Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9357

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2000
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
09-757257-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200016200

parketnummer 0975725799

datum uitspraak 15 november 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 7 januari 2000 in de strafzaak tegen

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats]) op [geboortedatum], thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Jongvolwassenen "De Sprang" te 's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 juni 2000, 6 september 2000 en 1 november 2000.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

Een verzoek

De raadsman heeft aan het slot van zijn pleidooi (punt 9 van de pleitnota) subsidiair gesteld dat "als uw hof meteen vrijspraak te vroeg vindt, het "bewijsmateriaal" nog eens goed aan de tand moet worden gevoeld onder ede".

Voorzover de raadsman, die ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de eerder opgeroepen getuigen, met deze subsidiaire stelling beoogt het hof in overweging te geven alsnog getuigen onder ede te horen, merkt het hof op daartoe geen noodzaak aanwezig te achten. Het hof is van oordeel dat het onderzoek thans volledig is geweest en ziet derhalve geen aanleiding tot heropening daarvan.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in

de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Bijlage

Hij in de nacht van 5 op 6 september 1999 te ’s-Gravenhage aan een politieambtenaar, te weten een agent van regiopolitie Haaglanden, genaamd W. V. gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als politieambtenaar, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een verbrijzeld voorhoofd en/of hersenletsel en schedelfracturen en een neusfractuur heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, een (stuk) stoeptegel in het gezicht te gooien.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Verweren

Namens de verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat het proces-verbaal van politie een incomplete weergave van het onderzoek is, nu daarin niet is vermeld dat de anonieme getuige, wiens personalia later bekend zijn geworden, op het moment van het afleggen van zijn verklaring op 9 september 1999 nog als verdachte werd aangemerkt.

Voorzover de raadsman met dit betoog beoogt het verweer te voeren dat het door de verbalisant P.M.J. op 9 september 1999 opgemaakte proces-verbaal (blz. 40 - 41 van het proces-verbaal nr. PL ) als onrechtmatig verkregen van het bewijs dient te worden uitgesloten, wordt dit verweer verworpen. Immers uit het door de verbalisant J. opgemaakte aanvullend proces-verbaal van 30 mei 2000, nr. PL volgt dat de door de raadsman bedoelde getuige ten tijde van zijn verhoor op 9 september 1999 niet meer als verdachte werd aangemerkt. Overigens is blijkens voormeld proces-verbaal meerbedoelde getuige voorafgaand aan zijn verhoor hieromtrent ook geïnformeerd.

Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat er is gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke procesvoering, aangezien uit het op 9 oktober 2000 door voornoemde J. opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr.1, blijkt dat de getuige [getuige] alvorens op 9 oktober 2000 door de rechter-commissaris te worden gehoord, in feite een verhoor is afgenomen door meergenoemde J. Nu de raadsman van dit verhoor/proces-verbaal pas later in kennis is gesteld, heeft hij over de inhoud van dit verhoor van [getuige] aan deze getuige bij de rechter-commissaris geen vragen kunnen stellen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2000 heeft brigadier van politie J. , anders dan de raadsman van de verdachte heeft betoogd, enkel een gesprek met de getuige [getuige] gevoerd, toen deze getuige ter gelegenheid van de uitvoering van een bevel medebrenging voor een verhoor door de rechter-commissaris op 9 oktober 2000 op het politiebureau was aangevoerd. Niet valt in te zien dat met het vastleggen van dit gesprek in voormeld proces-verbaal is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Het feit dat de raadsman voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris niet van de inhoud van dat gesprek op de hoogte is gesteld en het feit dat hem tijdens dat verhoor ook niet is medegedeeld dat een gesprek was gevoerd kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De raadsman heeft immers de gelegenheid gehad om de getuige na het verhoor bij de rechter-commissaris opnieuw te doen horen teneinde hem te confronteren met hetgeen door hem in voornoemd gesprek is gezegd, doch niet is gebleken dat de raadsman, nadat hij van de inhoud van genoemd proces-verbaal op de hoogte was gesteld enig initiatief tot het opnieuw horen van de getuige heeft ondernomen.

De raadsman heeft nog betoogd dat het volstrekt onverantwoord moet worden geacht de anonieme verklaring, inhoudend dat de verdachte zou zijn gezien, terwijl hij een steen gooide, voor het bewijs te gebruiken, nu dit aspect in de op naam afgelegde verklaring niet overeind is gebleven.

Voorzover dit betoog strekt tot bewijsuitsluiting van de bij de politie (anoniem) afgelegde verklaring van een getuige wiens identiteit later bekend is geworden, overweegt het hof het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het de getuige [getuige], bijgenaamd.., is geweest, die het bloedende slachtoffer op straat hulp heeft geboden totdat er collega' s van het slachtoffer ter plaatse kwamen en dat deze getuige bereid was tegenover de brigadier van politie J. een verklaring af te leggen omdat hij vond dat de [verdachte] te ver was gegaan. Nu de bij de politie door deze getuige anoniem afgelegde verklaring in voldoende mate steun vindt in de andere bewijsmiddelen en deze- getuige met instemming en in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte bij de rechtercommissaris op naam is gehoord, ziet het hof geen beletsel om de bij de politie anoniem afgelegde verklaring van de getuige wiens identiteit later bekend is geworden, welke verklaring het hof als geloofwaardig en betrouwbaar overkomt, voor het bewijs te bezigen. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de getuige bij de rechter-commissaris op naam heeft verklaard dat hij door de politie bij het afleggen van zijn verklaring niet onder druk is gezet en dat het de verdachte is geweest die hem, getuige, toen hij gedurende enige tijd begin 2000 samen met de verdachte gedetineerd in de Sprang is geweest, een paar keer heeft gezegd dat hij, getuige, de zaak moest intrekken of gewoon een ander verhaal moest vertellen.

Tot slot is van de zijde van de verdediging betoogd dat sprake is van een al jarenlang bestaande vete tussen de verdachte enerzijds en personen uit de… te’s-Gravenhage anderzijds, welke er eerder toe heeft geleid dat door die groep beschuldigingen aan het adres van de verdachte over het gebruik van een vuurwapen zijn geuit, van welke beschuldigingen de verdachte in 1996 is vrijgesproken, en ook in deze zaak heeft geleid tot beschuldigende verklaringen.

Het hof acht deze lezing van de verdediging gelet op de inhoud van de in deze zaak door de getuigen afgelegde verklaringen niet aannemelijk, terwijl ook overigens in het dossier voor deze door de raadsman genoemde complottheorie geen enkel aanknopingspunt is te vinden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad en gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Kennelijk omdat verdachte problemen had met de politie, heeft hij het plan opgevat om op de politie wraak te nemen. Hij eeft daartoe, nadat hij een politieauto langs had zien rijden, een steen gepakt en heeft op een straathoek gewacht tot de politieauto opnieuw langs zou komen. Toen de politieauto voorbij kwam rijden, heeft hij de steen door de ruit van die auto gegooid en daarmee de bestuurder, een dienstdoend agent, in het gezicht geraakt. Het slachtoffer heeft daardoor ernstige verwondingen opgelopen, te weten een verbrijzeld voorhoofd en/of hersenletsel, schedelfracturen en een neusfractuur. Verdachte heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op deze manier zijn frustaties heeft afgereageerd op een willekeurige agent, die op dat moment met autosurveillance was belast.

Het gedrag van verdachte heeft grote ontzetting teweeg gebracht. Verdachte dient ervan doordrongen te worden dat dergelijk handelen niet kan en niet zal worden geaccepteerd. Tegen handelen als door de verdachte tentoongespreid, dient dan ook streng te worden opgetreden.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is op grond van voorgaande van oordeel dat een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 303 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Scholten-Hinloopen, Reinking en Van Bellen, in bijzijn van de griffier mr. Van Slochteren. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 november 2000.