Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AB0139

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C99/01313
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2002, 54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 25 oktober 2000

Rolnummer : C99/01313

Rol.nr rb. : 99/445

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[dochter 1],

[dochter 2],

[dochter 3],

allen [woonplaats dochters],

appellanten,

hierna te noemen: de dochters,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[naam vader],

wonende [woonplaats vader],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. N.A. de Leeuw.

HET GEDING

Bij exploot van 30 november 1999 zijn de dochters in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 september 1999, door de recht-bank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld.

Bij memorie van grieven (met producties) hebben de dochters een grief aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vader de grief bestreden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De dochters zijn de oudste drie kinderen, onderscheidenlijk in 1977, 1978 en 1980 geboren uit het huwelijk van de vader en [naam moeder]. Dit huwelijk is in 1994 door echtscheiding ontbonden.

2. De dochters vorderen in dit geding veroordeling van de vader tot betaling van f 10.000,- aan ieder van hen, te vermeerderen met wettelijke rente, ter vergoeding van de door hen geleden immateriële schade alsmede tot vergoeding van de door hen geleden materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de vader in de proceskosten in beide instanties. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. De dochters hebben één grief voorgesteld die - kort en zakelijk weergegeven - inhoudt dat hun vordering moet worden toegewezen, omdat zij door de vader in hun kinderjaren ernstig zijn verwaarloosd en geestelijk zijn mishandeld. Zij stellen dat de vader, die het gezag over hen uitoefende, zijn verplichting tot verzorging en opvoeding heeft geschonden doordat hij hen geestelijk heeft mishandeld met het oogmerk om hen emotionele schade toe te brengen, dan wel dat hij doelbewust een situatie in het leven heeft geroepen en laten voortbestaan waarin hij de kans op geestelijke beschadiging van de dochters voor lief heeft genomen. De dochters noemen een reeks van gedragingen waaruit zij concluderen dat de vader jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld:

- het onthouden van spontane aandacht aan de kinderen; uit zichzelf richtte geïntimeerde zich niet tot de dochters;

- het weigeren om de kinderen bij hun naam te noemen; geïntimeerde volstond met termen als "hé, jij";

- het negeren van vragen van de kinderen; geïntimeerde antwoordde eenvoudig niet op vragen of hield het bij een krachtterm als "godverdomme";

- het willekeurig aanwijzen van een schuldige bij onderlinge ruzies, zonder uit te zoeken wat er tussen de kinderen speelde;

- het plotseling slaan van hun moeder in het bijzijn van de kinderen, zonder hen enige verklaring te verstrekken;

- het dreigen met geweld als de kinderen hun mond niet hielden;

- het doelbewust vies en ongewassen rondlopen tijdens omgang met de kinderen;

-het beëindigen van elke omgang in latere jaren. "

4. De vader ontkent de door de dochters gestelde gedragingen.

5. De dochters zijn, zo blijkt uit de door hen overgelegde brieven, zeer ontevreden over hun opvoeding. Zij verwijten de vader - kort en zakelijk weergegeven - dat hij hen (affectief) verwaarloosd heeft, dat hij te weinig opvoedkundige kwaliteiten getoond heeft en dat hij hun moeder wel eens sloeg.

6. De vader had jegens de dochters een verplichting tot verzorging en opvoeding. Schending van deze plicht kan in zeer ernstige gevallen een verplichting tot schadevergoeding opleveren. Met de dochters is het hof van oordeel dat de vraag of de gestelde gedragingen onrechtmatig zijn, beantwoord moet worden in het licht van de opvoedingsrelatie waarin de partijen tot elkaar stonden. In het licht van deze relatie en van de opvoedings- (en familie)situatie zoals door de dochters geschilderd in de door haar overgelegde brieven, acht het hof de beschreven gedragingen van de vader niet onrechtmatig, zelfs niet indien de stellingen van de dochters als genoemd in rechtsoverweging 3 juist zouden zijn. Het bewijsaanbod van de dochters wordt derhalve gepasseerd. Uit de stellingen van de vader en uit de overgelegde brieven maakt het hof op dat de vader tijdens het huwelijk actief deelnam aan de opvoeding van de kinderen. Hij las voor, nam ze mee uit wandelen, ging met de kinderen naar de kinderboerderij, deed spelletjes met ze, ging dagjes met ze uit, bijvoorbeeld naar het pretpark, nam ze mee naar zijn ouders, hing slingers op bij verjaardagen, stuurde kaarten voor verjaardagen en ging met hen schaatsen. Hij heeft na het uiteengaan van de ouders en de scheiding bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochters. Daarmee staat ook vast dat de vader heeft voldaan aan zijn verplichting tot verzorging en opvoeding, al was dat op een voor de dochters (deels) niet welgevallige wijze. De gestelde feiten kunnen dus de vorderingen van de dochters niet dragen.

7. Overigens is, gesteld al dat enkele gedragingen van de vader als onrechtmatig zouden zijn aan te merken, niet aannemelijk dat de dochters zozeer onder diens optreden hebben geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden opgevat als een aantasting van hun persoon die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade, waarbij komt dat de overgelegde brieven de indruk wekken dat de wijze waarop de moeder de dochters heeft opgevangen wanneer dezen over de vader klaagden, aan eventueel geestelijk letsel aanmerkelijk heeft bijgedragen.

8. De vordering tot vergoeding van materiële schade steunt op de stellingen dat het gedrag van de vader heeft bijgedragen tot een negatief zelfbeeld van de dochters hetgeen hen in hun emotionele en maatschappelijke ontwikkeling heeft gestoord. Aldus is de materiéle schade onvoldoende omschreven om een verwijzing naar een schadestaatprocedure te kunnen dragen.

9. Het bestreden vonnis dient daarom bekrachtigd te worden.

10. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal het hof de kosten in beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten dient te dragen.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen de partijen op 1 september 1999 gewezen;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen;

Dit arrest is gewezen door mrs. Hehemann, Koning en Van den Wildenberg, bijge-staan door mr. Dorhout als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2000.