Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9266

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
1100616799
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200156800

parketnummer 1100616799

datum uitspraak 22 december 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's?GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de arrondissements-rechtbank te Dordrecht van 6 juni 2000 in de strafza[verdachte]en

[verdachte],

geboren te Utrecht 1982,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Nieuw Vossenveld" te Vught.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 6 oktober 2000 en 12 december 2000.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie is gevoegd in dit arrest.

3. Omvang van het hoger beroep

3.1

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

3.2

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

4. Verweren strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging

4.1

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw gesteld dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig is, aangezien de verdachte geen recht op een eerlijk proces heeft gehad. De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht in dezelfde samenstelling als in de onderhavige zaak, een andere verdachte in deze zaak, te weten [medeverdachte], bij vonnis van 4 april 2000 terzake van medeplichtigheid aan de aan de verdachte onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten – het medeplegen van een overval op een Albert Heijn-supermarkt op 18 december 1999 - heeft veroordeeld en in de bewezenverklaring van het veroordelend vonnis van [medeverdachte] voornoemd is vermeld dat de verdachte één van de daders was.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de voorzitter van evenbedoelde meervoudige strafkamer, Mr. N.J.C. van Spronssen, in het stadium van de voorlopige hechtenis bij beschikking van 26 januari 2000 de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte heeft bevolen, alsmede als lid van de rechtbank bij beschikking van 20 december 1999 verlof heeft verleend tot het doen van huiszoeking op het woonadres van de verdachte.

Onder deze omstandigheden konden de leden van de meervoudige strafkamer van de rechtbank, althans de voorzitter, de zaak tegen de verdachte in eerste aanleg niet onpartijdig behandelen, aldus de raadsvrouw.

4.2

Het hof deelt deze zienswijze niet en overweegt daartoe het volgende.

Volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk HR 31 oktober 2000, JOL 2000, 544) dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief

gerechtvaardigd is.

De enkele omstandigheid, dat in het veroordelend vonnis van [medeverdachte] bewezenverklaard is dat deze [medeverdachte] medeplichtig is geweest aan genoemde overval en dat die overval onder meer door de verdachte is gepleegd, en dat dit veroordelend vonnis is gewezen door de rechters, die ook het veroordelend vonnis met betrekking tot de aan de verdachte onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten hebben gewezen, levert volgens het hof niet een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld op.

Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken tegen andere verdachten buiten beschouwing te laten (zie HR 3 maart 1998, NJ 1998, 514).

Uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken blijkt niet dat de rechtbank de onderhavige zaak niet los van hetgeen het onderzoek in de zaak [medeverdachte] had opgeleverd heeft onderzocht. De rechtbank heeft voorts het vonnis waarvan beroep niet in enigerlei opzicht doen steunen op enige in de zaak [medeverdachte] genomen beslissing. Uit de processtukken blijkt bovendien dat [medeverdachte] voornoemd met betrekking tot zijn aandeel in de overval tegenover de politie een grotendeels bekennende verklaring heeft afgelegd, waarbij hij de verdachte als een van de daders heeft aangewezen (dossier-paragraaf: 09.V.11.1). In de strafmotivering spreekt de rechtbank ook over de "daders" van de overval. Uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken blijkt voorts niet dat de deelname van de verdachte als “dader” aan de overval in het bijzonder voorwerp van onderzoek is geweest. Nu de verdachte iedere betrokkenheid bij die overval in het vooronderzoek heeft ontkend, moet worden aangenomen dat de bewezenverklaring in de zaak [medeverdachte], voor zover inhoudende dat hij een van de “daders” van die overval was, berustte op verklaringen van derden, waaronder de verklaring van [medeverdachte] zelf. Pas na de betwisting van de juistheid van die verklaringen, zo moet worden aangenomen, werd een nader onderzoek naar het mededaderschap van de verdachte noodzakelijk en dat onderzoek heeft de rechtbank uitsluitend in de onderhavige zaak verricht.

Ook de enkele omstandigheid dat de voorzitter van de rechtbank, mr. Van Spronssen, op 20 december 1999 verlof tot huiszoeking heeft gegeven levert geen zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld op (zie HR 13 oktober 1992, NJ 1993, 142). Dezelfde conclusie moet worden getrokken waar het gaat om de enkele omstandigheid dat mr. Van Spronssen voornoemd op 26 januari 2000 mede heeft beslist omtrent de verlenging van de gevangenhouding (zie HR 14 mei 1991, NJ 1991, 695). In die voorfase was de rol van de betrokken rechter beperkt tot het toezicht op het rechtmatige verloop van de gevangenhouding en de huiszoeking ter bescherming van alle betrokken belangen, waaronder die van de verdachte. Niet gebleken is dat de betrokken rechter reeds bij die gelegenheden een oordeel heeft gegeven over de schuldvraag, de bewijsbaarheid van hetgeen later aan de verdachte is tenlastegelegd.

Ook alle hiervoor genoemde omstandigheden tezamen genomen leveren voor wat betreft de voorzitter van de meervoudige strafkamer van de rechtbank mr. Van Spronssen naar het oordeel van het hof geen zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld op.

4.3

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw voorts aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Zij heeft hiertoe aangevoerd (I) dat het gerechtelijk vooronderzoek, zoals dat is verricht in het arrondissement Rotterdam, onrechtmatig is geweest vanwege het ontbreken van een redelijk vermoerden van schuld, (II) dat in strijd met het bepaalde in artikel 200, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafvordering de verdachte niet op de sluiting van het Rotterdamse gerechtelijk vooronderzoek is gehoord, (III) dat de telefoontap gedeeltelijk onrechtmatig is geweest en (IV) dat observaties hebben plaatsgevonden waarvan de verslaglegging ontbreekt.

4.4

Het rapport van A. Matena, hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond (PL1710-18/11/1999-527-1-20) van 23 november 1999, dat ten grondslag ligt aan de "vordering tot gerechtelijk vooronderzoek en verzoek tot afluisteren en opnemen van telefoongesprekken en verzoek historisch overzicht" van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, welke vordering op 24 november 1999 is toegewezen, bevat voldoende feiten en omstandigheden waaruit toentertijd een redelijk vermoeden van schuld aan het in die vordering omschreven misdrijf – kort samengevat: het (mede)plegen van een overval op Benjan Motoren op 18 november 1999 te Ridderkerk - kon worden afgeleid.

Blijkens aantekeningen van de rechter-commissaris heeft de rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek te Rotterdam op 15 december 1999 “administratief gesloten i.v.m. overdracht aan arrondissement Dordrecht, ter gelijktijdige behandeling met parketnr. 10/050084-99 ([medeverdachte])”. Gelet op de door de rechter-commissaris gekozen bewoordingen moet worden aangenomen dat het hier geen sluiting als bedoeld in artikel 237 (oud) van het Wetboek van Strafvordering doch een overdracht van het gerechtelijk vooronderzoek aan de rechter-commissaris in het arrondissement Dordrecht betrof.

Het bovenomschreven misdrijf is – naast andere feiten ten aanzien waarvan een verdenking is ontstaan - ook omschreven in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht d.d. 20 december 1999. In de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht d.d. 23 december 1999 komt dit misdrijf evenwel niet meer voor. Kennelijk bestond ten aanzien van de verdachte op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld meer aan de overval op 18 november 1999 te Ridderkerk. De verdachte is op die nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek op 24 december 1999 door de rechter-commissaris in het arrondissement Dordrecht gehoord. Blijkens het van dat verhoor opgemaakte

proces-verbaal heeft de rechter-commissaris aan de verdachte meegedeeld dat een gerechtelijk vooronderzoek was geopend. Nu de rechter-commissaris in het arrondissement Dordrecht de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek niet heeft afgewezen, moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor wat betreft de hiervoor genoemde overval op 18 november 1999 te Ridderkerk het Rotterdamse gerechtelijk vooronderzoek op 20 december 1999 heeft overgenomen. Het verhoor van de verdachte op 24 december 1999 als bedoeld in artikel 200, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafvordering heeft betrekking gehad op het gehele gerechtelijke vooronderzoek, inclusief het Rotterdamse gerechtelijk vooronderzoek. Blijkens dat proces-verbaal is de verdachte ook gehoord inzake de overval op 18 november 1999 te Ridderkerk gezien diens verklaring: “Met betrekking tot de diefstal met geweld bij Benjan motoren te Ridderkerk zeg ik u dat ik daar helemaal niets van af weet”.

Uit de stukken blijkt voorts dat alle stukken omtrent het Rotterdamse gerechtelijk vooronderzoek aan de raadsvrouw zijn toegezonden en deel uitmalen van het strafdossier.

Blijkens het voorgaande zijn tijdens het gerechtelijk vooronderzoek geen vormvoorschriften geschonden en is van een onrechtmatig afluisteren van door de verdachte gevoerde telefoongesprekken, op grond van het feit dat gedurende de periode van 15 tot 20 december 1999 geen gerechtelijk vooronderzoek zou hebben bestaan, geen sprake geweest.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de observaties die op het huis van de verdachte hebben plaatsgevonden slechts ten doel hadden om in verband met de komende huiszoeking, waarvoor door de rechtbank op 20 december 1999 verlof was gegeven, en aanhouding de in- en uitgaande mensen te observeren. Gezien de kortstondige periode (op 20 december 1999 van 18.00 uur tot 23.05 uur, zie blz. 57 van het relaasproces-verbaal) waarin en de wijze waarop is geobserveerd alsmede het beperkte doel van de observatie, is geen sprake geweest van een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Een behoorlijke uitvoering van de bevoegdheden tot aanhouding en huiszoeking, bracht mee dat daaraan voorafgaand korte observaties van de aan te houden persoon of personen en de plaats waar de huiszoeking zou worden verricht, mochten plaatsvinden. Het belang van de opsporing en de veiligheid van de daarbij betrokken personen gaf daartoe aanleiding. Die kortstondige observaties zijn geschied ter voorbereiding van die aanhouding en die huiszoeking en lagen besloten in de in de wet verankerde bevoegdheid tot aanhouding onderscheidenlijk huiszoeking. Gelet op het doel van de huiszoeking en de kortstondige periode waarin deze heeft plaatsgevonden behoeft het ontbreken van een verslag daarvan ook niet tot enige processuele sanctie te leiden.

Uit het bovenstaande volgt dat voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn verdere vervolging geen goede grond aanwezig is.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Bewezenverklaring

6.1

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

1.

(zaak 7)

hij op 03 november 1999 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (auto)sleutels en mobiele telefoons (waarvan een van het merk Panasonic), toebehorende aan [slachtoffer] of [slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] en [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/ of zijn mededader(s)

-die [slachtoffer] (tegen zijn hoofd) heeft/ hebben geslagen of gestompt en

-een trui over het hoofd van die [slachtoffer] heeft/ hebben getrokken en

-de darmen en de benen van die [slachtoffer] heeft/ hebben vastgebonden (met (telefoon)snoer(en) en een riem) en

-die [slachtoffer] heeft/ hebben vastgepakt en op een bed gedrukt en

-de polsen van die [slachtoffer] heeft/ hebben vastgebonden (met een (telefoon)snoer) en de enkels van die [slachtoffer] heeft/ hebben vastgebonden (met het hengsel van een sporttas) en

-een broek over het hoofd van die [slachtoffer] heeft/ hebben getrokken;

2.

hij op 03 november 1999 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk BMW, type 328i cabrio, kleur paars, [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer],

waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel (immers hebben verdachte en zijn mededaders onbevoegd gebruik gemaakt van een sleutel);

3.

hij op 18 december 1999 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] (medewerker bij supermarkt Albert Heijn) heeft gedwongen tot de afgifte van de sleutels van de kluis toebehorende aan Albert Heijn, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/ of zijn mededader(s),

-die [slachtoffer] een mes op de keel heeft/ hebben gezet en

-die [slachtoffer] (in een verwurging/ wurggreep) met de arm om de keel heeft/ hebben vastgepakt en

-die [slachtoffer] heeft/ hebben doen lopen (onder bedreiging van het mes en in een wurggreep) naar het kantoortje (een ruimte op de eerste verdieping van de winkel) en

-een stroomstootwapen, in de richting van die [slachtoffer] heeft/ hebben gehouden;

4.

hij op 18 december 1999 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld toebehorende aan Albert Heijn,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen de in de winkel van Albert Heijn aanwezige personen, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken met zijn mededaders,

-de winkel van Albert Heijn is binnengegaan met een bivakmuts of een nylonkous over het hoofd getrokken en

-die [slachtoffer] een mes op de keel heeft gezet en

-die [slachtoffer] (in een verwurging/ wurggreep) met de arm om de keel heeft vastgepakt en

-die [slachtoffer] heeft doen lopen (onder bedreiging van het mes en in een wurggreep) naar het kantoortje (een ruimte op de eerste verdieping van de winkel) en

- een stroomstootwapen in de richting van die [slachtoffer] heeft geduwd en

-die [slachtoffer] aan handen en voeten heeft vastgebonden en de mond van die [slachtoffer] heeft afgeplakt en

-[slachtoffer] (meermalen) op haar knieën heeft doen zitten en die (meermalen) naar beneden heeft geduwd en omhoog heeft getrokken en heeft meegetrokken en

-die [slachtoffer] een stroomstootwapen heeft getoond en

-[slachtoffer] en [slachtoffer] aan de handen heeft vastgebonden (op de rug) en een vriescel heeft ingeduwd, en

-[slachtoffer] en [slachtoffer] (onder bedreiging van een mes) een vriescel heeft ingeduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.2

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6.3

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

7.1

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

7.2

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

8.1

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat alle resultaten uit het in Rotterdam ingestelde vooronderzoek en de resultaten die na 15 december 1999 zijn verkregen uit de ingestelde telefoontaps, niet als bewijs zouden kunnen worden gebezigd.

8.2

Het hof verwerpt dit verweer en verwijst naar hetgeen hiervoor onder 4.4 hieromtrent is overwogen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde onder 1 en 2 levert op:

feit 1: diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

feit 2: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 1, voor wat betreft de diefstal van autosleutels, en feit 2 staan in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling.

Het bewezenverklaarde onder 3 en 4 levert op:

feit 3: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

feit 4: poging tot diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 3 en feit 4, voor wat betreft de geweldpleging jegens [slachtoffer], staan in zodanig verband dat zij deels moeten worden beschouwd als eendaadse samenloop.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

11.1

De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van de schade geleden door de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven, alsmede tot schadevergoedings-maatregelen.

11.2

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van de schade geleden door de benadeelde partijen conform de beslissing van de rechter in eerste aanleg.

11.3

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

11.4

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is mededader van een beroving in een woning en

daaropvolgende diefstal van een auto. Daarbij maakte de verdachte deel uit van een groep personen die koel en bruut een woning zijn binnengegaan met het doel de sleutels te pakken te krijgen van een dure personenauto, die zij wilden bemachtigen. De verdachte en zijn mededaders hebben daarbij het gebruik van geweld niet geschuwd. De agressieve wijze waarop de daders de in de woning aanwezige personen hebben bejegend, zoals het slaan van één van de slachtoffers en het vastbinden van handen en voeten en het afdekken van de hoofden van de slachtoffers, moet voor de slachtoffers uitermate beangstigend en bedreigend zijn geweest. Te verwachten valt dan ook dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Daarnaast brengen feiten zoals de onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

11.5

Voorts is de verdachte mededader van een brute overval op een supermarkt. Die overval is door de daders zorgvuldig voorbereid en uitgevoerd. Ook bij deze overval zijn de daders op agressieve wijze te werk gegaan, zoals bedreiging met een mes en met een stroomstootwapen, het duwen en meetrekken van de personeelsleden alsmede het vastbinden van handen en voeten en het afplakken van de mond van één van hen. Dit geweld en deze bedreiging met geweld moeten voor de slachtoffers uitermate beangstigend en bedreigend zijn geweest. Bovendien zijn enkele medewerkers in een koelcel geduwd, hetgeen voor deze personen een ernstig gevaar voor onderkoeling heeft opgeleverd.

Overvallen als de onderhavige, waarbij gebruik is gemaakt van wapens en waarbij geweld is toegepast, veroorzaken gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de maatschappij. Voorts valt te verwachten dat de slachtoffers nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan.

11.6

Gelet op enerzijds de ernst van de feiten en anderzijds de persoon van de verdachte, zoals deze naar voren komt in het rapport d.d. 10 februari 2000 van de Forensisch Psychiatrische Dienst Rotterdam en Dordrecht, opgemaakt en ondertekend door Th.J.G. Bakkum, forensisch psychiater, kinder- en jeugd-psychiater, ziet het hof aanleiding het meerderjarigen-strafrecht toe te passen.

11.7

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van de Forensisch Psychiatrische Dienst Rotterdam en Dordrecht, opgemaakt en ondertekend door Th.J.G. Bakkum, forensisch psychiater, kinder- en jeugdpsychiater, d.d. 10 februari 2000, waarin onder meer het volgende omtrent verdachte is vastgesteld.

"Zo imponeert betrokkene bij een eerste onderzoek als een gemiddeld intelligente zeventienjarige Antilliaanse jongen, die bijzonder afhoudend is in het contact en weinig informatie wil verschaffen. Er zijn geen aanwijzingen voor een psychiatrisch ziektebeeld of voor een ontwikkelingsstoornis en evenmin lijkt er sprake van

een achterstand in sociaal-emotionele ontwikkeling. Eerder imponeert betrokkene als een al vrij geharde jongen, die zijn mogelijkheden aan het inschatten is. Hij stelt zich als ontkennende verdachte op en dat maakt het doen van een Pro Justitia rapportage moeilijk en weinig zinvol.

Wat betreft uw vraag of betrokkene nu via het volwassenenstrafrecht danwel het minderjarigenstrafrecht berecht zou dienen te worden, kan gezegd worden, dat betrokkene wat betreft persoon en algehele presentatie beter past binnen het volwassenenstrafrecht en dat het jeugdstrafrecht met haar meer specifiek pedagogisch karakter, niet meer zo van toepassing is."

11.8

Het hof heeft eveneens kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Dordrecht, opgemaakt en ondertekend door J.L. Geers, praktijkleider, en M.J. Luykx, raadsonderzoeker, d.d. 14 maart 2000, waarin onder meer het volgende omtrent verdachte is vastgesteld.

"[verdachte] heeft vanaf de start aangegeven in geen enkel opzicht betrokken te zijn bij de hem tenlastegelegde feiten. Hij is volhardend in zijn opstelling en weigert zich tot een andere houding te laten verleiden.

(...)

De ontkenning van [verdachte] is emotieloos. (...) De ontkenning van [verdachte] is, hoewel resoluut, geenszins overtuigend en getuigt niet van strijdlust om zijn onschuld te bewijzen. Hij stelt zich zeer passief op. Het lijkt alsof hij zijn kansen wil inschatten en wil gokken op een gunstige afwikkeling. (...) Het is anderzijds meer aannemelijk dat hij een weloverwogen kosten-baten overweging maakt en daarbij het meeste heil verwacht van een ontkenning.

(...)

In tegenstelling tot de FPD valt op dat [verdachte] geen schuld- en slachtofferbesef toont. Mijns inziens hangt dit sterk samen met het niveau van zijn morele ontwikkeling. Het afschuiven van elke verantwoordelijkheid voor het tenlastegelegde en het berekenend afwegen van zijn kansen getuigen ervan, dat [verdachte]'s opstelling gebaseerd is op eigen individuele en egocentrische overwegingen.

(...)

Het feit dat [verdachte] doelbewust elke confrontatie met de feiten uit de weg gaat, getuigt van een gebrek aan schuld- en slachtofferbesef. [verdachte] lijkt uitstekend in staat tot het maken van een voor hem gunstige kosten-baten analyse. Bij de delicten is geheel bewust instrumenteel geweld gebruikt om het beoogde doel te bereiken. In die zin gaat er van de delictpleging een zekere professionaliteit uit. Daarmee kan gesteld worden dat de basis is gelegd voor een criminele carrière. Zowel binnen de vriendenkring als ten opzichte van zijn groepsgenoten in "Den Hey-Acker" is [verdachte] in staat respect af te dwingen door zijn houding. Dit kan gezien worden als een risicofactor ten aanzien van recidiveren. (...) Het morele ontwikkelingsniveau van

[verdachte], de omgang met criminele vrienden, het voorbeeldgedrag van vader en de inmiddels verworven status, kunnen risicoverhogend werken ten aanzien van delictgedrag. Ontkennen om een straf te ontlopen is eveneens een signaal voor een verhoogd recidivegevaar."

11.9

Ondanks de jeugdige leeftijd van de verdachte is het hof, gelet op het bovenstaande en gelet op de conclusie van het rapport van de Raad van de Kinderbescherming, te weten dat verdachtes ontkennende houding risicoverhogend werkt ten aanzien van

delictgedrag, van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

12. Vorderingen tot schadevergoeding

12.1

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een bedrag van f 168,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit

in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

12.2

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 en 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f 3.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van ¦ 2.500,-.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 3 en 4 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

12.3

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f 2.500,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat

deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde.

12.4

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f 2.500,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

12.5

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f 2.500,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

12.6

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f 2.500,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij

voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

12.7

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van

geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f 2.621,25.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van f 2.500,-.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

12.8

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 55, 56, 57, 77b, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is

tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde

strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 168,- (honderdachtenzestig gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 2.500,- (vijfentwintighonderd gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 2.500,- (vijfentwintighonderd gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 2.500,- (vijfentwintighonderd gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 2.500,- (vijfentwintighonderd gulden) en

veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 2.500,- (vijfentwintighonderd gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van f 2.500,- (vijfentwintighonderd gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde

partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen heeft gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Dit arrest is gewezen door mrs. Von Brucken Fock, Stoker-Klein en Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. Van Slochteren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2000.

Mr. Stoker-Klein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.