Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6306

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE DOOR DE VOORZITTER VAN HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE OP 30 JUNI 2000 UITGESPROKEN SAMENVATTING VAN HET ARREST IN DE ZAAK B.

1. De beschuldiging

Aan de verdachte B. is verweten samen met anderen te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met het in Nederland in de periode van 1-1-89 tot augustus 1992 invoeren van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit (feit 1). Het zou dan gaan om invoer van 245 kg cocaïne omstreeks 3-12-89 (feit 2), invoer van 187 kg cocaïne omstreeks 3-6-90 (feit 3), invoer van 286 kg cocaïne omstreeks 19-5-91 (feit 4), invoer van 357 kg cocaïne omstreeks 17-5-91 (feit 5) en een poging tot invoer van 274 kg cocaïne omstreeks 1-3-91 te België (feit 6). Daarnaast is B. ervan beschuldigd op 9-9-97 samen met anderen ongeveer 474 kg cocaïne in Nederland te hebben ingevoerd (feit 7).

2. De afwezigheid van B. bij de behandeling van de zaak in hoger beroep

B. heeft zijn raadsman, mr. A. Moszkowicz, uitdrukkelijk gemachtigd om tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep in te stellen. Hij was er dus van op de hoogte dat een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep zou plaatsvinden. B. heeft vervolgens zijn raadsman tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Niettemin heeft zijn raadsman feitelijk, binnen de hem als niet-gemachtigde raadsman gestelde grenzen, wel de verdediging gevoerd, weliswaar niet uitdrukkelijk namens B. maar dan toch in ieder geval ten behoeve van B.. Het hof heeft bij het opleggen van beperkingen aan de niet-gemachtigde raadsman van B. bij het voeren van de verdediging steeds voor ogen gehouden of ten gevolge van die beperking nog wel sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM en of de afwezigheid van B. door de wijze waarop de verdediging door de niet-gemachtigde raadsman is gevoerd wel in voldoende mate is gecompenseerd.

B. heeft zich voorts openlijk via de media over de behandeling van het hoger beroep in Nederland uitgelaten. Zo heeft hij op gestelde vragen geantwoord: "Waarom zou ik eh ... Holland moet duidelijkheid van zaken geven. Zij hebben hun dossiers opgemaakt. Ik heb eh ... ik heb eh ... daar geen boodschap aan. Enne.. ik wacht alleen maar wat eh .... ik wacht maar af wat er gaat gebeuren." en "Denk je dat ik me stoor aan dat ehh... aan die kiekeboe daar. Ik heb daar geen zin in." en daarmee zijn desinteresse in de lopende behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep openlijk tentoongespreid.

Niet gebleken is bovendien dat B. in de richting van de Surinaamse autoriteiten initiatieven heeft ontwikkeld, waaruit de Surinaamse Regering heeft kunnen - en misschien in het kader van het vigerende Rechtshulpverdrag ook moeten - afleiden dat hij prijs stelt op en belang heeft bij voldoening door de Surinaamse autoriteiten aan het verzoek van de rechter-commissaris om hem in Suriname te doen horen.

Tenslotte is B., in weerwil van het feit dat het openbaar ministerie aan zijn verschijning ter terechtzitting van het hof gedurende de periode waarin zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst alleszins redelijke voorwaarden heeft gesteld, niet ter terechtzitting van het hof verschenen.

Onder deze bijzondere omstandigheden behoefde artikel 6 EVRM het hof er niet van te weerhouden om, niettegenstaande het ontbreken van een uitdrukkelijke afstandsverklaring van B. van zijn aanwezigheidsrecht, de behandeling van het hoger beroep buiten zijn aanwezigheid voort te zetten en tenslotte ook te beëindigen.

3. De positie van de niet-gemachtigde raadsman van B.

Nu de regeling inzake de gemachtigde raadsman, waardoor de procedure geacht wordt als op tegenspraak te zijn gevoerd, nog zo kort geleden, te weten op 1-2-98, in werking is getreden, en in aanmerking genomen dat die regeling ertoe strekt de nadelen van de verstekprocedure weg te nemen zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de eisen van een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, heeft het hof zich niet vrij geacht genoemde regeling geheel buiten toepassing te laten en vervolgens ook de niet-gemachtigde raadsman in staat te stellen een in alle opzichten volledige verdediging te voeren. Bij een recent totstandgekomen wettelijke regeling past een terughoudende opstelling van de rechter.

Dat de praktijk thans ook een derde situatie kent, waarin de raadsman de niet aanwezige verdachte wil bijstaan, doet hieraan niet af. Juist in deze omvangrijke en ingewikkelde zaak doen de nadelen van de verstekprocedure zich gevoelen, bijv. ingeval een vordering tot wijziging van de tenlastelegging zou zijn gedaan of ingeval het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst.

Het hof heeft ervoor gekozen om de nieuwe regeling verdragsconform uit te leggen in dier voege dat de regeling aldus wordt uitgelegd dat de regeling geen gebod tot het niet laten verdedigen bevat. Gesteld voor de keuze verdedigen of niet verdedigen heeft het hof gekozen voor verdedigen, met dien verstande dat inzake de vraag of aan alle eisen van een eerlijk proces is voldaan pas bij het eindarrest de balans wordt opgemaakt.

Het aan de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman onthouden van het recht om rechterlijke beslissingen uit te lokken, zoals bij voorbeeld het doen van verzoeken om bepaalde getuigen of deskundigen te horen, behoeft niet te betekenen dat die getuigen of deskundigen ook niet zullen worden opgeroepen. De raadsman is immers bevoegd om de wens uit te spreken dat die getuige of deskundige door het hof zal worden gehoord en het hof kan die wens honoreren. Alleen van een verplichting van het hof om op ieder verzoek van een niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman direct gemotiveerd te beslissen kan geen sprake zijn. Die motivering kan ook in een later stadium, bij voorbeeld bij het eindarrest, worden gegeven, als het hof, alvorens ten gronde te beslissen, de vraag onder ogen ziet of het strafproces fair was en de verdachte zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Aldus wordt voorkomen dat de raadsman niet slechts het woord voert, maar ook allerlei rechtshandelingen verricht en zich aldus als procesdeelnemer presenteert, terwijl hij - bij herhaling - verklaart door B. niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem te verdedigen. Het hof heeft deze lijn tijdens het proces vastgehouden. Waar het hof dit noodzakelijk voorkwam, heeft het hof de uitgesproken wens van de raadsman om stukken over te leggen of getuigen op te roepen gehonoreerd en ambtshalve gebruik gemaakt van de aan het hof krachtens de wet toekomende bevoegdheden. Waar dat niet het geval was, heeft het hof gemotiveerd uiteengezet waarom aan de uitgesproken wens niet zou worden voldaan. Dat heeft gegolden voor alle wensen die de raadsman heeft geuit. Het hof heeft voorts bij alle beslissingen de raadsman vooraf gehoord en rekening gehouden met de door hem ingebrachte bezwaren. Een uitzondering is gemaakt voor de grote hoeveelheid getuigen die de verdediging voorafgaande aan de terechtzitting van 9-12-99 heeft opgegeven en wier oproeping door het hof niet is gelast. Het hof heeft die beslissing thans, voor zover van belang, in dit arrest nog gemotiveerd.

De stelling dat B. door de aan de niet-gemachtigde raadsman gestelde beperkingen is benadeeld en zelfs in de woorden van de raadsman “door een ernsti-ge inbreuk te ma-ken op het verdragsrechtelijk gegarandeerde begin-sel van “equality of arms” wordt door het hof niet onderschreven. Nog daargelaten dat B. te allen tijde de gelegenheid heeft gehad om door een uitdrukkelijke machtiging ook de iure de “equality of arms” te realiseren, is van “een beetje verdedigen” tijdens de behandeling van het hoger beroep nimmer sprake geweest. De facto heeft het hof de raadsman steeds een volledige verdediging gegund, zij het dat de motivering van sommige beslissingen van het hof tot het eindarrest is uitgesteld.

4. Het rechtsmachtgeschil en de schorsing van de vervolging

Als er sprake zou zijn van een schorsing van de vervolging, dan zou deze in ieder geval zijn geëindigd op 27-5-99, de dag waarop de Hoge Raad het cassatieberoep van B. tegen de beslissing van dit hof in het rechtsmachtgeschil heeft verworpen.

Het gebod van schorsing van de vervolging is niet absoluut. Gelet op de wetsgeschiedenis is er ruimte voor belangenafweging. Het ging hier om een ingewikkelde zaak, voor de behandeling waarvan de rechtbank reeksen van zittingsdagen had uitgetrokken. Het is de duidelijke bedoeling van de wetgever geweest om een procedure te creëren waarbij de behandeling van de strafzaak zo min mogelijk zou worden vertraagd. Er bestond geen enkele reële grond om aan te nemen dat er een gevaar bestond voor tegenstrijdige uitspraken en dubbele bestraffing van B.. Onder deze bijzondere omstandigheden mocht, gelet op de aan een schorsing van de vervolging verbonden consequenties voor de behandeling van de zaak, aan de kennisgeving in deze zaak schorsende werking van de vervolging worden onthouden en kan niet worden gezegd dat ten onrechte een aanvang met de behandeling is gemaakt, ten onrechte verstek is verleend en ten onrechte de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen. De beslissing van de raadsman van B. om "de eerste aanleg over te slaan", ook al meende hij daarvoor goede gronden te hebben, behoorde voor zijn risico te komen. Bovendien, en ook op die grond steunt de beslissing van het hof, heeft deze beslissing geen aantoonbaar nadeel voor B. veroorzaakt.

Het gaat bovendien niet uitsluitend om de vraag of de rechtbank terecht de schorsende werking aan de kennisgeving van de indiening van het verzoek-schrift heeft ontzegd, maar tevens en niet in de laatste plaats om de vraag of de ontzegging van de schorsende werking aan die kennisgeving tot nietigheid van het gehele onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg zou moeten leiden en vervolgens ook nog om de vraag of het aan het onderzoek ter terechtzitting klevende gebrek zo fundamenteel is dat terugverwijzing moet volgen en dat gebrek niet in hoger beroep kan worden hersteld. Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend. Noch voor nietigverklaring van het onderzoek in eerste aanleg noch voor terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank ten einde deze opnieuw te behandelen bestaat derhalve goede grond.

5. Het rechtsmachtgeschil en de hernieuwde oproeping van B.

Nu de verdediging zelf meende op goede gronden de eerste aanleg te kunnen overslaan en tijdens het gehele strafproces geen enkel teken is waargenomen dat wees op de onvoorwaardelijke bereidheid van B. om ter zitting te verschijnen, ontbreekt ieder rechtens te respecteren belang bij de nakoming van de door de verdediging genoemde vormvoorschriften.

6. Optisch bedrog?

De verdediging heeft aangevoerd "dat het Openbaar Ministerie optisch een zaak aan de rechter heeft voorgelegd die tot de conclusie zou moeten leiden dat er rechtmatig is opgespoord in al die zaken, terwijl in feite in het opsporingsonderzoek onrechtmatig is opgespoord, maar dat bewust aan het oordeel van de rechter in de zaak B. is onttrokken".

Het hof kan hierover kort zijn. Volgens het hof kan voor enig "optisch bedrog" in het dossier geen enkel aanknopingspunt worden gevonden.

Aan het verzoek van de verdediging om de methodieken uit alle van belang zijnde COPA-zaken in kaart te brengen is reeds voldaan. Voor een verdergaande inkaartbrenging van de in de COPA-zaken gehanteerde opsporingsmethoden, gesteld al dat dit gelet op het tijdsverloop nog mogelijk is, bestaat geen noodzaak, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

7. Redelijke termijn van berechting

Als beginpunt van de redelijke termijn wordt , nu het openbaar ministerie en verdediging hiervan uitgaan en zulks ten voordele van B. kan worden aangemerkt, aangehouden juni 1994, toen ook in de zaak B. huiszoekingen werden verricht. Het betrof een vrij brede operatie met veel huiszoekingen, waarvan de financiële gegevens geanalyseerd moesten worden. Niet aannemelijk is geworden dat B. eerder op de hoogte was van de tegen hem ingestelde vervolging. Het hof acht aannemelijk dat het onderzoeksteam vanaf medio 1994 tot tenminste medio 1996 bezig is geweest met de verwerking van de resultaten van de huiszoekingen uit 1994. In de periode van 4-8-94 tot 8-6-95 zijn door de rechter-commissaris voor de eerste maal bedreigde getuigen gehoord.

Het eerste rechtshulp-verzoek aan Suriname inzake B. (23-10-95) be-treft de betekening van vorderingen in het kader van o.m. het gerechte-lijk vooron-der-zoek, waaronder de aanvullende vor-dering d.d. 5-10-95. Reeds einde fe-bru--ari 1996 werd via een faxbe-richt van de Suri-naam-se rege-ring be-kend dat de be-tref-fen-de stukken op 22-1-96 waren uit--ge---reikt. Pas ein-de maart 1997 ontving de rechter-commissaris via het Neder-landse minis-terie van justi-tie de offi--ciële be-vesti-ging daar-van, gelijk-tijdig met de stuk-ken van het tweede verzoek. Voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen rechtvaardiging kunnen vinden.

Dat tweede verzoek is gedaan op 3-6-96 en betrof het ver-lenen van de status van be-dreig-de ge--tui-ge aan een aantal per-sonen. Deze stukken wer-den op 18-7-96 in het kader van de betekening uitgereikt, doch de officiële bevestiging daarvan werd even-eens pas einde maart 1997 via het Neder-landse minis-terie van justitie ontvan-gen. Het onderzoek naar de financiële transacties van B.M. is afgerond in juli 1996. Ook voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen afdoende rechtvaardiging kunnen vinden.

In maart 1997 is, nadat de stukken uit Suriname waren terugontvangen, besloten tot afdoening bij verstek.

In september 1997 is begonnen met de voorbereiding voor een behandeling ter terechtzitting. Er werden opnieuw getuigen gehoord, onder wie de eerder gehoorde bedreigde getuigen. In overleg met de rechter-commissaris is besloten te trachten het gerechtelijk vooronderzoek af te werken en dan met de zaak naar de zitting te gaan. Ook voor de periode van inactiviteit van maart 1997 tot september 1997 is geen aanvaardbare uitleg gegeven, de afronding van de Panamese huiszoekingen in juni 1997 ten spijt.

In aanmerking genomen dat B. ten tijde van het voorbereidend onderzoek, gedurende welk onderzoek de vertragingen hebben plaatsgevonden, niet rechtens van zijn vrijheid was beroofd, dat de aan B. tenlastegelegde feiten ernstig waren, dat sprake was van een bijzonder maatschappelijk belang dat die feiten tot klaarheid werden gebracht, acht het hof genoemde vertragingsfactoren, zowel afzonderlijk als tezamen genomen, niet van dien aard dat die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging zouden moeten leiden.

8. Misbruik van forumkeuze

Aannemelijk is dat door het openbaar ministerie ervoor gekozen is om B. in 's-Gravenhage te vervolgen omdat een van de medeverdachten te weten R.R.L., bij de rechtbank te 's-Gravenhage reeds werd vervolgd. Tegen L. is namelijk op 1-6-92 bij die rechtbank een vordering tot gerechtelijk vooron-derzoek ingediend. Dat L. in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen B. niet met name is genoemd kan hieraan niet afdoen. In die vordering (feit 1) wordt alleen gesproken over een "organisatie". De omschrijvingen van feit 1 in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen B. en feit 1 in de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak L. van 31-3-94 zijn praktisch identiek. Daar kan geen misverstand over hebben bestaan. In het rapport van het COPA-team dat de grondslag vormde voor de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen B. d.d. 2-5-94 wordt overigens wel de naam van L. genoemd. Ook in de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen B. d.d. 5-10-95 wordt L. met name genoemd. Het gerechtelijk vooronderzoek tegen L. was op 4-5-94 nog niet gesloten.

De relatieve bevoegdheid van de rechtbank te 's-Gravenhage berustte op art. 6 lid 1 Sv. De wetgever heeft met dit artikellid beoogd in geval van gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen mededaders door dezelfde rechter worden behandeld. Door op grond van deze wetsbepaling te opteren voor een vervolging bij de Haagse rechtbank heeft het openbaar ministerie in genen dele misbruik van forumkeuze gemaakt.

De verdediging stelt zich kennelijk op het standpunt dat, ingeval in de zaak L. wèl sprake zou zijn geweest van een misbruik van forumkeuze, dit misbruik ook in de zaak tegen B. gevolgen zou moeten hebben. Het hof deelt dit standpunt niet. In deze zaak is immers gewoon de regeling vervat in artikel 6 lid 1 Sv toegepast.

De hoofdofficier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft bovendien in zijn brief van 17-3-99 meegedeeld dat in geen van de zaken van diegenen die thans nog in aanmerking als een van de als daders aansprakelijke personen, nog een vervolging door zijn parket gaande is. Dus dat van enige benadeling van B. door de vervolging in Den Haag te laten plaatsvinden sprake is geweest, is niet aannemelijk geworden.

9. Bewijsuitsluiting in het licht van de opening van het gerechtelijk vooronderzoek?

Het hof acht aannemelijk dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen B. is gebaseerd op het proces-verbaal van het COPA-team d.d. 2-5-94 en dat de rechter-commissaris alvorens tot instelling van het gerechtelijk vooronderzoek over te gaan dit proces-verbaal onder ogen heeft gehad.

Als eerste deelnemer aan de beoogde criminele organisatie wordt in dat proces-verbaal B. genoemd. Deze gang van zaken is ook door de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. Van der Voort bevestigd.

Dat in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek geen melding wordt gemaakt, levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op dat bewijsuitsluiting van alle resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek daarvan het gevolg zou moeten zijn.

De inhoud van dit rapport levert voorts een redelijk vermoeden van schuld van B. aan de in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek omschreven feiten op.

10. De verzameling van het bewijs tegen B.

Het hof acht de volgende gang van zaken met betrekking tot de bewijsverzameling aannemelijk geworden. De onderzoeken in COPA-verband waren onderzoeken naar cocaïnestromen van Zuid-Amerika naar Nederland. In de loop van Copa I en Copa II is bij de gezagsdragers van politie en justitie de indruk ontstaan dat de legerleiding in Suriname invloed had op de cocaïnehandel vanuit Suriname naar Nederland en dat er sprake was van een criminele organisatie, waarvan de legerleiding deel uitmaakte. Er zou sprake zijn van een bovenleiding en een "middle class". Het zou een organisatie betreffen met een structuur die geschikt was voor meerdere cocaïnetransporten. Dat vermoeden werd steeds sterker, alhoewel men niet over harde informatie beschikte. De voormalige zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort verwoordde het ter terechtzitting van het hof van 27 maart 2000 aldus: "Bij de start van COPA III hadden wij veel verhalen van getuigen en informanten. Wij hebben veel gehoord over koeriers die uit Suriname naar Nederland kwamen en over boten met verdovende middelen vanuit Suriname naar Nederland." Maar verhalen leiden niet zonder meer naar verdachten, laat staan tot veroordelingen van die verdachten.

Bij het COPA III-onderzoek zou de naam van de toenmalige legerleider D. B. al meteen in beeld zijn gekomen. Hij zou het voornaamste target zijn maar er was nog geen concrete verdenking om een gerechtelijk vooronderzoek mogelijk te maken.

De Haagse politie beschikte in die tijd al over een analist, genaamd Epema. Een analist ontwikkelt hypotheses. Hij maakt schema's op en probeert relaties te leggen met de informatie waarover hij beschikt. Hij kijkt of de hypothese vanuit die informatie kan worden bevestigd. Een analyse maakt verkregen informatie inzichtelijk. Aldus werd de hypothese ontwikkeld dat de legerleiding verantwoordelijk was voor grote partijen cocaïne die uit Suriname in Nederland werden ingevoerd, waarbij die grote partijen alleen met toestemming van de legerleiding uitgevoerd konden worden uit Suriname. Ook in die analyses zou de naam van B. naar voren zijn gekomen.

Enkel op basis van verhalen kan een beoogde criminele organisatie echter niet worden aangepakt. Daarvoor was een andere onderzoeksopzet nodig. Die onderzoeksopzet werd bemoeilijkt, omdat de hoofdverdachten, onder wie B., zich in Suriname bevonden. Er is een plan van aanpak opgesteld dat ter goedkeuring aan de procureur-generaal en uiteindelijk ook aan de toenmalige Minister van Justitie is voorgelegd. In het plan van aanpak stonden de doelstelling, het traject, de structuur, de planning en de materiële en financiële consequenties.

Er is toen een onderzoek gestart met als doelstelling, kort samengevat:

1. Het uitschakelen van de criminele organisatie, aangeduid als het Suriname Kartel, die zich bezig hield met de invoer van cocaïne in Nederland en het witwassen van de daaruit verkregen gelden.

2. De opsporing en aanhouding van de deelnemers aan die organisatie, waarbij de legerleiding in Suriname als voornaamste target werd aangemerkt.

Bij de CID moest informatie met betrekking tot grote partijen cocaïne via Suriname worden geselecteerd en daarop moest dan worden doorgerechercheerd. Van de hoeveelheid informatie moest de hardste informatie geselecteerd worden om in relatie gebracht te kunnen worden met een concrete verdenking van de legerleiding. Voorts werden alle in het land beschikbare dossiers van reeds lopende zaken of recent afgesloten zaken betreffende invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland op mogelijke links naar de (ex-)legerleiding in Suriname bekeken. Ook de geldstromen waren van belang om de top van de organisatie te traceren. Daarom is de FIOD om medewerking gevraagd. Het was de bedoeling om via onderzoek van de geldstromen tot het middle-management en uiteindelijk de top te geraken. Er waren twee financiële stromen; een ter financiering van de cocaïne en een andere na verkoop van de cocaïne. De FIOD had de financiële expertise en Erkens was deskundige van de CRI. Door die geldstromen te onderzoeken werd verwacht hoger in de organisatie te kunnen komen.

Op 1 juni 1992 werd een gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de medeverdachte L. ingesteld. L. werd ervan verdacht tot het middle-management van de beoogde criminele organisatie te behoren. Op 1 oktober 1992 is een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld tegen de medeverdachte B. M.. Hij werd ervan verdacht de door de beoogde criminele organisatie met de cocaïnehandel verkregen gelden wit te wassen.

Op 4 mei 1994 werd in de zaak tegen B. een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. Kort daarop zijn in de zaken L. en B.M. omvangrijke huiszoekingen verricht. In de maand juni 1994 gebeurde dat ook in de zaak tegen B..

Inmiddels was gebleken dat zich geen nieuwe cocaïnetransporten hadden aangediend waarbij een link met de beoogde criminele organisatie, en in het bijzonder met de (ex-)legerleiding, kon worden gelegd, al werden daartoe wel steeds pogingen in het werk gesteld. Door het team COPA III werden wel onderzoeken gedraaid die tot succes hebben geleid, zoals het openbaar ministerie in zijn requisitoir heeft vermeld. Deze onderzoeken worden ook wel COPA-gerelateerde onderzoeken genoemd, omdat zij onder verantwoordelijkheid van het team COPA III werden gedraaid. Die onderzoeken leidden evenwel niet naar de

(ex-)legerleiding en dus ook niet naar de beoogde criminele organisatie rondom B..

Ook de verwerkingen van de vele financiële bescheiden die door middel van omvangrijke huiszoekingen en bevelen tot uitlevering van stukken waren verkregen, leidden niet rechtstreeks naar de (ex-)legerleiding en dus ook niet naar B.. Het waren geldstromen tussen het beoogde middle-management en de valutahandelaren c.q. geldwisselaars, waarbij het overigens nog maar de vraag was - hetgeen onderwerp was van verder onderzoek - of die geldstromen met de cocaïnehandel van de beoogde criminele organisatie in verband konden worden gebracht. Het financiële traject heeft voor wat betreft B. geen enkel resultaat opgeleverd. De conclusie van de rechtbank dat de vergunninghouders aan de `harde kern' van de organisatie, onder wie B., commissie moesten betalen, is niet met enig financieel bescheid onderbouwd en is door de rechtbank enkel uit getuigenbewijs afgeleid.

Inmiddels was er wèl een grote hoeveelheid getuigenbewijs beschikbaar gekomen. Die grote hoeveelheid getuigenbewijs was evenwel nog niet geschikt om op basis daarvan met enige kans op succes een tenlastelegging tegen B. op te stellen en de zaak aan de rechter voor te leggen. De tijd speelde daarbij uiteraard ook een rol. Tijdverloop leidt ontegenzeglijk tot geheugenverlies bij getuigen en dientengevolge tot een minder vruchtbaar onderzoek naar de materiële waarheid. Deze complicatie werd in steeds sterkere mate merkbaar, omdat noodgedwongen teruggegrepen moest worden op "oude" zaken, te weten de zogenaamde Rotterdamse zaken, en zich geen nieuwe zaken, waarin een relatie met B. kon worden gelegd, aandienden. Dit tijdverloop was evenwel onontkoombaar, omdat nog enkele formaliteiten moesten worden vervuld voordat door het openbaar ministerie tot dagvaarding van B. kon worden overgegaan. De vordering en nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek moesten namelijk nog aan B. worden betekend. En dit werd bemoeilijkt, omdat het rechtshulpverkeer tussen Suriname en Nederland nog immer was geblokkeerd.

Ten aanzien van sommige getuigen werden bovendien door het openbaar ministerie vorderingen bij de rechter-commissaris ingediend om hen slechts als bedreigde getuigen te horen. Dit betekende dat, behalve de (nadere) vordering tot gerechtelijk onderzoek, ook de beschikkingen tot verlening van de status van bedreigde getuige aan B. dienden te worden betekend. Het openbaar ministerie werd derhalve niet alleen geconfronteerd met steeds ouder wordende zaken maar ook met het probleem van de voortdurende bescherming van de bedreigde getuigen. Voordat de beschikkingen tot statusverlening aan B. in Suriname na het wederom van kracht worden van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname zijn betekend op 1--10-95, heeft de rechter-commissaris acht bedreigde getuigen gehoord. Dat gebeurde in een periode waarin over het doorzetten van de vervolging nog niet op het niveau van de Minister van Justitie was beslist. Het groene licht werd, volgens de zaaksofficier Van der Voort, in november 1995 gegeven. Het duurde echter nog tot maart 1997 voordat de rechter-commissaris het bericht bereikte dat de vereiste betekeningen hadden plaatsgevonden. In augustus 1997 stelde zich een raadsman voor B., mr. Moszkowicz. Vervolgens vonden vanaf maart 1998 in het kader van het nog lopende gerechtelijk vooronderzoek voortdurend getuigenverhoren plaats. Ook de bedreigde getuigen werden, nu in aanwezigheid van de verdediging, opnieuw gehoord. Dit was een omvangrijke operatie die de nodige tijd in beslag nam.

Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding aan B. in februari 1999 bestond het tegen B. verzamelde bewijs grotendeels uit getuigenbewijs. Inmiddels was er sprake van een significante rechtsontwikkeling, aangezet door de Straatsburgse rechterlijke autoriteiten, rondom het getuigenbewijs en in het bijzonder rondom het bewijs door middel van bedreigde getuigen.

Verklaringen van bedreigde getuigen vormden de kern van dit getuigenbewijs - de directe betrokkenheid van B. steunde in belangrijke mate op de door hen afgelegde verklaringen - en van de gestarte vervolging. Met één van de bedreigde getuigen was zelfs ter verkrijging van een waarheidsgetrouwe verklaring een overeenkomst gesloten.

Het openbaar ministerie zag zich, wilde een vervolging tegen B. slagen, met name voor de alleszins moeilijke taak gesteld om de kracht van dit bewijs intact te houden. Te voorzien was dat de verklaringen van de bedreigde getuigen bij de bewijsvoering een cruciale rol zouden gaan spelen. Ook de rechter-commissaris was zich, zo is later bij haar verhoren ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gebleken, hiervan bewust en op haar rustte de zware taak, om zowel de bedreigde getuigen tegen onthulling van hun identiteit te beschermen als de verdedigingsrechten zo min mogelijk te beperken maar vooral ook om naar eer en geweten de toets inzake de betrouwbaarheid van de gehoorde bedreigde getuigen uit te voeren. Van die betrouwbaarheidstoets hing immers veel af.

Tijdens de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep is gebleken, dat bij het onderzoek naar de bruikbaarheid van deze categorie van bewijsmiddelen de grenzen van het strafproces moesten worden opgezocht en fundamentele belangen als waarheidsvinding, adequate verdediging en getuigenbescherming frontaal met elkaar in botsing kwamen. Daardoor zag het hof zich genoodzaakt zich zoekend een weg te banen, waarbij het zich zelfs geconfronteerd wist met een ingrijpen van de president in kort geding op verzoek van een bedreigde getuige, wiens identiteit bekend geworden was.

Het verschijnsel "bedreigde getuige" is complex, en niet alleen omdat de afweging van genoemde fundamentele belangen - waarheidsvinding, adequate verdediging en getuigenbescherming - in gescheiden trajecten plaatsvindt, in het kabinet van de rechter-commissaris en de rechtszaal, en dientengevolge de zittingsrechter voor wat betreft de bruikbaarheid van een verklaring van een bedreigde getuige in sterke mate afhankelijk is van de betrouwbaarheidstoets van de rechter-commissaris. Dit verschijnsel is vooral zo complex, omdat die belangenafweging nimmer het stadium van een eindbeslissing bereikt, aangezien immers het gevaar blijft bestaan dat in de loop van het strafproces de identiteit van een bedreigde getuige bekend wordt.

Dit kan geschieden door toeval, door een vormfout of door een "fishing expedition" van de verdediging. De laatste variant brengt mee dat een meer dan gemiddelde alertheid wordt verlangd van de zittingsrechter, hetgeen evenwel wordt bemoeilijkt door het ontbreken van de nodige informatie. De zittingsrechter kent immers zelf de identiteit van de bedreigde getuige niet. Hoe dichter een bedreigde getuige zich in kringen rondom de verdachte beweegt, des te groter wordt de kans dat zijn identiteit vroeg of laat bekend wordt. Als door de verdediging vragen worden gesteld omtrent een bepaalde met name genoemde getuige, die tevens een bedreigde getuige is, en dat is vanuit het perspectief van de verdediging bezien volstrekt legitiem, dan is de onthulling van diens identiteit moeilijk te voorkomen. Dat kan alleen indien door de zittingsrechter op voorhand wordt belet dat aan alle vragen omtrent personen, van wie zich geen verklaringen in het dossier bevinden, gevolg wordt gegeven, omdat mogelijk een van die personen een bedreigde getuige kán zijn. Een dergelijk beleid staat niet alleen op gespannen voet met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, immers niet iedere persoon behoeft ook een bedreigde getuige te zijn, doch doet ook afbreuk aan de positie van de zittingsrechter als verantwoordelijke autoriteit voor de waarheidsvinding.

De onthulling van de identiteit van een bedreigde getuige heeft niet alleen tot resultaat dat een geheel nieuwe belangenafweging dient plaats te vinden maar brengt tevens mee dat het stelsel van de gescheiden trajecten niet volledig meer kan worden gehandhaafd. Immers de verdediging kan onder die omstandigheden het recht niet meer worden ontzegd om de betreffende, niet meer anonieme, getuige op naam te horen ten einde hem over zijn redenen van wetenschap te ondervragen, met als onmiddellijk gevolg dat niet alleen steeds meer gegevens over die getuige en dus ook over de betrouwbaarheid van die getuige bekend worden, maar ook dat de betrouwbaarheidstoets van de rechter-commissaris naar aanleiding van die gegevens ter toetsing aan de zittingsrechter wordt voorgelegd.

De bruikbaarheid van het bewijs dient volgens de thans geldende maatstaven en niet volgens de toen in de tenlastegelegde periode (1-1-89 - augustus 1992) geldende maatstaven door de rechter te worden beoordeeld.

Verklaringen van bedreigde getuigen zijn niet zonder meer als bewijsmiddel bruikbaar, omdat daaraan inmiddels zowel door de wetgever als door het EHRM en de Hoge Raad voorwaarden zijn gesteld. Het hof zal daarom eerst de bruikbaarheid van dit bewijs bespreken, nu dienaangaande door de verdediging substantieel verweer is gevoerd.

11. De bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van de bedreigde getuigen

De raadsman concludeert tot integrale uitsluiting van het bewijs van alle verklaringen - op naam en anoniem - van alle NN-getuigen (inclusief P., R. en NN-III).

In totaal zijn door de rechter-commissaris acht getuigen gehoord, die de status van bedreigde getuigen hebben gekregen, te weten NN I tot en met NN VIII.

De rechter-commissaris heeft de getuige NN VIII als onbetrouwbaar aangemerkt.

De door de rechter-commissaris geuite twijfel over de betrouwbaarheid van de getuige NN VIII is van dien aard dat de door deze getuige tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten.

Het hof heeft ter zitting van 22-12-99 geoordeeld dat, nu de door de getuige NN VI afgelegde verklaringen niet (voldoende) toetsbaar zijn, de met deze getuige gesloten overeenkomst voor de toekomst, als strijdig met het recht van B. op een eerlijk proces, zonder rechtsgevolgen dient te blijven en de door die getuige ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet met het oog op enige door het hof te nemen beslissing ten nadele van B. kunnen worden gebruikt.

Ook de door de getuige NN VI afgelegde verklaringen dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

Wanneer in het vervolg over de bruikbaarheid van NN-getuigen wordt gesproken, wordt niet meer gedoeld op de getuigen NN VI en NN VIII.

Volgens het hof kleven aan de statusverle-ningen door de rechter-commissaris niet zodanige fundamentele gebreken dat aan het recht van B. op een eerlijk proces tekort wordt gedaan. Het daartoe strekkende verweer van de verdediging is in het arrest gemotiveerd verworpen.

De verdediging verzoekt het hof voorts consequenties te verbinden aan het horen van de getuigen P. en R. ter zitting van het hof op 14-4-00 c.q. 16-5-00, in die zin dat als gevolg van deze verhoren ter terechtzitting van het hof alle door deze getuigen afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Want, zo betoogt de raadsman, het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat die getuigen de status van bedreigde getuige kunnen verliezen en heeft die getuigen in strijd met de wet ter zitting van het hof verhoord.

Het voorschrift om een getuige, aan wie de status van bedreigde getuige is verleend, door de rechter-commissaris te doen horen strekt er uitsluitend toe te voorkomen dat ten gevolge van diens verhoor de identiteit van die getuige bekend wordt en beoogt geen bescherming van belangen van de verdachte, in het bijzonder ook niet het belang bij een eerlijke behandeling van zijn zaak. Immers het verdedigingsbelang is meer gediend bij een verhoor van de bedreigde getuige op de terechtzitting, met toepassing van zo weinig mogelijk beschermingsmaatregelen. Hoe meer beschermingsmaatregelen, hoe beperkter het ondervragingsrecht van de verdediging.

Aangenomen al, dat ook een, inmiddels niet meer anonieme, bedreigde getuige het recht op een verhoor in het kabinet van de rechter-commissaris zou toekomen, hetgeen, zoals het hof al eerder heeft overwogen niet het geval is omdat de status van bedreigde getuige van rechtswege komt te vervallen als zijn identiteit in rechte is komen vast te staan, dan neemt dat recht in ieder geval niet de proporties van algemeen belang aan, indien die getuige onder dezelfde condities als bij een verhoor door de rechter-commissaris het geval zou zijn door de zittingsrechter wordt gehoord. Alleen wanneer de niet-anonieme bedreigde getuige bij zijn verhoor van iedere bescherming verstoken zou blijven, zou met vrucht betoogd kunnen worden dat hier het recht van iedere burger op bescherming van zijn leven en persoonlijke veiligheid in het geding is en schending van dát recht tot uitsluiting van het bewijs van de door de onbeschermde bedreigde getuige afgelegde verklaring zou behoren te leiden.

Iedere functionaris die in strafrechtelijke zin enige bemoeienis heeft met bedreigde getuigen, is zich, naar het hof aanneemt, van zijn plicht om de identiteit van de bedreigde getuige verborgen te houden terdege bewust.

De onderhavige strafzaak heeft helaas - en het hof betreurt dat ten zeerste - aangetoond dat hier geen sprake kan zijn van een waterdichte garantie.

De identiteit van de getuigen NN I en NN II is bekend geworden doordat per ongeluk de op naam door die getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen in het procesdossier zijn gevoegd. De identiteit van de getuige NN III is bekend geworden doordat twee leden van het COPA-team, door de verdediging onder ede ondervraagd, niet hebben uitgesloten dat een door de verdediging bij naam genoemde persoon tegenover de politie op naam een verklaring heeft afgelegd. Als de leden van het COPA-team op de gestelde vraag ontkennend zouden hebben geantwoord, zouden zij zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan meineed.

Van doelbewust of grof onrechtmatig handelen jegens de getuige NN III is derhalve geen sprake. Van grof onrechtmatig handelen kan wel worden gesproken wat betreft de voeging in het dossier van de op naam tegenover de politie afgelegde verklaringen van de bedreigde getuigen NN I en NN II.

Het belang dat de gemeenschap heeft bij het verborgen houden van de identiteit van een bedreigde getuige is fundamenteel van karakter. Schending van dit belang behoort tot gevolg te hebben, enerzijds dat de bescherming van het leven of de persoonlijke veiligheid van de bedreigde getuige en/of zijn gezin zoveel mogelijk op andere wijze door de overheid wordt gewaarborgd en anderzijds dat de door het bekend worden van de identiteit veroorzaakte schade wordt vergoed en de ontstane overlast wordt beperkt. Door de door de bedreigde getuigen NN I en NN II anoniem en op naam afgelegde verklaringen van het bewijs uit te sluiten wordt in de zienswijze van het hof geen enkel in strafrechtelijke zin te respecteren belang noch enig ander algemeen belang gediend.

Het bekend worden van de identiteit van een bedreigde getuige heeft in strafrechtelijke zin slechts tot gevolg dat de getuige opnieuw en nu op naam, met inachtneming van de vereiste beschermingsmaatregelen, kan en ook dient te worden gehoord. Van het profiteren door de overheid van eigen onrechtmatig gedrag is geen sprake geweest.

Indien de identiteit van een bedreigde getuige bekend is geworden, behoort het tot de taak van de zittingsrechter om zoveel mogelijk aan de hand van concrete feiten en omstandigheden af te wegen, ten overstaan van welke instantie en onder welke omstandigheden die getuige moet worden gehoord. Het hof heeft daarbij gelet op de essentie van de procedure van de bedreigde getuige - namelijk het verborgen houden van diens identiteit -, de wetsgeschiedenis - waaruit blijkt dat de wetgever het verschijnsel bekendwording van de identiteit van een bedreigde getuige niet onder ogen heeft gezien - en de rechtspraak van het EHRM die ertoe noopt om het recht op een eerlijk proces enerzijds en het recht op bescherming van leven en persoonlijke veiligheid van een getuige anderzijds zoveel mogelijk aan de hand van concrete feiten en omstandigheden af te wegen. Het door de raadsman genoemde arrest HR 20 april 1999, NJ 1999, 677, heeft betrekking op een andere situatie, namelijk het ter terechtzitting achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging horen van een bedreigde getuige, wiens identiteit nog verborgen dient te blijven. De getuigen P. en R. zijn door het hof achter gesloten deuren gehoord in aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging met toepassing van de vereiste beschermingsmaatregelen. Daargelaten het feit dat deze wijze van verhoor van de getuigen P. en R. door de verdediging zelf is verzocht, hetgeen overigens ook door de verdediging wordt erkend, zijn door het hof, althans naar zijn oordeel, geen, zoals de verdediging het noemt, "zwaarwegende belangen van een juiste strafrechtstoepassing in breder verband" veronachtzaamd. Die zwaarder wegende belangen, te weten het belang van de verdediging bij een ondervraging van de niet-anonieme getuigen P. en R. ten overstaan van het hof met het oog op de toetsing van de betrouwbaarheid van die getuige door datzelfde hof en het belang van de waarheidsvinding dat wordt gediend door de betrouwbaarheidstoets zoveel mogelijk door de zittingsrechter zelf te laten plaatsvinden, hebben, juist nu de door die getuigen afgelegde verklaringen in de door de rechtbank gebezigde bewijsconstructie zo'n belangrijke plaats innemen, voor het hof aanleiding gegeven om de getuigen P. en R. zelf ter zitting van het hof te horen.

De verdedi-ging voert tenslotte met betrekking tot het thema bedreigde getuigen als verweer aan dat bij de ondervraging van de NN-getuigen sprake is van zo vergaande be-per-kingen van het ondervra-gingsrecht, dat het gebruik van de NN-verkla-rin-gen in strijd moet worden geacht met het in artikel 6 EVRM gegaran-deerde beginsel van fair trial.

De rechter-commissaris heeft de getroffen maatregelen met het oog op het verborgen houden van de identiteit van de bedreigde getuigen noodzakelijk geacht. Of dit terecht is gebeurd, kan door de zittingsrechter - en dat is de consequentie van ons wettelijke systeem inzake bedreigde getuigen - slechts zeer marginaal worden getoetst. De zittingsrechter beschikt immers niet over dezelfde informatie met betrekking tot een bepaalde bedreigde getuige als waarover de rechter-commissaris beschikt. Die informatie kan afkomstig zijn van eerdere door de bedreigde getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen, van door andere bedreigde getuigen afgelegde verklaringen, van politie dan wel het openbaar ministerie en voortspruiten uit het - geheime - voorgesprek van de rechter-commissaris met de bedreigde getuige. Dus niet zo zeer de noodzakelijkheid van de getroffen beschermingsmaatregelen alswel de beknotting van de verdedigingsrechten ten gevolge van die maatregelen en dientengevolge de eerlijkheid van het strafproces in zijn totaliteit staat ter beoordeling van de zittingsrechter.

De zittingsrechter kan wel aan de hand van het verslag van de rechter-commissaris van het verhoor toetsen in hoeverre door de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden de verdedigingsrechten zijn beknot.

In de praktijk ontwikkelen zich langzamerhand nieuwe procedures rondom het horen van bedreigde getuigen en lijkt de tijd rijp voor een verdere uitwerking (standaardisering) van het bepaalde in artikel 226d van het Wetboek van Strafvordering. Bij de getuigenbescherming is thans sprake van expertise op dit gebied, terwijl ook de techniek, bij voorbeeld ten aanzien van de stemvervorming, uiteraard niet stilstaat. Nu evenwel nadere regels ontbreken en in de onderhavige zaak het bedreigde getuigen traject bewijsrechtelijk van groot belang geacht moet worden, zal het hof zelf een toetsingskader ontwikkelen.

Sommige beschermingsmaatregelen hebben thans min of meer een standaardkarakter. Het treffen van verdergaande, specifieke, maatregelen is voorbehouden aan de rechter-commissaris. Dit onderscheid -standaard versus specifiek- ook kunnen hanteren bij de beoordeling van de aan de verdediging opgelegde beperkingen. Aldus zou men onderscheid kunnen maken tussen inherente en specifieke beperkingen van verdedigingsrechten bij het horen van bedreigde getuigen. Inherente beperkingen, of standaardbeperkingen, zijn beperkingen die het rechtstreekse gevolg zijn van de statusverlening en min of meer standaard bij ieder verhoor van een bedreigde getuige worden toegepast. Aan de motivering van deze beperkingen door de rechter-commissaris dienen niet al te hoge eisen te worden gesteld. Niet alleen de wetgever maar ook de rechter, ingevolge de Straatsburgse jurisprudentie, heeft in de bewijsrechtelijke sfeer aan die beperkingen bepaalde rechtsgevolgen verbonden. Die rechtsgevolgen houden geen totale bewijsuitsluiting in. Wel brengt het gebruik van verklaringen van bedreigde getuigen mee dat de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten niet in beslissende mate, ook indien die verklaringen in hun onderling verband en samenhang worden beschouwd, op die verklaringen mag berusten. Specifieke beperkingen zijn beperkingen die het gevolg zijn van maatregelen die alleen met het oog op de bescherming van een bepaalde bedreigde getuige noodzakelijk zijn. Die beperkingen vereisen steeds een bijzondere motivering.

Ook de rechter-commissaris heeft blijkbaar bij de getroffen beschermingsmaatregelen een dergelijk onderscheid gemaakt, aangezien de opgelegde beperkingen steeds bij de getuigen NN III, IV, V, VII en VIII zijn toegepast, in zoverre was in de onderhavige zaak sprake van een standaardprocedure, en alleen bij de getuige NN VI zijn verdergaande beschermingsmaatregelen getroffen. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de toegepaste beperkingen ook door het hof als standaardbeperkingen worden aangemerkt die geen bijzondere gevolgen in de bewijsrechtelijke sfeer behoren te hebben dan wel of specifieke beperkingen zijn toegepast, waaraan wel bewijsrechtelijke consequenties dienen te worden verbonden.

De rechter-commissaris heeft alle nog van belang zijnde bedreigde getuigen verhoord met vermomming en stemvervorming, gezeten in een cabine, hoorbaar en tot schouderhoogte zichtbaar voor de aanwezigen. Het verhoren van een bedreigde getuige met vermomming en stemvervorming, in een cabine, hoorbaar en tot schouderhoogte zichtbaar voor de aanwezigen zou het hof min of meer als standaardbeperkingen willen aanmerken. Het hof heeft tijdens het verhoor van de getuigen P. en R., dat eveneens op die wijze heeft plaatsgevonden, zelf kunnen waarnemen dat de kwaliteit van het verhoor van die getuigen daardoor wel vermindert, maar niet zodanig dat niet meer van een behoorlijk verhoor kan worden gesproken. De rechter-commissaris heeft deze beperkingen naar behoren gemotiveerd.

Ook het stellen van vragen door tussenkomst van de rechter-commissaris zou als een standaardbeperking kunnen worden aangemerkt, zij het dat volgens het hof onder omstandigheden zou kunnen worden volstaan met een bevestiging door de rechter-commissaris dat de opgegeven vraag door de verdediging mag worden gesteld. Het risico van onthulling van de identiteit van een bedreigde getuige brengt nu eenmaal mee dat een vraag eerst dan pas kan worden gesteld wanneer de voor de getuigenbescherming verantwoordelijke autoriteit, in dit geval de rechter-commissaris, heeft vastgesteld dat dit risico bij de opgegeven vraag niet bestaat. Ook de getuige zelf dient enige tijd te worden gegund om te kunnen bepalen of bij beantwoording van de opgegeven vraag gevaar voor onthulling van zijn identiteit dreigt. Bij het verhoor van de getuigen P. en R. ter zitting van het hof hebben de raadslieden van de getuigen bij deze controle nog een belangrijke rol gespeeld.

De rechter-commissaris heeft de verdachten niet in de gelegenheid gesteld om bij de verhoren van de bedreigde getuigen aanwezig te zijn. De afwezigheid van verdachten bij verhoren van bedreigde getuigen betreft geen standaardbeperking. Artikel 226d lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt, zowel ten aanzien van de raadsman als ten aanzien van de verdachte, dat deze het verhoor van de bedreigde getuige alleen dan niet mag bijwonen, indien het belang van het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige zulks vordert. Indien de verdachte het verhoor niet mag bijwonen, dient het proces-verbaal van de rechter-commissaris een bijzondere motivering te bevatten. Tegen deze beperking is in de onderhavige zaak door de verdediging geen bezwaar gemaakt.

Het enkel bieden van de mogelijkheid om schriftelijk vragen op te geven kan niet als een standaardbeperking worden aangemerkt. De vermindering van het gevaar voor onthulling van de identiteit van de bedreigde getuige door deze wijze van vraagstelling alleen kan geen voldoende rechtvaardiging voor deze beperking opleveren. Aan de verdediging mag in het algemeen niet de mogelijkheid worden onthouden om ook mondeling aan de bedreigde getuige vragen te stellen. De rechter-commissaris heeft in deze zaak weliswaar eerst de verdediging in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen op te geven, doch heeft daarnaast de verdediging nog de mogelijkheid geboden nadere, mondelinge vragen te stellen.

Het verhoor van de bedreigde getuige door de rechter-commissaris heeft zich in twee fasen voltrokken. Het eerste verhoor heeft buiten aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging plaatsgevonden. Alle schriftelijk opgegeven vragen zijn tijdens dat eerste verhoor door de rechter-commissaris gesteld en door de getuige beantwoord. Vervolgens zijn in het kader van een tweede verhoor de vragen en de antwoorden, ten aanzien waarvan geen gevaar voor onthulling van de identiteit van de bedreigde getuige bestond, herhaald. Bij de nadere vragen is hetzelfde procédé gevolgd.

Op grond van de aan de rechter-commissaris ter beschikking staande informatie heeft de rechter-commissaris na bestudering van de schriftelijk opgegeven vragen geoordeeld dat het ter kennis komen van de antwoorden op een deel van de vragen gevaar oplevert voor het verborgen houden van de identiteit van de getuige. Ten aanzien van de mogelijke beantwoording van de overige vragen kon de rechter-commissaris niet overzien hoe groot het risico was voor de onthulling van de identiteit van de getuige. Om dit risico tot een minimum te beperken, heeft de rechter-commissaris ervoor gekozen alle vragen eerst buiten aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging te stellen en vervolgens door de getuige te laten beantwoorden. De rechter-commissaris heeft dus, bezien vanuit het perspectief van de getuigenbescherming, de veiligste weg gekozen en een volledig eerste verhoor doen plaatsvinden. Een dergelijk eerste verhoor betekent evenwel dat de getuige zich op zijn antwoorden kan voorbereiden, terwijl ook de rechter-commissaris na dat verhoor op de hoogte is van de door de bedreigde getuige te geven antwoorden. De verdediging krijgt evenwel pas antwoord, als het door de getuige gegeven antwoord door de rechter-commissaris als een niet risicovol antwoord is aangemerkt.

Het toen geldende artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering bevatte geen verplichting voor de rechter-commissaris om de door de verdediging opgegeven vragen ook daadwerkelijk aan getuigen te stellen. Artikel 226d, derde lid, van dit wetboek geeft op die regeling een aanvulling, indien de getuige een bedreigde getuige is. Krachtens deze bepaling dient de rechter-commissaris, indien deze heeft belet dat een door de bedreigde getuige gegeven antwoord ter kennis komt van de verdediging, in het proces-verbaal op te nemen dat de gestelde vraag door de bedreigde getuige is beantwoord. Toepassing van artikel 226d lid 3 van het Wetboek van Strafvordering komt dus volgens het hof alleen aan de orde als de commune regeling, die voorziet in de mogelijkheid om te beletten dat aan een risicovolle vraag gevolg wordt gegeven, met het oog op de bescherming van de getuige ontoereikend is. In zoverre kan artikel 226d lid 3 niet als een standaardbeperking worden aangemerkt en behoeft die beperking een bijzondere motivering.

De rechter-commissaris heeft voor een volledig eerste verhoor gekozen omdat iedere opgegeven vraag de mogelijkheid van een risicovol antwoord in zich borg en dit risico volgens de rechter-commissaris tot een minimum moest worden beperkt. Mogelijk heeft bij deze keuze ook een rol gespeeld dat de getuige bij zijn verhoor niet door een raadsman of raadsvrouw werd bijgestaan. Het hof is er niet zonder meer van overtuigd dat van dit criterium kan worden gezegd dat het niet te ruim is. Van enige directe beantwoording door de getuige van door de verdediging opgegeven vragen kon na dat eerste verhoor immers geen sprake meer zijn.

Niet alle antwoorden op gestelde vragen zijn aan de verdediging geopenbaard. Volgens het hof is niet aannemelijk geworden dat zulks niet steeds verband hield met de plicht van de rechter-commissaris om de identiteit van de betreffende getuige verborgen te houden. De verdediging heeft weliswaar niet de gelegenheid gehad om de getuige bij het geven van deze antwoorden te observeren doch deze beperking is inherent aan de status van bedreigde getuige.

De rechter-commissaris heeft, gelet op hetgeen zij hieromtrent in haar processen-verbaal en tijdens de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard, de betrouwbaarheidstoets naar behoren uitgevoerd.

Alles overziende is het hof, concluderend, van oordeel dat de beperkingen die de rechter-commissaris de verdediging bij de ondervraging heeft opgelegd niet van dien aard zijn geweest dat de verklaringen van de gehoorde bedreigde getuigen in het geheel niet tot het bewijs zouden mogen meewerken.

De door het hof als specifiek aangeduide beperkingen zijn voorts niet zo ingrijpend dat bij de beoordeling van de bewijsvraag in de onderhavige zaak moet worden afgeweken van het algemeen geldende criterium dat het bewijs dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan niet in beslissende mate op de verklaringen van bedreigde getuigen mag berusten.

Resteert de vraag of de door een bepaalde bedreigde getuige afgelegde verklaringen vanwege de inhoud van die verklaringen, in het licht van eerdere, door hem of door een ander afgelegde verklaringen, buiten beschouwingen dienen te worden gelaten.

Deze vraag doet zich voor bij de beoordeling van de verklaringen van de getuige NN III.

Na kennisneming van de door de getuige NN III tegenover de politie afgelegde verklaringen en de door hem op 29/30-5-00 tegenover de rechter-commissaris op naam afgelegde verklaringen heeft het hof ter zitting van 31-5-00 geoordeeld dat die verklaringen, in hun onderling verband en samenhang bezien, zo weinig consistent zijn ondersteund worden door eigen waarnemingen of bevindingen anders dan van horen zeggen van de getuige zelf dat deze niet in aanmerking komen om als bewijsmiddel te worden gebruikt. De vraag van het hof of de getuige zijn wetenschap omtrent hetgeen hij verklaard heeft alleen aan de zogenaamde "kennissen" of ook aan andere bronnen ontleende, is door de getuige niet op een voor het hof toetsbare wijze beantwoord.

Tijdens het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van 7-2-95 heeft de getuige NN III onder meer het volgende verklaard:

"De beide personen die ik hierboven heb bedoeld, maakten - en maken nu nog - deel uit van de Surinaamse krijgsmacht. Zij werken bij twee verschillende krijgsmachtonderdelen. Hun beider functies zijn van dien aard dat zij regelmatig, ook persoonlijk, contact met D. B. hebben. Overigens moet daarbij de kanttekening worden gemaakt dat de Surinaamse krijgsmacht als zodanig - dus als krijgsmacht - niet zoveel te doen heeft, zodat de contacten veelal niet van militair belang waren, maar eerder van belang voor de "nevenactiviteiten" van D.B.."

Meer is over deze kennissen gedurende de verhoren van de getuige NN III niet bekend geworden. In het bijzonder is onduidelijk gebleven wanneer de getuige NN III deze kennissen voor het laatst heeft gezien en of de gegeven informatie betrekking heeft op de tenlastegelegde periode (1-1-89 - augustus 1992).

Het bewijs inzake het bestaan en de structuur van de beweerde criminele organisatie berust in belangrijke, misschien zelfs wel in beslissende mate op het proces-verbaal van de rechter-commissaris, voorzover inhouden-de als de op 26-10-98 afgelegde verklaring van de getuige NN III:

"In 1995 heb ik verklaard tegenover de rechter-commissaris over een aantal zogenaamde vergunninghouders. Daarmee bedoel ik het volgende. Zo'n persoon kreeg toestemming om in cocaïne te handelen en daarbij werd ook van bovenaf bepaald in welke hoeveelheden cocaïne er gehandeld mocht worden. De Baas, daarmee bedoel ik D.B., bepaal-de wie die toestemming kreeg en hij bepaalde ook de hoeveelheid cocaïne waarin gehandeld mocht worden.

R.L. was zo'n vergunninghouder.

Mh. trad op als tussenpersoon om het geld uit de cocaïnehandel te incasseren en te beleggen.

Het geld dat door de vergunninghouders werd betaald ten behoeve van de Baas werd voor hem beheerd door M..

Ik heb kennelijk in 1995 verklaard dat een man genaamd R.R. er voor zorgde dat de schepen met cocaïne van L. niet gecontroleerd werden op verdovende midde-len. De taak van die persoon was om in opdracht van de baas, als tweede man, te zorgen dat alles goed liep bij de trans-porten van cocaïne.

Men houdt in de organisatie van B. strikt geschei-den de groep die zich bezig houdt met de distributie van cocaïne, de groep die zich bezig houdt met de export ervan en de groep die zich bezig houdt met het witwassen van gelden.

M. was in Nederland de beheerder van de financiën.

Er is een zakelijke relatie tussen M.B.M. en R.L.. Het is een financiële relatie waarbij geld wordt doorgesluisd.

B. is de baas. R. is degene die de schoeners van L. beschermt in Suriname en L. is degene die voor de distributie van cocaïne zorgt. Ik weet dat A. in Nederland gepakt is met een hoeveel-heid cocaïne. A. was een tussenschakel. L., R. en B. waren bij die cocaïne betrokken.

Ik ken de vliegtuigmaatschappij Trans Carribean Airline. Bij die maatschappij waren betrokken R., L., de Baas en M..

Er zijn op een gegeven moment problemen ontstaan met B.. Er is een partij cocaïne verdwenen. D.B. heeft toen zelf ingegrepen om de problemen op te lossen."

Uit de door de getuige NN III tegenover de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen leidt het hof af dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft onthuld dat de door hem verkregen informatie omtrent de beweerde criminele organisatie afkomstig is van de twee zogenaamde kennissen. Nu deze twee kennissen verder anoniem zijn gebleven en over hen niet meer bekend is geworden dan hiervoor is vermeld en de juistheid van de door die kennissen verschafte informatie op geen enkele wijze kan worden gecontroleerd, acht het hof de verklaringen van de getuige NN III, voor zover aangenomen moet worden dat die berusten op het van horen zeggen van die kennissen, niet voor het bewijs bruikbaar.

Het hof heeft voorts nog verschillende in de verklaringen van de getuige NN III voorkomende inconsistenties vastgesteld.

Gelet op het voorgaande acht het hof de door de getuige NN III anoniem én op naam afgelegde verklaringen niet voor het bewijs bruikbaar. Bij de bespreking van de beschikbare bewijsmiddelen zal het hof die verklaringen daarom terzijde laten.

12. Vrijspraak

Artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter slechts mag worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.

Bij de beantwoording van de bewijs vraag dient de rechter zich derhalve in de eerste plaats te beperken tot het tenlastegelegde feit of, als er sprake is van meerdere tenlastegelegde feiten, tot die tenlastegelegde feiten.

Voorts mag de rechter pas tot een bewezenverklaring overgaan, indien hij zijn overtuiging baseert op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

De rechter moet stap voor stap nagaan, of uit het beschikbare bewijsmateriaal, voor zover dat aan de door de wet gestelde eisen voldoet en voorts op rechtmatige wijze is verkregen, het tenlastegelegde buiten redelijke twijfel voortvloeit.

Het hof heeft in zijn arrest vervolgens de bewijsmiddelen, zoals die door het openbaar ministerie in zijn requisitoir zijn opgesomd besproken. Het hof heeft daarbij betrokken al die bewijsmiddelen die door de rechtbank zijn gebezigd en die niet in het requisitoir zijn opgenomen. Tot slot heeft het hof nog onderzocht of zijn eigen onderzoek nog relevante bewijsmiddelen heeft opgeleverd en dat betreft dan met name de getuigenverklaringen en de overgelegde stukken die na de instelling van het hoger beroep beschikbaar zijn gekomen.

Het hof heeft zich beperkt tot de betrokkenheid van B. bij de tenlastegelegde feiten. Dat terzake van de in de tenlastelegging genoemde cocaïnetransporten voldoende bewijs voorhanden is, staat vast en wordt door de verdediging ook niet betwist.

Het hof is tot de volgende conclusies gekomen.

De vrijspraak van B. door de rechtbank van feit 2 dient in stand te blijven, zoals ook door het openbaar ministerie is gevorderd.

Zoals reeds overwogen zijn de verklaringen van de getuige NN III door het hof terzijde gelaten. Nu uit de overige door het openbaar ministerie gepresenteerde en door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, ook niet wanneer zij in onderling verband en samenhang worden bezien, kan worden afgeleid dat B. betrokken is bij de feiten 3 en 4, dient een vrijspraak voor die feiten te volgen en kan de veroordeling door de rechtbank terzake van die feiten niet in stand blijven.

Het bewijs inzake de betrokkenheid van B. bij feit 5 berust uitsluitend op de auditu-verklaringen. Geen van de personen van wie die verklaringen afkomstig waren is in deze zaak door een rechterlijke instantie gehoord kunnen worden, waarbij de verdediging de gelegenheid heeft gekregen vragen te stellen. Van de vertolkers van de de auditu-verklaringen is in de onderhavige zaak alleen R. gehoord.

S. is op 14-7-99 overleden. Het bewijs dat B. betrokken is bij feit 5 voldoet derhalve niet aan de wettelijke maatstaven, zodat een vrijspraak dient te volgen en de veroordeling door de rechtbank terzake van dit feit niet in stand kan blijven.

Nu de betrokkenheid van B. bij feit 6 in beslissende mate berust op de verklaring van de bedreigde getuige NN VII voldoet de bewijsvoering niet aan de wettelijke maatstaven en kan de veroordeling van B. door de rechtbank van feit 6 niet in stand te blijven. Een vrijspraak dient te volgen, zoals ook door het openbaar ministerie is gevorderd.

Alles overziende komt het hof, anders dan het openbaar ministerie en de rechtbank, niet tot een bewezenverklaring van het in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit.

De door de zaaksofficier van justitie mr. Van der Voort aangeduide verhalen omtrent B. in de loop van het onderzoek uitgemond in bezwaren, hier en daar zelfs ernstige bezwaren, tegen B. maar hebben die bezwaren niet het niveau van wettig bewijs voor de feiten zoals tenlastegelegd bereikt.

Een belangrijke factor bij de vorming van dit oordeel is voor het hof geweest het wegvallen van de verklaring van de getuige NN III. Diens verklaring is met betrekking tot het bewijs van de opbouw, de structuur en de werkwijze van de in de tenlastelegging beoogde criminele organisatie voor de rechtbank, zo meent het hof uit haar vonnis te moeten afleiden, van essentiële betekenis geweest, terwijl ook het openbaar ministerie de voorgestelde bewijsconstructie in belangrijke mate op de verklaringen van de getuige NN III heeft doen steunen.

Enerzijds moet worden vastgesteld, dat het bekend worden van de identiteit van de getuige NN III voor de betrokkene ingrijpende gevolgen heeft gehad en in de toekomst ook nog zal hebben en ook vanuit het perspectief van de plicht van de overheid om bedreigde getuigen zo goed mogelijk te beschermen in sterke mate moet worden betreurd. Anderzijds kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de onthulling van de identiteit van de getuige NN III, en dientengevolge het beschikbaar komen van de door deze getuige bij de politie afgelegde verklaringen en diens daarop volgende verhoor op naam ten overstaan van de rechter-commissaris, ertoe heeft geleid dat het hof de verklaringen van de getuige NN III voor het bewijs beter heeft kunnen toetsen dan de rechtbank en uiteindelijk na die toetsing deze als onbruikbaar heeft bestempeld. Het hof heeft dit oordeel in het voorgaande met redenen omkleed.

Voor wat betreft de opbouw van de organisatie - het bestaan van die organisatie is kennelijk op voorhand al aangenomen - heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Zoals uit de hieronder volgende bewijsmiddelen blijkt is al vanaf midden jaren '80 een groep personen in Suriname bezig met de handel in cocaïne.

De personen die zorgen voor de daadwerkelijke uitvoer en verkoop in bijvoorbeeld Nederland hebben daarvoor een vergun-ning nodig van en moeten commissie betalen aan de 'harde kern' van de organisatie.

De 'harde kern' van de organisatie bestaat uit een aantal hoge militairen waaronder in ieder geval B. en R.. Zij verstrekken de vergunningen, ontvangen de commissie en dragen zorg voor de beveiliging en controle.

Grote vergunninghouders zijn onder meer L. en S..

Degenen die zorgen voor het binnen het grondgebied van Neder-land brengen zijn ook zelf georganiseerd als onderdeel van de grote organisatie.

Zij maken gebruik van een vaste rederij (Calypsonia Shipping) en van bij de handel betrokken beman-ning, van vaste geldkoe-riers en van een wisselkantoor in Nederland (Allakondré Oomh).

Via het wisselkantoor worden onder andere cheques gekocht op naam van bij de cocaïnehandel betrokken personen welke onder meer worden geïncasseerd in Belèm (Brazilië).

M.B.M. is in Nederland verantwoordelijk voor een deel van het geldverkeer van de organisatie en voor een deel van de aankoop van cheques bestemd voor Brazilië.

Hij maakt daarbij gebruik van en is gemachtigd voor de reke-ningen van L., Mh. en T..

Er zijn ook kleinere/incidentele vergunninghouders/uitvoer-ders. In de bewijsmiddelen bij de bewezenverklaarde transpor-ten komen onder meer voor P., B., A., S.M., L. en S.B.."

Zeker nu de verklaring van de getuige NN III is weggevallen, heeft het hof voor deze, door de rechtbank beschreven, opbouw - en dus ook het bestaan - van de in de tenlastelegging beoogde criminele organisatie onvoldoende wettig bewijs kunnen vinden.

De verklaring van de getuige P. omtrent de werkwijze van B. kan, mede in aanmerking genomen de indruk die deze getuige ter terechtzitting van het hof van 16-5-00 heeft achtergelaten, dat wettige bewijs niet opleveren. Begrippen als grote en kleine vergunninghouders vinden geen enkele steun in andere bewijsmiddelen.

Zoals reeds aangegeven, is onvoldoende wettig bewijs van betrokkenheid van B. bij de in de dagvaarding onder 1 sub 1 tot en met 5 vermelde transporten voorhanden.

Van het bestaan van enige (financiële) relatie tussen B. enerzijds en L. en/of G. en/of B.M. anderzijds, waar het invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland in de tenlastegelegde periode (1-1-89 - augustus 1992) betreft, is niet gebleken.

Ook het wettige bewijs dat de beoogde criminele organisatie in de tenlastegelegde periode een groep personen betrof van wie, behalve B., L. en/of G. en/of B.M. deel zouden uitmaken, is derhalve niet geleverd.

Het wettige bewijs dat in de tenlastegelegde periode een andere criminele organisatie rondom B., bestaande uit andere personen dan de in de tenlastelegging genoemde personen van L. en/of G. en/of B.M. actief is geweest, die zich bezighield met de invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland, een mogelijkheid die de bewoordingen van de tenlastelegging openlaten, al moet worden gezegd dat deze mogelijkheid nauwelijks valt in te passen in de wijze waarop het voorbereidend onderzoek in de zaken tegen B., L. en B. M. is verricht, is evenmin geleverd.

De invoer van andere cocaïnetransporten in Nederland in de tenlastegelegde periode dan die welke in de dagvaarding onder 1 tot en met 5 zijn tenlastegelegd is evenmin bewijsbaar.

Dat B. zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de uitvoer uit Suriname van cocaïne daarentegen is wèl aannemelijk te achten. Vele getuigenverklaringen maken immers melding van gesprekken van B. over en bemoeienissen met internationale cocaïnehandel. Voor het bewijs evenwel dat het voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet betreft en deze hebben plaatsgevonden én in het kader van een bepaalde organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht én in de tenlastegelegde periode, te weten

1-1-89 tot augustus 1992, én bovendien betrekking hadden op de invoer in Nederland, bieden alleen de door de getuigen W. en P. afgelegde verklaringen enige, echter onvoldoende, steun, nog daargelaten de vraag of de verklaringen van de getuige W. uit het oogpunt van betrouwbaarheid gelet op zijn persoon en de wijze van totstandkoming van diens verklaringen boven elke twijfel verheven zijn.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Ook indien de identiteit van de voorheen anonieme getuige NN III niet bekend zou zijn geworden, zou het wettig en overtuigend bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit niet zijn geleverd, omdat het bewijs van het bestaan van de criminele organisatie rondom B. in beslissende mate op deze verklaring zou hebben gesteund en het hof ook na het afleggen van zijn verklaring op 15-2-00 al kon vaststellen dat de wetenschap van die getuige grotendeels afkomstig was van zijn twee anonieme kennissen.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat B. ten aanzien van de feiten 1 tot en met 6 dient te worden vrijgesproken.

13. Bewezenverklaring

Het hof acht daarentegen wel wettig en overtuigend bewezen dat B. feit 7 heeft begaan. De bewijsmiddelen zijn in het arrest opgesomd.

Het bewijs van de betrokkenheid van B. bij dit feit steunt in beslissende mate op de verklaring van de getuige v. L. De Staat heeft met deze getuige een overeenkomst gesloten. De verdediging heeft de rechtmatigheid van deze overeenkomst betwist.

Volgens het hof is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gaat om een ernstig misdrijf (het medeplegen van invoer van ongeveer 474 kilogram cocaïne vanuit Suriname naar Nederland) waarop een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren is gesteld. Redelijkerwijs viel aan te nemen dat zonder de verklaring van de getuige v. L., de organisator van het transport, de betrokkenheid van B. bij dit misdrijf niet zou kunnen worden bewezen. Gelet op de door de getuige en de betrokken officier van justitie mr. Harderwijk afgelegde verklaringen acht het hof voorts aannemelijk dat de getuige v. L. alleen een verklaring zou hebben willen afleggen als hem van de kant van de Staat een tegenprestatie zou worden geboden. Het sluiten van een overeenkomst overeenkomstig de Richtlijn “afspraken met criminelen” van 13-3-97 was derhalve noodzakelijk. De vervolgens door de Staat geleverde tegenprestatie, te weten in geval van een verwerping van het cassatieberoep een positief advies ten aanzien van een door de getuige in te dienen gratieverzoek met betrekking tot de door het Hof Den Haag opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren, in die zin dat zal worden geadviseerd dat de tenuitvoerlegging van deze straf middels gratie effectief met 21 maanden zal worden verminderd, staat in een redelijke verhouding tot de door de getuige na te komen verplichtingen, te weten het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring tegenover iedere rechterlijke instantie die daarom verzoekt, in aanmerking genomen de veiligheidsrisico's die het afleggen van een zodanige, voor B. belastende, verklaring voor de getuige en zijn gezin zou opleveren.

De omstandigheid dat de overeenkomst is gesloten door de Staat der Nederlanden, te dezen in opdracht van het College van Procureurs-Generaal vertegenwoordigd door de hoofdofficier, Hoofd van het arrondissementsparket te Den Haag, acht het hof niet in strijd met enige wettelijke regel. De verdediging heeft ook niet aangegeven met welke wettelijke regel die strijdigheid zou bestaan. Een wettelijke basis voor het sluiten van een dergelijke overeenkomst is vooralsnog niet noodzakelijk, nu een voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken) bij de Tweede Kamer aanhangig is. Dat de Minister van Justitie zowel bij het sluiten van deze overeenkomst als bij het verlenen van gratie betrokken is doet niet terzake, nu gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd en de overeenkomst met de getuige v. L. is gesloten door de Staat der Nederlanden.

De stelling van de verdediging dat de facto aan de getuige v. L. de toezegging is gedaan dat een deel van de hem opgelegde straf niet zal worden ten uitvoer gelegd is onjuist.

Art. 553 Sv schrijft o.m. voor dat de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt door het openbaar ministerie. Rechterlijke beslissingen, i.c. opgelegde vrijheidsstraffen, behoren in ons wettelijk stelsel door het openbaar ministerie te worden ten uitvoer gelegd. Het openbaar ministerie heeft niet de vrijheid uit eigen hoofde overeenkomsten te sluiten om van tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf geheel of gedeeltelijk af te zien. Schending van deze wetsbepaling doet zich hier evenwel niet voor.

Ons wettelijk stelsel kent wel een andere voorziening die het mogelijk maakt dat geheel of gedeeltelijk van de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf wordt afgezien, nl. de gratiëring.

Gratie wordt niet verleend door het openbaar ministerie doch bij koninklijk besluit. Het openbaar ministerie doet over het gratieverzoek verslag aan het gerecht dat de straf heeft opgelegd en geeft een oordeel over de beslissing die daarop ware te nemen. Het gerecht dat de straf heeft opgelegd, zendt vervolgens zijn advies, met daarbij gevoegd het verslag van het openbaar ministerie, naar de Minister van Justitie.

Gratie kan onder meer worden verleend op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of heeft kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf.

Het is niet ondenkbaar dat de rechter die de straf aan v. L. heeft opgelegd over de hoogte van de straf anders zou hebben geoordeeld indien hij bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat met v. L. een afspraak als bedoeld in de Richtlijn "afspraken met criminelen" zou zijn gemaakt. Immers het afleggen van een belastende verklaring door v. L., waardoor de waarheidsvinding kan worden gediend, kan een gevaar voor het leven of de persoonlijke veiligheid van hemzelf en of zijn gezin opleveren en deze omstandigheid zou de rechter aanleiding hebben kunnen geven de op te leggen straf te verminderen. Gratie is in de ogen van de wetgever in de eerste plaats een instrument van gerechtigheid. De gerechtigheid zou niet worden gediend als de rechter bij de straftoemeting geen rekening zou houden met de gevolgen van het nakomen van de wettelijke spreekplicht van getuigen. Een van die gevolgen kan namelijk zijn dat de getuige en zijn gezin in een getuigenbeschermingsprogramma moet worden opgenomen.

Het openbaar ministerie is in deze zaak in zoverre aan de overeenkomst gebonden dat het openbaar ministerie niet alleen in zijn verslag aan de rechter melding moet maken van de gesloten overeenkomst maar ook een oordeel moet geven dat aansluit bij diezelfde overeenkomst. De toezegging van het openbaar ministerie om een positief gratieadvies te geven is niet in strijd met de wet. De rechter die de straf heeft opgelegd is aan dit advies niet gebonden. Het is heel goed mogelijk dat de rechter in zijn advies aangeeft tot welke strafvermindering de door de getuige geleverde tegenprestatie naar zijn oordeel aanleiding zou hebben gegeven. Het staat vervolgens de rechter geheel vrij van het positieve gratieadvies van het openbaar ministerie af te wijken. Ook de Minister van Justitie is bij zijn voordracht omtrent het op het gratieverzoek te nemen besluit niet gebonden aan de overeenkomst, omdat hij immers volgens de wet het rechterlijk advies bij zijn voordracht moet betrekken. Niet uit te sluiten valt bij voorbeeld dat, ingeval de rechter gemotiveerd aangeeft dat de door de getuige geleverde tegenprestatie in geen enkele verhouding staat tot de verplichting die de getuige krachtens de gesloten overeenkomst op zich heeft genomen of dat de rechter de gesloten overeenkomst in strijd acht met de Richtlijn "afspraken met criminelen" de Minister van Justitie zijn voordracht wijzigt. Niet uit te sluiten valt voorts dat Hare Majesteit de Koningin in het rechterlijk advies aanleiding vindt om het gratieverzoek niet in te willigen. Een dergelijke situatie kan voor de Staat der Nederlanden aanleiding zijn om een andere tegenprestatie te leveren dan gratiëring.

De gesloten overeenkomst acht het hof derhalve toelaatbaar en rechtmatig. Het verweer van de verdediging dat vanwege de gesloten overeenkomst het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel de verklaring van de getuige v. L. van het bewijs dient te worden uitgesloten wordt derhalve verworpen.

Het ondervragingsrecht van de verdediging is op geen enkele wijze beperkt. Aan de getuige zijn door het hof zoveel mogelijk open vragen gesteld en is zoveel mogelijk vermeden de getuige te confronteren met reeds in het dossier voorkomende feiten en omstandigheden. De getuige heeft puttend uit zijn geheugen zonder enige aarzeling op gestelde vragen geantwoord. Zijn antwoorden stemden, enkele details daargelaten, overeen met eerder tegenover de politie afgelegde verklaringen. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat de getuige niet naar waarheid heeft verklaard.

Geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de door de getuige v. L. afgelegde verklaring doet het feit dat de getuige al voordat de overeenkomst was getekend bij de politie een verklaring heeft afgelegd. De indruk van de verdediging, dat de getuige een voor B. zo belastend mogelijke verklaring heeft afgelegd om aldus zijn onderhandelingspositie te versterken, heeft de getuige bij het hof niet achtergelaten. De getuige stond strafvermindering voor ogen en vertrouwde erop dat een overeenkomst zou worden gesloten waarin een voor beide partijen acceptabele strafvermindering zou zijn opgenomen. Op geen enkele wijze is gebleken dat de getuige de inhoud van zijn verklaring als onderhandelingsinstrument heeft gebruikt.

Omdat het bewijs van de betrokkenheid van B. bij het onder 7 tenlastegelegde feit in beslissende mate op de verklaring van de getuige v. L. steunt, overweegt het hof ten overvloede nog het volgende.

Het is het hof niet ontgaan dat in het pleidooi het mededaderschap van B. slechts globaal wordt ontkend. In het bijzonder wordt niet uitdrukkelijk ontkend (a) dat hij v. L. kent, (b) dat hij v. L. ooit heeft ontmoet, (c) dat hij een visum voor v. L. heeft geregeld en (d) dat sprake is geweest van een ontmoeting tussen v. L. en B. waarbij de auto waarin v. L. reed langszij kwam aan de auto van B.. De verdediging trekt slechts in twijfel de stelling van v. L. dat v. L., toen hij met B. in contact kwam, hem niet kende. De verdediging trekt voorts in twijfel het tijdstip van de ontmoeting van v. L. met B. (februari 1996). De verdediging vraagt zich tenslotte af waarom v. L. van B. zou moeten worden afgehouden, als juist met hem zulke vergaande besprekingen zouden zijn gevoerd.

Niet uitgesloten is dat de raadsman van B., hetzij omdat hij door B. niet uitdrukkelijk is gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, hetzij omdat hij door B. niet uitdrukkelijk is gemachtigd het mededaderschap te ontkennen, zich niet vrij gevoeld heeft een alibiverweer in zijn pleidooi te voeren. Daar staat tegenover dat het hof zich bij de waardering van het bewijs en het bekomen van zijn overtuiging niet heeft kunnen laten leiden door een - gemotiveerde - ontkenning van het daderschap van B..

14. Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

15. Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf als volgt gemotiveerd.

B. heeft in samenwerking met anderen van hem afkomstige cocaïne binnen het grondge-bied van Nederland laten brengen. Het ging hier om een zeer aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, ongeveer 474 kilo-gram inclusief verpakking. Bovendien heeft B. dit gedaan in georga-niseerd verband.

Cocaïne vormt, zoals algemeen bekend, een groot gevaar voor de volksgezondheid. Bovendien werkt de verslaving aan cocaïne, gekoppeld aan de door verslaafden te betalen hoge koopprijzen, verdere criminaliteit in de hand. B. heeft kennelijk de belangen van de gezondheid naast zich neergelegd en slechts oog gehad voor eigen financieel gewin. De wetgever heeft op feiten van deze ernst en aard in het belang van de volksge-zondheid strenge straffen gesteld.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de (machts)positie die B. in de Surinaamse samenleving bekleedt. Als een gezaghebbend persoon als B. zich met cocaïnehandel vanuit Suriname naar Nederland inlaat, dan levert dit niet alleen gevaar voor de volksgezondheid en toename van aan het gebruik van cocaïne gerelateerde criminaliteit op. Personen als B. hebben een voorbeeldfunctie. Als zij hun (machts)positie misbruiken voor eigen geldelijk gewin en de aan cocaïnehandel verbonden schadelijke gevolgen veronachtzamen, dan dient hen dit zwaarder te worden aangerekend dan de doorsnee burger. Voorts kan, indien personen met een maatschappelijke positie als die van B. internationale cocaïnehandel bedrijven, het aanzien van het land van waaruit de export plaats vindt ernstig worden geschaad, hetgeen verstrekkende gevolgen kan hebben voor de positie van dat land in het internationale (rechts)verkeer, waaronder het rechtsverkeer met Nederland.

Het hof rekent B. zwaar aan dat hij het onderhavige feit heeft gepleegd op een moment dat hij wist dat hij terzake van soortgelijke feiten, begaan in georganiseerd verband, werd vervolgd.

Het hof heeft acht geslagen op het feit dat uit het uittreksel uit het documentatieregister niet blijkt dat B. eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof acht dit feit echter van ondergeschikt belang omdat B. al lange tijd niet meer van de Nederlandse samenleving deel uitmaakt.

Het hof stelt vast dat de verdediging in haar pleidooi geen beschouwingen aan de eventueel op te leggen straf heeft gewijd en het hof derhalve ook geen rekening kan houden met eventuele strafverminderende omstandigheden.

Het hof heeft acht geslagen op het feit dat aan de mededader, v. L., de organisator van het onderhavige cocaïnetransport, een gevangenisstraf van acht jaren is opgelegd. Hoewel B. als opdrachtgever en leverancier van de grote hoeveelheid in Nederland ingevoerde cocaïne een (veel) hogere straf verdient dan de organisator van het transport, v. L., komt het hof niet, ook niet indien de hiervoor ten bezware van B. in aanmerking genomen omstandigheden bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf worden betrokken, tot de maximaal toelaatbare straf, te weten twaalf jaren gevangenisstraf. Het hof heeft laten meewegen dat B. terzake van de onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde feiten is vrijgesproken.

Het hof is, gelet op alle hiervoor genoemde strafbepalende omstandigheden van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Het hof legt een hogere straf op dan de rechtbank voor dit feit heeft opgelegd. De rechtbank heeft evenwel met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de eerder ten aanzien van de feiten 1 tot en met 6 uitgesproken veroordeling tot negen jaren gevangenisstraf.

Het hof is van oordeel dat daarnaast niet, zoals door het openbaar ministerie is gevorderd, een aanzienlijke geldboete geboden is, nu de cocaïne inbeslaggenomen is en B. ten aanzien van dit transport geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

16. Bevel tot gevangenneming

De vordering van het openbaar ministerie tot het geven van een bevel tot gevangenneming zal, voorzover betrekking hebbende op feit 7, worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het feit waarvoor B. door het hof is veroordeeld en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren is gesteld door zijn bijzondere ernst alsmede de publieke reactie daarop, ook thans nog een maatschappelijke onrust veroorzaakt die een voorlopige hechtenis rechtvaardigt.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt de vonnissen waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft de in feit 1 sub 6 voorkomende woorden: “althans het buitenland”.

Verklaart niet bewezen dat B. de feiten 1 tot en met 6, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, heeft begaan en spreekt B. daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat B. feit 7 heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt B. daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde straf-bare feit oplevert.

Verklaart B. te dier zake strafbaar.

Veroordeelt B. tot een gevangenisstraf voor de duur van ELF JAREN.

Beveelt de gevangenneming van B..

Beveelt dat, indien B. vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis wordt gesteld, de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Von Brucken Fock, Oosterhof en Stoker-Klein,

in bijzijn van de griffiers Van Pelt en mr Nijssen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juni 2000.