Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AB0252

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
318-H-00
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 11 oktober 2000

Rekestnummer : 318-H-00

Rekestnr. rechtbank : A. 99.5307

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam vader],

wonende op een bij het hof niet bekend adres in Spanje,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. M.H.J. Toxopeus,

tegen

[naam moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.S. Clarenbeek.

PROCESVERLOOP

De vader is op 10 mei 2000 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van 28 maart 2000 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, waarbij het verzoek van de vader tot nihilstelling van de tussen de partijen bij convenant overeengekomen kinderalimentatie is afgewezen.

De moeder heeft op 31 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen gedateerd 10 juli 2000 en 4 en 23 augustus 2000.

Op 1 september 2000 is de zaak mondeling behandeld. De vader is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen.

VASTSTAANDE FEITEN

Het hof rondt bedragen in beginsel af op hele guldens.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De partijen zijn op 31 augustus 1988 gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige:

[naam kind 1], geboren op 2 juli 1988, en

[naam kind 2], geboren op 10 maart 1994.

Bij beschikking van 1 april 1998 heeft de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de par-tijen de echtscheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 28 april 1998. Tussen de partijen geldt een op 9 februari 1998 ondertekend echtscheidingsconvenant. Volgens dat convenant dient de vader, met ingang van 1 januari 1998, aan de moeder - bij wie beide kinderen wonen - ƒ 230,- per maand per kind te betalen. Tussen de vader en de minderjarigen is geen omgang.

Ten aanzien van de vader.

De vader is geboren op 26 oktober 1963. Hij was tot 9 april 1999 op basis van een fulltime dienstverband werkzaam als timmerman, volgens de salarisspecificatie van februari 1998 tegen een bruto maandloon van, omgerekend, ƒ 4.061,- exclusief vakantietoeslag. Hij heeft zijn betrekking in Nederland vrijwillig opgezegd en is naar Spanje geëmigreerd. Hij werkt in Spanje in de sportschool van een zuster van zijn huidige partner, en ontvangt daarvoor salaris.

Sinds zijn twaalfde jaar heeft de vader last van jichtaanvallen.

Ten aanzien van de moeder .

De moeder heeft een inkomen uit parttime dienstverband en ontvangt daarnaast een aanvullende bijstandsuitkering.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de draagkracht van de vader vanaf 9 april 1999.

2. De vader verzoekt de kinderalimentatie met ingang van 9 april 1999, of met ingang van 23 augustus 1999, of met ingang van een datum die het hof juist acht, op nihil te stellen, althans op een zodanig lager bedrag dan ƒ 243,69 per maand per kind als het hof juist acht, kosten rechtens. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen, voor zover daarvan hierna niet wordt afge-weken.

4. De vader beroept zich op gewijzigde omstandigheden en voert aan dat na het opzeggen door hem van zijn baan als timmerman, gevolgd door zijn verhuizing naar Spanje, zijn inkomen zodanig is gedaald, dat daardoor de opgelegde kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Naar het oordeel van het hof heeft de vader onvoldoende informatie betreffende zijn huidige financiële situatie gegeven om te kunnen aannemen dat die financiële situatie sinds 9 april 1999 dusdanig is gewijzigd dat de vader niet langer meer in staat is de opgelegde kinderalimentatie te betalen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De vader stelt dat hij thans een inkomen geniet van ESP 4.447,- (dat is omgerekend tegen een koers van 0,0132 ca. HFL 59,- netto) per maand. Dat inkomen zou volgens de vader overeenkomen met HFL 2.000,- netto per maand. Uit de Spaanse salarisspecificatie van mei en juni 2000 blijkt echter dat de vader een netto maandsalaris van ESP 46.461,- of EUR 279,- (HFL 613,-) ontvangt. Een verklaring voor de verschillen tussen de hiervoor genoemde salarisbedragen geeft de vader niet. Van het gestelde netto inkomen van HFL 2.000,- en ESP 4.447,- per maand ontbreekt bewijs. Een totaal netto maandinkomen van ESP 46.461,- acht het hof niet waarschijnlijk, omdat aannemelijk is dat een alleenstaande van een dergelijk inkomen ook in Spanje niet zal kunnen rondkomen. Bewijsstukken van de door vader gestelde woonlast ontbreken. Dat de jichtaanvallen van de vader zozeer zijn toegenomen dat hij daardoor thans niet meer fulltime werkzaam kan zijn (of dat hij voor een inkomensachteruitgang wegens ziekte niet gecompenseerd kan worden) heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.

5. De stellingen van de vader ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, passeert het hof als niet ter zake doende. Het bewijsaanbod van de vader passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd en onnodig, omdat het hof de vader ruim voldoende gelegenheid heeft gegeven relevante stukken over te leggen waarmee hij zijn stellingen had kunnen bewijzen en hij verzuimd heeft zulks te doen.

6. Uit het voorgaande volgt dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden dat daardoor de opgelegde kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, zodat de vader in eerste aanleg niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigd.

7. Het hof overweegt voorts dat, ook wanneer de vader zijn gestelde lagere inkomen wel aannemelijk zou hebben gemaakt of zou hebben bewezen, die inkomensteruggang aan de vader zelf te wijten zou zijn geweest en om die reden, in beginsel, niet ten laste van zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen zou kunnen worden gebracht.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in eerste aanleg;

compenseert de proceskosten tussen de partijen zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Van den Wildenberg en

Van Knobelsdorff, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 11 oktober 2000.