De in het dossier inzake de moord op [slachtoffer] ([X.] III) afgelegde, voor verdachte belastende en door de eerste rechter tot bewijs gebezigde verklaringen betreffen in het bijzonder de verklaringen van [D.], [medeverdachte1] en [E.]. Uit de verklaringen van eerstgenoemde kan worden afgeleid dat deze in de vroege ochtend van 22 mei 1994 door verdachte van huis is opgehaald en naar het [Z.]-terrein is gebracht. [D.] verklaart dat verdachte toen níet het terrein is opgereden. Wel heeft hij later gehoord dat het toegangshek nog twee keer werd geopend, zonder te hebben kunnen waarnemen wat er toen

bij het hek gebeurde. Hij verklaart verder dat hij van de moord niets heeft gemerkt en later door [medeverdachte1] naar huis is gebracht. De medeverdachte ter zake van deze moord, [medeverdachte1], heeft verklaard dat hij die ochtend met [slachtoffer] naar het [Z.]-terrein is gereden en dat [slachtoffer] door verdachte aldaar met een nekschot om het leven is gebracht.

Die cruciale rol van verdachte wordt in zoverre door [E.] bevestigd, dat deze verklaarde van verdachte zelf te hebben gehoord dat, en op welke wijze, hij [slachtoffer] om het leven had gebracht. [D.] verklaart echter van [verdachte]te hebben gehoord dat [medeverdachte1] [slachtoffer] zou omleggen.

Hierop - en op de overige inhoud van het dossier - gelet stelt het hof vast dat de enige op directe eigen waarneming gebaseerde verklaring, waaruit volgt dat verdachte het dodelijke schot op [slachtoffer] heeft gelost, die van de medeverdachte [medeverdachte1] is. Het hof acht het een algemene ervaringsregel dat medeverdachten er vaak blijk van geven hun eigen rol te willen minimaliseren, ten koste van die van andere betrokkenen. Bovendien stelt het hof vast dat in het dossier vele verklaringen, over hetgeen hij nadien tegen derden vertelde, erop wijzen dat [medeverdachte1] zelf geschoten heeft. Ook in een proces-verbaal van [V.], destijds hoofd

CID Hollands-Midden, d.d. 15 november 1994, wordt als binnengekomen informatie vermeld dat [medeverdachte1] [slachtoffer] zou hebben vermoord en dat verdachte bij de moord en het verbergen van het lijk betrokken is geweest. "Wat zijn rol precies is geweest is echter niet bekend."

[medeverdachte1]' lezing van het op 22 mei 1994 vindt in essentie slechts steun in hetgeen [E.] verklaarde over hetgeen hij van verdachte zelf zou hebben gehoord. Het hof heeft echter hierboven (7. sub D.) aangegeven waarom de verklaringen van [E.] op dit punt van het bewijs moeten worden uitgesloten. Zulks in verband met het gegeven dat hij ten tijde van het afleggen van die verklaringen onder grote psychische druk stond en mede gelet op de onmogelijkheid zijn verklaringen nog door de verdediging ten overstaan van de rechter te laten toetsen.

Dit alles overwegende komt het hof tot de slotsom dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat het verdachte zelf is geweest die [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Datzelfde geldt voor zijn lijfelijke aanwezigheid op de plaats van de moord. Het hof merkt hierbij op dat verdachte’s alibi – hij zou die ochtend bij de Zevenhuizense plassen zijn honden hebben uitgelaten – op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

Ten aanzien van verdachte's betrokkenheid die in strafrechtelijke zin "medeplegen" van de moord op [slachtoffer] oplevert, heeft het hof echter geen redelijke twijfel. Uit de door het hof te bezigen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte

  • -

    van oordeel was dat aan het leven van [slachtoffer] een einde moest worden gemaakt, waarbij door de getuigen meerdere motieven daarvoor worden genoemd;

  • -

    tevoren met [medeverdachte1] verschillende scenario's heeft doorgenomen om dit te bewerkstelligen, waarbij [medeverdachte1] in ieder geval steeds de ”lokeend” was;

  • -

    op enig moment tegen [medeverdachte1] heeft gezegd "dat hij die verrader moest doodschieten";

  • -

    [medeverdachte1] heeft opgedragen het contact met [slachtoffer] te onderhouden en het daarheen te geleiden dat [slachtoffer] die ochtend op het [Z.]-terrein zou zijn;

  • -

    ervoor zorg heeft gedragen dat [medeverdachte1] en [slachtoffer] het terrein opkonden, door [D.] op te dragen het hek te openen en hem die vroege ochtend daartoe naar dat terrein te brengen;

  • -

    kort na de liquidatie opdracht heeft gegeven het lijk onder beton weg te werken.

Op grond van de verklaringen van [medeverdachte1] is het hof ervan overtuigd dat deze bij de liquidatie van [slachtoffer] op 22 mei 1994 in de “huiskamer” op het [Z.]-terrein aanwezig is geweest en dat [slachtoffer] toen en daar is vermoord. Het hof stelt vast dat elke indicatie ontbreekt dat buiten [medeverdachte1] en (mogelijk) verdachte iemand anders op dat moment in die “huiskamer” aanwezig was. Ook [medeverdachte1] en verdachte maken geen melding van de aanwezigheid van een derde persoon en [D.] was op het moment van de liquidatie in de nissenhut. Hieruit leidt het hof af dat hetzij [medeverdachte1], hetzij verdachte het dodelijke schot heeft gelost.

Het hof is van oordeel dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan, wie van beiden het dodelijke schot heeft gelost. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen is het hof evenwel van oordeel dat tussen [medeverdachte1] en verdachte een zodanig nauwe samenwerking heeft bestaan, gericht op de dood van [slachtoffer], dat verdachte als mededader dient te worden aangemerkt. De enkele mogelijkheid dat verdachte wellicht niet op het moment van liquidatie lijfelijk aanwezig is geweest, doet daaraan niet af. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 1986, NJ 1986, 740.

10. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (partieel),

2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

11. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

12. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 : als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod (oud);

feit 3 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod (oud);

feit 4 : handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie (oud), en het feit begaan met betrekking tot een schietwapen in de vorm van een revolver van Categorie III,

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie (oud);

feit 5 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod (oud);

feit 6 primair: medeplegen van opzettelijke overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, meermalen gepleegd;

feit 7 : medeplegen van moord.

13. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

14. Strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het uiterst subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het op schrift gestelde requisitoir.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzittingen en de overgelegde documentatie.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is gedurende bijna drie jaar actief geweest als leider van een strak geleide en op intimidatie geënte professionele organisatie met diverse besloten vennootschappen en internationale contacten, die op grote schaal actief was in de drugshandel. Niet alleen werd bijna 600 kilo hashish naar Engeland geëxporteerd (verboden handel die een grove schending van de Opiumwet oplevert), maar ook werd ongeveer 62 kilo amfetamine naar Engeland gebracht, en later nog eens bijna 20 kilo amfetamine, alsmede ruim 20.000 XTC‑pillen.

Ook werd bij de organisatie het verboden middel BMK aangetroffen, dat als grondstof bekend staat voor amfetamine en XTC. Hier geldt dat de organisatie zich uit grof winstbejag heeft schuldig gemaakt aan de handel in hard‑drugs, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de risico's die zulks meebrengt voor de volksgezondheid. Bovendien had verdachte de beschikking over een Taurus‑revolver met bijbehorende munitie; vuurwapens in het bezit van professionele criminele organisaties illustreren bij uitstek het gevaar dat van dergelijke organisaties uitgaat. A1 met al vormde de organisatie aldus een voor de reguliere maatschappij onaanvaardbaar bedreigende factor.

Tenslotte is verdachte schuldig verklaard aan het medeplegen van de schokkende moord op [slachtoffer], 28 jaar, die op zondag 22 mei 1994 (eerste Pinksterdag) om het leven werd gebracht en wiens stoffelijk overschot pas bijna acht maanden later (op 17 januari 1995) kon worden opgegraven op het [Z.]terrein, een industrie‑terrein in de buurt van het Feijenoord‑stadion in Rotterdam‑Zuid.

De toedracht van deze weerzinwekkende moord is aldus geweest dat [slachtoffer] bij [medeverdachte1] geïnformeerd heeft of deze voor hem ([slachtoffer]) drugs kon inpakken, een aktiviteit waarin [medeverdachte1] ervaring had. Nadat [medeverdachte1] zich accoord had verklaard zijn medewerking te verlenen heeft hij zich tot [verdachte] gewend, hoewel hij toen al wist dat [verdachte]al enige tijd van plan was [slachtoffer] te (laten) liquideren.

Toen [verdachte]van [medeverdachte1] hoorde wat [slachtoffer] van plan was stelde hij voor dat het inpakken zou geschieden op het [Z.]terrein; [verdachte]beschikte over de toegangscode voor dat terrein. [medeverdachte1] heeft vervolgens met [slachtoffer] een afspraak gemaakt voor zondag 22 mei 1994 op het [Z.]terrein in Rotterdam en ook [verdachte]ingelicht.

Ook [D.] (de schoonvader van[verdachte]) werd ingeschakeld, zijn rol was het openen van het terrein die ochtend.

Toen [slachtoffer] aldus op Eerste Pinksterdag met [medeverdachte1] op het [Z.]terrein aankwam en in een woning aldaar een aanvang werd gemaakt met het verpakken van XTC‑pillen is hij onverhoeds op lafhartige wijze door óf [verdachte]óf [medeverdachte1] met een dodelijk nekschot neergeschoten en – naar het hof aanneemt - van zijn pillen beroofd, waarna hij werd begraven in een ondiep graf in een gangetje tussen twee loodsen op het industrieterrein. [verdachte]gaf vervolgens opdracht om het graf af te dekken met een laag beton, waaronder [slachtoffer] vervolgens heeft gelegen van mei 1994 tot januari 1995.

Hier is sprake van een afschuwelijke, geraffineerd opgezette en kil en cru uitgevoerde zg."ripdeal‑liquidatie", die nog een extra gruwelijke dimensie heeft gekregen door de verraderlijke wijze waarop [slachtoffer] op het afgelegen [Z.]terrein in de val is gelokt en door de infame wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] vervolgens is weggewerkt op het industrieterrein waarvan [verdachte]c.s. regelmatig gebruik maakten. Deze lugubere wijze van lijkbezorging getuigt van een verdorven graad van cynisme die de hele liquidatie in een wel uiterst schril daglicht plaatst. Slechts door een langdurige gevangenisstraf kan deze buitengewoon grove inbreuk op de rechtsorde enigszins worden hersteld.

15. Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • -

    25 patronen, Luger 9 mm (in doos);

  • -

    1 revolver, Taurus model 85, kaliber .38 Special;

  • -

    1 patroonhouder;

  • -

    24 patronen (in doos) .38 Special;

  • -

    5 patronen, kaliber .38 Special;

  • -

    18 patronen (in doos) .38 (9mm kort);

  • -

    1 patroon, (in plastic zakje) .38 Special;

  • -

    8 patronen (los) .38 Special,

dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel een feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 140 (oud) en 289 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 (oud), 3 (oud), 10 (oud) en 11 (oud) van de Opiumwet, de artikelen 26 (oud) en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie en de artikelen 1. aanhef en onder 1° (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten in verband met artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding ter zake van feit 1 nietig voor zover het de woorden "en/of in het buitenland" betreft.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 9 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ACHTTIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    25 patronen, Luger 9 mm (in doos);

  • -

    1 revolver, Taurus model 85, kaliber .38 Special;

  • -

    1 patroonhouder;

  • -

    24 patronen (in doos) .38 Special;

  • -

    5 patronen, kaliber .38 Special;

  • -

    18 patronen (in doos) .38 (9mm kort);

  • -

    1 patroon, (in plastic zakje) .38 Special;

  • -

    8 patronen (los) .38 Special.

Dit arrest is gewezen door mrs Von Brucken Fock, Van Schellen en Aler, in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 februari 2001.