Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AB0126

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
256-H-00
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 23 augustus 2000

Rek.nummer: 256-H-00

Rek.nr rb.: 99.1385

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam man],

wonende te Curaçao,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Visser.

tegen

[naam vrouw],

wonende te Curaçao,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J. Dongelmans,

HET GEDING

De man en de vrouw zijn op 8 april 1971 met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 15 februari 2000 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitge-sproken, waarbij onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie, met ingang van de dag dat de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is bepaald op NAF 5.500,- per maand.

De man is van die beschikking op 14 april 2000 in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht deze te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het alimentatieverzoek van de vrouw niet ontvankelijk te verklaren (het hof leest: de vrouw in haar alimentatieverzoek niet ontvankelijk te verklaren) dan wel het verzoek af te wijzen en indien het hof meent dat een onderhoudsbijdrage geïndiceerd is, deze te limiteren tot zes jaar na de echtscheiding en op een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als het hof vermeent te behoren. Voorts verzoekt de man de verrekening van de onbestede inkomsten te bevelen ten overstaan van een notaris, met benoeming van een notaris en onzijdige personen.

De vrouw heeft tijdig een verweerschrift inge-diend waarin zij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Bij het hof zijn van de zijde van de man brieven met bijlagen ingekomen van 5 en 30 juni 2000.

Op 21 juli 2000 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof rondt bedragen af op hele guldens c.q. NAF.

VERREKENING/VERDELING VAN ONBESTEDE INKOMSTEN

1. De man stelt dat de rechtbank heeft verzuimd zijn verzoek, inhoudende verrekening/verdeling van onbestede inkomsten ten overstaan van een notaris, op te nemen in het dictum van de bestreden beschikking, hoewel dat verzoek blijkens de overwegingen voor toewijzing vatbaar was.

2. De vrouw heeft het bovenstaande niet betwist maar houdt vast aan het door haar in eerste aanleg gevoerde verweer, inhoudende dat zij verrekening ten overstaan van (eerst de rechtbank, thans) het hof wenst.

3. Nu onweersproken vast staat dat de bestreden beschikking een omissie bevat ziet het hof, ondanks hetgeen de vrouw in hoger beroep naar voren heeft gebracht, voldoende reden om de omissie van de rechtbank te herstellen. Het hof gaat derhalve voorbij aan het verweer van de vrouw en sluit zich in zoverre aan bij de overwegingen van de rechtbank.

BEHOEFTE

4. De man betwist de behoefte van de vrouw aan alimentatie. Hij meent dat van haar gevergd kan en mag worden dat zij middels inkomen uit arbeid in eigen levensonderhoud voorziet, te meer daar zij de kinderen niet meer ter verzorging heeft, een recent arbeidsverleden heeft en zij gezond is. Bovendien zijn haar inkomsten uit vermogen volgens de man dermate, dat zij toereikend zijn om in haar vermeende behoefte te voorzien.

5. De vrouw heeft het bovenstaande betwist. Zij stelt haar behoefte - voornamelijk gerelateerd aan de welstand van de partijen ten tijde van het huwelijk - op in totaal NAF 5.500,- per maand, blijkens een door haar overgelegd behoefte-overzicht bestaande uit een maandelijks bedrag van iets meer dan NAF 4.800,-, vermeerderd met een aantal PM-posten.

6. Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw acht het hof het aannemelijk dat zij op de tegoeden bij Roparco en de Postbank maandelijks minimaal NAF 750,- aan rente-inkomsten kan verwerven, naast een bedrag van NAF 1.500,- per maand uit verhuur van het tot de woning aan de Vista Royal behorende appartement. Het hof gaat er daarbij van uit dat - gelet op de inhoud van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting - het appartement thans is afgebouwd dan wel afgebouwd had kunnen zijn. Met betrekking tot het onderhoud huis houdt het hof in redelijkheid rekening met NAF 175,- per maand. Het terzake

door de vrouw hoger opgevoerde bedrag is door haar niet aannemelijk gemaakt. Om dezelfde reden houdt het hof rekening met NAF 500,- per maand terzake opgevoerde P.M.-posten. Voor het overige sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Gelet op het bovenstaande gaat het hof uit van een behoefte van de vrouw, naast de bovengenoemde inkomsten, van NAF 2.225,- per maand.

DRAAGKRACHT

7. Blijkens een door de man overgelegde draagkrachtberekening, gedateerd 29 juni 2000, had hij in 1999 een jaarinkomen uit vermogen van ƒ 113.823,-.

8. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van het bovengenoemde inkomen, vermeerderd met ƒ 100.000,-, zijnde de (blijkens de overgelegde jaarstukken) gemiddelde jaarlijkse winst van [naam bedrijf] na aftrek van de verschuldigde vennootschapsbelasting. Zoals reeds ter zitting is medegedeeld is die winst draagkrachtverhogend. Dat de man, zoals door hem gesteld, dat bedrag nodig heeft voor reserves en onderhoud dan wel dat bedrag als dividend beschikbaar dient te stellen aan de moedermaatschappij [naam bedrijf], doet aan het bovenstaande niet af, te minder nu ter zitting is erkend dat de man zich dat inkomen kan verwerven. Voorts merkt het hof de man als alleenstaande aan.

9. In hoger beroep voert de man de volgende maandelijkse lasten op: hypotheekrente ƒ 3.413,-, aflossing/premie levensverzekering ƒ 500,-, premie ziektekosten ƒ 201,-, eigen risico ƒ 83,-, rente en aflossing schulden ƒ 3.275,-, bootverzekering ƒ 663,-, liggeld boot ƒ 1.863,- en onderhoud boot ƒ 1.292,-.

10. Het hof houdt geen rekening met het door de man opgevoerde eigen risico. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door hem opgevoerde eigen risico wordt aangesproken, te minder nu hij desgevraagd ter zitting heeft medegedeeld dat hij de afgelopen twee jaar niet ziek is geweest. Evenmin houdt het hof rekening met het liggeld van de boot van de man. De man is voornemens zijn boot te verkopen en heeft, teneinde een volgens hem zo hoog mogelijke opbrengst te krijgen, zijn boot in Spanje te koop liggen. Vast is komen te staan dat de man niet middels een contract is gebonden aan de huidige ligplaats van de boot. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het de man uiteraard vrij staat de huidige ligplaats van zijn boot te handhaven, doch dat de financiële gevolgen van die keuze niet mogen worden afgewenteld op de vrouw. De kosten van onderhoud van de boot zijn door de man op geen enkele wijze onderbouwd, zodat het hof met die post evenmin rekening houdt.

11. Met de overige door de man opgevoerde lasten houdt het hof wel rekening nu deze, al dan niet betwist, aannemelijk zijn.

12. Het verzoek van de man om de alimentatie ten behoeve van de vrouw vast te stellen in Nederlandse guldens zal het hof afwijzen, nu de draagkracht van de man het toelaat dat hij, in tegenstelling tot de vrouw, de koersschommelingen kan opvangen. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een bijdrage ten behoeve van de vrouw toe-laat van NAF 2.225,- per maand. Het hof merkt daarbij op dat rekening is gehouden met de fiscale voordelen die de man geniet.

13. Het hof zal het verzoek van de man, tot limitering van de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie na verloop van zes jaar, op dezelfde gronden als de rechtbank afwijzen.

Het hof merkt op dat hetgeen de partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht geen verdere bespreking behoeft, omdat bespreking ervan niet tot een ander oordeel kan leiden.

14. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet worden ver-nie-tigd en dat, in aanvulling op de bestreden beschikking, het verzoek van de man tot verdeling van de onbestede inkomsten ten overstaan van een notaris moet worden toegewezen.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt, in aanvulling op de bestreden beschikking, dat de man en de vrouw dienen over te gaan tot de verrekening/verdeling van onbestede inkomsten ten overstaan van een notaris;

benoemt, indien de man en de vrouw zich niet over de keuze van een notaris kunnen verstaan, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verrekening/verdeling zullen geschieden:

mr. A.J. van der Linden, notaris ter standplaats ’s-Gravenhage, of diens waarnemer of opvolger;

bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien einde moeten verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de verrekening/verdeling mee te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen, te beheren:

mr. M.Y. van der Bijl, te ’s-Gravenhage;

benoemt tot onzijdig persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de verrekening/verdeling mee te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen, te beheren:

mr. C.N.M. Otto, te ’s-Gravenhage;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zover-re opnieuw be-schik-ken-de:

kent aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtschei-dingsbeschikking is inge-schreven in de registers van de bur-ger-lij-ke stand, een alimentatie toe van NAF 2.225,- per maand, wat de na heden te ver-schij-nen ter-mijnen betreft bij vooruitbeta-ling te vol-doen;

verklaart deze beschikking uit-voer-baar bij voor-raad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Pieters en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter open-ba-re te-rechtzit-ting van 23 augustus 2000.