Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AE9949

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R00/258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanhouding beslissing hof voor nadere adstructie door appellante van haar stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Het gerechtshof te 's-Gravenhage,

tweede civiele kamer,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

X. ,

(hierna te noemen: X. ),

wonende te P.,

appellante,

procureur: mr. F.M.L. Dekkers.

Het geding

Bij verzoekschrift van 18 april 2000 heeft X. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 april 2000, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2000, waarbij zijn verschenen: X., bijgestaan door mr. M.M. Hoving, advocaat te Leiden en mevrouw M.F. Tummers van de Budgetwinkel Stadsbank Leiden.

Beoordeling van het hoger beroep

1. X. heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, daarbij overwegende dat zij ten aanzien van het ontstaan van een zeer substantieel gedeelte van haar schulden niet te goeder trouw is geweest.

2. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat X. een totale schulden last heeft van fl 41.033,88, waarvan een bedrag van f 33.865,82 ziet op een terugvordering van het GAK Nederland B.V. inzake onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over de periode januari 1992 tot 1 maart 1993 aan de in 1992 overleden ex-echtgenoot van X.

3. Ter zitting is door en namens X. betoogd dat de ex-echtgenoot van X. haar had gemachtigd tot het doen van opnames van zijn giro-rekening door middel van cheques teneinde een geldlening aan een derde af te lossen. Deze lening zou zijn verstrekt aan X. en ex-echtgenoot om een auto te kopen en deze te laten ombouwen tot ambulance. Deze werd gebruikt om de zoon van X., die ernstig ziek en comateus was te vervoeren naar Arnhem voor het ondergaan van behandelingen door een acupuncturist.

4. X. heeft voorts betoogd, dat zij niet betrokken is geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap van haar ex-echtgenoot, nu dit volledig is afgehandeld door zijn familieleden, met wie zij geen contact heeft en dat zij geen weet had van de herkomst van de gelden op de rekening van haar ex-echtgenoot en zich niet heeft gerealiseerd dat er nog ten onrechte uitkeringen op deze (blijkbaar niet opgeheven) rekening werd gestort.

5. X. heeft volgens eigen zeggen na het overlijden van haar ex-echtgenoot nog drie maal (grote bedragen in) geld opgenomen om de lening aan die derde te kunnen aflossen. Deze bedragen heeft zij contant overhandigd aan die derde. Zij heeft het geld niet voor persoonlijk gewin gebruikt, behalve wat kleine bijdragen voor reiskosten.

6. Ter verklaring voor het feit dat zij bij een en ander onvoldoende heeft nagedacht, heeft X. gewezen op de verwarde psychische toestand waarin zij zich bevond in 1992 en 1993, toen er zich diverse tragische gebeurtenissen in haar leven hebben afgespeeld. Deze gebeurtenissen en haar persoonlijke geestesgesteldheid zijn bevestigd door de in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts.

7. Mevrouw Tummers van de Budgetwinkel Stadsbank Leiden heeft verklaard dat X. sinds vijf maanden onder budgetbeheer staat en dat zij persoonlijk niet het gevoel heeft, dat X. heeft gefraudeerd, doch haar verantwoordelijkheid jegens de derde, schuldeiser, heeft willen nakomen.

8. De door X. in hoger beroep naar voren gebrachte omstandigheden, zoals hiervoor overwogen, zijn van belang voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van X. handelen en de vraag of X. al of niet te goeder trouw bij het ontstaan van de schulden moet worden aangemerkt. Voor het hof zijn deze echter, op alleen de verklaring van X. zelf, nog onvoldoende aannemelijk geworden, mede omdat deze feiten uit het dusver overgelegde dossier niet expliciet zijn gebleken. Het hof zal de zaak aanhouden teneinde X. in de gelegenheid te stellen de door haar onder 3, 4 en 5 weergegeven stellingen nader te adstrueren, door alle middelen rechtens. In ieder geval zal meer duidelijkheid dienen te worden verschaft door bewijzen van de opnames, de data en de opgenomen geldbedragen, de persoon van die derde en een verklaring van die derde over de gang van zaken.

Beslissing

Het hof

Alvorens verder te beslissen:

Laat X. toe tot nadere bewijslevering van haar stellingen onder 3, 4 en 5 zoals hiervoor weergegeven;

bepaalt dat zo X. schriftelijke stukken in het geding wenst te brengen deze drie dagen vóór de zittingsdatum ter griffie van het gerechtshof dienen te zijn ontvangen;

Houdt de behandeling van de zaak aan tot de terechtzitting van dinsdag 6 juli 2000 te 09:30 uur en bepaalt dat X. alsdan persoonlijk en vertegenwoordigd door haar raadsman aanwezig dient te zijn.

Dit arrest is gewezen door mrs. Simonis, Gerritzen en Wurfbain en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.