Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AA8948

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2200144699 en 2200151299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 190

Uitspraak

kenmerk 363BIJZ00

rolnummers 2200144699 en 2200151299

datum uitspraak 12 december 2000

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

raadkamer

BESCHIKKING

gegeven op het verzoekschrift ex artikel 591 en artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, te dezer zake woonplaats kiezende te 1017 CA Amsterdam, Herengracht 464, ten kantore van de advocaat mr. A. Moszkowicz.

1. Procesgang

Verzoeker is in de zaak met parketnummer 0975408797 - kort samengevat - verweten samen met anderen te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met het in Nederland invoeren van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit (feit 1). Het zou gaan om invoer van 245 kg cocaïne omstreeks 3 december 1989, invoer van 187 kg cocaïne omstreeks 3 juni 1990, invoer van 286 kg cocaïne omstreeks 19 mei 1991, invoer van 357 kg cocaïne omstreeks 17 mei 1991, een poging tot invoer van 274 kg cocaïne omstreeks 1 maart 1991 te België en tenslotte invoer van cocaïne of het voorbereiden daarvan in Nederland vanuit Zuid-Amerika van hoeveelheden cocaïne in de periode van 1 januari 1989 tot augustus 1992. Deze cocaïnetransporten zijn ook bij verzoeker telkens afzonderlijk tenlastegelegd (feiten 2 tot en met 6). Daarnaast is verzoeker in de zaak met parketnummer 0975403399 verweten op 9 september 1997 samen met anderen 474 kg cocaïne in Nederland te hebben ingevoerd.

De rechtbank heeft bovengenoemde zaken gelijktijdig doch afzonderlijk behandeld en heeft ook in beide zaken afzonderlijk vonnis gewezen.

Het hof heeft, na het openbaar ministerie en de verdediging dienaangaande te hebben gehoord, ter terechtzitting van het hof van 15 december 1999 bevolen dat alsnog voeging zou plaatsvinden van de zaken met parketnummers 0975408797 en 0975403399.

Genoemde zaken zijn vervolgens door het hof ook gevoegd behandeld.

Verzoeker is bij arrest van dit hof d.d. 30 juni 2000 vrijgesproken van de hem in de zaak met parketnummer 0975408797 tenlastegelegde feiten. Verzoeker is bij hetzelfde arrest ter zake van het in de zaak met parketnummer 0975403399 tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van ELF JAREN.

Verzoeker heeft blijkens de daarvan door de griffier van dit hof opgemaakte akte op 11 juli 2000 tegen dit arrest, voor zover dat betrekking had op de zaak met parketnummer 0975403399, beroep in cassatie ingesteld. Dit cassatieberoep is thans in behandeling bij de Hoge Raad.

Verzoeker heeft vervolgens bij een op 28 september 2000 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift "vergoeding van gemaakte kosten (artikel 591 en 591a Sv)",in totaal begroot op f.169.825,44 verzocht, stellende dat de zaak met parketnummer 0975408797 - gevoegd behandeld met de zaak met parketnummer 0975403399 - bij onherroepelijk arrest van dit hof van 30 juni 2000 is geëindigd zonder veroordeling van verzoeker terzake van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Dit verzoekschrift is door het hof behandeld op 10 november 2000, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal mr. Van Atteveld alsmede de raadsman van verzoeker mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig ingediend.

Artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering opent de mogelijkheid voor vergoeding van kosten aan een gewezen verdachte, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering geeft een voorziening voor de vergoeding van proceskosten die ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen. Het tweede lid van deze wetsbepaling stelt eveneens als voorwaarde dat de zaak moet zijn geëindigd.

Naar aanleiding van een beroep in cassatie "in het belang der wet" heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 november 1989, NJ 1990, 274, beslist dat de term "de zaak" in artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de betekenis heeft van "al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft". De grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is ten laste gelegd, zij het dat deze grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van het bepaalde in de artikelen 313-314a van het Wetboek van Strafvordering en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van het bepaalde in artikel 276 (thans artikel 285) van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering verklaart artikel 285 van dit wetboek op het rechtsgeding in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

Hieruit volgt dat, indien in een rechtsgeding in hoger beroep meerdere - gevoegde - feiten aan het oordeel van het hof onderworpen zijn, de zaak eerst is geëindigd, indien het hof met betrekking tot al die feiten einduitspraak heeft gedaan en deze einduitspraak onherroepelijk is.

Nu verzoeker terzake van het feit met parketnummer 0975403399 beroep in cassatie heeft ingesteld en op dit cassatieberoep nog niet is beslist, kan niet worden gezegd dat de zaak als omvattende al hetgeen waarop het rechtsgeding in hoger beroep betrekking had, is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Hieraan kan niet afdoen, dat in eerste aanleg in de zaken met parketnummers 0975408797 en 0975403399 afzonderlijke dagvaardingen zijn uitgebracht en dat de rechtbank het tijdens het rechtsgeding in eerste aanleg niet noodzakelijk heeft geacht om deze zaken te voegen. Irrelevant is ook of tussen de (opsporings)onderzoeken die aan de uitgebrachte dagvaardingen zijn voorafgegaan, al dan niet voldoende verband bestaat of heeft bestaan. Bepalend is 's hofs oordeel dat in het belang van het onderzoek het rechtsgeding in hoger beroep betrekking diende te hebben op alle aan verzoeker tenlastegelegde feiten.

Overigens is het hof van oordeel dat tussen het feit waarvoor straf is opgelegd (parketnummer 0975408797) en de feiten waarop het onderhavige verzoek is gebaseerd (parketnummer 0975403399) voldoende verband bestaat. Het gaat immers om soortgelijke feiten, te weten medeplegen van invoer van cocaïne, die door dezelfde persoon, te weten verzoeker, zij het op te onderscheiden tijdstippen, zouden zijn begaan.

Tot slot overweegt het hof nog het volgende. Het hof heeft tijdens het rechtsgeding in hoger beroep steeds gesproken over de zaak met parketnummer 0975408797 en de zaak met parketnummer 0975403399. Het begrip "zaak" is hier steeds gebezigd in de betekenis van een onder een bepaald parketnummer gerubriceerd feit of onder een bepaald parketnummer gerubriceerde groep van feiten. Is een feit of een groep van feiten voordat de dagvaarding is uitgebracht, om administratieve redenen door het openbaar ministerie met een bepaald parketnummer aangeduid, dan komt het het hof doelmatig voor om al datgene waarop het rechtsgeding in hoger beroep betrekking heeft als onder die parketnummers bekende zaken aan te duiden. In de wettelijke regeling met betrekking tot de voeging en splitsing worden de woorden "feiten" en "zaken" ook als synoniemen gebezigd (zie de artt. 276 (oud), 285 en 407, tweede lid, Sv). Het begrip "zaak" is dus door het hof gebezigd ter aanduiding van een bepaald feit

of een bepaalde groep van feiten en niet in de betekenis die daaraan in de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering wordt toegekend.

In de loop van een rechtsgeding kan dus ten gevolge van een beslissing van de rechter ter terechtzitting "de zaak", dat wil zeggen het onderwerp van het rechtsgeding, wijziging ondergaan. Bij de vraag of een (schade)vergoeding behoort plaats te vinden, dient aan de hand van de gegeven einduitspraak te worden vastgesteld waarop het rechtsgeding betrekking heeft gehad en dient voorts te worden onderzocht of die einduitspraak al onherroepelijk is.

Mitsdien moet worden beslist als volgt.

BESLISSING

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Von Brucken Fock, Oosterhof en Stoker-Klein, in tegenwoordigheid van de griffier Van Pelt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 12 december 2000.