Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9493

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2000
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
10-101441-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200085700

parketnummer 1010144199

datum uitspraak 22 juni 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de officier van justitie en de verdachte tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 16 februari 20001 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "De Schie" te Rotterdam.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2000.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie is gevoegd in dit arrest.

3. Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ten aanzien van het onder 6 telastegelegde de nietigheid van de inleidende dagvaarding bepleit, op grond dat de ten laste gelegde woorden "een tot nu toe onbekend persoon" onvoldoende blijk geven op welke persoon het geweld is toegepast en dit de mogelijkheid open laat dat verdachte wederom voor hetzelfde feit vervolgd zou kunnen worden, aangezien aan verdachte nog 2 andere feiten zijn tenlastegelegd die op dezelfde datum hebben plaatsgevonden. Het hof verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van het hof wordt genoemd feit voldoende feitelijk omschreven en voldoet de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 van het wetboek van strafvordering.

3. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1,2,3,4,5 primair en 6 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Bijlage

1.

hij op 6 augustus 1999 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de Ooltgensplaathof, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1]

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

-die [slachtoffer 1] dreigend toevoegen van de woorden: “Wat heb jij voor mij?” en “Geef mij je ring” en “Meer, meer” en

-de auto van die [slachtoffer 1] binnendringen en dreigend voor het geopende raam van de auto van die [slachtoffer 1] plaatsnemen en zodoende die [slachtoffer 1] insluiten en

-die [slachtoffer 1] tonen en van een mes en stekende bewegingen maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1]

2.

hij op 7 augustus 1999 te Rotterdam, op of aan de openbare te weten de Slinge tezamen en in de vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigenen heeft weggenomen een bankpas en een abonnement en f 25,- toebehorende aan [slachtoffer 2]

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het:

-onverhoeds en krachtig die [slachtoffer 2] in/op het gezicht slaan en

-die [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd slaan met een fles, althans een zwaar en/of hard voorwerp

3.

hij op 14 augustus 1999 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de Slinge, tezamen en in de vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een strippenkaart en een schoen en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolg van geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

welk geweld bestond uit het:

-meermalen slaan en schoppen van die [slachtoffer] tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] ten val is gekomen en die [slachtoffer 3] in het lichaam steken/prikken met een mes;

4.

hij op 9 september 1999 te Rotterdam aan de openbare weg de Slinge, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een portemonnee en met het oogmerk om zich of (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld een persoon genaamd [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het vastpakken en vasthouden om de nek van die [slachtoffer 4] en het houden van een hand op de mond van die [slachtoffer 4] en het (daarbij) toevoegen op dreigende toon de woorden: “Geef de telefoon”

5.

hij op 14 augustus 1999 te Rotterdam op of aan de openbare weg, te weten de Mullerpier tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een koningsketting en een telefoon toebehorende aan [slachtoffer 5]

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van en/of gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 5] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het:

-krachtig die [slachtoffer 5] in/op het gezicht slaan en

-meermalen slaan an schoppen van die [slachtoffer 5] tengevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en

-ijzeren hekken gooien op het lichaam van die [slachtoffer 5]

6.

hij op 14 augustus 1999 te Rotterdam in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een (rijdende) metro openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen een onbekend gebleven persoon, welk geweld bestond uit het slaan en schoppen van die onbekend gebleven persoon;

Vervolg uitspraak:

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- enjof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Diefstal, voorafgegaan, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

2. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

3. Diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

4. Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen en

Afpersing.

5. primair:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

6. Openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen.

7. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder 1, 2, 3, 5 primair en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders in een tijdsbestek van slechts één maand schuldig gemaakt aan een vijftal gewelddadige straatroven en een openlijke geweldpleging.

Samen met anderen viel verdachte willekeurige voorbijgangers aan om die vervolgens te beroven, waarbij zij er niet voor zijn

teruggedeinsd om geweld tegen de slachtoffers te gebruiken. Één slachtoffer werd daarbij met een mes gestoken. Deze brutale berovingen zijn door de slachtoffers als bedreigend ervaren en te verwachten valt dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte en zijn mededaders hen hebben aangedaan. Daarnaast brengt zulke geweldscriminaliteit bij de burgers in het algemeen sterke angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 141 (oud), 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER JAAR.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs Hamaker, Van den Puttelaar en Wurfbain, in bijzijn van de griffier Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2000.

De raadsheren mrs Van den Puttelaar en Wurfbain zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.