Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9363

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
0975702200
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer 2200191200

Parketnummer 0975702200

Datum uitspraak 14 november 2000

Tegenspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

Gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 10 juli 2000 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Geboren te Paramaribo (Suriname) 1957,

Thans gedetineerd in de Penitentiaire “De Schie” te Rotterdam

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting en in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2000.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

3.1

De raadsman heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd -zoals nader weergegeven in zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities- dat aan de verdediging belangrijke processtukken zijn onthouden, althans te laat aan de verdediging zijn verstrekt en dat daarmee de artikelen 5 en 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn geschonden. Hij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging.

3.2

Het hof verwerpt dit verweer. Uit ,het onderzoek ter terechtzitting is geenszins aannemelijk geworden dat de raadsman ten tijde van het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg door het niet (tijdig) ontvangen van een gedeelte van de stukken niet is staat is gesteld de verdediging van zijn cliënt op adequate wijze te voeren en dat door het openbaar ministerie zodanig is gehandeld in strijd met een behoorlijk proces dat dit tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar ministerie dient te leiden. Ten tijde van de behandeling van de vorderingen tot inbewaringstelling en gevangenhouding beschikte de raadsman weliswaar (nog) niet over de verklaringen van' de medeverdachten, doch wel over het relaas proces-verbaal, waarin hun verklaringen waren gerelateerd, terwijl hij vanaf half mei 2000 over een vrijwel compleet dossier beschikte. De laatste stukken (foto's en plattegronden) zijn hem op 22 juni' 2000 alsnog verstrekt. Het feit dat de raadsman moeite heeft moeten doen het dossier te complementeren en tot 11 mei 2000 (gedeelten van) verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] in zijn dossier ontbraken, is te betreuren doch doet aan het bovenstaande niets af.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 (eerste en tweede deel), 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

1.

hij op 07 januari 2000 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van f129.001,-, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, welke bedreiging met geweld bestond uit

-het onder bedreiging van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp vragen om geld en de kluis en

-het die [slachtoffer] meermalen dreigend de woorden toevoegen dat hij, verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] overhoop zouden schieten en het (daarbij) richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] en

-het onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meevoeren van die [slachtoffer] naar de kluis, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen tot het opnemen van de kluis en het (vervolgens) afgeven van genoemd geldbedrag;

2.

hij op 07 januari 2000 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/ of beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader met dat opzet

-die [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

-hen (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en/ of dat hij, verdachte en zijn mededader zouden schieten en

-hen vervolgens met handboeien geboeid;

3.

hij op 18 januari 2000 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het

-het onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vragen naar de kluis en meevoeren van die [slachtoffer] naar de kluis en

-het die [slachtoffer] meermalen dreigend de woorden toevoegen dat hij, verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] voor haar kop zouden schieten als zij alarm zou maken en het (daarbij) richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer]

en

hij op 18 januari 2000 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, welke bedreiging met geweld bestond uit

-het onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vragen naar de kluis en meevoeren van die [slachtoffer] naar de kluis en

-het die [slachtoffer] meermalen dreigend de woorden toevoegen dat hij, verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] voor haar kop zouden schieten als zij alarm zou maken

en het (daarbij) richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen tot het openen van de kluis en het (vervolgens) afgeven van enig geldbedrag;

4.

hij op 18 januari 2000 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden immers hebben hij, verdachte en zijn mededader met dat opzet:

-die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

-hen (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en

-hen vervolgens met handboeien geboeid;

5.

hij in januari 2000 te Rotterdam opzettelijk heeft verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1: Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2 en 4: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd.

3: Voortgezette handeling van afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en diefstal voorafgegaan of vergezeld van bedreiging met geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9. Strafmotivering

9.1

De verdachte is in eerste aanleg terzake van de onder 1, 2, 3 (eerste en tweede deel), 4 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

9.2

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 (eerste en tweede deel), 4 en 5

tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft hij gevorderd dat het onder nummer 1van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer en de onder de nummers 2 tot en met 11 van die lijst genoemde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

9.3

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

9.4

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een korte periode samen met een ander schuldig gemaakt aan twee, op koelbloedige en professionele wijze uitgevoerde, gewapende overvallen. Zij zijn daarbij, voorzien van of een soort bivakmuts of een soort panty alsmede van handboeien en wapens, twee postagentschappen binnengedrongen en hebben daarbij de aldaar aanwezige personeelsleden met dodelijk geweld bedreigd en geboeid. Telkens is een personeelslid onder bedreiging met dodelijk geweld gedwongen om een kluis te openen. Vervolgens hebben de verdachte en zijn mededader grote geldbedragen meegenomen. Het handelen van de verdachte en zijn mededader moet door de slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend zijn ervaren en te verwachten valt dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder psychische gevolgen van hetgeen de verdachte en zijn mededader hun hebben aangedaan. Ook het gevoel van veiligheid van andere personeelsleden van postagentschappen zal naar verwachting bij kennisneming van dergelijke gewapende overvallen ernstig worden aangetast. Gewapende overvallen op postagentschappen, tenslotte, zijn delicten waardoor in het algemeen de rechtsorde ernstig wordt geschokt.

9.5

Voorts heeft de verdachte een hoeveelheid heroïne en cocaïne verstrekt, waarmee hij heeft bijgedragen aan de handel in heroïne en cocaïne, in ieder geval in het gebruik daarvan, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor

ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd.

9.6

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, reeds vele malen is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder soortgelijke feiten, met name een gewapende overval op een postkantoor in 1995, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

9.7

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. Gezien de documentatie van de verdachte en de koelbloedige en professionele wijze waarop de overvallen zijn gepleegd, kent hof bij de bepaling van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf in het bijzonder aan de speciaal- en generaal-preventieve functie van die straf betekenis toe.

10. Beslag

10.1

Het onder nummer 1 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerp, te weten 1.00 stk Vest kogelvrij, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien dit aan de verdachte toebehorend voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10.2

Ten aanzien van de onder de nummers 2 tot en met 11 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen behoort te worden beslist als hierna zal worden aangegeven.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 47, 56, 57, 282, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

NEGEN JAREN EN ZES MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het onder nummer 1 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerp.

Gelast de teruggave van de onder de nummers 2 tot en met 11 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Von Brucken Fock, Stoker-Klein en Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. Van der Putten. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2000.

van het hof