Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AE0233

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
10-030152-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben van handels- c.q.gebruikers hoeveel- heden heroïne en cocaïne.

Medeplegen aanwezig hebben van resp. 18 kg. en 14 kg. materiaal bevattende heroïne en cocaïne.

Medeplegen aanwezig hebben van ca 103 gram materiaal bevattende heroïne en cocaïne.

Afwijzing verzoek aanhouding ivm horen getuigen, bekijken video-opnamen van observaties.

Verwerping beroep op de niet-ontvankelijkheid van het O.M.

6 jaar gevangenisstraf + geldboete van ƒ 100.000 subsidiar 1 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200185900

parketnummer 1003015298

datum uitspraak 20 december 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 juni 2000 in de strafzaak tegen.

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

thans gedetineerd in penitentiaire inrichting "De Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2000.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging (feiten I, 2 en 3) en in de separate dagvaarding met bovenvermeld parketnummer (feiten 4 en 5). Van deze nadere omschrijving tenlastelegging en inleidende dagvaarding zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling op de terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

4. Verzoek aanhouding

De raadsman heeft ter terechtzitting aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht teneinde:

1. op een nadere terechtzitting de verbalisanten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en de officier van justitie [getuige 4] als getuigen te horen,

2. video-opnamen van observaties te bekijken,

3. een overzichtsproces-verbaal te laten opmaken voor een rechtmatigheidstoetsing van de observaties,

4. een onderzoek te doen naar de identiteit van de in he Amsterdamse Twister onderzoek genoemde [ ],

5. een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken omtrent het oriënterend onderzoek dat volgens de rechtbank (vonnis pagina 3 ad a) heeft plaatsgevonden voor 13 mei 1998.

Het hof wijst de verzoeken van de raadsman af op grond dat het hof zich voldoende ingelicht acht en het hof de noodzaak van een en ander niet aanwezig acht. Onvoldoende duidelijk is gemaakt waaromtrent de ad 1 genoemde personen zouden kunnen verklaren. Gelet op de voorhanden zijnde verklaringen is het verzoek ad 2 onnodig. Het verzoek ad 3 betreft een kwestie die in eerste aanleg grondig is bekeken (de bevindingen van de rechtbank worden hier overgenomen), en nieuwe feiten zijn niet gesteld. Hetgeen terzake van het verzoek ad 4 is gesteld, biedt het hof onvoldoende aanknoping, terwijl verdachte bij het verzoek ad 5 geen belang heeft, nu hetgeen de rechtbank daaromtrent opmerkt geen dragende overweging van zijn beslissing vormt.

5. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Door de verdediging is in hoger beroep het gevoerde ontvankelijkheidsverweer herhaald.

Het hof maakt de overwegingen en beslissingen van de rechtbank tot de zijne en neemt deze hier over (pag 3 en 4 van het vonnis) .

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

6. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Bijlage

Bewezenverklaring:

1. hij meermalen,

in of omstreeks de periode van 01 maart tot en met 07 mei 1999, in de in hieronder nader te noemen plaatsen in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/ of afgeleverd en/ of verstrekt en/ of vervoerd en/ of telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een of meer handels- en/ of gebruikershoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne en/ of

een of meer handels- en/ of gebruikershoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne,

te weten:

-op of omstreeks 17 maart 1999 te Rotterdam en/ of Utrecht en/ of elders in Nederland, 308,9 gram van een materiaal bevattende heroïne, en

-op of omstreeks 28 januari 1999 te Rotterdam en/ of Gorinchem en/ of elders in Nederland, 21,6 gram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne

-omstreeks de periode van 01 maart 1998 tot en met 31 augustus 1998 meermalen, te Rotterdam telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en

-in of omstreeks de periode van 01 januari 1999 tot en met 07 mei 1999, te Rotterdam en/ of Maastricht en/ of elders in Nederland, meermalen telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/ of cocaïne en

-op of omstreeks 17 maart 1999, te Rotterdam en/ of elders in Nederland een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1. hij op of omstreeks 20 april 1999 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 18 kilogram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne en

- ongeveer 14 kilogram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne

zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. hij op of omstreeks 20 april 1999 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 103 gram van een materiaal bevattende heroïne en/ of cocaïne en

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/ of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Vervolg uitspraak

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2 en 3: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest en tot een geldboete van f 150.000,--, subsidiair 1 jaar hechtenis en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van voorarrest en tot een geldboete van f 150.000,-- en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met anderen gedurende langere tijd zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben en verhandelen van grote partijen harddrugs. De verdachte heeft bij het naar mag worden aangenomen ter verkrijging van onrechtmatig financieel gewin plegen van deze feiten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die deze met zich meebrengen. Harddrugs zijn stoffen, waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar welke ook direct en indirect oorzaak zijn van vele vormen van (zware) criminaliteit.

Verdachte speelde gelet op de verklaringen van derden en de vondst van een aanzienlijk geldbedrag bij verdachte, waarvoor hij geen aannemelijke verklaring kan geven een prominente rol bij de handel in harddrugs.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en een geldboete van na te melden duur respectievelijk hoogte een passende en geboden reactie vormen.

Bij de vaststelling van de vermogensstraf is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

12. Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen behoort te worden beslist als hierna zal worden aangegeven.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

14. BESLISSING

Het hof

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZES JAAR.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van

HONDERDVIJFTIGDUIZEND GULDEN,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 JAAR.

Gelast de teruggave van de op de aan dit arrest gehechte beslaglijst vermelde voorwerpen aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mrs Borgesius, Welbedacht en Van der Klooster, in bijzijn van de griffier Van der Mark.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2000.

De raadsheren Welbedacht en Van der Klooster zijn beiden buiten staat dit arrest te ondertekenen.