Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9506

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2000
Datum publicatie
01-08-2002
Zaaknummer
11-006082-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200308199

parketnummer 1100608299

datum uitspraak 24 mei 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 30 november 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "De Boschpoort" te Breda.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2000.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van, het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Bijlage

1.

hij op 25 juli 1999 te Dordrecht , opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, na kalm beraad en rustig overleg met dat opzet kogel(s) afgevuurd op, die [slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

3.

hij op 25 juli 1999 te Dordrecht, een vuurwapen van categorie III onder 1 in de vorm van een pistool, te weten een pistool (kaliber 7.65 mm), voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.

Vervolg uitspraak:

Hetgeen meerof anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrij gesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Moord;

feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan door het dragen van een vuurwapen van categorie 111.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde het verweer gevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, putatief noodweer, dan wel noodweer-exces.

De raadsman voert daartoe aan dat de verdachte plotseling werd geconfronteerd met het slachtoffer die naar een wapen greep en hem daarmee rechtstreeks bedreigde.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof stelt daarbij voorop, dat nu uit de bewijsmiddelen volgt dat het hof bewezen acht dat de verdachte het besluit om het slachtoffer te doden al had genomen op het moment waarop hij de auto verliet en op het slachtoffer afstapte, aan het door de verdachte gedane beroep op noodweer dan wel noodweer-exces of putatief noodweer zware eisen dienen te worden gesteld. Wil een zodanig beroep slagen, dan moet er gelet op het bepaalde in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht sprake zijn van een verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof niet aannemelijk dat sprake is geweest van een zodanige wederrechtelijke aanranding van de kant van het slachtOffer waartegen verdediging door de verdachte geboden was.

Nog afgezien van het feit dat de verdachte er zelf niet eenduidig over heeft verklaard waaruit de aanval zou hebben bestaan is niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer de verdachte daadwerkelijk (op wat voor een manier ook) met een vuurwapen heeft bedreigd op het moment waarop de verdachte -na een eerdere confrontatie die dag met het latere slachtoffer- zelf de tweede confrontatie met het slachtoffer is aangegaan. Dat niet aannemelijk is dat het slachtoffer zelf geschoten heeft valt ook af te leiden uit het rapport met betrekking tot het munitie-onderzoek d.d. 12 november 1999, opgemaakt en

ondertekend door B.J. waaruit volgt dat zeer waarschijnlijk slechts met twee vuurwapens is geschoten en dat voldoende vaststaat dat behalve de verdachte alleen [betrokkene] deel heeft genomen aan de schietpartij door met een eigen wapen te schieten. Nu aan de vereisten voor het bestaan van noodweer niet is voldaan, dient ook het beroep op noodweer-exces te worden verworpen.

Daarnaast zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit geconcludeerd kan worden dat het slachtoffer voorafgaande aan het dodelijke schot van de verdachte een wapen in zijn hand had of een beweging maakte die redelijkerwijs aanleiding kon geven voor de verdachte om te veronderstellen dat dat wel het geval was. Hieruit volgt dat het beroep op putatief noodweer evenmin kan slagen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, terwijl de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering is verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van f 28.892,53, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel tot voornoemd bedrag, subsidiair 130 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is naar eigen zeggen op 25 juli 1999 mishandeld door de broers [betrokkene] en [betrokkene] en toen met de dood bedreigd. Dit conflict bleek voor verdachte aanleiding om het plan te beramen om op een later moment [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte is daartoe met enkele anderen de broers gaan zoeken. Toen de broers gevonden waren heeft verdachte het slachtoffer van korte afstand neergeschoten. Aldus handelend heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan moord. Hij is verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] Het opzettelijk nemen van het leven van een ander is de meest vergaande inbreuk op de rechtsorde die het Nederlandse strafrecht kent. Op dergelijke delicten dient daarom met zeer langdurige vrijheidsstraffen gereageerd te worden. Dat geldt temeer indien, zoals in onderhavige strafzaak, de levensberoving door verdachte tevoren is overwogen. Verdachte is zich bewust geweest van de ernst van het voorgenomen misdrijf en is niettemin tot het plegen daarvan overgegaan. Dergelijke zeer ernstige misdrijven veroorzaken in het algemeen veel onrust in de maatschappij. Onderhavig delict heeft met name grote onrust veroorzaakt binnen het stadsdeel waarin het incident heeft plaatsgevonden, nu het feit is gepleegd op de openbare weg op een plaats waar veel mensen aanwezig waren.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten alsook wegens het voorhanden hebben van een schietwapen en munitie, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavig feit te plege.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport betreffende verdachte van 25 oktober 1999, opgesteld door H.S.M. Weber, psycholoog, en maakt de conclusie van dit rapport -kort gezegd daarop neerkomende dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen- tot de zijne. Het hof heeft tevens acht geslagen op het voorlichtingsrapport betreffende verdachte van de Reclassering Nederland arrondissement Dordrecht van 28 oktober 1999 alsmede op het rapport betreffende verdachte van 8 november 1999, opgesteld door D.H.J. Boeykens, zenuwarts forensisch psychiater.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Het door de verdachte gepleegde misdrijf, waar de wet levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 20 jaren op stelt, kan niet anders worden beschouwd dan als een absoluut onaanvaardbare vorm van eigenrichting. De in eerste aanleg opgelegde en de in hoger beroep gevorderde straf doet onvoldoende recht aan alle door het

hof in ogenschouw genomen omstandigheden.

Het is op deze grond dat het hof een zwaardere straf zal opleggen dan door de eerste rechter is bepaald en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij],per adres niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent

voor behandeling in het onderhavige strafgeding. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 55, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en SS van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

TWAALF JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij het

onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs De Wild, Scholten-Hinloopen en Van Bellen, in bijzijn van de griffier mr Kleijne.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 mei 2000.