Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9527

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-05-2000
Datum publicatie
01-08-2002
Zaaknummer
15-030452-95
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200008699

parketnummer 1503045295

datum uitspraak 15 mei 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE '-GRAVENHAGE

zesde meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 5 december 1995 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres]

1. Procesgang

1.1. De arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft de verdachte terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, gekwalificeerd als

"deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven"

en

"als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

1.2. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

1.3. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 3 juni 1997 het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem vernietigd en de verdachte terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

1.4. De verdachte heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

1.5. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 12 januari 1999 voormeld arrest vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de gegeven beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en dè strafoplegging en de zaak naar dit gerechtshof verwezen teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en na de verwijzing van de zaak door de Hoge Raad het onderzoek op de terechtzittingen van dit hof van 27 september 1999, 8 november 1999, 17 januari 2000 en 1 mei 2000.

3. Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd hetgeen als feit 1 vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

4. Bewezenverklaring

4.1. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode vanaf de maand maart 1994 tot en met 15 mei 1995 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen (te weten in elk geval [betrokkene 1] en [betrokkene 2]), die tot oogmerk had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst I.

4.2. Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.3. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Bewijsvoering

5.1. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

5.2. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

6. Strafbaarheid van het thans bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7. Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Strafmotivering

8.1. De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

8.3. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, zoals het hof dat bewezen heeft verklaard en feit 3 en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

8.4. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisate,welke zich op grote schaal heeft beziggehouden met de smokkel van cocaïne. De hoeveelheden cocaïne waarop de smokkel was gericht, waren van dien aard, dat deze bestemd moeten zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. Door de verspreiding van en handel in cocaïne wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en wordt het plegen van vermogensdelicten onder de gebruikers bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Aldus heeft verdachte deel uitgemaakt van een criminele keten welke loopt van producent naar gebruiker. De verdachte heeft binnen de organisatie weliswaar niet een hoofdrol, doch een cruciale rol vervuld, aangezien hij als douanebeambte werkzaam was op de luchthaven Schiphol.

8.5. Daarnaast heeft de verdachte geldbedragen aangenomen, terwijl hij wist dat men hem trachtte te bewegen in zijn functie van douaneambtenaar zijn medewerking aan drugssmokkel te geven. Het hof houdt er voorts rekening mee dat verdachte ook eigener beweging leden van de organisatie heeft benaderd om hem geld te verstrekken. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als douanebeambte op Schiphol, welke positie hij nu juist onder andere bekleedde om drugssmokkkel als de onderhavige te voorkomen, te verhinderen en te bestrijden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij, in deze positie, bereid is geweest tot corruptie.

8.6. Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

8.7. Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de datum van berechting.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 140 en 363 van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

Het hof:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake van het onder 1 tenlastegelegde meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER JAREN EN ZES MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs Michiels van Kessenich-Hoogendam, Hamaker en Wurzer, in bijzijn van de griffier mr Mos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2000.