Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AA9933

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00-R-443
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2001, 22

Uitspraak

Uitspraak : 13 december 2000

Rek.nummer : 00-R-443

Rek.nr rb. : FA 1808/00

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[naam moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.G. Cantarella,

tegen

[naam vader],

wonende te [woonplaats vader] (België),

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 20 juni 2000 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 9 juni 2000.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij op 2 oktober 2000 gedateerde brief van de zijde van de moeder zijn op 3 oktober 2000 aanvullende stukken ingekomen.

Op 4 oktober 2000 is de zaak mondeling behandeld. De vader heeft aldaar mondeling verweer gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN

Tussen de partijen staat, voor zover hier van belang, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

De partijen zijn op 30 mei 1991 met elkaar gehuwd. Door dit huwelijk is gewettigd [naam kind1], geboren op 11 oktber 1989 en uit het huwelijk is geboren [naam kind 2], op 23 september 1993.

Sedert 2 augustus 1999 leven de partijen feitelijk van elkaar gescheiden.

Bij echtscheidingsconvenant, getekend op 18 augustus 1999, hebben de partijen afspraken gemaakt met betrekking tot onder meer de verdeling van een aantal huwelijkse schulden. Daarbij zijn zij overeengekomen dat de vader kinderalimentatie ad ƒ 300,- per kind per maand aan de moeder zal betalen.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 12 oktober 1999 is onder meer bepaald dat de vader met ingang van die datum aan de moeder kinderalimentatie ten bedrage van ƒ 300,- per kind per maand zal betalen, waarbij de wettelijke indexering over het jaar 2000 is uitgesloten.

Bij beschikking van 17 januari 2000 is tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken, welke is ingeschreven op 7 februari 2000. Bij de echtscheidingsbeschikking is voorts onder meer bepaald dat de vader met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kinderalimentatie zal betalen ten bedrage van ƒ 300,- per kind per maand.

Op 20 april 2000 heeft de vader de rechtbank te Rotterdam verzocht de kinderalimentatie met ingang van 7 januari 2000 op nihil te stellen danwel te verlagen, op grond van gewijzigde omstandigheden danwel het van de aanvang af niet hebben voldaan aan de wettelijke maatstaven, doordat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Bij de bestreden beschikking is de kinderalimentatie met ingang van 7 januari 2000 op nihil bepaald, waartoe het echtscheidingsconvenant, de beschikking voorlopige voorzieningen en de echtscheidingsbeschikking zijn gewijzigd.

Ten aanzien van de vader.

De vader is alleenstaand. Hij is op 28 februari 2000 in dienst getreden bij [naam werkgever vader]. Zijn salaris bedraagt ƒ 4.250,- bruto per vier weken. In de periode van 7 januari 2000 - per welke datum zijn arbeidsovereenkomst met zijn vorige werkgever is beëindigd - tot 28 februari 2000 is hij werkloos geweest. Eenmaal per 14 dagen heeft hij de kinderen het weekeinde bij zich, waarbij hij de kinderen haalt en brengt bij de moeder.

Ten aanzien van de moeder.

De moeder vormt met de twee kinderen der partijen een eenoudergezin. Zij ontvangt een WAO-uitkering van ƒ 1.856,60 netto per maand.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek, danwel dat verzoek alsnog af te wijzen, danwel een zodanige beslissing te geven als het hof in goede justitie redelijk acht.

2. De vader heeft ter zitting verweer gevoerd, stellende dat hij niet betwist dat de kinderen behoefte hebben aan een bijdrage van hem, maar dat zijn draagkracht thans het betalen van enige bijdrage niet toelaat. Hij heeft gesteld dat zijn huidige inkomen lager is dan het inkomen, waarvan is uitgegaan bij de overeenkomst tussen de partijen inzake de kinderalimentatie, welke door de rechtbank is overgenomen. Voorts voert hij aan dat de schuldenlast uit het huwelijk groter is dan waarvan de partijen gedurende de echtscheidingsprocedure en in hun echtscheidingsconvenant zijn uitgegaan.

3. Het hof overweegt het volgende. Nu op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat de financiële positie van de vader een wijziging in negatieve zin heeft ondergaan, doordat hij bijna twee maanden in dit jaar aangewezen is geweest op een bijstandsuitkering en voorts dat een aantal schulden bij het uiteengaan der partijen niet danwel niet voldoende zijn onderkend bij het bepalen van de draagkracht van de vader, is de vader in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie ontvankelijk, zodat zijn draagkracht dient te worden heroverwogen.

4. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre de door de vader opgevoerde schulden en lasten, die door de moeder deels zijn betwist, zijn draagkracht redelijkerwijze beperken. De vader heeft een zestal schulden opgevoerd. Het hof acht, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat de partijen reeds tijdens het huwelijk een aanzienlijke schuldenlast hebben opgebouwd. In elk geval zijn de schulden aan Skala, Otto, Visa en twee ABN-winstkredieten als door beide partijen aangegaan te achten, zodat het hof het redelijk acht dat met deze schulden, die nu eenmaal moeten worden afbetaald, rekening wordt gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de vader. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de vader alles in het werk heeft gesteld om, naast de door hem in elk geval tot en met mei 2000 betaalde kinderalimentatie, zoveel mogelijk op de schulden af te lossen. De schuld aan Debitel, die eveneens tijdens het huwelijk was gemaakt, heeft hij inmiddels afgelost.

5. Het vorenstaande betekent dat het hof rekening houdt met een schuldaflossing van ongeveer ƒ 1.100,- per maand, te weten:

ƒ 580,- op het Spaarwinstkrediet ABN ter grootte van ƒ 55.000,-;

ƒ 180,- per maand op het krediet bij Visa van ƒ 12.500,-;

ƒ 85,- per maand op de schuld bij Otto die thans ongeveer ƒ 2.300,- bedraagt ; en

ƒ 200,- (tot mei 2001) op een schuld bij Skala inzake herinrichtingskosten.

ƒ 50,- overige herinrichtingskosten, omdat de vader heeft gesteld hiertoe een lening bij zijn ouders te hebben gedaan, die onvoldoende is weersproken en die het hof niet onredelijk voorkomt.

Als voorts rekening wordt gehouden met zijn huurlasten van ongeveer ƒ 950,- per maand, alsmede met omgangskosten van minimaal ƒ 95,- per maand, laat de draagkracht van de vader, uitgaande van zijn inkomen zoals in het bovenstaande vermeld, het betalen van kinderalimentatie niet toe. Daarbij kan in het midden blijven of, danwel tot welke hoogte, redelijkerwijze rekening moet worden gehouden met de door de vader opgevoerde schuld op de lopende rekening bij ABN met rekeningnummer 43.57.30.924, waarvan de moeder de relevantie in het kader van de bepaling van zijn draagkracht heeft betwist.

6. Ter zitting heeft de vader toegezegd geen terugbetaling te zullen vragen van de moeder van de teveel door hem betaalde kinderalimentatie, die reeds is opgegaan aan kosten van levensonderhoud van de kinderen.

7. Voorts dient de vraag te worden beantwoord, met ingang van welke datum de verplichting tot het voldoen van kinderalimentatie op nihil dient te worden gesteld. De rechtbank heeft de ingangsdatum op 7 januari 2000 bepaald, met wijziging in zoverre van de beschikking voorlopige voorzieningen. Als hoofdregel geldt dat van een dergelijke beschikking op grond van art. 824 lid 1 Rv. geen hoger beroep openstaat. Dit is slechts anders indien de rechtbank bij het geven van die beschikking buiten de omvang van het geschil is gegaan, hetgeen naar het oordeel van het hof in casu niet het geval is. De rechtbank heeft het inleidend verzoek van de vader aldus kunnen en mogen opvatten dat daarin het verzoek tot wijziging van de bij voorlopige voorzieningen bepaalde kinderalimentatie is gedaan met betrekking tot de periode 7 januari 2000 tot 7 februari 2000.

8. Het vorenstaande betekent dat de moeder niet-ontvankelijk is voorzover haar appèl is gericht tegen de wijziging van de bij voorlopige voorzieningen bepaalde kinderalimentatie in de periode van 7 januari 2000 tot 7 februari 2000 en dat de bestreden beschikking, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit betreft de nihilstelling van de bij voorlopige voorzieningen bepaalde kinderalimentatie in de periode van 7 januari 2000 tot 7 februari 2000;

bepaalt dat de moeder de reeds ontvangen kinderalimentatie niet behoeft terug te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen, voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Schuering en De Bruijn-Lückers, bijgestaan door mr. Verkuil als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2000.