Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AE9955

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R00/342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks ondeugdelijke boekhouding en belastingschuld van 1,5 miljoen toch toegelaten omdat niet is gebleken dat verzoeker persoonlijk voordeel heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rek.nr.rb.: 00/160

Het gerechtshof te 's-Gravenhage,

tweede civiele kamer,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

X.

(hierna te noemen: X.),

wonende te P.,

appellant,

procureur: mr. J.H. Pelle.

Het geding

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 13 april 2000 de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. uitgesproken met benoeming van mr. G.L.M. Urbanus tot rechter-commissaris en mr. P. Obbeek tot bewindvoerder.

Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 mei 2000 is het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Bij verzoekschrift van 22 mei 2000 is X. in hoger beroep gekomen van dit vonnis.

Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juni 2000, waarbij zijn verschenen: X. bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat te 's-Gravenhage, vergezeld van drs. M. Stolk RA en mr. P. Vellekoop, advocaat te Naaldwijk, namens de bewindvoerder.

Beoordeling van het hoger beroep

1. X. heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot toepassing van de definitieve schuldsaneringsregeling heeft afgewezen daarbij overwegende dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Hij heeft gewezen op een door hem in hoger beroep overgelegd rapport van drs. M. Stolk RA d.d. 8 juni 2000.

2. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat X. tezamen met zijn zoon firmant was van de op 9 november 1999 opgeheven vennootschap onder firma V.O.F. Bloemenhandel X. & Zn. Uit dien hoofde is hij medeaansprakelijk gehouden voor de betaling van vorderingen van de belastingdienst en de bedrijfsvereniging. Uit een rapport van de Belastingdienst/Ondernemingen Rotterdam van 6 december 1999 omtrent aanvaardbaarheid van de aangiften over 1995 en 1996 blijkt dat de administratie van de vennootschap dusdanige ernstige tekortkomingen kent dat deze door de Belastingdienst is verworpen. Voorts blijkt uit het rapport dat aangiften niet correct zijn gedaan, dat niet alle uitbe-taalde lonen zijn verwerkt in de financiële- en loonadministratie en dat de Belastingdienst bij een in 1990 ingesteld boekenonderzoek reeds onregelmatigheden heeft waargenomen waarop zij X. heeft geattendeerd. De vorderingen van de Belastingdienst op beide voormalige vennoten bedragen per 3 februari 2000 in totaal f 1.459.361,56, exclusief kosten. Daarnaast heeft de Belastingdienst een vordering uit hoofde van inkomstenheffing 1995/1996 op X. ad f 44.393,-.

3. Ter zitting heeft X. verklaard dat hij zich volledig richtte op de exploitatie van de bloemenhandel en dat hij voor de afwikkeling van de financiële zaken volledig vertrouwde op zijn adviseurs. Hij bracht elke week een groot deel van de kasomzet naar zijn boekhouder de heer Van der Salm, deze betaalde de rekeningen en de verschuldigde belastingen. X. is bij Van der Salm weggegaan toen hij door Van der Salm benadeeld was. De boekhouding is toen overgenomen door de heer Crama, een klant van X. Aan Crama betaalde hij f 1.000, - per week. Crama zou ook de boekhouding die door Van der Salm was gedaan nogmaals controleren. Op een gegeven moment vernam X. niets meer van Crama. Telefonische inlichtingen bij de politie leerden hem dat Crama werd gezocht, maar dat deze zich in het buitenland zou bevinden.

4. De huidige accountant van X., drs. M. Stolk, heeft ter zitting verklaard dat het ontegenzeggelijk waar is dat X. de afgelopen jaren niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan, maar dat dit met een goede begeleiding te voorkomen was geweest. Voorts heeft hij verklaard dat hij verwacht een duurzame relatie met X. op te bouwen met de intentie nu goed op de winkel te gaan letten. Uit diens rapport blijkt dat al jarenlang sprake was -van een slechte financiële positie waarbij X. schulden aanging bij bevriende relaties en familieleden om zijn aflossingsverplichtingen jegens kredietinstellingen te kunnen voldoen. Door de administratieve wanorde zijn de verplichtingen jegens belasting- dienst en bedrijfsvereniging niet goed in beeld gebracht en daardoor (deels) onbetaald gebleven. Er is volgens hem sprake van een marginaal renderend bedrijf dat de ondernemer nauwe-lijks ruimte liet om zijn kosten van levensonderhoud te betalen. De familie X. is steeds dieper in de schulden komen te zitten. Een andere benaderingswijze zou kunnen leiden tot een belastingschuld die slechts een fractie is van het nu gevorderde bedrag.

5. Namens de bewindvoerder heeft mr. Vellekoop ter zitting verklaard dat zij van oordeel is dat de bewering van X. dat de schuld aan de Belastingdienst met name is ontstaan door de voormalige boekhouders, niet is komen vast te staan of aannemelijk is geworden. De bewindvoerder baseert zich kennelijk op het standpunt van de Belastingdienst dat een gedeelte van de schulden kan zijn ontstaan door frauduleus handelen van X. en dat hij zelf verantwoordelijk is voor het ontbreken van een terzake deugdelijke administratie. Uit het verslag van de bewindvoerder blijkt echter niet van door deze zelf geconstateerde feiten en omstandigheden die wijzen op het ontbreken van het te goeder trouw zijn van X.

6. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid van het ontbreken van een terzake deugdelijke administratie bij X. gelegd dient te worden en dat hem ook een verwijt kan worden gemaakt dat hij volledig heeft vertrouwd op zijn adviseurs zonder daar zelf controle over uit te oefenen, doch daarmee is nog niet gezegd dat in de onderhavige zaak de toepassing van de schuldsaneringsregeling achterwege dient te blijven. Het hof leidt zowel uit de bewoordingen van het tweede lid. van artikel 288 Fw, als uit de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen af dat aan personen die in een problematische schuldsituatie zijn terechtgekomen de mogelijkheid kan worden geboden, om na een zekere periode weer met een schone lei te beginnen en dat het de rechter vrij staat alle omstandigheden mee te wegen.

7. Voor het hof weegt mee de omstandigheid dat X. ter zitting de indruk heeft gemaakt een keihard werkende handelaar in bloemen te zijn, die meer naïef geweest is dan dat hij heeft getracht persoonlijk voordeel te trekken uit de situatie. Uit niets is gebleken dat X. een luxueus leven heeft geleid of dat hij grote consumptieve uitgaven doet. Het hof acht ook van belang dat X. zich nu heeft gewend tot een ter zake kundige accountant die ter zitting heeft verklaard te verwachten duurzaam contact met X. te hebben, met de intentie om goed "op de winkel te letten".

8. Op grond van het vorenstaande acht het hof termen aanwezig X. toe te laten tot de schuldsaneringsregeling hetgeen tot de conclusie leidt dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat de schuldsaneringsregeling alsnog dient te worden uitgesproken.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 11 mei 2000.

en opnieuw rechtdoende

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit;

verwijst de zaak naar de rechtbank te 's-Gravenhage ter uitvoering van die regeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. Simonis, Aukes-De Vries en Wurfbain en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.