Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AA9948

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
690-H-00
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 29 november 2000

Rekestnummer : 690-H-00

Rekestnr. rechtbank : 99-5321

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam vader],

wonende te [woonplaats vader],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. M.A. Sobral,

tegen

[naam moeder],

woon- of verblijfplaats onbekend,

hierna te noemen: de moeder.

PROCESVERLOOP

De vader is op 1 september 2000 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 12 juli 2000.

Van de zijde van de vader is bij het hof een faxbericht, met bijlage ingekomen, gedateerd 2 oktober 2000.

Op 29 november 2000 is de zaak mondeling behandeld.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. Wel is verschenen zijn advocaat mr. M. A. Sobral. De raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De moeder is, hoewel door het hof meermalen en op verschillende adressen opgeroepen, niet in persoon versche-nen.

De advocaat van de vader heeft ter terechtzitting het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling ingetrokken, zodat dit geen verdere behandeling behoeft.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De partijen zijn op 6 januari 1998 gehuwd. Uit dit huwelijk is op 24 februari 1998 [naam kind] (hierna te noemen: [het kind]) geboren.

De vader heeft op 18 augustus 1999 de rechtbank te 's-Gravenhage onder meer verzocht tussen de partijen de echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, uit te spreken. Voorts heeft hij verzocht primair te bepalen dat hij het ouderlijke gezag over [het kind] na de echtscheiding alleen zal uitoefenen en subsidiair een omgangsregeling tussen hem en [het kind] vast te stellen als in zijn verzoekschrift omschreven.

Bij beschikking van 18 november 1999 heeft de rechtbank bepaald dat [het kind] voorlopig aan de vader zal worden toevertrouwd.

Bij beschikking van 22 december 1999 heeft de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de par-tijen onder meer de echtscheiding uitgespro-ken en is de behandeling ten aanzien van de gezags-voorziening, de omgangsregeling en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden.

Bij opvolgende beschikking van 12 juli 2000 heeft de rechtbank het verzoek van de vader met betrekking tot de gezagsvoorziening en de omgangsregeling afgewezen en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bevolen.

[het kind] verblijft thans bij de vader en diens moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Nu de vader het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling heeft ingetrokken, is het beroep tot het gezag beperkt.

2. De vader verzoekt de beschikking van de rechtbank van 12 juli 2000 te vernietigen, voor zover daarbij het gezamenlijke gezag van de ouders in stand is gelaten, en te bepalen dat hij het ouderlijke gezag over [het kind] alleen zal uitoefenen. Hiertoe voert hij twee grieven aan.

3. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich in zijn onderzoeken niet heeft uitgelaten over de gezags-voorziening. De raad heeft in zijn op 7 februari 2000 aan de rechtbank uitgebrachte rapport, waarvan niet vaststaat dat de rechtbank die heeft gezien, geadviseerd de vader te belasten met het ouderlijke gezag over [het kind]. Tijdens het raadsonderzoek is gebleken dat de moeder onverantwoord gedrag heeft getoond door [het kind] wisselend aan de zorg van diverse familieleden en volwassenen over te laten. Zo heeft de moeder tijdens een reis naar Curaçao [het kind] achtergelaten bij haar zeventienjarige zuster zonder toezicht van een volwassene. De moeder is toen op Curaçao aangehouden en veroordeeld wegens drugssmokkel. Zij heeft in het verleden elke hulp van de hand gewezen; gedurende het onderzoek heeft zij elk contact met de raad afgehouden. De raad ziet geen reden tot zorg over de verzorging en opvoeding van [het kind], indien hij bij de vader en diens moeder blijft. Deze kan de vader daarbij, waar mogelijk, ondersteunen. In haar huis vindt [het kind] duidelijkheid, houvast en veiligheid. [het kind] reist niet langer heen en weer tussen diverse verblijfadressen.

4. Het hof ziet, met name op grond van hetgeen uit het rapport van de raad van 7 februari 2000 naar voren is gekomen, geen aanleiding om van het advies van de raad af te wijken. Voortzetting van het gezamenlijke gezag na echtscheiding acht het hof niet in het belang van [het kind]. De relatie tussen de partijen is te zeer verstoord om een goede communicatie over [het kind] mogelijk te maken. Ter zitting is bovendien naar voren gekomen dat de moeder zich na haar detentie niet om [het kind] heeft bekommerd, al weet zij waar hij is. De moeder heeft haar verblijfplaats voor ieder in [het kind]'s omgeving verborgen. Nu is gebleken dat de moeder niet op verantwoorde wijze met de belangen van [het kind] is omgegaan en [het kind] bij de vader de houvast en veiligheid krijgt die hij nodig heeft, zal het hof de vader met het eenhoofdige gezag over [het kind] belasten, en wel om redenen van rechtszekerheid niet eerder dan met ingang van heden.

5. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, voor zover die de gezagsvoorziening betreft.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt met ingang van 29 november 2000 de beschikking van de rechtbank van 12 juli 2000, voor zover die het gezag over [het kind] betreft, en in zover-re opnieuw beschik-kende:

bepaalt dat met ingang van 29 november 2000 het gezag over [het kind] al-leen aan de vader toe-komt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voor-raad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Koning, De Bruijn-Lückers en De Gooijer, bijge-staan door mr. Philippa als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 29 november 2000.