Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AE0234

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2000
Datum publicatie
06-05-2002
Zaaknummer
15-035149-96
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200257099

parketnummer 1503514996

datum uitspraak 24 januari 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen -na verwijzing door de Hoge Raad- op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer in de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 23 september 1997 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres],

thans gedetineerd in "Esserheem" te Veenhuizen.

Procesgang

De verdachte is in eerste aanleg terzake van "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van devrijheid beroven en beroofd houden", "medeplegen van moord" en "diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren."

veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als omschreven in voornoemd vonnis.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 21 juli 1998 - met vernietiging van dat vonnis - de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, respectievelijk gekwalificeerd als

"de voortgezette handeling van het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en

"diefstal, gevolgd van bedreiging tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren"

veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest en de benadeelde partij nietontvankelijk verklaard in haar vordering.

De procureur-generaal heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Bijlage

1. hij op 14 november 1996 te Haarlemmerliede, gemeente Haarlemmerliede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een man van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met een schietwapen schoten op/in het hoofd van die man afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde man is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Nadere bewijsoverweging

Naar het oordeel van het hof moet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte tezamen met een ander of anderen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Het hof leidt dit in het bijzonder af uit de navolgende omstandigheden. Verdachte heeft een actieve rol gespeeld in de gewelddadige vrijheidsberoving van deze [partner van], waarbij deze in een auto vanuit Amsterdam in de loop van de bewuste avond naar een recreatiegebied in Spaarnwoude is gebracht om die [slachtoffer] zoals door verdachte gesteld aldaar een pak slaag te geven. Verdachte heeft, met een ander, [slachtoffer] in die auto reeds geslagen en heeft het slachtoffer, toen men uit de auto stapte, vastgehouden, tot deze zich wist los te rukken en de vlucht nam. Ook verdachte is over enige afstand achter het slachtoffer aangerend. Zijn mededader [medeverdachte] heeft even later het door hem achterhaalde slachtoffer doodgeschoten.

De verdachte heeft, mede gelet op de omstandigheid dat hij wist dat [medeverdachte] wraak had gezworen op de betrokkenen, waaronder kennelijk [partner van], bij de gewelddadige dood van diens broer enige jaren eerder en voorts gehoord had dat die [medeverdachte] die avond reeds in Amsterdam gedreigd had [slachtoffer] af te schieten, terwijl die [slachtoffer] ook in de auto op weg naar Spaarnwoude met de dood bedreigd was, minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] om het leven werd gebracht. Daaraan doet naar het oordeel van het hof, gelet op voormelde omstandigheden, niet af dat zijn mededader eerst na diens kort durende ontvluchting doodschoot. Het hof neemt met betrekking tot het medeplegen door verdachte van de opzettelijke levensberoving mede in aanmerking dat niet is gebleken dat verdachte zich op enig moment voordat de dodelijke schoten werden afgevuurd, noch enige tijd daarna van het gebeuren heeft gedistantieerd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder I, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag.

De verdachte was betrokken bij een jarenlange bestaande vete, welke uitmondde in een gewelddadige vrijheidsberoving met fatale afloop. De verdachte heeft een belangrijk aandeel geleverd in de aanloop naar de dood van [slachtoffer] Het slachtoffer is in de loop van de avond door verdachte en anderen uit Amsterdam naar een recreatiegebied in Spaarnwoude gebracht. Daar heeft een van die anderen het slachtoffer, dat aan zijn belagers trachtte te ontkomen, met een tweetal schoten op/in het hoofd om het leven gebracht. Door dit soort strafbare feiten is de rechtsorde ernstig geschokt. Tevens is daardoor onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, reeds eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit mede te plegen.

Bij de vaststelling van de strafmaat is voorts in het bijzonder nog acht geslagen -gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht- op de omstandigheid dat de verdachte op 21 juli 1998 door het gerechthof te Amsterdam reeds is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren en zes maanden, waarbij dat hof mede acht geslagen heeft op de fatale gevolgen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van f. 16.145.50.

De verdachte heeft de hoogte van de vordering niet, althans niet behoorlijk gemotiveerd betwist.

De benadeelde partij heeft slechts aangetoond dat door deze tot een bedrag van f. 9.727,25 schade is geleden, aangezien het restant van de vordering kennelijk door de verzekering is uitgekeerd.

Aannemelijk is dat de schade het gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen. Het meer gevorderde dient echter te worden afgewezen.

De verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken tot op heden begroot op nihil.

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoering nog te maken kosten. Het hof acht daarnaast oplegging van een schadevergoedingsmaatregel passend.

Bevel tot gevangenneming

De advocaat-generaal heeft gevangenneming van de verdachte gevorderd. Het hof zal de gevangenneming van de verdachte bevelen, nu uit de overige inhoud van dit arrest blijkt dat aan de in de wet gestelde voorwaarden voor een dergelijk bevel is voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER JAREN

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, tot een bedrag van f. 9.727,15 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij ter zake van het meer gevorderde.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, begroot op nihil, en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Legt op de verplichting tot betaling aan de Staat van f. 9.727,15 ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, te weten ,bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 100 dagen hechtenis.

Verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van f. 9.727,15 ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling van de benadeelde partij van f. 9.727,15 doet vervallen, alsmede dat de betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Bepaalt dat enige betaling door een medeverdachte aan of ten behoeve van voornoemde [benadeelde partij] terzake van voormelde schade verdachtes betalingsverplichtingen, zoals hiervoor opgelegd, in zoverre doet vervallen.

Beveelt de gevangenneming van verdachte terzake van het thans bewezenverklaarde strafbare feit.

Dit arrest is gewezen door mrs Oosterhof, Aler en Teulings, in bijzijn van de griffier mr Bakker.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2000.