Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AE9947

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R00/216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzingsgrond rechtbank ondeugdelijk, desondanks bekrachtiging omdat door ontbreken van de verklaring niet blijkt van buitengerechtelijke schuldsanering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Het gerechtslof te `s-Gravenhage,

tweede civiele kamer,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

X.,

(hierna te noemen: X. ),

wonende te P.,

appellant,

procureur : mr. E.J.W.F. Deen.

Het geding

Bij verzoekschrift van 30 maart 2000 heeft X. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 maart 2000, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2000, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage.

Beoordeling van hoger beroep

1. X. heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen daarbij overwegende dat hij ten aanzien van het ontstaan van een substantieel gedeelte van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest en dat de betreffende vordering minder dan 5 jaar geleden is ontstaan.

2. X. voert aan, dat het feit dat hij zijn bij de ABN AMRO verkregen lening heeft uitgegeven aan zijn verslaving aan cocaïne moet worden beschouwd als een sequeel van psychische ziekte en niet het gevolg is van het ten aanzien van zijn schulden niet te goeder trouw zijn.

3. Het hof overweegt als volgt.

4. Van de thans door X. opgegeven schuld, een bedrag van f 56.462,74, betreft het overgrote deel ad f 51.560,6 een schuld aan de ABN AMRObank uit hoofde van een kredietovereenkomst.

5. Op grond van de uiteenzetting door X. ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof aannemelijk dat X. bij het aangaan van de kredietovereenkomst met de ABN AMRObank niet te kwader trouw is geweest maar de verkregen gelden heeft willen aanwenden voor het opzetten van een traiteursbedrijf. Toen de onderhandelingen die hij dienaangaande voerde mislukten heeft hij het geld gebruikt om te voorzien in zijn behoefte aan cocaïne. Aldus was hij niet te goeder trouw bij het onbetaald laten van de schuld aan de bank.

6. Aannemelijk is dat X. zich inmiddels heeft ingespannen om zijn cocaïneverslaving de baas te worden en dat hij daarin ook succes heeft gehad, zij het dat hij naar zijn zeggen uit vrees voor terugval nog gebruik maakt van de mogelijkheid om met regelmaat gesprekken te voeren met een begeleider. Thans volgt hij een hem door de sociale dienst aangeboden opleiding in web-design en verwacht hij na voltooiing daarvan een baan te vinden.

7. Een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder e Fw is door het hof bij de stukken niet aangetroffen en ter zitting in hoger beroep is ook niet gebleken van een poging tot buitengerechtelijke schuldsanering, noch is door X. aangegeven over welke aflossingsmogelijkheden hij in de toekomst denkt te beschikken.

8. Nu vast staat dat X. ten aanzien van het onbetaald laten van het overgrote deel van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest en voorts, bij gebreke van enig plan dienaangaande, niet kan worden uitgesloten dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen, kan in ieder geval thans van inwilliging van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling geen sprake zijn. Een voorlopige toepassing van die regeling behoort in hoger beroep niet tot de wettelijke mogelijkheden.

9. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het vonnis van de rechtbank dient te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 maart 2000.

Dit arrest is gewezen door mrs. Uhlenbeck-Lagerweij, Aukes-De Vries en Vlas en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.