Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6305

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
18-07-2003
Zaaknummer
0975408797 en 0975403399
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV0613
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2000-06-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummers : 2200144699 en 2200151299 (gevoegde zaken)

Parketnummers : 0975408797 en 0975403399

Datum uitspraak : 30 juni 2000

Verstek

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

Gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen de vonnissen met de parketnummers

0975408797 en 0975403399 van de arrondissementsrechtbank te

‘s-Gravenhage van 16 juli 1999 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1945,zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Voeging

Het hof heeft ter terechtzitting van 15 december 1999 de voeging bevolen van de beide hiervoor genoemde zaken, welke in eerste aanleg afzonderlijk zijn behandeld.

2. Onderzoek van de zaak

2.1. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op

de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 10, 13, 15, 16, 17, 20 en 22 december 1999, 23, 27, 28, 29 en 31 maart 2000, 3, 4, 5, 6, 10, 13 en 14 april 2000, 15, 16, 22 en 31 mei 2000, 5, 9, 14 en 16 juni 2000.

2.2. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal mrs. Van den Broek en Van Atteveld en van hetgeen door de raadsman mr. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

3. Tenlastelegging

3.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën zijn gevoegd in dit arrest.

3.2. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien.

Het hof zal die nummering in dit arrest aanhouden.

4. De behandeling van het hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte

4.1. Het hof heeft de zaak in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte behandeld. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

4.2. De verdediging heeft reeds bij de aanvang van de behandeling in hoger beroep verzocht om de verdachte een vrijgeleide te verlenen. Voor wat betreft dit verzoek verwijst het hof naar hetgeen het hof ter terechtzitting van 10 december 1999 omtrent dat verzoek heeft overwogen.

4.3. Het belang van de waarheidsvinding, dat zeer gediend is door de verschijning van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten einde omtrent de hem tenlastegelegde feiten te kunnen worden ondervraagd, heeft het hof ertoe gebracht om -desgewenst- de voorlopige hechtenis onder de gebruikelijke algemene voorwaarden te schorsen. De schorsing zou gelden voor de periode van 2 dagen vóór en 2 dagen ná de ondervraging van de verdachte, behoudens de mogelijkheid van verlenging door het hof. Datum en tijdstip waarop de schorsing zou plaatsvinden zouden in een later stadium, wanneer de verdachte daarop positief zou hebben gereageerd, door het hof, gehoord het openbaar ministerie en de verdediging, worden vastgesteld.

4.4. Het hof achtte zich niet bevoegd andere maatregelen dan de reeds genoemde schorsing van de voorlopige hechtenis te treffen, indien het nodig zou blijken te zijn om de verdachte gedurende de schorsingsperiode feitelijk strafrechtelijke immuniteit te verschaffen.

Het openbaar miniserie heeft er terecht op gewezen dat in dit verband veeleer moet worden gesproken over "tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen", welke tijdelijke vrijwaring door de verdachte noodzakelijk werd geacht om ter terechtzitting van het hof te verschijnen.

4.5. Het hof heeft op 10 december 1999 geoordeeld dat het dus op de weg van de verdediging ligt om door het indienen van de nodige verzoeken bij de bevoegde autoriteiten die immuniteit (lees: vrijwaring) te verkrijgen.

4.6. Tenslotte heeft het hof overwogen dat, indien naderhand zou blijken dat de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen strafrechtelijke immuniteit (lees: vrijwaring) heeft verkregen en de verdachte om die reden ervan heeft afgezien ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, het hof bij zijn eindarrest zou bezien of, en zo ja in welke mate, hieraan gevolgen behoren te worden verbonden.

4.7. De verdediging heeft in het schrijven aan de advocaten-generaal mr. van Atteveld en mr. D.C. van den Broek van 4 mei 2000 het volgende meegedeeld:

"Bij beslissing van december 1999 heeft het Hof bepaald dat op enig moment, in de woorden van het Hof, de voorlopige hechtenis van cliënt onder de gebruikelijke algemene voorwaarden kan worden geschorst. Blijkens de beslissing van het Hof dient de schorsing voor de periode van 2 dagen vóór en 2 dagen ná de ondervraging van de verdachte te gelden, behoudens de mogelijkheid van verlenging door het Hof (de verdediging verstaat onder de periode "2 dagen voor en 2 dagen na" overigens ook de dag ter terechtzitting zelve).

Het Hof heeft bovendien overwogen dat het op de weg ligt van de verdediging (door het indienen van de nodige verzoeken bij U) te komen tot een, voor de duur van de schorsingsperiode, feitelijke strafrechtelijke immuniteit van cliënt. Het is om die laatste reden, dat ik mij thans tot U wend en U verzoek mij mede te delen of het Openbaar Ministerie bereid is zo'n feitelijke strafrechtelijke immuniteit voor [verdachte] te - doen - verstrekken. Daaronder dient dan in ieder geval te worden verstaan dat jegens [verdachte] geen dwangmiddelen zullen worden toegepast, uit welke hoofde ook door welke (ook buitenlandse, intergouvernementele of supranationale) autoriteit ook. Bovendien zal de Staat der Nederlanden aan [verdachte] op voorhand een schriftelijke garantie dienen te verstrekken, dat de Staat ervoor zal instaan dat eventuele verzoeken van buitenlandse (c.q. intergouvernementele of supranationale) autoriteiten ziende op het toepassen van dwangmiddelen jegens [verdachte] niet zullen worden ingewilligd en daaraan anderszins niet tegemoet zal worden gekomen."

4.8. Ter terechtzitting van het hof van 15 mei 2000 heeft het openbaar ministerie - voor zover hier van belang - het volgende meegedeeld:

“1. Het OM zal de medeverdachte 1 en [verdachte] niet aanhouden voor de huidige ten laste gelegde feiten, gedurende en voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in het schorsingsbevel van het Hof. Mocht het OM van oordeel zijn dat (een van) de verdachten zich niet houden aan de schorsingsvoorwaarden dan zal dat door middel van een vordering opheffing schorsing onmiddellijk aan uw Hof worden voorgelegd.

2. Van andere eerder gepleegde strafbare feiten van de verdachte is ons niets bekend. Bovendien heeft het OM in eerste aanleg er ook mee ingestemd dat de verdachten terzake reeds gepleegde feiten als zij naar Nederland zouden komen om als getuigen te worden gehoord niet zouden worden aangehouden.

De verdachten zullen niet worden aangehouden op verdenking van eerder door hun gepleegde andere strafbare feiten, voor zover hier niet anders is bepaald.

3. De verdachte [verdachte] zal door het OM niet worden aangehouden voor wat wel wordt genoemd de 'decembermoorden' gelet op de eerder door de hoofdofficier van justitie te Amsterdam genomen beslissing geen vervolging ter zake in te stellen jegens de verdachte [verdachte]. Wanneer de rechter, in casu de raadkamer van het Amsterdamse Gerechtshof, het OM in de zin van art. 12 Sv. een bevel tot vervolging o.d. geeft kan dat anders komen te liggen. Voor juli 2000 wordt geen beslissing van het Hof Amsterdam verwacht.

4. Wanneer (een van) de verdachten tevens als getuigen in de strafzaak tegen een medeverdachte zal optreden en daarbij het misdrijf van art. 207 Sr. pleegt dan zou het OM gebruik kunnen maken van de haar toekomende dwangmiddelen om de verdachte (buiten heterdaad) aan te houden. De verdachte wordt wettelijk namelijk de keuze geboden tussen de waarheid te verklaren of zich te beroepen op zijn verschoningsrecht ex art. 219 jo. 284 lid 4 jo. 415 Sv. Gelet op de verwevenheid van het strafbare feit van meineed met de strafzaak tegen de verdachte zelf zal het OM bij een verdenking ter zake meineed geen eigen dwangmiddelen toepassen, maar door middel van een vordering opheffing schorsing dit ter beslissing aan het Hof voorleggen.

5. In de hiervoor genoemde voorwaarden is uitgegaan van de veronderstelling dat het Hof als "bijzondere" voorwaarde in de zin van art. 80 lid 1 Sv in zijn schorsingsbevel heeft opgenomen dat de verdachten (gedurende de schorsing) geen strafbare feiten mogen plegen en dat de verdachten aanwijzingen van de autoriteiten in Nederland zullen opvolgen in het kader van de openbare orde en (hun eigen) veiligheid.

Hoewel wij in beginsel geen mededelingen doen over signaleringen van verdachten zullen wij, zoals ook al aangegeven, in de geest van de beslissing van uw Hof thans mededelen dat de verdachte [verdachte] in Nederland niet gesignaleerd staat ter fine van uitlevering, op verzoek van een andere soevereine staat. Op dit moment zijn ook geen andere rechtshulpverzoeken tot Nederland gericht waarbij eventueel vrijheidsbenemende dwangmiddelen zouden kunnen worden toegepast.

De minister van justitie is benaderd, n.a.v. het verzoek van de raadsman van de verdachte [verdachte] m.b.t. internationale rechtshulp. De minister van justitie is namelijk verantwoordelijk voor de internationale rechtshulp.

De door de raadsman gevraagde toezegging, in algemene zin, kan door de minister uiteraard niet worden gegeven. Zonder wetenschap te hebben over aard en inhoud van een eventueel nog te ontvangen rechtshulpverzoek kan de minister, gelet op de in het internationale rechtsverkeer geldende omgangsvormen tussen rechtsstaten, niet bij voorbaat in de algemene zin een toezegging doen, zoals gevraagd. Gerespecteerd moet worden dat in casu geen sprake is van een internationaal, op grond van het gewoonterecht gerespecteerde, regeling van een vrijgeleide.”

4.9. Ter terechtzitting van 22 mei 2000 heeft de verdediging het volgende betoogd:

“Mijn verzoek van 4 mei jl. is kennelijk zo uitgelegd, als zou ik de Minister van Justitie zich willen laten verbinden tot een andere opstelling, dan waartoe hij uit hoofde van internationale verdragen in het kader van met name uitlevering is verplicht. Deze implicatie heeft mijn voorstel niet. Ik heb enkel een toezegging verlangd, ertoe strekkende dat vanwege de Staat (waaronder ook de Minister van Justitie) geen dwangmiddelen jegens [verdachte] zullen worden toegepast, uit welke hoofde ook (dus ook niet uit hoofde van een eventueel toekomstig verzoek tot uitlevering van de [verdachte]).

Met betrekking tot vrijheidsbeneming in het kader van uitleverings-verzoeken, moet zowel de nationale wet als het toepasselijk verdrag worden bezien. Ik meen dat de Uitleveringswet de autoriteiten hier te lande geenszins verplicht tot het toepassen van dwangmiddelen, ook al is ten aanzien van de betrokkene een uitleveringsverzoek gedaan. Ik verwijs naar de artikelen 16 e.v. van de Uitleveringswet (met name artikel 21), waaruit de discretionaire bevoegdheid van de aangezochte autoriteiten in deze zin blijkt. In gelijke zin ook Swart (Nederlands Uitleveringsrecht), pp. 513 v. Krachtens nationale wetgeving staat er dus mijns inziens niets aan in de weg, dat op voorhand de garantie komt dat ten aanzien van de heer [verdachte] in dit kader geen dwangmiddelen zullen worden toegepast.

Complicerende factor daarbij is dat krachtens een enkel verdrag de vrijheidsbeneming wel verplicht is (vergelijk Swart t.a.p.; hij wijst er daarbij overigens op dat veelal zelfs dan daar discussie kan bestaan of de vrijheidsbeneming "onvoorwaardelijk verplicht" is). Ik meen dat dit bezwaar (voor de verdediging althans) kan worden ondervangen, door de heer [verdachte] -in ieder geval mede- "uit te nodigen" onder de titel van artikel 7 lid 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarbij Nederland en Suriname partij zijn.

Uiteraard heb ik -ook andermaal- kennis genomen van het standpunt van Uw Hof terzake, zoals uitgedragen in het eerste zittingsblok, inhoudende (naast het probleem, dat zo'n vrijgeleide enkel ziet op handelingen gepleegd voorafgaande aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte partij; dat probleem wordt echter ondervangen door de overige garanties die door de verdediging zijn verzocht):

"deze verdragsbepaling is overigens ingevolge het bepaalde in artikel 7 lid 7 van het verdrag in het rechtsverkeer tussen Nederland en Suriname niet van toepassing nu tussen deze landen een bilateraal verdrag inzake wederzijdse rechtshulp van kracht is."

De regeling op grond waarvan Uw Hof haar stellingname heeft ingenomen luidt aldus (artikel 7 lid 7 Sluikhandelverdrag):

"Het achtste lid tot en met het negentiende lid van dit artikel gelden voor verzoeken die ingevolge dit artikel worden gedaan, indien de betrokken partijen niet gebonden zijn door een verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp. Indien de partijen wel door een dergelijk verdrag zijn gebonden, gelden de overeenkomstige bepalingen van dat verdrag, tenzij de partijen overeenkomen in plaats daarvan het achtste lid tot en met het negentiende lid van dit artikel toe te passen."

Ik heb daarbij de volgende kanttekeningen te maken. Het bilaterale verdrag er nog eens op nagekeken hebbende, valt op dat in dat bilaterale verdrag ontbreekt een bepaling die ziet op het verstrekken van een vrijgeleide in de zin van het Sluikhandelverdrag; overeenkomstige bepalingen met betrekking tot andere rechtshulp in de zin van de leden 8 tot en met 19 van het Sluikhandelverdrag zijn wel opgenomen. Ik versta de beslissing van Uw Hof aldus, dat vanwege de toepasselijkheid van een bilateraal verdrag per definitie de toepasselijkheid van het multilaterale verdrag is uitgesloten. Daarmee miskent Uw Hof evenwel dat in het multilateraal verdrag zelve al de mogelijkheid van toepasselijkheid van een bilateraal verdrag is voorzien en dat dan toch geopteerd kan worden door partijen voor toepassing van de bepalingen van het multilaterale verdrag, ook al zijn er -zoals in casu- overeenkomstige bepalingen in het bilaterale verdrag. De premisse van het Hof dat een bilateraal verdrag per definitie uitsluit de toepasselijkheid van het multilateraal verdrag, is daarmee een onjuiste.

Als partijen (Nederland en Suriname) dus nu overeenkomen dat -in weerwil van de overeenkomstige bepalingen in het bilaterale verdrag- de bepalingen van het multilaterale verdrag toepassing verdienen, dan kan in zo'n bilaterale afspraak wel degelijk (overeenkomstig lid 18 van artikel 7; dat valt binnen dat deel van het artikel waarvan partijen kunnen afspreken dat dat toepasselijk is -lid 8 tot en met 19-) immers een vrijgeleide worden verstrekt.

Het Sluikhandelverdrag schept de mogelijkheid dat een persoon (een getuige, maar ook een andere persoon "die zich bereid verklaart te getuigen in een proces of te helpen bij een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure op het grondgebied van de verzoekende Partij"; de heer [verdachte] zou onder beide categorieën zijn te scharen) in het kader van deze strafzaken naar Nederland afreist onder de garantie van een vrijgeleide in de zin van dit verdrag. Deze vrijgeleide, indien die aan de heer [verdachte] zou worden verstrekt, kan dan worden tegengeworpen aan een Staat die om de uitlevering van de heer [verdachte] zou vragen (of enig ander verzoek tot rechtshulp zou doen, in het kader waarvan toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen in aanmerking zou komen) en op grond van dat verzoek (in het licht van het toepasselijk verdrag) aanspraak zou kunnen maken op imperatieve toepassing van vrijheidsbenemende maatregelen uit hoofde van dat verzoek.

Ten overvloede nog het volgende met betrekking tot de zienswijze van het Hof als zou op basis van de eerste zin van artikel 7 lid 7 van het Sluikhandelverdrag per definitie het bilaterale verdrag van toepassing zijn en daarmee het verstrekken van een vrijgeleide uitgesloten moeten worden geacht. Ik zie niet in dat als op grond van deze bepaling naar het bilaterale verdrag moet worden gekeken en dan blijkt dat in dat verdrag de vrijgeleide niet is geregeld (maar dus ook niet de mogelijkheid van het verstrekken van een vrijgeleide expliciet wordt uitgesloten) niet kan -of zelfs moet- worden teruggegrepen op de bepalingen van het multilaterale (posterieur aan het bilaterale) verdrag, waarbij beide partijen zijn aangesloten en waarbij zo'n vrijgeleide wel is geregeld. Toen Nederland en Suriname zich in de jaren '90 aansloten bij het multilaterale verdrag heeft men daarmee kennelijk de mogelijkheid aanvaard dat vrijgeleiden op basis van dat verdrag zouden kunnen worden verstrekt.

(..)

Conclusie: ik persisteer bij mijn verzoek van 4 mei en verzoek het Openbaar Ministerie haar standpunt te heroverwegen en (of) alsnog bij de Minister aan te dringen op het doen van toezeggingen in de zin van mijn brief van 4 mei jl., die blijkens het hiervoor overwogene niet moet worden gelezen als een verzoek tot het niet in behandeling nemen van rechtshulpverzoeken, maar als een verzoek tot het niet toepassen van dwangmiddelen in dat verband. Voorts geef ik het Openbaar Ministerie in overweging het ertoe te leiden dat er een rechtshulpverzoek naar Suriname zal uitgaan, waarin verzocht wordt om de heer [verdachte] uit hoofde van het bilaterale verdrag (na van toepassing verklaring van de leden 8 tot en met 19 van het Sluikhandelverdrag) ten behoeve van de thans lopende strafzaken naar Nederland te laten komen, onder de garanties die dat verdrag hem alsdan biedt.”

4.10. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting van 22 mei 2000 als volgt gerepliceerd.

"Die toezegging om geen dwangmiddelen toe te passen kan niet worden gedaan om de navolgende redenen. De raadsman heeft ongeclausuleerd om vrijwaring van de toepassing van dwangmiddelen gevraagd. In zijn eigen betoog heeft hij terecht al verwezen naar Verdragen die de Nederlandse Staat verplichten om gevolg te geven, aan verzoeken van andere Staten die aan de eisen in het Verdrag voldoen. De minister heeft daarom terecht, in algemene zin, gelet op die Verdragsverplichtingen, die toezegging niet KUNNEN doen. De discretionaire bevoegdheid waar Swart over spreekt richt zich n. op een andere problematiek die zich in deze casus niet voor doet en waar wij dus nu niet verder op in zullen gaan.

B. Bij ons standpunt zoals geformuleerd op 15 mei 2000 hebben wij reeds aangegeven dat de minister van justitie, als vertegenwoordiger van een rechtstaat die zijn verdragsverplichtingen zal moeten nakomen, zonder kennis te hebben van de inhoud en de aard van een eventueel te ontvangen rechtshulpverzoek rechtens deze toezegging niet kan doen. Voor zover het rechtshulpverzoek niet op een verdrag is gebaseerd dient dit op grond van art. 552k lid 2 Sv op zijn redelijkheid te worden getoetst, dat wil zeggen dat ook hier niet op voorhand die vrijwaring van dwangmiddelen kan worden gegeven gelet op afwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Tot slot nog een enkele opmerking over de visie van de raadsman over de uitleg van de relevante verdragen. Die visie delen wij niet.

De volgende redenen kunnen daarvoor worden aangevoerd.

Nog daargelaten welke betekenis aan een uitleveringsverzoek aan Nederland moet worden toegekend indien het, zoals in casu, om een niet ingezetene/nationaal gaat die zich niet meer in Nederland bevindt. Via een omweg stelt de raadsman eigenlijk voor dat Nederland het uitleveringsverzoek niet in behandeling zal nemen omdat Nederland dan eenvoudigweg de opgeëiste persoon niet meer kan uitleveren. Materieel zou dat dan op hetzelfde neerkomen.

De raadsman miskent in zijn standpunt de in het internationaal verdragenrecht geldende uitleg van verdragen. In het Multilaterale verdrag van Wenen inzake de sluikhandel in verdovende middelen (enz) is de opdracht gegeven, als gevolg van de formulering in art. 7 van dit verdrag, dat aangesloten Staten die een bilateraal (of multilateraal) verdrag gaan sluiten op dit terrein moeten afspreken of zij in hun onderlinge relatie de mogelijkheden van art. 7 (lid 7, tweede volzin) in het leven willen roepen of juist niet. Het multilaterale verdrag van Wenen respecteert juist de uitdrukkelijke beslissing van verdrag- sluitende partijen om een en ander anders onderling te regelen. Dit sluit ook aan bij het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht (waarbij zowel Nederland als Suriname partij is) met name de artikel 30 lid 3 van het verdrag.

Het zal uw Hof niet zijn ontgaan dat het bilateraal verdrag tussen Nederland en Suriname sterke gelijkenis vertoont met het Benelux-verdrag inzake uitlevering en wederzijdse rechtshulp in strafzaken, waarin de vrijgeleide wel is geregeld. Uit het feit dat dit Benelux-verdrag kennelijk als uitgangspunt van de besprekingen tussen Nederland en Suriname heeft gediend moet worden afgeleid dat Nederland en Suriname welbewust hebben afgezien van een voorziening als bedoeld in artikel 7 van het Verdrag van Wenen inzake de sluikhandel en art. 35 van genoemd Benelux-verdrag. Ook uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat er geen steun kan worden gevonden voor de visie van de raadsman.

Het OM heeft de maximaal mogelijke toezegging gedaan aan de verdachte om hier ter zitting in het kader van de waarheidsvinding te worden gehoord. Een verdergaande toezegging zoals door de raadsman thans ter zitting wordt gevraagd kan niet worden gedaan. Die toezegging is in strijd met het internationale recht en kan derhalve niet van de minister van justitie worden verlangd. Het is aan de verdachte de keuze, zoals wij eerder al hebben aangegeven, om te komen of door zijn raadsman de volledige verdediging ter zitting te laten voeren door hem een machtiging te verstrekken."

4.11. Ter terechtzitting van 22 mei 2000 heeft de verdediging bevestigd dat de verdachte niet naar Nederland komt teneinde ter terechtzitting van het hof te verschijnen.

4.12. De verdachte is ook sedertdien niet ter terechtzitting van het hof verschenen en het in de onderhavige zaak verleende verstek is onverminderd van kracht gebleven. Ook heeft de verdediging niet de wens te kennen gegeven dat de voorlopige hechtenis van de verdachte op enig moment met het oog op diens verschijning ter terechtzitting van het hof zou moeten worden geschorst.

4.13. Op het hof rust thans de, overigens door het hof aan zichzelf opgelegde verplichting, om, indien zou blijken dat de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen heeft verkregen en hij om die reden ervan heeft afgezien ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, te bezien of, en zo ja in welke mate, hieraan gevolgen behoren te worden verbonden.

4.14. Als eerste dient te worden beantwoord de vraag of de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen heeft verkregen.

4.15. Volgens het hof dient het handelen van de Nederlandse overheid in dezen te worden getoetst aan het redelijkheidscriteriu Het hof zoekt in zoverre aansluiting bij het bepaalde in artikel 552k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat onder meer bepaalt dat in gevallen waarin het betreft een redelijk verzoek - om rechtshulp - dat niet op een verdrag is gegrond, aan het verzoek wordt voldaan, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van de Minister van Justitie.

4.16. De door het openbaar ministerie gestelde condities "tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen", kort samengevat inhoudende, dat door of in opdracht van het openbaar ministerie geen eigen dwangmiddelen zullen worden toegepast en dat, ingeval door de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten zouden worden gepleegd, door het openbaar ministerie aan het hof opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zou worden verzocht, zijn door de verdediging niet bestreden en zijn ook als alleszins redelijk te typeren. Het spreekt vanzelf dat aan een verdachte geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen kan worden gegeven, indien hij na aankomst in Nederland nieuwe strafbare feiten zou plegen. Door voorts de toepassing van dwangmiddelen in handen te geven van de rechter die over de strafzaak tegen de verdachte oordeelt, heeft het openbaar ministerie aan de verdachte ruim baan willen geven om ter terechtzitting van het hof te verschijnen.

4.17. Het hof onderschrijft voorts het standpunt van het openbaar ministerie dat door de Minister van Justitie geen toezegging in algemene zin kan worden gedaan om in geval van een rechtshulpverzoek ten aanzien van de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geen dwangmiddelen toe te passen. Ook in geval het toepasselijke verdrag niet tot toepassing van dwangmiddelen zou verplichten, kunnen zich met betrekking tot het verzoek om internationale rechtshulp, waaronder begrepen ook verzoeken om uitlevering, omstandigheden voordoen die in vergelijkbare gevallen aanleiding zouden geven om tot toepassing van dwangmiddelen over te gaan. Door onder dergelijke omstandigheden de toepassing van dwangmiddelen achterwege te laten zou Nederland niet alleen zijn uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomen doch ook in strijd handelen met het gelijkheidsbeginsel.

4.18. Het hof bevestigt nog eens de eerder ter terechtzitting van 10 december 1999 gegeven interpretatie van artikel 7 lid 7 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988 (Trb. 1989, 97), hierna te noemen het Sluikhandelverdrag, namelijk dat de regeling in artikel 7 lid 18 van het Verdrag inzake de vrijgeleide in het rechtsverkeer tussen Nederland en Suriname niet van toepassing is, nu tussen deze landen een bilateraal verdrag inzake wederzijdse rechtshulp (De Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, Gravenhage 27 augustus 1976, Trb. 1976, 143, 1981, 160 en 1983, 8, hierna te noemen de Overeenkomst, en het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake evengenoemde Overeenkomst, ’s-Gravenhage, 18 mei 1993 (Trb. 1995, 84; in werking getreden op 28 februari 1995), van kracht is.

De bij het Sluikhandelverdrag aangesloten Staten moeten ingevolge eerstgenoemd artikellid, indien zij bilateraal een Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken sluiten, uitdrukkelijk overeenkomen om uitvoering te geven aan een of meer verzoeken genoemd in het achtste tot en met het negentiende lid van artikel 7 van het Verdrag.

4.19. Blijkens de toelichtende nota op de Overeenkomst (Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14 429 (R 1067) nr. 1, blz. 2) is "bij de opstelling van de overeenkomst zoveel mogelijk aansluiting gezocht aan het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken van 27 juni 1962 (Trb. 1962, 97 en Bijl. Hand.II-8054) en is een groot aantal bepalingen uit dat verdrag overgenomen." De regeling inzake de immuniteit zoals opgenomen in artikel 35 van het Beneluxverdrag is in de Overeenkomst tussen Nederland en Suriname niet terug te vinden, zodat aangenomen moet worden dat door beide Staten van het maken van een dergelijke afspraak bij de totstandkoming van de Overeenkomst is afgezien.

4.20. Zoals reeds eerder overwogen heeft artikel 7 lid 18 van het Sluikhandelverdrag geen betrekking op verdachten. Indien de verdachte uitsluitend met het oogmerk om artikel 7 lid 18 van het Sluikhandelverdrag toepassing te doen vinden als "een andere persoon die zich bereid verklaart te getuigen in een proces of te helpen bij een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure op het grondgebied van de verzoekende Partij" zou moeten worden aangemerkt, zou van deze bepaling een oneigenlijk gebruik worden gemaakt.

4.21. Het verzoek van de verdediging betreft derhalve een niet op enig verdrag gegrond verzoek.

4.22. De suggestie om Nederland en Suriname thans nog te doen overeenkomen om, al dan niet met overeenkomstige toepassing van artikel 7 lid 18 van het Sluikhandelverdrag, aan de verdachte een vrijgeleide te verschaffen, komt het hof onrealistisch voor, gelet op het totale gebrek aan medewerking van de Surinaamse Regering bij eerder door Nederland gedane rechtshulpverzoeken. Bovendien komt deze suggestie, na 's hofs tussenuitspraak van 10 december 1999, wel bijzonder laat.

4.23. Het antwoord op de vraag of de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen is verleend luidt derhalve ontkennend. Aan de niet-verschijning van de verdachte ter terechtzitting van het hof behoren derhalve geen gevolgen te worden verbonden.

4.24. Tot op het laatste moment heeft de raadsman van de verdachte niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 279, eerste lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering verklaard dat hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen.

4.25. Ter terechtzitting van het hof zijn twee video-opnamen van interviews van de verdachte, opgenomen van het programma NOVA . 17 april 2000 (Band 1) en van het programma Antenne . 11 mei 2000 (Band 2), getoond.

Q. Kouwenhoven, brigadier van politie in het regiokorps Haaglanden, heeft die interviews in een op 19 mei 2000 opgemaakt ambtsedig proces-verbaal woordelijk uitgewerkt (bijlage 0/AH/431). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

"BAND 1

VRAAG Het moet U niet in Uw koude kleren gaan zitten dat er op die manier over U gesproken wordt. Heeft U niet de behoefte om eens een keer duidelijkheid van zaken te geven?

ANTWOORD Waarom zou ik eh ... Holland moet duidelijkheid van zaken geven. Zij hebben hun dossiers opgemaakt. Ik heb eh ... ik heb eh ... daar geen boodschap aan. Enne.. ik wacht alleen maar wat eh .... ik wacht maar af wat er gaat gebeuren. Eh.. wij concentreren ons op de verkiezingen. Het is voor ons belangrijk.

Eh ... ik luister naar wat het Surinaamse volk zegt en niet wat een of andere [betrokkene] of zo in mekaar heeft gedraaid. Ik bedoel, het is, het is zo doorzichtig. Alle mensen die zogenaamd cocaïne met me hebben gedaan in de loop der jaren van [betrokkene 1] tot meneer, tot [betrokkene 2] tot [betrokkene 3], die zijn eh ... die zijn plotseling in rook opgegaan. Nou, ik ben dus alleen achtergebleven dus eh..misschien gaat het voor mij ook in rook op, wie weet.

BAND 2

OPMERKING H. BREEVELD .... en nu komen ook nog aanklachten, zijn klachten en zijn opsporing naar zijn mogelijke betrokkenheid bij cocaïne en dat zijn zaken die zijn naam niet goed doen.

ANTWOORD Ik ben met de verkiezingen hier bezig. Ik heb.. ik weet... ik snap het niet. Denk je dat ik me stoor aan dat ehh... aan die kiekeboe daar. Ik heb daar geen zin in. Dus je kunt me de hele dag vragen. Ik dacht dat je zou vragen: loopt de verkiezingen hier? Wanneer ga je naar het binnenland? Wanneer bereik je Commolasomoto (fon)? Dat.. die toestand daarzo, dat komt echt wel goed."

4.26. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in zijn arrest van 23 februari 1999, NJ 1999, 641, in de zaak De Groot tegen Nederland onder meer het volgende overwogen:

“The Court recalls that the right of an accused person to participate in person in the trial is a fundamental element of a fair trial (). An accused may waive the exercise of this right, but to do so he must have received notification in person and his decision not to appear or not to defend himself must be established in a unequivocal manner (). Furthermore, even where an appeal court has full jurisdiction to review a case on questions of fact and law, Article 6 of the Convention does not always require an absolute right for the accused to be present in person. In assessing this question regard must be had, inter alia, to the special features of the proceedings involved and the manner in which the defence’s interest were presented and protected before the appellate court, particularly in the light of the issues to be decided by it ().”

4.27. De verdachte heeft zijn raadsman, mr. Moszkowicz, uitdrukkelijk gemachtigd om tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep in te stellen. Hij was er dus van op de hoogte dat een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep zou plaatsvinden. De verdachte heeft vervolgens zijn raadsman tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Niettemin heeft zijn raadsman feitelijk, binnen de hem als niet-gemachtigde raadsman gestelde grenzen, wel de verdediging gevoerd, weliswaar niet uitdrukkelijk namens de verdachte maar dan toch in ieder geval ten behoeve van de verdachte. Het hof heeft bij het opleggen van beperkingen aan de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte bij het voeren van de verdediging steeds voor ogen gehouden of ten gevolge van die beperkingen nog wel sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en of de afwezigheid van de verdachte door de wijze waarop de verdediging door de niet-gemachtigde raadsman is gevoerd wel in voldoende mate is gecompenseerd.

De verdachte heeft zich voorts openlijk via de media over de behandeling van het hoger beroep in Nederland uitgelaten. Zo heeft hij op gestelde vragen geantwoord: "Waarom zou ik eh ... Holland moet duidelijkheid van zaken geven. Zij hebben hun dossiers opgemaakt. Ik heb eh ... ik heb eh ... daar geen boodschap aan. Enne.. ik wacht alleen maar wat eh .... ik wacht maar af wat er gaat gebeuren." en "Denk je dat ik me stoor aan dat ehh... aan die kiekeboe daar. Ik heb daar geen zin in." en daarmee zijn desinteresse in de lopende behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep openlijk tentoongespreid.

Niet gebleken is bovendien dat de verdachte in de richting van de Surinaamse autoriteiten initiatieven heeft ontwikkeld, waaruit de Surinaamse Regering heeft kunnen - en misschien in het kader van het vigerende Rechtshulpverdrag ook moeten - afleiden dat hij prijs stelt op en belang heeft bij voldoening door de Surinaamse autoriteiten aan het verzoek van de rechter-commissaris om hem in Suriname te doen horen.

Tenslotte is de verdachte in weerwil van het feit dat het openbaar ministerie aan zijn verschijning ter terechtzitting van het hof gedurende de periode waarin zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst alleszins redelijke voorwaarden heeft gesteld, niet ter terechtzitting van het hof verschenen.

4.28. Onder deze bijzondere omstandigheden behoefde het bepaalde in artikel 6 EVRM het hof er niet van te weerhouden om, niettegenstaande het ontbreken van een uitdrukkelijke afstandsverklaring van de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht, de behandeling van het hoger beroep buiten zijn aanwezigheid voort te zetten en tenslotte ook te beëindigen.

5. De positie van de niet-gemachtigde raadsman

5.1. Ter terechtzitting van het hof van 9 december 1999 heeft het hof met het oog op een ordelijk en doelmatig verloop van dit strafproces nadere regels gegeven met betrekking tot de positie van de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte. Ook nadat het hof die regels heeft vastgesteld, heeft de verdachte zijn raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.

Het hof verwijst naar de voor deze jurisprudentiële regeling gegeven motivering en vindt in hetgeen de verdediging bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht geen aanleiding om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen.

5.2. Nu de regeling inzake de gemachtigde raadsman, waardoor de procedure geacht wordt als op tegenspraak te zijn gevoerd (art. 279, eerste lid, Sv), nog zo kort geleden, te weten op 1 februari 1998, in werking is getreden (Stb. 1998, 34), en in aanmerking genomen dat die regeling ertoe strekt de nadelen van de verstekprocedure weg te nemen zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de eisen van een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, heeft het hof zich niet vrij geacht genoemde regeling geheel buiten toepassing te laten en vervolgens ook de niet-gemachtigde raadsman in staat te stellen een in alle opzichten volledige verdediging te voeren. Bij een recent totstandgekomen wettelijke regeling past een terughoudende opstelling van de rechter.

5.3. Dat, zoals de raadsman betoogt, de praktijk thans een derde situatie kent, waarin de raadsman de niet aanwezige verdachte wil bijstaan, doet hieraan niet af. Juist in deze omvangrijke en ingewikkelde zaak doen de nadelen van de verstekprocedure zich gevoelen, bij voorbeeld ingeval een vordering tot wijziging van de tenlastelegging zou zijn gedaan of ingeval het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst. Als het hof dan vervolgens een "eigentijdse" lezing van het begrip "dag der terechtzitting" hanteert, wordt het hof door de raadsman tegengeworpen dat de verdachte bij iedere schorsing opnieuw had moeten worden opgeroepen!

5.4. Het hof heeft ervoor gekozen om de nieuwe regeling verdragsconform uit te leggen in dier voege dat de regeling geen gebod tot het niet laten verdedigen bevat.

Het hof verwijst in dit verband naar de afscheidsrede van mr. K. Martens, oud-president van de Hoge Raad, gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad van 7 april 2000, blz. 747-758, die onder meer stelt (blz. 750):

“Buiten toepassing laten resulteert immers in leemte. Daarom zal de rechter er vaak niet komen met buiten toepassing laten, maar zal hij de leemte noodgedwongen moeten opvullen met een regel van eigen makelij. Soms kan de rechter daarbij terugvallen op extensieve interpretatie van andere wettelijke regels, maar niet zelden, zo leert de ervaring, zal hij bij dat opvullen genoodzaakt zijn tussen verschillende mogelijke oplossingen te kiezen.” en

“Naarmate meer met succes een beroep wordt gedaan op het EVRM groeit het aantal gevallen waarin de rechter recht moet vormen”.

5.5. De consequenties van de door de raadsman genoemde arresten in de zaken Lala en Pelladoah zijn reeds in de memorie van toelichting bij de voorgestelde regeling besproken (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 692, nr. 3, blz. 12-14). Aangenomen al dat de uitspraken van het EHRM in deze zaken erop zouden wijzen dat de raadsman zijn afwezige cliënt volledig moet kunnen verdedigen, ook als deze er bewust voor kiest niet ter terechtzitting te verschijnen, hetgeen niet zonder meer vaststaat omdat het toen geldende Nederlandse recht niet de mogelijkheid kende om een raadsman uitdrukkelijk te machtigen tot het voeren van de verdediging en derhalve ook in die situatie niet zonder meer kan worden gesproken van een “misplaatste formalistische voorwaarde”, heeft de wetgever bij de toetsing van die regeling het primaat. Het primaat van de wetgever is een van de grondregels van de democratische rechtsstaat. De rechter zal daarom als uitgangspunt moeten aanhouden dat die keuze wordt geëerbiedigd. Indien de raadsman ook zonder uitdrukkelijke machtiging de volledige verdediging zou mogen voeren, zou het bepaalde in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering praktisch zinledig zijn.

5.6. Gesteld voor de keuze verdedigen of niet verdedigen heeft het hof gekozen voor verdedigen, met dien verstande dat inzake de vraag of aan alle eisen van een eerlijk proces is voldaan pas bij het eindarrest de balans wordt opgemaakt.

Het hof heeft beslist dat de raadsman wèl in de ruimste zin het woord mag voeren doch geen rechtshandelingen, zoals het geven van in- of toestemming, mag verrichten en ook geen rechterlijke beslissingen mag uitlokken. Hij mag spreken doch niet zelfstandig meeprocederen. Onder het woord voeren dient volgens het hof in het algemeen te worden verstaan: het voeren van verweren, preliminair en na het requisitoir, het stellen van vragen aan ter terechtzitting verschenen getuigen en deskundigen en het maken van opmerkingen over de in acht genomen vormen en al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.

5.7. Het aan de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman onthouden van het recht om rechterlijke beslissingen uit te lokken, zoals bij voorbeeld het doen van verzoeken om bepaalde getuigen of deskundigen te horen, behoeft niet te betekenen dat die getuigen of deskundigen ook niet zullen worden opgeroepen. De raadsman is immers bevoegd om de wens uit te spreken dat die getuige of deskundige door het hof zal worden gehoord en het hof kan die wens honoreren. Alleen van een verplichting van het hof om op ieder verzoek van een niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman direct gemotiveerd te beslissen kan geen sprake zijn. Die motivering kan ook in een later stadium, bij voorbeeld bij het eindarrest, worden gegeven, als het hof, alvorens ten gronde te beslissen, de vraag onder ogen ziet of het strafproces fair was en de verdachte zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Aldus wordt voorkomen dat de raadsman niet slechts het woord voert, maar ook allerlei rechtshandelingen verricht en zich aldus als procesdeelnemer presenteert, terwijl hij - bij herhaling - verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem te verdedigen. Het hof heeft deze lijn tijdens het proces vastgehouden. Waar het hof dit noodzakelijk voorkwam, heeft het hof de uitgesproken wens van de raadsman om stukken over te leggen of getuigen op te roepen gehonoreerd en ambtshalve gebruik gemaakt van de aan het hof krachtens de wet toekomende bevoegdheden. Waar dat niet het geval was, heeft het hof gemotiveerd uiteengezet waarom aan de uitgesproken wens niet zou worden voldaan. Dat heeft gegolden voor alle wensen die de raadsman heeft geuit. Het hof heeft voorts bij alle beslissingen de raadsman vooraf gehoord en rekening gehouden met de door hem ingebrachte bezwaren. Een uitzondering is gemaakt voor de grote hoeveelheid getuigen die de raadsman van de verdachte voorafgaande aan de terechtzitting van 9 december 1999 heeft opgegeven en wier oproeping door het hof niet is gelast. Het hof zal die beslissing thans, voor zover van belang, in het vervolg van dit arrest nog motiveren.

5.8. De stelling dat de verdachte door de aan de niet-gemachtigde raadsman gestelde beperkingen is benadeeld en zelfs in de woorden van de raadsman “door een ernsti-ge inbreuk te ma-ken op het verdragsrechtelijk gegarandeerde begin-sel van “equality of arms” wordt door het hof niet onderschreven. Nog daargelaten dat de verdachte te allen tijde de gelegenheid heeft gehad om door een uitdrukkelijke machtiging ook de iure de “equality of arms” te realiseren, is van “een beetje verdedigen” naar ‘s hofs oordeel tijdens de behandeling van het hoger beroep nimmer sprake geweest. De facto heeft het hof de raadsman steeds een volledige verdediging gegund, zij het dat de motivering van sommige beslissingen van het hof tot het eindarrest is uitgesteld.

5.9. Het hof laat thans in het midden of er nu wel of niet sprake is geweest van een bewuste processtrategie van de raadsman van de verdachte. Ten tijde van ’s hofs beslissing van 22 december 1999 heeft het hof dit uit een aantal alstoen genoemde omstandigheden afgeleid.

De raadsman stelt nu -als mogelijk scenario- dat hij zich op 21 augustus 1997 als gekozen raads-man van de verdachte heeft gesteld en dat de verdachte rond die tijd en dus vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de gemachtigde raadsman met hem een onderhoud heeft gehad, waarin de verdachte hem op-dracht heeft gegeven al hetgeen te doen hem in zijn belang dienstig zou lijken. Uit zijn verdere betoog moet het hof afleiden dat -in dit scenario- de regeling van de uitdrukkelijke machtiging in het verdere verloop van dit strafproces niet ter sprake is gekomen, omdat de raadsman eenvoudigweg geen contact met de verdachte heeft gehad. Het hof mocht het tegendeel niet uit allerlei omstandigheden afleiden, zo stelt de raadsman. Het hof wil dit zonder meer aannemen, een raadsman wordt immers op zijn woord geloofd, doch onbegrijpelijk blijft voor het hof waarom de raadsman niet, indien hem door de verdachte de opdracht is gegeven al hetgeen te doen hetgeen hem in zijn belang dienstig zou lijken, geen contact met de verdachte heeft opgenomen ten einde hem in kennis te stellen van een wettelijke regeling waarin de door de verdachte gegeven opdracht niet zou voorzien. Dat openbaring van het resultaat van dit contact de vertrouwensrelatie tussen raadsman en verdachte zou raken, vermag het hof niet in te zien. Overigens zou naar ’s hofs oordeel uit de gegeven opdracht om al hetgeen te doen hetgeen hem in zijn belang dienstig zou lijken een uitdrukkelijke machtiging om de verdachte te verdedigen kunnen worden afgeleid, althans behoeft een nadere uitleg waarom de raadsman die opdracht anders heeft opgevat en daarover geen contact met zijn cliënt heeft opgenomen.

5.10. Het verzoek van de verdediging om het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aan te vangen, waarbij de verdediging alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld alle haar toekomende verdedigingsrechten in volle omvang te effectueren, wijst het hof mitsdien af.

6. Beoordeling van de vonnissen

De vonnissen waarvan beroep kunnen niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. De partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 0975408797

7.1. Ter terechtzitting van 22 december 1999 heeft het hof ten aanzien van de partiële nietigverklaring van de dagvaarding in de zaak met parketnummer 0975408797 het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de inleidende dagvaarding ten aanzien van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig verklaard, aangezien dat onderdeel van de dagvaarding onvoldoende feitelijk zou zijn omschreven.

Een dergelijke partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding is toelaatbaar als na de nietigverklaring van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging het resterende gedeelte nog hetzelfde strafbare feit als tevoren inhoudt. Vgl. HR 14 april 1987, NJ 1988, 171 en HR 3 mei 1994, NJ 1994, 565. Dat is hier het geval.

Bij de beoordeling van de geldigheid van een tenlastelegging dient naar 's hofs oordeel de gehele tenlastelegging in al haar aspecten te worden bezien en dienen tevens de bedoelingen die de steller van de tenlastelegging daarbij heeft gehad mede in ogenschouw te worden genomen.

Een tenlastelegging is in beginsel geldig, indien daarin een voldoende duidelijke feitelijke omschrijving, inclusief vermelding van tijd en plaats, van het strafrechtelijk vervolgde gebeuren is opgenomen.

In de onderhavige tenlastelegging sub 1 wordt de verdachte - voor zover hier van belang - verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het telkens opzettelijk invoeren binnen het grondgebied van Nederland van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit.

De steller van de tenlastelegging heeft in de onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging een viertal invoeren en een poging tot invoer nader in tijd, plaats en hoeveelheid cocaïne gespecificeerd.

Van de steller van een tenlastelegging terzake van een misdrijf als omschreven in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan in redelijkheid niet worden gevergd dat reeds in de tenlastelegging alle invoeren van cocaïne waarmee de organisatie zich in zijn ogen heeft beziggehouden naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nauwkeurig worden omschreven.

Onder omstandigheden kan de steller van een dergelijke tenlastelegging aan het slot van de tenlastelegging volstaan met de meer algemene omschrijving dat de beweerde organisatie zich ook nog met andere, naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nog niet nader te specificeren, invoeren van cocaïne dan wel voorbereidingshandelingen ter zake van een dergelijk feit heeft ingelaten.

Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke wijze van tenlasteleggen voor de verdachte voldoende duidelijk is en voldoende aanknopingspunten voor zijn verdediging biedt. Ook het onderzoek ter terechtzitting strekt er immers mede toe om feiten aan het licht te brengen die het strafrechtelijk vervolgde gebeuren verduidelijken.

Het hof zal dus dienen te onderzoeken of de verdachte geacht kan worden de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen te hebben begrepen, en, in geval van een ontkennend antwoord, in hoeverre de verdachte geacht kan worden hierdoor in zijn verdediging te zijn geschaad.

De in onderdeel 6 genoemde periode en plaats, althans voor wat betreft Zuid-Amerika, zijn in het licht van de daaraan voorafgaande onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging op het eerste gezicht ook niet zodanig ruim dat niet meer gezegd kan worden dat sprake is van een voldoende feitelijke omschrijving.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep niet op de grondslag van de gehele tenlastelegging te behandelen.

Een eventuele terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het resterende gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde is gekomen, kan immers niet worden gezegd dat de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist. Zie HR 19 mei 1992, NJ 1992, 655.

Over de uiteindelijke geldigheid van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit zal het hof in het eindarrest een beslissing nemen.”

7.2. De steller van de tenlastelegging heeft kennelijk het oog gehad op een criminele organisatie, die zich in steeds wisselende samenstellingen rondom de verdachte bezighield met de invoer, althans voorbereidingshandelingen tot de invoer, vanuit Zuid-Amerika van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Personen als [medeverdachte 1], [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] zijn kennelijk in de tenlastelegging opgenomen, omdat in de ogen van de steller ervan althans tenminste één van hen als deelnemer aan de criminele, voor een van de in de onderdelen 1 tot en met 5 van de in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde genoemde cocaïnetransporten verantwoordelijke, organisatie kon worden aangewezen. Ten aanzien van de deelnemers aan de criminele organisatie rondom de verdachte, die zich bezighield met andere in de tenlastgelegde periode georganiseerde of voorbereide cocaïnetransporten, was dat ten tijde van de opstelling van de tenlastelegging nog niet het geval. Zoals het hof eerder heeft overwogen, kon een nauwkeuriger vermelding van de deelnemers aan de organisatie die voor die transporten verantwoordelijk was in redelijkheid niet van het openbaar ministerie worden verlangd.

7.3. Ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen niet heeft begrepen dan wel anderszins door de redactie van dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn verdediging is geschaad.

7.4. Anders dan de verdediging betoogt, kan onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit niet als een "vangnetfeit" worden aangemerkt. De in dat onderdeel aan de verdachte verweten gedragingen hebben in de tenlastelegging een geheel zelfstandige betekenis.

7.5. Strijdigheid van de tenlastelegging met het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering doet zich volgens het hof alleen voor voorzover in onderdeel 6 de woorden: “althans het buitenland” voorkomen. Deze woorden acht het hof te vaag en te onbepaald. Alleen in zoverre kan de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding door de rechtbank in stand blijven.

8. Het rechtsmachtgeschil en de schorsing van de vervolging

8.1. De raadsman stelt dat ’s hofs beslissing van 15 december 1999 op onjuiste gronden is genomen en tot heroverweging daarvan moet worden gekomen. Zijn conclu-sie is dezelfde als in december 1999 geformuleerd, te weten dat aan het proces in eerste aanleg de substantiële nietigheid kleeft en dat om die reden de zaken dienen te worden ver-wezen naar de rechtbank.

8.2. De conclusie van het hof is eveneens dezelfde als die welke op 15 december 1999 is geformuleerd, namelijk dat voor een substantiële nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg geen goede grond bestaat.

Het hof verwijst naar de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 december 1999 gegeven motivering. Deze motivering luidt, kort samengevat, als volgt.

Als er sprake zou zijn van een schorsing van de vervolging, dan zou deze in ieder geval zijn geëindigd op 27 mei 1999, de dag waarop de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte tegen de beslissing van dit hof in het rechtsmachtgeschil heeft verworpen.

Het gebod van schorsing van de vervolging is niet absoluut. Gelet op de wetsgeschiedenis is er ruimte voor belangenafweging. Het ging hier om een ingewikkelde zaak, voor de behandeling waarvan de rechtbank reeksen van zittingsdagen had uitgetrokken. Het is de duidelijke bedoeling van de wetgever geweest om een procedure te creëren waarbij de behandeling van de strafzaak zo min mogelijk zou worden vertraagd. Lichtvaardige verzoeken moesten voorts worden voorkomen. Er bestond geen enkele reële grond om aan te nemen dat er een gevaar bestond voor tegenstrijdige uitspraken en dubbele bestraffing van de verdachte. Onder deze bijzondere omstandigheden mocht naar ’s hofs oordeel, gelet op de aan een schorsing van de vervolging verbonden consequenties voor de behandeling van de zaak, aan de kennisgeving in deze zaak schorsende werking van de vervolging worden onthouden en kan niet worden gezegd dat ten onrechte een aanvang met de behandeling is gemaakt, ten onrechte verstek is verleend en ten onrechte de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen. Anders gezegd: de beslissing van de raadsman van de verdachte om, sprekend met zijn eigen woorden, de eerste aanleg over te slaan, ook al meende hij daarvoor goede gronden te hebben, behoorde onder de door het hof geschetste omstandigheden voor zijn risico te komen. Bovendien, en ook op die grond steunt de beslissing van het hof, heeft deze beslissing geen aantoonbaar nadeel voor de verdachte veroorzaakt.

In hetgeen de raadsman van de verdachte bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht, vindt het hof geen aanleiding om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen.

Anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt, gaat het niet uitsluitend om de vraag of de rechtbank terecht de schorsende werking aan de kennisgeving van de indiening van het verzoek-schrift heeft ontzegd, maar tevens en niet in de laatste plaats om de vraag of de ontzegging van de schorsende werking aan die kennisgeving tot nietigheid van het gehele onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg zou moeten leiden en vervolgens ook nog om de vraag of het aan het onderzoek ter terechtzitting klevende gebrek zo fundamenteel is dat terugverwijzing moet volgen en dat gebrek niet in hoger beroep kan worden hersteld. Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend. Noch voor nietigverklaring van het onderzoek in eerste aanleg noch voor terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank ten einde deze opnieuw te behandelen bestaat derhalve goede grond.

9. Het rechtsmachtgeschil en de hernieuwde oproeping van de verdachte

9.1. De raadsman stelt dat het hof, in het feit dat de rechtbank de verdachte ten onrechte - want met veronachtzaming van het bepaalde in de artikelen 258, 277, 281, 316 en 319 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering - na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding nimmer opnieuw heeft doen oproepen, aanleiding had moeten vinden om de zaak naar de rechtbank terug te verwijzen.

Het hof verwijst ook met betrekking tot dit verzoek tot heroverweging van een reeds genomen beslissing naar de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 december 1999 gegeven motivering. Ook hier geldt dat in hetgeen de raadsman van de verdachte bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht het hof geen aanleiding vindt om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen.

9.2. Het hof volstaat hier met de opmerking dat, nu de raadsman zelf meende op goede gronden de eerste aanleg te kunnen overslaan en tijdens het gehele strafproces geen enkel teken is waargenomen dat wees op de onvoorwaardelijke bereidheid van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen, ieder rechtens te respecteren belang bij de nakoming van de door de raadsman genoemde vormvoorschriften ontbreekt.

9.3. Ook dit verweer, dat er volgens de verdediging toe zou moeten leiden dat de zaak alsnog wordt terugverwezen naar de rechtbank, wordt verworpen.

10. Optisch bedrog?

10.1. Ter terechtzitting van het hof van 31 maart 2000 heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

"Aan ons wettelijk stelsel ligt het opportuniteitsbeginsel ten grondslag. Het begrip “zaak” tijdens een opsporingsonderzoek is een ander begrip zaak dan het begrip zaak waarop onder meer artikel 258 Sv doelt. Wat bij de aanvang van de vervolging onder het begrip zaak valt, wordt bepaald door de tenlastelegging. Vanuit dit vertrekpunt constateert het hof het volgende. Het hof constateert allereerst dat in de zaak tegen [betrokkene 4] (parketnr 09/00406794) door dit hof in een andere samenstelling op 12 juni 1996 arrest is gewezen. Het hof constateert voorts dat het aan [betrokkene 4] voornoemd tenlastegelegde feit als omschreven in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht betrekking heeft op een andere periode dan waarop het aan de verdachte [verdachte] onder 1 tenlastegelegde feit doelt.

Bij de vraag of er bij deelneming aan een criminele organisatie sprake is van het gebruik van onoorbare opsporingsmethoden is slechts van belang of die onoorbare opsporingsmethoden zijn gebezigd in het kader van deelneming aan de criminele organisatie zoals die in de tenlastelegging is omschreven. Het enkele feit dat onderzoek in de zaak [betrokkene 4] in de bewoordingen van de raadsman een “Copa III gerelateerd onderzoek” is, brengt nog niet mee dat ook thans onderwerp van onderzoek behoort te zijn, waarom die zaak niet op de aan de verdachte [verdachte] uitgebrachte tenlastelegging voorkomt. Over de oorbaarheid van de gebezigde opsporingsmethoden in de zaak [betrokkene 4] is door dit hof in een andere samenstelling onherroepelijk beslist. In de onderhavige zaak is slechts relevant, of de in de zaak [betrokkene 4] gebezigde opsporingsmethoden ook hier zijn gebruikt."

10.2. De raadsman voert aan "dat het Openbaar Ministerie optisch een zaak aan de rechter heeft voorgelegd die tot de conclusie zou moeten leiden dat er rechtmatig is opgespoord in al die zaken, terwijl in feite in het opsporingsonderzoek onrechtmatig is opgespoord, maar dat bewust aan het oordeel van de rechter in de zaak [verdachte] is onttrokken".

10.3. Dit verweer zou het hof aanleiding moeten geven tot een gehele althans partiële niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging, dan wel tot een gehele althans partiële bewijsuitsluiting. Mochten deze verweren niet slagen, dan verzoekt de raadsman het hof het open-baar ministerie te verzoeken de methodieken uit alle COPA-zaken in kaart te brengen.

10.4. De zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort heeft op 27 maart 2000 ter terechtzitting van het hof -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

[betrokkene 4] was een persoon uit het middle-management in Suriname die met toestemming van de legerleiding handelde. Er heeft in die zaak een doorlevering plaatsgevonden. Er heeft in die zaak infiltratie plaatsgevonden. Ik heb in die zaak contact gehad met Engelse opsporingsdiensten.

10.5. Mr. Ch.V. van der Voort heeft voorts op 4 april 2000 ter terechtzitting van het hof op gestelde vragen -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

De voorzitter: In januari 1994 wordt het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 4] geopend en op 4 mei 1994 het gerechtelijk vooronderzoek tegen [verdachte]. De periode van deelneming aan de criminele organisatie ex artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht in de vordering gerechtelijk vooronderzoek in de zaak [verdachte] liep tot maart 1994; daarvan is later een stukje afgevallen, waarom is die periode in de tenlastelegging inzake [verdachte] ingekort?

De getuige: Dat weet ik niet, ik heb de tenlastelegging niet gemaakt. Ik heb wel de nadere vorderingen gerechtelijk vooronderzoek gemaakt.

De voorzitter: Heeft de zaak [betrokkene 4] op enigerlei wijze te maken gehad met de inkorting van de periode op de tenlastelegging, bij voorbeeld in verband met de gebruikte opsporingsmethoden?

De getuige: Achteraf bezien is er in de periode van de gerechtelijke vooronderzoeken van [betrokkene 4] en [verdachte] een gedeeltelijke overlap, maar zij hielden geen enkel verband met elkaar, noch bleek van betrokkenheid van [verdachte] bij enig transport inzake [betrokkene 4].

De voorzitter: Is er geen verband tussen [verdachte] en de criminele organisatie in de zaak [betrokkene 4]?

De getuige: Nee, daar hoorde [verdachte] absoluut niet bij; wel personen om hem heen. Op enig moment heeft [betrokkene 4] via het tactisch koppel een gesprek met mij gevraagd. Dat was het eerste moment waarop hij over [verdachte] sprak. Ik had echter niet de overtuiging van authenticiteit van zijn verklaring.

De voorzitter: Zijn doorlevering en infiltratie alleen inzake [betrokkene 4] toegepast of zijn deze opsporingsmethoden ook in andere zaken gebruikt?

De getuige: Nee.

De voorzitter: En er was verder geen aanknoping met de persoon van [verdachte], dan alleen via de uitlating van [betrokkene 4] zelf?

De getuige: Ja.

De voorzitter: De inkorting van de periode in de tenlastelegging van [verdachte] heeft dus niet te maken met de zaak [betrokkene 4]?

De getuige: Nee, deze zaak speelde daarbij geen rol; er is geen bewijs uit de zaak [betrokkene 4] gebruikt in de zaken [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

De voorzitter: Maar die zaak heeft wel aanleiding gegeven tot vervolging van anderen binnen de legerleiding?

De getuige: Nee, het enige waartoe die zaak diende was om de gezagsdragers te laten zien dat de cocaïnehandel uit Suriname nog doorging; het heeft niet geleid tot enige strafvorderlijke beslissing.

Mr. Moszkowicz: Is in relatie met de zaak [verdachte] aan de Minister van Justitie duidelijk gemaakt dat in de zaak [betrokkene 4] een infiltratietraject liep?

De getuige: Inzake [betrokkene 4] is dat duidelijk gemaakt; ook aan de Minister van Justitie.

Aan PG Sorgdrager is inzake [betrokkene 4] toestemming gevraagd voor de doorlevering.

Mr. Moszkowicz: Is daarbij een relatie gelegd met het onderzoek naar [verdachte]?

De getuige: Nee, met de legerleiding. Er was een relatie tussen de legerleiding en [verdachte].

Als ik mij goed herinner is in overleg met de procureur-generaal mr. Sorgdrager de voortgang van Copa besproken en in de marge van die bespreking heeft zij met mr. Blok over een andere kwestie, namelijk [betrokkene 4], gesproken.

De voorzitter: Is bij het gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden in de zaak [betrokkene 4] aan de orde geweest of die inzet consequenties zou hebben voor beslissingen inzake [verdachte]?

De getuige: Nee.

Mr. Moszkowicz: Is dat niet besproken?

De getuige: Niet waar ik bij was.

Mr. Moszkowicz: Heeft u er uit eigen wetenschap kennis van dat het besproken is waar u niet bij was?

De getuige: Nee.

Mr. Moszkowicz: Is de zaak [betrokkene 4] op enigerlei wijze van invloed geweest op de tijdspanne van de effectieve vervolging van [verdachte] en op de samenstelling van het dossier [verdachte]?

De getuige: Nee. De zaak was alleen bewijstechnisch van belang; ik bedoel daarmee, als er bewijs uit kwam dan was het zeker bijgevoegd; de zaak heeft geen bewijs opgeleverd voor de zaak [verdachte].

De voorzitter: Heeft de zaak [betrokkene 4] in ontlastende zin iets opgeleverd?

De getuige: Ik heb het niet gezien. Het was niet belastend en niet ontlastend. Er is maar een zaak met een gesloten traject en dat is [betrokkene 4].

De voorzitter: Als de zaak [betrokkene 4] wat opgeleverd had, was dat dan bijgevoegd?

De getuige: Ja.

De voorzitter: Het gesloten CID-traject heeft dat als enige inzake [betrokkene 4] gespeeld?

De getuige: Ja.

10.6. Mr. E.D. Harderwijk, opsteller van de tenlastelegging en vertegenwoordiger van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg, heeft op 28 maart 2000 ter terechtzitting van het hof -zakelijk weergegeven- verklaard.

Volgens mij is in de zaak [betrokkene 4], die wel viel onder de algemene doelstelling, nooit een beslissing genomen om die zaak erbij te halen en later te laten afvallen. Er was onvoldoende aanwijzing voor een verband tussen de zaak [betrokkene 4] en [verdachte]. Die zaak is nooit bijgevoegd en dus ook nooit afgevallen.

(..)

Vraag: Plaatst u [betrokkene 4] binnen de organisatie van [verdachte]? Antwoord: Dat zou kunnen, maar daar is geen bewijs voor, anders dan een getuige die dat zegt. [Betrokkene 4] heeft er nooit bijgezeten en is dus ook niet afgevallen. Voor zover ik weet is dat niet gebeurd, het afvallen op basis van gebruikte opsporingsmethoden.

De belangrijkste reden zit in de concrete transporten, daarom is het beperkt tot die periode en deels is de periode ingekort in verband met de verjaring; verder waren er geen concrete transporten.

De beperking in tijd in 1994 heeft niets te maken met de zaak [betrokkene 4], dat is geen overweging geweest. Ik was de enige die de pleegperiode bepaalde.

Vraag: Heeft het beperken van de periode te maken met [betrokkene 4] of met opsporingsmethoden?

Antwoord: Nee, geen enkel verband.

10.7. Uit het voorgaande volgt dat voor enig "optisch bedrog" in het dossier geen enkel aanknopingspunt kan worden gevonden, zodat dit door de verdediging gevoerde verweer wordt verworpen.

10.8. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is met betrekking tot de gehanteerde opsporingsmethoden het volgende naar voren gekomen:

10.9. Als O/AH/382 is bij de stukken gevoegd een proces-verbaal CID-methoden CoPa-dossier opgemaakt door Driessen . 4 november 1998.

Hierin worden -zakelijk weergegeven- de volgende opsporingsmethoden gerelateerd:

Allereerst wordt melding gemaakt van samenwerking met nationale opsporingsdiensten - bijvoorbeeld de NCID en RCID’s - en met internationale opsporingsdiensten - zonodig via rechtshulpverzoeken -, alsmede stationering van een liaison-officer in Brazilië. Voorts wordt gesproken over samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij van die diensten afkomstige, relevante, informatie middels een ambtsbericht via de PG werd verstrekt, en over toevoeging aan het team van een medewerker van de IDB.

Als voorbeeld van samenwerking met andere diensten wordt genoemd: beveiligingsdiensten van banken en hotels, de visadienst van het Ministerie van Justitie, de Koninklijke Marechaussee, de koninklijke Marine en de ECD.

Verder wordt melding gemaakt van gebruik van bij de RCID

ingeschreven informanten, waarvan informatie is ingebracht middels CID-formulieren, observatie en technische acties als telefoon- en semaprints conform artikel 125f van het Wetboek van Strafvordering, alsmede het gebruik van informatie uit open bronnen zoals boeken, kranten, tijdschriften, van de Kamer van Koophandel en de dienst burgerzaken, uit PTT gidsen, van de Rijksdienst voor Wegverkeer en de media.

10.10. Als O/AH/393 is bij de stukken gevoegd een methodiekenproces-verbaal COPA III onderzoek, opgemaakt door B. Den Toom en Q. Kouwenhoven . 3 november 1998, inhoudende een samenvatting van de in het Copa III onderzoek gebruikte opsporingsmethoden in de periode 1 april 1992 tot 1 juni 1995.

Gerelateerd wordt het afluisteren van telefoongesprekken inzake [medeverdachte 1], Echtgenoot van medeverdachte 1, [medeverdachte 2] en Betrokkene 5, alsmede observaties op voornoemde personen, een vooroverleg . 4 september 1992 met de ABN-AMRO bank en de Rabo bank resulterend in huiszoekingen bij die banken, alsmede informatie van de Belastingdienst verkregen na ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht van de betreffende ambtenaar.

10.11. Voorts is bij de stukken gevoegd een methodenproces-verbaal, opgemaakt door van Vugt . 31 januari 2000. In dat proces-verbaal wordt voor een overzicht van het gebruik van de diverse methodes verwezen naar de betreffende onderliggende processen-verbaal in de zaken [mededader 0] I, [mededader 0] II, [mededader 1] en Laundry.

Met betrekking tot de zaak [mededader 0] II worden als opsporingsmethoden genoemd: de telefoontap, observatie en informatieverwerking van de CID.

Met betrekking tot de zaak [mededader 1] worden genoemd: de anonieme tip, observatie en informatieverwerking van de CID.

Met betrekking tot de Laundryzaak worden genoemd: de deal, (auto) telefoontaps, de fax-tap, de bedreigde getuige, observatie, het plaatsen van een peilbaken en (video) camera’s alsmede infiltratie.

Voorts wordt nog vermeld dat in alle zaken op politieniveau informatie is uitgewisseld met Suriname.

10.12. Ter terechtzitting in hoger beroep, . 13 april 2000, is door het openbaar ministerie correspondentie met het parket Rotterdam met betrekking tot de in de Rotterdamse zaken gebezigde opsporingsmethoden overgelegd.

Uit een brief van mr. Van der Hoeven . 14 december 1995 blijkt ten aanzien van de [mededader 0] zaken dat in die zaken geen bijzondere CID-trajecten hebben gespeeld.

Voorts heeft de advocaat-generaal een brief van mr. De Groot . 31 oktober 1995 met betrekking tot de Laundry-zaak aangehaald, waarin deze verwijst naar hetgeen eerder, middels proces-verbaal dan wel tijdens de instructie, omtrent de gebruikte methodes aan de orde is gekomen en melding maakt van een infiltratietraject dat zonder resultaat is gebleven, alsmede van medewerking van burgers, niet zijnde infiltranten.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep . 16 mei 2000 een brief van mr. De Groot . 12 mei 2000 overgelegd, waarin deze, verwijzend naar de brief van 31 oktober 1995, de opsporingsmethoden in de Laundry-zaak herhaalt.

10.13. Uit het voorgaande volgt dat aan het verzoek van de verdediging om de methodieken uit alle van belang zijnde COPA-zaken in kaart te brengen reeds is voldaan. Voor een verdergaande inkaartbrenging van de in de COPA-zaken gehanteerde opsporingsmethoden, gesteld al dat dit gelet op het tijdsverloop nog mogelijk is, bestaat, nu de aanleiding voor dit verzoek feitelijke grondslag mist, geen noodzaak, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

11. Redelijke termijn van berechting

11.1. De raadsman heeft voorts als verweer gevoerd dat de berechting van de verdachte niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft plaatsgevonden en de overschrijding van die termijn zodanig is dat die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging moet leiden.

11.2. Als beginpunt van de redelijke termijn wordt, nu het openbaar ministerie en verdediging hiervan uitgaan en zulks ten voordele van de verdachte kan worden aangemerkt, door het hof aangehouden juni 1994, toen ook in de zaak tegen de verdachte huiszoekingen werden verricht. Het betrof een vrij brede operatie met veel huiszoekingen, waarvan de financiële gegevens geanalyseerd moesten worden. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte eerder op de hoogte was van de tegen hem ingestelde vervolging.

11.3. Het hof acht aannemelijk dat het onderzoeksteam vanaf medio 1994 tot tenminste medio 1996 bezig is geweest met de verwerking van de resultaten van de huiszoekingen uit 1994.

11.4. In de periode van 4 augustus 1994 tot 8 juni 1995 zijn door de rechter-commissaris voor de eerste maal bedreigde getuigen gehoord.

11.5. Op 1 oktober 1995 is het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname, waarvan de uitvoering op 16 december 1982 was opgeschort (Trb. 1983, 8), weer van kracht geworden (Trb. 1995, 259).

11.6. Het eerste rechtshulp-verzoek aan Suriname inzake de verdachte, ge-daan op 23 oktober 1995 be-treft de betekening van vorderingen in het kader van o. het gerechte-lijk vooron-der-zoek, waaronder de aanvullende vor-dering . 5 oktober 1995. Reeds einde fe-bru--ari 1996 werd via een faxbe-richt van de Suri-naam-se rege-ring be-kend dat de be-tref-fen-de stukken op 22 januari 1996 waren uit--ge---reikt. Pas ein-de maart 1997 ontving de rechter-commissaris via het Neder-landse minis-terie van justi-tie de offi--ciële be-vesti-ging daar-van, gelijk-tijdig met de stuk-ken van het tweede verzoek. Voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen rechtvaardiging kunnen vinden.

11.7. Dat tweede verzoek is gedaan op 3 juni 1996 en betrof het ver-lenen van de status van be-dreig-de ge--tui-ge aan een aantal per-sonen. Deze stukken wer-den op 18 ju-li 1996 in het kader van de betekening uitgereikt, doch de officiële bevestiging daarvan werd even-eens pas einde maart 1997 via het Neder-landse minis-terie van justitie ontvan-gen. Het onderzoek naar de financiële transacties van [medeverdachte 2] is afgerond in juli 1996. Ook voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen afdoende rechtvaardiging kunnen vinden.

11.8. In maart 1997 is, nadat de stukken uit Suriname waren terugontvangen, besloten tot afdoening bij verstek.

11.9. In september 1997 is begonnen met de voorbereiding voor een behandeling ter terechtzitting, het zogenaamde afstoffen van het dossier. Er werden opnieuw getuigen gehoord, onder wie de eerder gehoorde bedreigde getuigen. In overleg met de rechter-commissaris is besloten te trachten het gerechtelijk vooronderzoek af te werken en dan met de zaak naar de zitting te gaan. Ook voor de periode van inactiviteit van maart 1997 tot september 1997 is geen aanvaardbare uitleg gegeven, de afronding van de Panamese huiszoekingen in juni 1997 ten spijt.

11.10. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dient in den regel te leiden tot strafvermindering en slechts bij uitzondering, bij voorbeeld wanneer sprake is van een zeer grote overschrijding van die termijn, is plaats voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

11.11. In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het voorbereidend onderzoek in de zaak met parketnummer 0975408797, gedurende welk onderzoek de vertragingen hebben plaatsgevonden, niet rechtens van zijn vrijheid was beroofd, dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten ernstig waren, dat sprake was van een bijzonder maatschappelijk belang dat die feiten tot klaarheid werden gebracht, acht het hof genoemde vertragingsfactoren, zowel afzonderlijk als tezamen genomen, niet van dien aard dat die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging zouden moeten leiden.

11.12. Het daartoe strekkende verweer wordt derhalve verworpen.

12. Misbruik van forumkeuze

12.1. De raadsman bepleit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging om reden van misbruik van forumkeuze.

12.2. De rechter behoeft zich niet onder alle omstandigheden neer te leggen bij de forumkeuze van het openbaar ministerie. Die keuze van het openbaar ministerie wordt beheerst door de beginselen van een goede procesorde. Aldus kan misbruik worden gekeerd. Zie HR 24 maart 1998, NJ 1998, 768. Van misbruik is onder meer sprake indien het openbaar ministerie een bevoegdheid zou scheppen op een moment waarop verder geen redelijk vermoeden bestaat dat dat gerecht op enigerlei wijze bevoegd is. Uit bovengenoemd arrest, volgt evenwel niet zonder meer dat aan een misbruik van forumkeuze alleen de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als processuele sanctie zou mogen worden verbonden. De Hoge Raad laat immers uitdrukkelijk onbesproken de klacht dat 's hofs beroep op de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging had moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging.

12.3. De vervolging tegen de verdachte is op 4 mei 1994 door de indiening van de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage aangevangen. Blijkens die vordering werd de verdachte toen verdacht van - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had de uitvoer naar en invoer in Nederland van cocaïne, het treffen van voorbereidingshandelingen voor cocaïnetransporten en het witwassen van drugsgelden. Als afzonderlijke feiten 2, 3 en 4 zijn in die vordering tot gerechtelijk vooronderzoek opgenomen misdrijven als bedoeld in de Opiumwet alsmede gewoonteheling. Als tijdstippen waarop die misdrijven zouden zijn gepleegd is in die vordering genoemd de periode van 1 januari 1989 tot en met 31 maart 1994. Als locus delicti zijn verschillende landen en plaatsen in Nederland, waaronder 's-Gravenhage, opgenomen.

12.4. Aannemelijk is dat door het openbaar ministerie ervoor gekozen is om de verdachte in 's-Gravenhage te vervolgen omdat een van de medeverdachten te weten [medeverdachte 1], bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage reeds werd vervolgd. Tegen laatstgenoemde is namelijk op 1 juni 1992 bij die rechtbank een vordering tot gerechtelijk vooron-derzoek ingediend. Dat [medeverdachte 1] in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte niet met name is genoemd kan hieraan niet afdoen. In die vordering (feit 1) wordt alleen gesproken over een "organisatie". De omschrijvingen van feit 1 in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte en feit 1 in de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak [medeverdachte 1] van 31 maart 1994 zijn praktisch identiek. In het rapport dat de grondslag vormde voor de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte, te weten het proces-verbaal van B. den Toom, Q. Kouwenhoven en C. de Mooij, allen leden van het COPA-team, opgenomen in ordner A-01,

O/MPV/3503/94, blz. 1-36, en gesloten en ondertekend op 2 mei 1994 wordt overigens wel de naam van [medeverdachte 1] genoemd. Ook in de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte . 5 oktober 1995 wordt [medeverdachte 1] met name genoemd. Het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 1] was op 4 mei 1994, nog niet gesloten.

12.5. Blijkens artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering brengt bij deelne-ming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit de bevoegd-heid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere.

12.6. De relatieve bevoegdheid van de rechtbank te 's-Gravenhage berustte derhalve op het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever heeft met dit artikellid beoogd in geval van gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen mededaders door dezelfde rechter worden behandeld. Door op grond van deze wetsbepaling te opteren voor een vervolging bij de Haagse rechtbank heeft het openbaar ministerie in genen dele misbruik van forumkeuze gemaakt.

12.7. De verdediging stelt zich kennelijk op het standpunt dat, ingeval in de zaak [medeverdachte 1] wèl sprake zou zijn geweest van een misbruik van forumkeuze, dit misbruik ook in de zaak tegen de verdachte gevolgen zou moeten hebben. Het hof deelt dit standpunt niet. In de onderhavige zaak is immers gewoon de regeling vervat in artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toegepast.

12.8. De hoofdofficier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft bovendien in zijn brief van 17 maart 1999 meegedeeld dat in geen van de zaken van diegenen die thans nog in aanmerking komen als een van de als daders aansprakelijke personen, nog een vervolging door zijn parket gaande is. Dus dat van enige benadeling van de verdachte door de vervolging in Den Haag te laten plaatsvinden sprake is geweest, is niet aannemelijk geworden.

12.9. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging wegens misbruik van forumkeuze wordt derhalve verworpen.

13. Bewijsuitsluiting in het licht van de opening van het gerechtelijk vooronderzoek?

13.1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat op ontoereikende gronden een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld.

13.2. Het hof acht aannemelijk dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte is gebaseerd op het proces-verbaal van B. den Toom, Q. Kouwenhoven en C. de Mooij, allen leden van het COPA-team, opgenomen in ordner A-01,

O/MPV/3503/94, blz. 1-36, en gesloten en ondertekend op 2 mei 1994, en dat de rechter-commissaris alvorens tot instelling van het gerechtelijk vooronderzoek over te gaan dit proces-verbaal onder ogen heeft gehad. In de repliek van het openbaar ministerie (blz. 18) is te lezen dat deze gang van zaken ook door de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. Van der Voort is bevestigd.

13.3. Als eerste deelnemer aan de beoogde criminele organisatie wordt in dat proces-verbaal de verdachte genoemd.

13.4. Dat in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van dit proces-verbaal geen melding wordt gemaakt, levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op dat bewijsuitsluiting van alle resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek daarvan het gevolg zou moeten zijn.

13.5. De inhoud van dit rapport levert naar 's hofs oordeel een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan de in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek omschreven feiten op.

13.6. Het beroep van de verdediging op bewijsuitsluiting wordt derhalve verworpen.

14. De verzameling van het bewijs tegen de verdachte in de zaak met parketnummer 0975408797

14.1. Het hof acht de volgende gang van zaken met betrekking tot de bewijsverzameling aannemelijk geworden.

14.2. De onderzoeken in COPA-verband waren onderzoeken naar cocaïnestromen van Zuid-Amerika naar Nederland. In de loop van Copa I en Copa II is bij de gezagsdragers van politie en justitie de indruk ontstaan dat de legerleiding in Suriname invloed had op de cocaïnehandel vanuit Suriname naar Nederland en dat er sprake was van een criminele organisatie, waarvan de legerleiding deel uitmaakte. Er zou sprake zijn van een bovenleiding en een "middle class". Het zou een organisatie betreffen met een structuur die geschikt was voor meerdere cocaïnetransporten. Dat vermoeden werd steeds sterker, alhoewel men niet over harde informatie beschikte. De voormalige zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort verwoordde het ter terechtzitting van het hof van 27 maart 2000 aldus: "Bij de start van COPA III hadden wij veel verhalen van getuigen en informanten. Wij hebben veel gehoord over koeriers die uit Suriname naar Nederland kwamen en over boten met verdovende middelen vanuit Suriname naar Nederland." Maar verhalen leiden niet zonder meer naar verdachten, laat staan tot veroordelingen van die verdachten.

14.3. Bij Copa III-onderzoek zou de naam van de toenmalige legerleider [verdachte] al meteen in beeld zijn gekomen. Hij zou het voornaamste target zijn maar er was nog geen concrete verdenking om een gerechtelijk vooronderzoek mogelijk te maken.

De Haagse politie beschikte in die tijd al over een analist, genaamd Epema. Een analist ontwikkelt hypotheses. Hij maakt schema's op en probeert relaties te leggen met de informatie waarover hij beschikt. Hij kijkt of de hypothese vanuit die informatie kan worden bevestigd. Een analyse maakt verkregen informatie inzichtelijk. Aldus werd de hypothese ontwikkeld dat de legerleiding verantwoordelijk was voor grote partijen cocaïne die uit Suriname in Nederland werden ingevoerd, waarbij die grote partijen alleen met toestemming van de legerleiding uitgevoerd konden worden uit Suriname. Ook in die analyses zou de naam van de verdachte naar voren zijn gekomen.

14.4. Enkel op basis van verhalen kan een beoogde criminele organisatie echter niet worden aangepakt. Daarvoor was een andere onderzoeksopzet nodig. Die onderzoeksopzet werd bemoeilijkt, omdat de hoofdverdachten, onder wie de verdachte, zich in Suriname bevonden. Er is een plan van aanpak opgesteld dat ter goedkeuring aan de procureur-generaal en uiteindelijk ook aan de toenmalige Minister van Justitie is voorgelegd. In het plan van aanpak stonden de doelstelling, het traject, de structuur, de planning en de materiële en financiële consequenties.

Er is toen een onderzoek gestart met als doelstelling, kort samengevat:

1. Het uitschakelen van de criminele organisatie, aangeduid als het Suriname Kartel, die zich bezig hield met de invoer van cocaïne in Nederland en het witwassen van de daaruit verkregen gelden.

2. De opsporing en aanhouding van de deelnemers aan die organisatie, waarbij de legerleiding in Suriname als voornaamste target werd aangemerkt.

14.5. Bij de CID moest informatie met betrekking tot grote partijen cocaïne via Suriname worden geselecteerd en daarop moest dan worden doorgerechercheerd. Van de hoeveelheid informatie moest de hardste informatie geselecteerd worden om in relatie gebracht te kunnen worden met een concrete verdenking van de legerleiding. Voorts werden alle in het land beschikbare dossiers van reeds lopende zaken of recent afgesloten zaken betreffende invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland op mogelijke links naar de (ex-)legerleiding in Suriname bekeken. Ook de geldstromen waren van belang om de top van de organisatie te traceren. Daarom is de FIOD om medewerking gevraagd. Het was de bedoeling om via onderzoek van de geldstromen tot het middle-management en uiteindelijk de top te geraken. Er waren twee financiële stromen; een ter financiering van de cocaïne en een andere na verkoop van de cocaïne. De FIOD had de financiële expertise en Erkens was deskundige van de CR Door die geldstromen te onderzoeken werd verwacht hoger in de organisatie te kunnen komen.

14.6. Op 1 juni 1992 werd een gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] ingesteld. [Medeverdachte 1] werd ervan verdacht tot het middle-management van de beoogde criminele organisatie te behoren. Op 1 oktober 1992 is een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld tegen de medeverdachte [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] werd ervan verdacht de door de beoogde criminele organisatie met de cocaïnehandel verkregen gelden wit te wassen.

Op 4 mei 1994 werd in de zaak tegen de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. Kort daarop zijn in de zaken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] omvangrijke huiszoekingen verricht. In de maand juni 1994 gebeurde dat ook in de zaak tegen de verdachte.

14.7. Inmiddels was gebleken dat zich geen nieuwe cocaïnetransporten hadden aangediend waarbij een link met de beoogde criminele organisatie, en in het bijzonder met de

(ex-)legerleiding, kon worden gelegd, al werden daartoe wel steeds pogingen in het werk gesteld. Zie bij voorbeeld de zaak [betrokkene 4], die hiervoor (zie paragraaf 10) ook reeds ter sprake is gekomen. Door het team COPA III werden wel onderzoeken gedraaid die tot succes hebben geleid, zoals het openbaar ministerie in zijn requisitoir heeft vermeld. Deze onderzoeken worden ook wel COPA-gerelateerde onderzoeken genoemd, omdat zij onder verantwoordelijkheid van het team COPA III werden gedraaid. Die onderzoeken leidden evenwel niet naar de

(ex-)legerleiding en dus ook niet naar de beoogde criminele organisatie rondom de verdachte.

14.8. Ook de verwerkingen van de vele financiële bescheiden die door middel van omvangrijke huiszoekingen en bevelen tot uitlevering van stukken waren verkregen, leidden niet rechtstreeks naar de (ex-)legerleiding en dus ook niet naar de verdachte. Het waren geldstromen tussen het beoogde middle-management en de valutahandelaren c.q. geldwisselaars, waarbij het overigens nog maar de vraag was - hetgeen onderwerp was van verder onderzoek - of die geldstromen met de cocaïnehandel van de beoogde criminele organisatie in verband konden worden gebracht. Het financiële traject heeft voor wat betreft de verdachte geen enkel resultaat opgeleverd. De conclusie van de rechtbank (par. 2.1 van het vonnis) dat de vergunninghouders aan de `harde kern' van de organisatie, onder wie de verdachte, commissie moesten betalen, is niet met enig financieel bescheid onderbouwd en is door de rechtbank enkel uit getuigenbewijs afgeleid.

14.9. Inmiddels was er wèl een grote hoeveelheid getuigenbewijs beschikbaar gekomen. Die grote hoeveelheid getuigenbewijs was evenwel nog niet geschikt om op basis daarvan met enige kans op succes een tenlastelegging tegen de verdachte op te stellen en de zaak aan de rechter voor te leggen. De tijd speelde daarbij uiteraard ook een rol. Tijdverloop leidt ontegenzeglijk tot geheugenverlies bij getuigen en dientengevolge tot een minder vruchtbaar onderzoek naar de materiële waarheid. Deze complicatie werd in steeds sterkere mate merkbaar, omdat noodgedwongen teruggegrepen moest worden op "oude" zaken, te weten de zogenaamde Rotterdamse zaken, en zich geen nieuwe zaken, waarin een relatie met de verdachte kon worden gelegd, aandienden. Dit tijdverloop was evenwel onontkoombaar, omdat nog enkele formaliteiten moesten worden vervuld voordat door het openbaar ministerie tot dagvaarding van de verdachte kon worden overgegaan. De vordering en nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek moesten namelijk nog aan de verdachte worden betekend. En dit werd bemoeilijkt, omdat het rechtshulpverkeer tussen Suriname en Nederland nog immer was geblokkeerd.

14.10. Ten aanzien van sommige getuigen werden bovendien door het openbaar ministerie vorderingen bij de rechter-commissaris ingediend om hen slechts als bedreigde getuigen te horen. Dit betekende dat, behalve de (nadere) vordering tot gerechtelijk onderzoek, ook de beschikkingen tot verlening van de status van bedreigde getuige aan de verdachte dienden te worden betekend. Het openbaar ministerie werd derhalve niet alleen geconfronteerd met steeds ouder wordende zaken maar ook met het probleem van de voortdurende bescherming van de bedreigde getuigen. Voordat de beschikkingen tot statusverlening aan de verdachte in Suriname na het wederom van kracht worden van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname zijn betekend op 1 oktober 1995, heeft de rechter-commissaris acht bedreigde getuigen gehoord. Dat gebeurde in een periode waarin over het doorzetten van de vervolging nog niet op het niveau van de Minister van Justitie was beslist. Het groene licht werd, volgens de zaaksofficier Van der Voort, in november 1995 gegeven. Het duurde echter nog tot maart 1997 voordat de rechter-commissaris het bericht bereikte dat de vereiste betekeningen hadden plaatsgevonden. In augustus 1997 stelde zich een raadsman voor de verdachte, mr. Moszkowicz. Vervolgens vonden vanaf maart 1998 in het kader van het nog lopende gerechtelijk vooronderzoek voortdurend getuigenverhoren plaats. Ook de bedreigde getuigen werden, nu in aanwezigheid van de verdediging, opnieuw gehoord. Dit was een omvangrijke operatie die de nodige tijd in beslag na

Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding aan de verdachte in februari 1999 bestond het tegen de verdachte verzamelde bewijs grotendeels uit getuigenbewijs. Inmiddels was er sprake van een significante rechtsontwikkeling, aangezet door de Straatsburgse rechterlijke autoriteiten, rondom het getuigenbewijs en in het bijzonder rondom het bewijs door middel van bedreigde getuigen.

14.11. Verklaringen van bedreigde getuigen vormden de kern van dit getuigenbewijs - de directe betrokkenheid van de verdachte steunde in belangrijke mate op de door hen afgelegde verklaringen - en van de gestarte vervolging. Met één van de bedreigde getuigen was zelfs ter verkrijging van een waarheidsgetrouwe verklaring een overeenkomst gesloten.

Het openbaar ministerie zag zich, wilde een vervolging tegen de verdachte slagen, met name voor de alleszins moeilijke taak gesteld om de kracht van dit bewijs intact te houden. Te voorzien was dat de verklaringen van de bedreigde getuigen bij de bewijsvoering een cruciale rol zouden gaan spelen. Ook de rechter-commissaris was zich, zo is later bij haar verhoren ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gebleken, hiervan bewust en op haar rustte de zware taak, om zowel de bedreigde getuigen tegen onthulling van hun identiteit te beschermen als de verdedigingsrechten zo min mogelijk te beperken maar vooral ook om naar eer en geweten de toets inzake de betrouwbaarheid van de gehoorde bedreigde getuigen uit te voeren. Van die betrouwbaarheidstoets hing immers veel af.

Tijdens de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep is gebleken, dat bij het onderzoek naar de bruikbaarheid van deze categorie van bewijsmiddelen de grenzen van het strafproces moesten worden opgezocht en fundamentele belangen als waarheidsvinding, adequate verdediging en getuigenbescherming frontaal met elkaar in botsing kwamen. Daardoor zag het hof zich genoodzaakt zoekend een weg te banen, waarbij het zich zelfs geconfronteerd wist met een ingrijpen van de president in kort geding op verzoek van een bedreigde getuige, wiens identiteit bekend geworden was.

Het verschijnsel "bedreigde getuige" is complex, en niet alleen omdat de afweging van genoemde fundamentele belangen - waarheidsvinding, adequate verdediging en getuigenbescherming - in gescheiden trajecten plaatsvindt, in het kabinet van de rechter-commissaris en de rechtszaal, en dientengevolge de zittingsrechter voor wat betreft de bruikbaarheid van een verklaring van een bedreigde getuige in sterke mate afhankelijk is van de betrouwbaarheidstoets van de rechter-commissaris. Dit verschijnsel is vooral zo complex, omdat die belangenafweging nimmer het stadium van een eindbeslissing bereikt, aangezien immers het gevaar blijft bestaan dat in de loop van het strafproces de identiteit van een bedreigde getuige bekend wordt.

Dit kan geschieden door toeval, door een vormfout of door een "fishing expedition" van de verdediging. De laatste variant brengt mee dat een meer dan gemiddelde alertheid wordt verlangd van de zittingsrechter, hetgeen evenwel wordt bemoeilijkt door het ontbreken van de nodige informatie. De zittingsrechter kent immers zelf de identiteit van de bedreigde getuige niet. Hoe dichter een bedreigde getuige zich in kringen rondom de verdachte beweegt, des te groter wordt de kans dat zijn identiteit vroeg of laat bekend wordt. Als door de verdediging vragen worden gesteld omtrent een bepaalde met name genoemde getuige, die tevens een bedreigde getuige is, en dat is vanuit het perspectief van de verdediging bezien volstrekt legitiem, dan is de onthulling van diens identiteit moeilijk te voorkomen. Dat kan alleen indien door de zittingsrechter op voorhand wordt belet dat aan alle vragen omtrent personen, van wie zich geen verklaringen in het dossier bevinden, gevolg wordt gegeven, omdat mogelijk een van die personen een bedreigde getuige kán zijn. Een dergelijk beleid staat niet alleen op gespannen voet met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, immers niet iedere persoon behoeft ook een bedreigde getuige te zijn, doch doet ook afbreuk aan de positie van de zittingsrechter als verantwoordelijke autoriteit voor de waarheidsvinding.

De onthulling van de identiteit van een bedreigde getuige heeft niet alleen tot resultaat dat een geheel nieuwe belangenafweging dient plaats te vinden maar brengt tevens mee dat het stelsel van de gescheiden trajecten niet volledig meer kan worden gehandhaafd. Immers de verdediging kan onder die omstandigheden niet meer het recht worden ontzegd om de betreffende, niet meer anonieme, getuige op naam te horen ten einde hem over zijn redenen van wetenschap te ondervragen, met als onmiddellijk gevolg dat niet alleen steeds meer gegevens over die getuige en dus ook over de betrouwbaarheid van die getuige bekend worden, maar ook dat de betrouwbaarheidstoets van de rechter-commissaris naar aanleiding van die gegevens ter toetsing aan de zittingsrechter wordt voorgelegd.

14.12. Naar 's hofs oordeel dient de bruikbaarheid van het bewijs volgens de thans geldende maatstaven en niet volgens de toen in de tenlastegelegde periode (1 januari 1989 - augustus 1992) geldende maatstaven door de rechter te worden beoordeeld.

Verklaringen van bedreigde getuigen zijn niet zonder meer als bewijsmiddel bruikbaar, omdat daaraan inmiddels zowel door de wetgever als door het EHRM en de Hoge Raad voorwaarden zijn gesteld. Het hof zal daarom eerst de bruikbaarheid van dit bewijs bespreken, nu dienaangaande door de verdediging substantieel verweer is gevoerd.

15. De bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van de bedreigde getuigen

15.1. De raadsman concludeert tot integrale uitsluiting van het bewijs van alle verklaringen - op naam en anoniem - van alle NN-getuigen (inclusief [getuige 1], [getuige 2] en NN-III).

15.2. In totaal zijn door de rechter-commissaris acht getuigen gehoord, die de status van bedreigde getuigen hebben gekregen, te weten NN I tot en met NN VII

15.3. In het proces-verbaal van 3 september 1998 heeft de rechter-commissaris met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige NN VIII het volgende opgemerkt:

"De rechter-commissaris heeft een aantal keren, telkens in aanwezigheid van haar griffier, met de getuige gesproken. Die gesprekken vonden plaats voorafgaand aan het nemen van de beschikkingen ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, voorafgaand aan het verhoor van heden alsmede bij het beantwoorden van vragen buiten aanwezigheid van de raadslieden en de officier van justitie. De getuige maakte niet steeds een openhartige indruk. Tijdens het verhoor is op een aantal punten terug gekomen; de getuige heeft de vragen op opvallende punten niet steeds consistent beantwoord.

De inhoud van voornoemde gesprekken tussen de getuige en de rechter-commissaris, de wijze waarop de getuige zich heeft gedragen en de wijze waarop het getuigenverhoor is verlopen, hebben bij de rechter-commissaris twijfel doen rijzen over de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaring en daarmee over de betrouwbaarheid van de getuige. Bij dat oordeel hebben ook een rol gespeeld de antwoorden van de getuige die niet ter kennis van de officieren van justitie, de verdachten en de raadslieden zijn gekomen; die antwoorden strookten niet steeds met de antwoorden die wel ter kennis van voornoemde personen zijn gekomen."

15.4. De door de rechter-commissaris geuite twijfel over de betrouwbaarheid van de getuige NN VIII is van dien aard dat naar 's hofs oordeel de door deze getuige tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten.

15.5. De bruikbaarheid voor het bewijs van de getuige NN VI is in het eerste zittingsblok aan de orde geweest, aangezien uit de stukken bleek dat door de Staat der Nederlanden met de bedreigde getuige NN VI een afspraak als bedoeld in de Richtlijn "afspraken met criminelen" was gemaakt.

Het hof heeft ter terechtzitting van 22 december 1999 geoordeeld dat, nu de door deze getuige afgelegde verklaringen voor het hof niet althans niet voldoende toetsbaar zijn, de met de getuige NN VI gesloten overeenkomst in de onderhavige strafzaak voor de toekomst, als strijdig met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zonder rechtsgevolgen dient te blijven en de door die getuige ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet met het oog op enige door het hof te nemen beslissing ten nadele van de verdachte kunnen worden gebruikt.

15.6. Ook de door de getuige NN VI afgelegde verklaringen dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

15.7. Wanneer in het vervolg over de bruikbaarheid van verklaringen van NN-getuigen wordt gesproken, wordt niet meer gedoeld op de getuigen NN VI en NN VII

15.8. De door de rechter-commissaris mr. Haverkate in 1994 en 1995 afgenomen verhoren van de bedreigde getuigen hebben buiten aanwezigheid van de verdediging plaatsgevonden en worden door het hof enkel en alleen als voorloper van de latere verhoren van de bedreigde getuigen door de rechter-commissaris [getuige 3] beschouwd. Die verklaringen kunnen naar ’s hofs oordeel alleen tot het bewijs bijdragen, indien in het latere verhoor door de getuige naar die verklaring wordt verwezen.

15.9. De raadsman stelt allereerst dat aan de statusverle-ningen door de rechter-commissaris zodanige fundamentele gebreken kleven dat aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort wordt gedaan.

De raadsman verwijst naar HR 30 juni 1998, NJ 1999, 88 waarin de Hoge Raad overwoog:

"Het laat zich denken dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226 a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces ()".

15.10. De officier van justitie in het arrondissement Den Haag heeft - kort samengevat - in 1994 en 1995 gevorderd dat aan de getuigen NN I tot en met NN VIII de status van bedreigde getuige zou worden toegekend.

15.11. De status van bedreigde getuige is door de rechter-commissaris in de periode van 2 augustus 1994 tot 5 juni 1995 aan genoemde getuigen toegekend.

15.12. Het hof stelt voorop dat de beschikkingen van de rechter-commissaris alle, grotendeels op eenvormige wijze, zijn gemotiveerd.

15.13. De stelling van de raadsman dat de rechter-commissaris bij de statusverlening niet de wettelijk voorgeschreven toets, te weten de voorwaarden gesteld in artikel 226a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toegepast, berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikkingen en mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwijst naar het in de betreffende beschikkingen onder "05" overwogene.

15.14. De rechter-commissaris heeft de getuigen niet, zoals artikel 226a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft, voorafgaande aan de statusverlening gehoord, "aangezien uit mondelinge mededelingen door de officier van justitie aan de rechter-commissaris gedaan aan laatstgenoemde voldoende duidelijk is geworden dat de getuige () prijs stelt op toewijzing van de vordering en geen behoefte heeft aan een - aan het feitelijk verhoor voorafgaande - verhoor zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 226a Sv".

De rechter-commissaris had er naar 's hofs oordeel weliswaar verstandig aan gedaan om de getuige wel zelf te horen, doch in aanmerking genomen de voor zijn handelwijze gegeven motivering, levert het achterwege blijven van dit formele verhoor niet een zodanig fundamenteel gebrek op dat de door de betreffende getuige afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

15.15. De raadsman beklaagt zich er voorts over dat noch de verdachte noch diens raadsman voorafgaande aan de statusverleningen zijn gehoord.

De rechter-commissaris heeft dienaangaande in de betreffende beschikkingen overwogen:

"In de eerste plaats is aan de rechter-commissaris niet bekend of de verdachte een raadsman heeft, en zo ja wie dit is. Ten aanzien van de verdachte zelf geldt dat hij tegen de onderhavige beschikking hoger beroep kan instellen en dat hij - zo hij daartoe overgaat - bij gelegenheid van de behandeling van dat hoger beroep alsnog naar voren kan (laten) brengen wat hij van de aanwijzing van "I" als bedreigde getuige vindt. Hierop gelet acht de rechter-commissaris de verdachte niet geschaad in diens verdediging indien - zoals thans geschiedt - de onderhavige beschikking wordt gegeven terwijl de verdachte niet op de voet van het bepaalde in het tweede lid van artikel 226a Sv in de gelegenheid is gesteld daaromtrent te worden gehoord. De rechter-commissaris verwijst voorts naar rechtsoverweging 4.1.2.

04. Ten aanzien van het bepaalde in artikel 226a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering

4.1.1 Ten tijde van het geven van deze beschikking is de verdragsrechtelijke relatie tussen Nederland en Suriname - ten gevolge van de bij nota van 16 december 1982 (Traktatenblad, 1983, nummer 8) plaatsgevonden hebbende opschorting van de uitvoering van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken ('s-Gravenhage, 27 augustus 1976) van dien aard dat het niet mogelijk is verdachte langs rogatoire weg van het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek op de hoogte te stellen.

4.1.2 Bijgevolg is het evenmin mogelijk verdachte langs rogatoire weg op te roepen voor een verhoor zoals hierboven bedoeld in rechtsoverweging 3.3.

4.1.3 Thans staat niet vast wanneer de verdragsrechtelijke relatie zodanig zal zijn hersteld dat rogatoire betekeningen en oproepingen wel weer mogelijk zijn."

15.16. Ten tijde van de statusverleningen had zich nog geen raadsman voor de verdachte gesteld.

15.17. De rechter-commissaris heeft bij brief van 19 april 1995 geïnformeerd naar het rechtstreeks verzenden van een brief aan een verdachte in Suriname ten einde hem in kennis te stellen van vorderingen in de zin van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering. In zijn antwoordbrief van 26 april 1995 heeft de toenmalige Minister van Justitie de rechter-commissaris het volgende bericht:

“De overeenkomst tussen Nederland en Suriname inzake de uitlevering en rechtshulp van 27 augustus 1976 is naar aanleiding van de zogenoemde "decembermoorden" op 16 december 1982 door Nederland eenzijdig opgeschort. De reden hiervoor was "het ontbreken van elke waarborg voor een normale rechtsgang in Suriname". Een belangrijke overweging vormde dat alle sleutelposities in het land door militairen waren ingenomen.

Met het aantreden van een burgerregering is de situatie verbeterd. Daarom heeft Nederland in 1991 toenadering gezocht om te komen tot onder meer een herstel van de rechtshulp relatie. Dit heeft geresulteerd in een Protocol tussen beide landen waarbij de opschorting ongedaan wordt gemaakt. Gelet op de altijd nog precaire situatie in Suriname zijn beide landen overeengekomen in het Protocol maatregelen te treffen voor een voorzichtig herstel van de relatie. Dit houdt in dat alle rechtshulpverzoeken op basis van het Verdrag van 1976 uitsluitend mogen worden verzonden door de Ministers van Justitie. De in het verdrag van 1976 neergelegde bevoegdheid tot het over en weer rechtstreeks verzoeken om rechtshulp tussen de rechterlijke autoriteiten wordt hiermee opgeheven. Het Protocol is inmiddels in werking getreden. Over het moment van intrekking van de opschorting van het Verdrag van 1976 dient nog nader overleg plaats te vinden tussen de Nederlandse en Surinaamse regering.

Uit het voorgaande blijkt dat elke vorm van rechtshulp vanwege de opschorting van het verdrag onmogelijk is. Uw vraag of daarmee een rechtstreekse verzending van een brief aan een Surinaamse verdachte is toegelaten, moet ik negatief beantwoorden. Immers de bevoegdheid tot direct aanschrijven van personen verblijvend in een ander land zonder tussenkomst van de justitiële autoriteiten is slechts toegestaan indien beide landen dat in een verdrag hebben vastgelegd. Deze handeling is alleen tussen de Schengenlanden toegestaan. Ook in art.14 van het Verdrag van 1976 wordt deze bevoegdheid in relatie tot Suriname expliciet geregeld. Door de opschorting van het Verdrag is dus ook de door u voorgestelde handeling niet toegelaten."

15.18. Het is niet onbegrijpelijk dat de rechter-commissaris naar aanleiding van deze brief ervan heeft afgezien de verdachte voorafgaande aan de statusverleningen te horen. Het door de raadsman aangehaalde artikel 552k van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende dat kleine rechtshulp niet op een verdrag behoeft te zijn gebaseerd, heeft uitsluitend betrekking op inkomende en niet op uitgaande verzoeken tot rechtshulp.

Het achterwege blijven van dit formele verhoor van de verdachte levert onder deze omstandigheden in ieder geval niet een zodanig fundamenteel gebrek op dat de door de betreffende getuige afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

15.19. Bij brief van 3 juni 1996 heeft de rechter-commissaris aan de Minister van Justitie een verzoek tot rechtshulp, strekkende tot betekeningen aan de verdachte. [Verdachte] van acht beschikkingen zoals bedoeld in artikel 226b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gegeven ingevolge artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, gezonden. Het betreft hier de beschikkingen betrekking hebbende op de verlening van de status van bedreigde getuige aan de getuigen NN I tot en met NN VII

15.20. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van Y.N. Boerleider, agente van politie eerste klasse, tewerkgesteld op de afdeling Parketwacht te Paramaribo, . 18 juli 1996 waarin zij verklaart, dat zij gerechtelijke stukken bestaande uit acht beschikkingen genummerd I tot en met VIII inzake het verborgen houden van de identiteit van getuigen (zoals bedoeld in art. 226b eerste lid van het Wetboek van Strafvordering), gegeven ingevolge artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, afkomstig van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (Nederland) gedaan in het gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte [VERDACHTE], , geboren in het district Suriname te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, aan hem in persoon heeft uitgereikt en dat hij als blijk daarvan voor ontvangst heeft getekend.

Dit stuk is - op enig moment - door de toenmalige Surinaamse Minister van Justitie en Politie Mr. Girjasing aan de Nederlandse Minister van Justitie toegezonden en op 28 maart 1997 door de rechter-commissaris ontvangen.

15.21. In de bij de beschikkingen behorende bijlage I is, voor zover van belang, de inhoud weergegeven van de toen van kracht zijnde artikelen 226b, tweede lid, 449, eerste lid, 450, 451b en 454 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 226b, tweede lid, van genoemd wetboek schrijft voor dat tegen de beschikking voor de verdachte binnen veertien dagen na de betekening daarvan bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd hoger beroep kan worden ingesteld. De artikelen 449, eerste lid, 450, en 451b van genoemd wetboek regelen de wijze waarop het hoger beroep dient te worden ingesteld. Van belang is met name artikel 450 dat bepaalt dat het hoger beroep ook kan worden ingesteld (a) door een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het hoger beroep instelt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, en (b) door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.

Tegen de beschikkingen heeft de verdachte geen hoger beroep ingesteld.

15.22. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorlopige statusverlening, zoals de raadsman heeft bepleit. Een voorlopige statusverlening lag ook niet in de rede, omdat gedurende de periode van 2 augustus 1994 tot 5 juni 1995 waarin de statusverleningen hebben plaatsgevonden volstrekt onduidelijk was wanneer de opschorting van het Rechtshulpverdrag van 1976 zou worden ingetrokken en het belang van het onderzoek meebracht dat de getuigen spoedig dienden te worden gehoord. Met ingang van 1 oktober 1995 was het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname weer van kracht.

15.23. Voorts acht het hof het volgende nog van belang.

De getuigen NN I en II zijn door de rechter-commissaris op 16 onderscheidenlijk 14 oktober 1998 op naam en in tegenwoordigheid van een raadsman van de verdachte gehoord. Het hof komt op de consequenties van het bekend worden van de identiteit van de getuigen NN I en NN II nog terug.

De getuigen NN III, NN IV, NN V, en NN VII zijn door de rechter-commissaris gehoord op respectievelijk 26 oktober 1998 (NN III), 25 mei 1998 (NN IV), 28 en 29 mei 1998 (NN V) en 2 juni 1998 (NN VII). Bij deze verhoren is steeds een raadsman van de verdachte aanwezig geweest. Uit de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal blijkt niet dat door de raadsman aan de rechter-commissaris vanwege de vermeende, aan de statusverleningen klevende, fundamentele gebreken is verzocht die statusverleningen te heroverwegen.

15.24. Een volgend verzuim bij de statusverleningsprocedure heeft in de ogen van de verdediging betrekking op het bepaalde in artikel 226b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, welk artikel bepaalt dat de op de voet van artikel 226a van dit wetboek gegeven beschikking onverwijld aan de verdachte wordt betekend. Van een onverwijlde betekening is volgens de raadsman geen sprake geweest.

15.25. Het hof stelt voorop dat genoemd artikel 226b, eerste lid, ertoe strekt de verdachte onmiddellijk in de gelegenheid te stellen om tegen de statusverlening hoger beroep in te stellen.

Naar 's hofs oordeel is inderdaad van een onverwijlde betekening van de beschikking tot statusverleningen geen sprake geweest. Op 1 oktober 1995 is het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname weer van kracht geworden. Het verzoek tot rechtshulp strekkende tot betekening aan de verdachte van de beschikkingen tot statusverleningen is door de rechter-commissaris pas op 3 juni 1996 aan de Minister van Justitie gezonden. In aanmerking genomen evenwel dat alle bedreigde getuigen spoedheidshalve op 1 oktober 1995 reeds waren gehoord en dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van het recht van hoger beroep is dit verzuim niet zo ernstig dat daaraan de sanctie van bewijsuitsluiting moet worden verbonden.

15.26. Het verweer van de verdediging dat aan de statusverle-ningen door de rechter-commissaris zodanige fundamentele gebreken kleven dat aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort wordt gedaan wordt derhalve verworpen.

15.27. De verdediging heeft vervolgens het verweer gevoerd dat het bekend raken van de identiteit van de getuige NN I, NN II en NN III moet worden aangemerkt als een zo ernstig vormverzuim, dat de verklaringen van de betreffende getuigen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

15.28. Het voorschrift om een getuige, aan wie de status van bedreigde getuige is verleend, door de rechter-commissaris te doen horen strekt er uitsluitend toe te voorkomen dat ten gevolge van diens verhoor de identiteit van die getuige bekend wordt en beoogt geen bescherming van belangen van de verdachte, in het bijzonder ook niet het belang bij een eerlijke behandeling van zijn zaak. Immers het verdedigingsbelang is meer gediend bij een verhoor van de bedreigde getuige op de terechtzitting, met toepassing van zo weinig mogelijk beschermingsmaatregelen. Hoe meer beschermingsmaatregelen, hoe beperkter het ondervragingsrecht van de verdediging.

Aangenomen al, dat ook een, inmiddels niet meer anonieme, bedreigde getuige het recht op een verhoor in het kabinet van de rechter-commissaris zou toekomen, hetgeen, zoals het hof al eerder heeft overwogen niet het geval is omdat de status van bedreigde getuige van rechtswege komt te vervallen als zijn identiteit in rechte is komen vast te staan, dan neemt dat recht in ieder geval niet de proporties van algemeen belang aan, indien die getuige onder dezelfde condities als bij een verhoor door de rechter-commissaris het geval zou zijn door de zittingsrechter wordt gehoord. Alleen wanneer de niet-anonieme bedreigde getuige bij zijn verhoor van iedere bescherming verstoken zou blijven, zou met vrucht betoogd kunnen worden dat hier het recht van iedere burger op bescherming van zijn leven en persoonlijke veiligheid in het geding is en schending van dát recht tot uitsluiting van het bewijs van de door de onbeschermde bedreigde getuige afgelegde verklaring zou behoren te leiden.

Iedere functionaris die in strafrechtelijke zin enige bemoeienis heeft met bedreigde getuigen, is zich, naar het hof aanneemt, van zijn plicht om de identiteit van de bedreigde getuige verborgen te houden terdege bewust.

De onderhavige strafzaak heeft helaas - en het hof betreurt dat ten zeerste - aangetoond dat hier geen sprake kan zijn van een waterdichte garantie.

15.29. De identiteit van de getuigen NN I en NN II is bekend geworden doordat per ongeluk de op naam door die getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen in het procesdossier zijn gevoegd. De identiteit van de getuige NN III is bekend geworden doordat twee leden van het COPA-team, door de verdediging onder ede ondervraagd, niet hebben uitgesloten dat een door de verdediging bij naam genoemde persoon tegenover de politie op naam een verklaring heeft afgelegd. Als de leden van het COPA-team op de gestelde vraag ontkennend zouden hebben geantwoord, zouden zij zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan meineed.

Van doelbewust of grof onrechtmatig handelen jegens de getuige NN III is derhalve geen sprake. Van grof onrechtmatig handelen kan wel worden gesproken wat betreft de voeging in het dossier van de op naam tegenover de politie afgelegde verklaringen van de bedreigde getuigen NN I en NN I

15.30. Het belang dat de gemeenschap heeft bij het verborgen houden van de identiteit van een bedreigde getuige is fundamenteel van karakter. Schending van dit belang behoort tot gevolg te hebben, enerzijds dat de bescherming van het leven of de persoonlijke veiligheid van de bedreigde getuige en/of zijn gezin zoveel mogelijk op andere wijze door de overheid wordt gewaarborgd en anderzijds dat de door het bekend worden van de identiteit veroorzaakte schade wordt vergoed en de ontstane overlast wordt beperkt. Door de door de bedreigde getuigen NN I en NN II anoniem en op naam afgelegde verklaringen van het bewijs uit te sluiten wordt in de zienswijze van het hof geen enkel in strafrechtelijke zin te respecteren belang noch enig ander algemeen belang gediend.

Het bekend worden van de identiteit van een bedreigde getuige heeft in strafrechtelijke zin slechts tot gevolg dat de getuige opnieuw en nu op naam, met inachtneming van de vereiste beschermingsmaatregelen, kan en ook dient te worden gehoord. Van het profiteren door de overheid van eigen onrechtmatig gedrag, zoals door de raadsman betoogd, is geen sprake geweest.

15.31. De raadsman verzoekt het hof voorts consequenties te verbinden aan het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ter terechtzitting van het hof op 14 april 2000 onderscheidenlijk 16 mei 2000, in die zin dat als gevolg van deze verhoren ter terechtzitting van het hof alle door deze getuigen afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Want, zo betoogt de raadsman, het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat die getuigen de status van bedreigde getuige kunnen verliezen en heeft die getuigen in strijd met de wet ter terechtzitting verhoord. De raadsman doet hierbij een beroep op het arrest HR 20 april 1999, NJ 1999, 677.

15.32. Omtrent de gevolgen van het bekend worden van de identiteit met het oog op de door de verdediging verzochte hernieuwde oproeping van die getuigen ten einde hen op naam te horen, heeft het hof al het nodige overwogen.

Kort samengevat, heeft het hof het volgende standpunt ingenomen. Indien de identiteit van een bedreigde getuige bekend is geworden, behoort het tot de taak van de zittingsrechter om zoveel mogelijk aan de hand van concrete feiten en omstandigheden af te wegen, ten overstaan van welke instantie en onder welke omstandigheden die getuige moet worden gehoord. Het hof heeft daarbij gelet op de essentie van de procedure van de bedreigde getuige - namelijk het verborgen houden van diens identiteit -, de wetsgeschiedenis - waaruit blijkt dat de wetgever het verschijnsel bekendwording van de identiteit van een bedreigde getuige niet onder ogen heeft gezien - en de rechtspraak van het EHRM die ertoe noopt om het recht op een eerlijk proces enerzijds en het recht op bescherming van leven en persoonlijke veiligheid van een getuige anderzijds zoveel mogelijk aan de hand van concrete feiten en omstandigheden af te wegen. Het door de raadsman genoemde arrest HR 20 april 1999, NJ 1999, 677, heeft betrekking op een andere situatie, namelijk het ter terechtzitting achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging horen van een bedreigde getuige, wiens identiteit nog verborgen dient te blijven. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn door het hof achter gesloten deuren gehoord in aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging met toepassing van de vereiste beschermingsmaatregelen. Daargelaten het feit dat deze wijze van verhoor van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] door de verdediging zelf is verzocht, hetgeen overigens ook door de verdediging wordt erkend, zijn door het hof, althans naar zijn oordeel, geen, zoals de verdediging het noemt, "zwaarwegende belangen van een juiste strafrechtstoepassing in breder verband" (blz. 10 dupliek) veronachtzaamd. Die zwaarder wegende belangen, te weten het belang van de verdediging bij een ondervraging van de niet-anonieme getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ten overstaan van het hof met het oog op de toetsing van de betrouwbaarheid van die getuige door datzelfde hof en het belang van de waarheidsvinding dat wordt gediend door de betrouwbaarheidstoets zoveel mogelijk door de zittingsrechter zelf te laten plaatsvinden, hebben, juist nu de door die getuigen afgelegde verklaringen in de door de rechtbank gebezigde bewijsconstructie zo'n belangrijke plaats innemen, voor het hof aanleiding gegeven om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zelf ter terechtzitting van het hof te horen.

15.33. Ook dit verweer van de verdediging tot uitsluiting van het bewijs van alle verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], afgelegd op naam en anoniem, wordt derhalve verworpen.

15.34. De verdedi-ging voert tenslotte met betrekking tot het thema bedreigde getuigen als verweer aan dat bij de ondervraging van de NN-getuigen sprake is van zo vergaande be-per-kingen van het ondervra-gingsrecht, dat het gebruik van de NN-verkla-rin-gen in strijd moet worden geacht met het in artikel 6 EVRM gegaran-deerde beginsel van fair trial.

15.35. Na een analyse van de bestaande Straatsburgse jurisprudentie toetst de verdediging de wijze van verhoor van de NN-getuigen op de volgende pun-ten:

Was de inzet van het middel bedreigde getui-ge strikt nood-zakelijk?

B. Heeft de verdediging een gele-genheid gehad om de getuige rechtstreeks en behoorlijk te ondervragen?

C. Heeft de verdediging daarbij de gelegenheid gehad om de getuige te observeren?

D. Heeft de rechter-commissaris op afdoende wijze blijk gege-ven de betrouwbaarheid van de getuigen te hebben onder-zocht?

E. Welke mogelijkheden zijn er geweest voor de ver-dediging en Uw Hof om de betrouwbaar-heid van de getuigen te onderzoe-ken?

15.36. De statusverlening is volgens recente rechtspraak van de Hoge Raad (HR 20 april 1999, 1999, 677) aan het oordeel van de zittingsrechter onttrokken. Zoals het hof reeds heeft overwogen, kleven aan de statusverlening niet zodanige fundamentele gebreken dat de verklaringen van de NN-getuigen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Uitgangspunt bij de beoordeling van de wijze van verhoor van de NN-getuigen door de rechter-commissaris dient derhalve te zijn dat aan die getuigen de status van bedreigde getuige is verleend en bij dit verhoor de artikelen 226c-226f van het Wetboek van Strafvordering toepassing dienden te vinden.

15.37. Artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt, alleen kan medewerken tot het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de getuige is een bedreigde getuige en is als zodanig door de rechter-commissaris op de wijze voorzien in artikelen 226c-226f verhoord, en

b. het tenlastegelegde feit, voor zover bewezen, betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, en levert gezien zijn aard, het georganiseerd verband waarin het is begaan, of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde op.

15.38. Voor wat betreft de verklaringen van de getuigen NN III, NN IV, NN V en NN VII zou, indien deze verklaringen tot het bewijs zouden worden gebezigd, aan de in dit artikellid genoemde voorwaarden zijn voldaan. Nu de verklaringen van deze getuigen ter terechtzitting zijn voorgelezen, dienen zij krachtens het bepaalde in artikel 298, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als ter terechtzitting afgelegd te worden aangemerkt.

15.39. Artikel 344a van genoemd wetboek schrijft voor dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend mag worden aangenomen op grond van verklaringen van bedreigde getuigen. Ingevolge de rechtspraak van het EHRM mag het bewijs dat de verdachte de onderhavige feiten heeft begaan ook niet in beslissende mate berusten op verklaringen van bedreigde getuigen. Zie HR 18 mei 1999, NJ 2000, 106.

15.40. De zittingsrechter dient bij de selectie en waardering van een verklaring van een bedreigde getuige alle aspecten die een beperking van het ondervragingsrecht van de verdediging met zich brengen en dus van belang zijn voor de vraag of er sprake is geweest van een eerlijk proces te betrekken. In laatstgenoemd arrest overweegt de Hoge Raad immers dat, indien de zittingsrechter in een bijzonder geval van oordeel zou zijn dat door toepassing van de Wet getuigenbescherming door de rechter-commissaris de verdediging dermate is beknot in het recht om de bedreigde getuige te ondervragen dat dit niet meer in overeenstemming valt te brengen met artikel 6 EVRM, dit meebrengt dat de verklaring van een dergelijke getuige niet kan meewerken aan het bewijs.

15.41. In dit verband is van belang de uitspraak van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in de zaak Visser tegen Nederland van 1 maart 1999, Nieuwsbrief Strafrecht 1999, 186. Deze uitspraak houdt, kort samengevat het volgende in (geciteerd wordt de uitspraak zoals weergegeven in de Nieuwsbrief Strafrecht):

"Dienaangaande geldt dat er niet van kan worden uitgegaan dat het proces, in zijn totaliteit genomen, als eerlijk kan worden beschouwd. In het onderhavige geval heeft de anonieme getuige een voor het bewijs gebruikte verklaring afgelegd tegenover een onderzoeksrechter in een kamer waarvan verzoeker en zelfs zijn raadsman werden uitgesloten. De raadsman was aldus niet alleen niet op de hoogte van de identiteit van de getuige maar was ook niet in de gelegenheid het gedrag van de getuige waar te nemen tijdens een directe ondervraging om aldus diens betrouwbaarheid te testen. In tegenstelling tot de omstandigheden waaronder de anonieme politieambtenaren waren gehoord in de zaak van Van Mechelen versus Nederland was er zelfs geen geluidsverbinding tussen de kamer waar de getuige was gezeten en die waarin de raadsman zich bevond. Aan de raadsman werd alleen maar de gelegenheid gegeven aan de getuige vragen te stellen door tussenkomst van de onderzoeksrechter nadat hij de verklaringen van de getuige had gelezen. Er is geen overtuigende verklaring gegeven waarom het noodzakelijk was het recht van verzoeker om de bewijsverzameling in zijn tegenwoordigheid of in die van zijn advocaat te doen plaatsvinden zo sterk te beperken. Niet overtuigend is aangetoond waarom niet minder verstrekkende maatregelen genomen hadden kunnen worden zoals het aanwezig doen zijn van de raadsman in de kamer waar het verhoor plaatsvond. Weliswaar heeft de raadsman vragen kunnen stellen door tussenkomst van de RC, maar het deel van de verklaring waarin de getuige zijn redenen opgaf om anoniem te blijven zijn noch aan verzoeker noch aan zijn raadsman kenbaar gemaakt. Hoewel de raadsman tegenover het Hof te 's-Gravenhage twijfel heeft geuit met betrekking tot deze redenen heeft het Hof in zijn arrest niet gepoogd het gewicht van die bezwaren, met name voorzover zij op de beweerde bedreiging betrekking hadden, te onderzoeken en te wegen noch blijkt dat het Hof de verklaringen van de anonieme getuige heeft behandeld "met de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid". Het verhoor door de RC en de wijze waarop dat plaatsvond kan niet worden beschouwd als een adequaat substituut voor de mogelijkheid voor de verdediging om de getuige in haar aanwezigheid te horen en zelf een oordeel te vormen over het gedrag en de betrouwbaarheid van deze. De handicaps waarmee de verdediging werd geconfronteerd zijn niet in evenwicht gebracht door de door de RC in acht genomen procedure. Tenslotte moet worden vastgesteld dat de veroordeling in een beslissende mate was gebaseerd op de verklaringen van de anonieme getuige. De andere bewijsmiddelen hielden immers geen positieve identificatie in van verzoeker als pleger van het misdrijf."

15.42. De rechter-commissaris [getuige 3] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 juni 1999 als getuige gehoord een verklaring afgelegd omtrent de wijze waarop zij bedreigde getuigen heeft verhoord.

De bedreigde getuigen NN III, IV, V, en VII zijn in de zaken [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vermomd en met stemvervorming in aanwezigheid van het openbaar ministerie en de raadslieden gehoord. De verdachten zijn niet in de gelegenheid gesteld het verhoor bij te wonen. De getuigen bevonden zich in een cabine, hoorbaar en tot schouderhoogte zichtbaar voor de aanwezigen.

De rechter-commissaris heeft deze maatregelen noodzakelijk geacht om herkenning van de getuigen te voorkomen.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van de getuige NN IV . 25 mei 1998 houdt onder meer het volgende in:

"Er bestaat naar het oordeel van de rechter-commissaris een reële mogelijkheid dat de identiteit van de getuige na het verhoor te achterhalen is wanneer het verhoor zonder vermomming en gebruik van stemvervorming zou plaatsvinden. Meerdere verdachten uit de Surinaamse gemeenschap zijn in de loop der jaren bijgestaan door de raadslieden van een aantal verdachten dan wel door hun kantoorgenoten. De getuige, afkomstig uit die gemeenschap, draagt kennis van strafbare feiten. Er moet daarom rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de getuige in dat verband op enigerlei wijze in contact is geweest met een van de raadslieden of een kantoorgenoot."

Omtrent de ondervraging van de bedreigde getuigen door de rechter-commissaris houdt het proces-verbaal het volgende in:

"De officier van justitie en de raadslieden hebben (..) een aantal op schrift gestelde vragen aan de rechter-commissaris overhandigd. Na bestudering van die vragen heeft de rechter-commissaris die vragen eerst buiten aanwezigheid van de officier van justitie en de raadslieden ter beantwoording voorgelegd aan de getuige. Op grond van de aan de rechter-commissaris ter beschikking staande informatie leverde het ter kennis komen van de antwoorden op een deel van de vragen gevaar op voor het verborgen houden van de identiteit van de getuige. Ten aanzien van de mogelijke beantwoording van de overige vragen kon de rechter-commissaris niet overzien hoe groot het risico was voor de identiteit van de getuige. Om dit risico tot een minimum te beperken, heeft de rechter-commissaris voor de hiervoor beschreven gang van zaken gekozen. De getuige heeft alle vragen beantwoord. De vragen, waarvan de beantwoording geen gevaar vormde voor het bekend worden van de identiteit van de getuige, zijn vervolgens in aanwezigheid van de officier van justitie en de raadslieden herhaald en nogmaals beantwoord door de getuige.

De officier van justitie en de raadslieden zijn in de gelegenheid gesteld nadere vragen te stellen; de nadere vragen zijn door de getuige beantwoord.

De rechter-commissaris heeft vervolgens de verklaring van de getuige aan de griffier gedicteerd buiten aanwezigheid van de getuige, de officier van justitie en de raadslieden.

De verklaring is in aanwezigheid van voornoemde personen aan de getuige voorgelezen.

Het proces-verbaal is buiten aanwezigheid van de officier van justitie en de raadslieden door de getuige ondertekend."

De rechter-commissaris heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 juni 1999 als getuige gehoord nog verklaard dat bij nadere vragen steeds hetzelfde procédé is gevolgd en dat ook ambtshalve vragen zijn gesteld.

De gang van zaken met betrekking tot de verhoren van de getuigen NN III, NN V en NN VII is blijkens de van hun verhoren opgemaakte processen-verbaal grotendeels dezelfde.

15.43. De rechter-commissaris [getuige 3] is omtrent de wijze van verhoor van de NN-getuigen ook ter terechtzitting van het hof van 29 maart 2000 gehoord, waarbij de verdediging aan de getuige vragen heeft gesteld. De rechter-commissaris heeft toen -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende verklaard:

Naar aanleiding van iedere statement of stelling, en dan met name bij informatie over de verdachten, heb ik uitgebreid vragen gesteld in verband met de betrouwbaarheidstoets hoe een getuige iets wist of kon weten. Ik heb ook hun zintuiglijke waarneming, het zien of horen, getoetst. In z’n algemeenheid kan ik zeggen dat ik, als strafrechter met veel ervaring, dacht dat het van belang of cruciaal kon zijn, heb trachten vast te stellen of de verklaring waar kon zijn, met andere woorden: kan het kloppen, kan iemand dat weten. Op grond van die situatie heb ik het merendeel van de getuigen betrouwbaar geacht. Ook met betrekking tot de vragen van de verdediging heb ik de redenen van wetenschap getoetst.

Ten aanzien van de antecedenten weet ik niet of dat in alle gevallen is gecontroleerd. Met name is ingegaan op de verhouding tot de betrokkenen en de gebeurtenissen.

Ik heb naar de motieven van de getuigen gevraagd. De getuigen hebben op die vraag geantwoord.

Ik kreeg over de betrokkene en zijn mogelijk af te leggen verklaring schriftelijke informatie, daar waren ook verklaringen van de betrokkene bij.

Er is niets geweest wat ontlastend was en wat ik niet heb kunnen opnemen.

Ik heb alle mij ter beschikking staande informatie bij de toets betrokken en dus ook alle verklaringen op consistentie getoetst.

Ik heb de informatie uit verhoren van bedreigde getuigen gebruikt bij mijn toets van andere verhoren. Ik heb daarbij gekeken of feiten uit het ene verhoor klopten met het andere verhoor of niet. Ik heb niet letterlijk alle verklaringen naast elkaar gelegd maar ik heb wel alle informatie meegewogen. Ik heb ook getoetst op basis van andere stukken in het dossier. Ter verificatie van bepaalde punten heb ik ook gebruik gemaakt van informatie die alleen ik had en die zich in een kluisdossier bevindt.

15.44. De rechter-commissaris heeft de getroffen maatregelen met het oog op het verborgen houden van de identiteit van de bedreigde getuigen noodzakelijk geacht. Of dit terecht is gebeurd, kan door de zittingsrechter - en dat is de consequentie van ons wettelijke systeem inzake bedreigde getuigen - slechts zeer marginaal worden getoetst. De zittingsrechter beschikt immers niet over dezelfde informatie met betrekking tot een bepaalde bedreigde getuige als waarover de rechter-commissaris beschikt. Die informatie kan afkomstig zijn van eerdere door de bedreigde getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen, van door andere bedreigde getuigen afgelegde verklaringen, van politie dan wel het openbaar ministerie en voortspruiten uit het - geheime - voorgesprek van de rechter-commissaris met de bedreigde getuige. Dus niet zo zeer de noodzakelijkheid van de getroffen beschermingsmaatregelen alswel de beknotting van de verdedigingsrechten ten gevolge van die maatregelen en dientengevolge de eerlijkheid van het strafproces in zijn totaliteit staat ter beoordeling van de zittingsrechter.

De zittingsrechter kan wel aan de hand van het verslag van de rechter-commissaris van het verhoor toetsen in hoeverre door de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden de verdedigingsrechten zijn beknot. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

15.45. In de praktijk ontwikkelen zich langzamerhand nieuwe procedures rondom het horen van bedreigde getuigen en lijkt de tijd rijp voor een verdere uitwerking (standaardisering) van het bepaalde in artikel 226d van het Wetboek van Strafvordering. Bij de getuigenbescherming is thans sprake van expertise op dit gebied, terwijl ook de techniek, bij voorbeeld ten aanzien van de stemvervorming, uiteraard niet stilstaat. Nu evenwel nadere regels ontbreken en in de onderhavige zaak het bedreigde getuigen traject bewijsrechtelijk van groot belang geacht moet worden, zal het hof zelf een toetsingskader ontwikkelen.

Sommige beschermingsmaatregelen hebben thans min of meer een standaardkarakter. Het treffen van verdergaande, specifieke, maatregelen is voorbehouden aan de rechter-commissaris. Dit onderscheid -standaard versus specifiek- zou men ook kunnen hanteren bij de beoordeling van de aan de verdediging opgelegde beperkingen. Aldus zou men onderscheid kunnen maken tussen inherente en specifieke beperkingen van verdedigingsrechten bij het horen van bedreigde getuigen. Inherente beperkingen, of standaardbeperkingen, zijn beperkingen die het rechtstreekse gevolg zijn van de statusverlening en min of meer standaard bij ieder verhoor van een bedreigde getuige worden toegepast. Aan de motivering van deze beperkingen door de rechter-commissaris dienen niet al te hoge eisen te worden gesteld. Niet alleen de wetgever maar ook de rechter, ingevolge de Straatsburgse jurisprudentie, heeft in de bewijsrechtelijke sfeer aan die beperkingen bepaalde rechtsgevolgen verbonden. Die rechtsgevolgen houden geen totale bewijsuitsluiting in. Wel brengt het gebruik van verklaringen van bedreigde getuigen mee dat de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten niet in beslissende mate, ook indien die verklaringen in hun onderling verband en samenhang worden beschouwd, op die verklaringen mag berusten. Specifieke beperkingen zijn beperkingen die het gevolg zijn van maatregelen die alleen met het oog op de bescherming van een bepaalde bedreigde getuige noodzakelijk zijn. Die beperkingen vereisen steeds een bijzondere motivering.

Ook de rechter-commissaris heeft blijkbaar bij de getroffen beschermingsmaatregelen een dergelijk onderscheid gemaakt, aangezien de opgelegde beperkingen steeds bij de getuigen NN III, IV, V, VII en VIII zijn toegepast, in zoverre was in de onderhavige zaak sprake van een standaardprocedure, en alleen bij de getuige NN VI zijn verdergaande beschermingsmaatregelen getroffen. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de toegepaste beperkingen ook door het hof als standaardbeperkingen worden aangemerkt die geen bijzondere gevolgen in de bewijsrechtelijke sfeer behoren te hebben dan wel of specifieke beperkingen zijn toegepast, waaraan wel bewijsrechtelijke consequenties dienen te worden verbonden.

15.46. De rechter-commissaris heeft alle nog van belang zijnde bedreigde getuigen verhoord met vermomming en stemvervorming, gezeten in een cabine, hoorbaar en tot schouderhoogte zichtbaar voor de aanwezigen. Het verhoren van een bedreigde getuige met vermomming en stemvervorming, in een cabine, hoorbaar en tot schouderhoogte zichtbaar voor de aanwezigen zou het hof min of meer als standaardbeperkingen willen aanmerken. Het hof heeft tijdens het verhoor van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], dat eveneens op die wijze heeft plaatsgevonden, zelf kunnen waarnemen dat de kwaliteit van het verhoor van die getuigen daardoor wel vermindert, maar niet zodanig dat niet meer van een behoorlijk verhoor kan worden gesproken. De rechter-commissaris heeft deze beperkingen naar behoren gemotiveerd.

Ook het stellen van vragen door tussenkomst van de rechter-commissaris zou als een standaardbeperking kunnen worden aangemerkt, zij het dat volgens het hof onder omstandigheden zou kunnen worden volstaan met een bevestiging door de rechter-commissaris dat de opgegeven vraag door de verdediging mag worden gesteld. Het risico van onthulling van de identiteit van een bedreigde getuige brengt nu eenmaal mee dat een vraag eerst dan pas kan worden gesteld wanneer de voor de getuigenbescherming verantwoordelijke autoriteit, in dit geval de rechter-commissaris, heeft vastgesteld dat dit risico bij de opgegeven vraag niet bestaat. Ook de getuige zelf dient enige tijd te worden gegund om te kunnen bepalen of bij beantwoording van de opgegeven vraag gevaar voor onthulling van zijn identiteit dreigt. Bij het verhoor van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ter terechtzitting van het hof hebben de raadslieden van de getuigen bij deze controle nog een belangrijke rol gespeeld.

15.47. De rechter-commissaris heeft de verdachten niet in de gelegenheid gesteld om bij de verhoren van de bedreigde getuigen aanwezig te zijn. De afwezigheid van verdachten bij verhoren van bedreigde getuigen betreft naar 's hofs oordeel geen standaardbeperking. Artikel 226d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt, zowel ten aanzien van de raadsman als ten aanzien van de verdachte, dat deze het verhoor van de bedreigde getuige alleen dan niet mag bijwonen, indien het belang van het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige zulks vordert. Indien de verdachte het verhoor niet mag bijwonen, dient het proces-verbaal van de rechter-commissaris een bijzondere motivering te bevatten. Tegen deze beperking is in de onderhavige zaak door de verdediging geen bezwaar gemaakt.

Het enkel bieden van de mogelijkheid om schriftelijk vragen op te geven kan naar 's hofs oordeel niet als een standaardbeperking worden aangemerkt. De vermindering van het gevaar voor onthulling van de identiteit van de bedreigde getuige door deze wijze van vraagstelling alleen kan geen voldoende rechtvaardiging voor deze beperking opleveren. Aan de verdediging mag in het algemeen niet de mogelijkheid worden onthouden om ook mondeling aan de bedreigde getuige vragen te stellen. De rechter-commissaris heeft in deze zaak weliswaar eerst de verdediging in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen op te geven, doch heeft daarnaast de verdediging nog de mogelijkheid geboden nadere, mondelinge vragen te stellen.

Het verhoor van de bedreigde getuige door de rechter-commissaris heeft zich in twee fasen voltrokken. Het eerste verhoor heeft buiten aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging plaatsgevonden. Alle schriftelijk opgegeven vragen zijn tijdens dat eerste verhoor door de rechter-commissaris gesteld en door de getuige beantwoord. Vervolgens zijn in het kader van een tweede verhoor de vragen en de antwoorden, ten aanzien waarvan geen gevaar voor onthulling van de identiteit van de bedreigde getuige bestond, herhaald. Bij de nadere vragen is hetzelfde procédé gevolgd.

Op grond van de aan de rechter-commissaris ter beschikking staande informatie heeft de rechter-commissaris na bestudering van de schriftelijk opgegeven vragen geoordeeld dat het ter kennis komen van de antwoorden op een deel van de vragen gevaar oplevert voor het verborgen houden van de identiteit van de getuige. Ten aanzien van de mogelijke beantwoording van de overige vragen kon de rechter-commissaris niet overzien hoe groot het risico was voor de onthulling van de identiteit van de getuige. Om dit risico tot een minimum te beperken, heeft de rechter-commissaris ervoor gekozen alle vragen eerst buiten aanwezigheid van openbaar ministerie en verdediging te stellen en vervolgens door de getuige te laten beantwoorden. De rechter-commissaris heeft evenwel, bezien vanuit het perspectief van de getuigenbescherming, de veiligste weg gekozen en een volledig eerste verhoor doen plaatsvinden. Een dergelijk eerste verhoor betekent evenwel dat de getuige zich op zijn antwoorden kan voorbereiden, terwijl ook de rechter-commissaris na dat verhoor op de hoogte is van de door de bedreigde getuige te geven antwoorden. De verdediging krijgt dus pas antwoord, als het door de getuige gegeven antwoord door de rechter-commissaris als een niet risicovol antwoord is aangemerkt.

Het toen geldende artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering bevatte geen verplichting voor de rechter-commissaris om de door de verdediging opgegeven vragen ook daadwerkelijk aan getuigen te stellen. Artikel 226d, derde lid, van dit wetboek geeft op die regeling een aanvulling, indien de getuige een bedreigde getuige is. Krachtens deze bepaling dient de rechter-commissaris, indien deze heeft belet dat een door de bedreigde getuige gegeven antwoord ter kennis komt van de verdediging, in het proces-verbaal op te nemen dat de gestelde vraag door de bedreigde getuige is beantwoord. Toepassing van artikel 226d, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering komt dus volgens het hof alleen aan de orde als de commune regeling, die voorziet in de mogelijkheid om te beletten dat aan een risicovolle vraag gevolg wordt gegeven, met het oog op de bescherming van de getuige ontoereikend is. In zoverre kan artikel 226d, derde lid, niet als een standaardbeperking worden aangemerkt en behoeft die beperking een bijzondere motivering.

De rechter-commissaris heeft voor een volledig eerste verhoor gekozen omdat iedere opgegeven vraag de mogelijkheid van een risicovol antwoord in zich borg en dit risico volgens de rechter-commissaris tot een minimum moest worden beperkt. Mogelijk heeft bij deze keuze ook een rol gespeeld dat de getuige bij zijn verhoor niet door een raadsman of raadsvrouw werd bijgestaan. Het hof is er niet zonder meer van overtuigd dat van dit criterium kan worden gezegd dat het niet te ruim is. Van enige directe beantwoording door de getuige van door de verdediging opgegeven vragen kon na dat eerste verhoor immers geen sprake meer zijn.

Niet alle antwoorden op gestelde vragen zijn aan de verdediging geopenbaard. Volgens het hof is niet aannemelijk geworden dat zulks niet steeds verband hield met de plicht van de rechter-commissaris om de identiteit van de betreffende getuige verborgen te houden. De verdediging heeft weliswaar niet de gelegenheid gehad om de getuige bij het geven van deze antwoorden te observeren doch deze beperking is inherent aan de status van bedreigde getuige.

15.48. Naar ‘s hofs oordeel heeft de rechter-commissaris, gelet op hetgeen zij hieromtrent in haar processen-verbaal en tijdens de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard, de betrouwbaarheidstoets naar behoren uitgevoerd.

15.49. Alles overziende is het hof, concluderend, van oordeel dat de beperkingen die de rechter-commissaris de verdediging bij de ondervraging heeft opgelegd niet van dien aard zijn geweest dat de verklaringen van de gehoorde bedreigde getuigen in het geheel niet tot het bewijs zouden mogen meewerken.

De door het hof als specifiek aangeduide beperkingen zijn voorts niet zo ingrijpend dat bij de beoordeling van de bewijsvraag in de onderhavige zaak moet worden afgeweken van het algemeen geldende criterium dat het bewijs dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan niet in beslissende mate op de verklaringen van bedreigde getuigen mag berusten.

15.50. Resteert de vraag of de door een bepaalde bedreigde getuige afgelegde verklaringen vanwege de inhoud van die verklaringen, in het licht van eerdere, door hem of door een ander afgelegde verklaringen, buiten beschouwingen dienen te worden gelaten.

Deze vraag doet zich voor bij de beoordeling van de verklaringen van de getuige NN II

15.51. Na kennisneming van de door de getuige NN III tegenover de politie afgelegde verklaringen en de door hem op 29 en 30 mei 2000 tegenover de rechter-commissaris op naam afgelegde verklaringen heeft het hof ter terechtzitting van 31 mei 2000 het volgende overwogen:

"Gezien de door de inmiddels niet-anonieme getuige III tegenover de politie en de rechters-commissarissen afgelegde verklaringen is het hof van oordeel dat die verklaringen, in hun onderling verband en samenhang bezien, zo weinig consistent zijn en ondersteund worden door eigen waarnemingen of bevindingen anders dan van horen zeggen van de getuige zelf dat deze naar 's hofs voorlopig oordeel niet in aanmerking komen om als bewijsmiddel te worden gebruikt. De vraag van het hof of de getuige zijn wetenschap omtrent hetgeen hij verklaard heeft alleen aan de zogenaamde "kennissen" of ook aan andere bronnen ontleende is door de getuige niet op een voor het hof toetsbare wijze beantwoord.”

15.52. Ter terechtzitting van 5 juni 2000 heeft het hof, na verdergaand onderzoek omtrent de redenen van wetenschap van de getuige NN III (zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 juni 2000), daaraan nog het volgende toegevoegd:

“Uit het voorgaande volgt in de eerste plaats dat de getuige III zowel anoniem als op naam gehoord op essentiële onderdelen zijn wetenschap ontleent aan hetgeen de twee kennissen hem hebben verteld. Verdere informatie over deze twee kennissen en de controle op de betrouwbaarheid van de door hen aan de getuige III verschafte informatie kan niet worden verkregen, nu de rechter-commissaris vragen en antwoorden daaromtrent niet, ook niet nadat hij daartoe door het hof voorafgaand aan het verhoor van 29 en 30 mei 2000 uitdrukkelijk was uitgenodigd, ter kennis van de verdediging en het hof heeft gebracht De enkele verklaring van de rechter-commissaris dat de getuige een betrouwbare verklaring heeft afgelegd biedt naar 's hofs oordeel, mede gelet op de niet onaanzienlijke inconsistenties in die verklaringen, met het oog op het gebruik van de door hem afgelegde verklaringen als bewijsmiddel onvoldoende tegenwicht tegen het ontbreken van iedere mogelijkheid voor de verdediging én het hof om de betrouwbaarheid van die verklaringen zelf te kunnen toetsen. Het hof heeft in dezen een eigen verantwoordelijkheid, die, anders dan bij de rechter-commissaris, pas in de bewijsrechtelijke sfeer, de selectie en waardering van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal, tot uitdrukking komt.

Het hof benadrukt nog eens, dat zijn voorlopig oordeel omtrent de bruikbaarheid voor het bewijs van de door de getuige III anoniem en op naam afgelegde verklaringen is gegeven in het kader van de afwijzing van het verzoek om de zogenoemde "kennissen" en de verbalisanten die de getuige III op naam hebben verhoord, als getuigen te horen. Niet uit te sluiten valt dat, ingeval voor een gedeelte van de door de getuige III afgelegde verklaringen (belangrijke) steun kan worden gevonden in andere bewijsmiddelen, dit gedeelte voor het bewijs bruikbaar kan worden geacht. Het hof wacht dienaangaande de standpunten van openbaar ministerie en verdediging af.”

15.53. Deze standpunten hebben niet tot een andersluidend oordeel van het hof geleid. Het hof zal dit nog nader motiveren.

15.54. Tijdens het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van 7 februari 1995 heeft de getuige NN III onder meer -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard (punt 4):

De beide personen die ik hierboven heb bedoeld, maakten - en maken nu nog - deel uit van de Surinaamse krijgsmacht. Zij werken bij twee verschillende krijgsmachtonderdelen. Hun beider functies zijn van dien aard dat zij regelmatig, ook persoonlijk, contact met [verdachte] hebben. Overigens moet daarbij de kanttekening worden gemaakt dat de Surinaamse krijgsmacht als zodanig - dus als krijgsmacht - niet zoveel te doen heeft, zodat de contacten veelal niet van militair belang waren, maar eerder van belang voor de "nevenactiviteiten" van [verdachte].

15.55. Meer is over deze kennissen gedurende de verhoren van de getuige NN III niet bekend geworden. In het bijzonder is onduidelijk gebleven wanneer de getuige NN III deze kennissen voor het laatst heeft gezien en of de gegeven informatie betrekking heeft op de tenlastegelegde periode (1 januari 1989 - augustus 1992).

15.56. Het bewijs inzake het bestaan en de structuur van de beweerde criminele organisatie berust in belangrijke, misschien zelfs wel in beslissende mate, op het proces-verbaal van de rechter-commissaris, voorzover inhouden-de als de op 26 oktober 1998 afgelegde verklaring van de getuige NN III -zakelijk weergegeven- (punten 5, 7, 8, 12, 14, 15, 38, 61, 63, 64, 65 en 66):

In 1995 heb ik verklaard tegenover de rechter-commissaris over een aantal zogenaamde vergunninghouders. Daarmee bedoel ik het volgende. Zo'n persoon kreeg toestemming om in cocaïne te handelen en daarbij werd ook van bovenaf bepaald in welke hoeveelheden cocaïne er gehandeld mocht worden. De Baas, daarmee bedoel ik [verdachte], bepaal-de wie die toestemming kreeg en hij bepaalde ook de hoeveelheid cocaïne waarin gehandeld mocht worden.

[medeverdachte 1] was zo'n vergunninghouder.

[betrokkene 6] trad op als tussenpersoon om het geld uit de cocaïnehandel te incasseren en te beleggen.

Het geld dat door de vergunninghouders werd betaald ten behoeve van de Baas werd voor hem beheerd door [medeverdachte 2].

Ik heb kennelijk in 1995 verklaard dat een man genaamd [betrokkene 7] er voor zorgde dat de schepen met cocaïne van [medeverdachte 1] niet gecontroleerd werden op verdovende midde-len. De taak van die persoon was om in opdracht van de baas, als tweede man, te zorgen dat alles goed liep bij de trans-porten van cocaïne.

Men houdt in de organisatie van [verdachte] strikt geschei-den de groep die zich bezig houdt met de distributie van cocaïne, de groep die zich bezig houdt met de export ervan en de groep die zich bezig houdt met het witwassen van gelden.

[medeverdachte 2] was in Nederland de beheerder van de financiën.

Er is een zakelijke relatie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Het is een financiële relatie waarbij geld wordt doorgesluisd.

[verdachte] is de baas. [Betrokkene 7] is degene die de schoeners van [medeverdachte 1] beschermt in Suriname en [medeverdachte 1] is degene die voor de distributie van cocaïne zorgt.

Ik weet dat [mededader 1] in Nederland gepakt is met een hoeveel-heid cocaïne. [Mededader 1] was een tussenschakel. [Medeverdachte 1], [betrokkene 7] en [verdachte] waren bij die cocaïne betrokken.

Ik ken de vliegtuigmaatschappij Trans Carribean Airline. Bij die maatschappij waren betrokken [mededader 2], [medeverdachte 1], de Baas en [medeverdachte 2].

Er zijn op een gegeven moment problemen ontstaan met [betrokkene 8]. Er is een partij cocaïne verdwenen. [Verdachte] heeft toen zelf ingegrepen om de problemen op te lossen.

15.57. De getuige NN III is verschillende malen door de politie gehoord. Bij de stukken bevinden zich processen-verbaal van verhoren op 17 oktober 1994, 19 oktober 1994, nogmaals 19 oktober 1994, 31 oktober 1994, 1 november 1994, 3 november 1994, nogmaals 3 november 1994, 27 januari 1995 en 7 februari 1995. De verklaringen zijn alle door de getuige NN III ondertekend. De processen-verbaal zijn gedeeltelijk door de rechter-commissaris geanonimiseerd.

15.58. De getuige NN III verklaart op naam -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende (de witte gedeelten zijn weggelakt):

U vraagt mij of ik een persoon ken die [MEDEVERDACHTE 1] is genaamd. Die man ken ik. (..) Tijdens een receptie ontmoette ik [medeverdachte 1]. Er waren daar diverse personen waaronder ook [verdachte]. Dit was in 1990. Ik wilde een project beginnen op ARUB Ik wilde daar een appartementencomplex opzetten en zocht een financier. (..) Wat betreft het financiële gedeelte heb ik nooit rechtstreeks contact gehad met [MEDEVERDACHTE 1]. Wel heb ik een contract afgesloten over een persoonlijke lening van Fl 350.000 tezamen met [MEDEVERDACHTE 1]. Dit contract is afgesloten bij een notaris genaamd RAMAUTAR, waarbij [MEDEVERDACHTE 1] in persoon aanwezig was. Hij heeft zijn kantoor in Paramaribo. Deze persoon maakte mij duidelijk dat ik geen verantwoording had ten opzichte [MEDEVERDACHTE 1], doch aan [familielid 1 van medeverdachte 2]. Middels bemiddeling van [familielid 1 van medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] en [familielid 2 van medeverdachte 2] heb ik fL 350.000 via de rekening van [BETROKKENE 6] ontvangen. (..)Kennelijk heeft [MEDEVERDACHTE 1] voor deze constructie gekozen om buiten schot te blijven. Ik was verantwoording schuldig aan [familielid 1 van medeverdachte 2]. Later kwam het bedrijf van mij in financiële problemen. Via de advocaat van [familielid 1 van medeverdachte 2] op ARUBA trachtte ik te redden wat er te redden viel. Het bedrijf ging echter failliet. [Familielid 1 van medeverdachte 2] heeft toen beslag laten leggen op alle goederen.

Ik kan het niet aantonen, maar, gezien de naam [medeverdachte 1], hij staat in Suriname bekend als verdovende middelen handelaar, vermoed ik dat het geld dat in mijn project is gestopt verdiend is met de handel in verdovende middelen. Ik vermoed dat hij op deze wijze geld wit wil wassen. [MEDEVERDACHTE 1] is een van de rijkste, misschien wel de rijkste man van SURINAME. Tenminste staat hij in de top tien van rijkste mannen van Suriname. (verhoor van 17 oktober 1994)

U vraagt mij of ik een persoon ken die [MEDEDADER 1] is genaamd. Deze persoon ken ik. Ik heb deze persoon eind 1990 leren kennen. (..)

Op een bepaald moment (..) het moet eind 1990 geweest zijn, kwam [MEDEDADER 1] bij mij en vroeg mij of ik iemand wist om vreemde valuta te wisselen. Dat een man genaamd [MEDEVERDACHTE 2], die een goud en zilver winkeltje heeft aan de [adres] te Rotterdam, geld wisselde. Ik weet niet om hoeveel geld het hier ging. Evenmin weet ik niet te vertellen of [MEDEDADER 1] daadwerkelijk geld heeft gewisseld. (..) Er ontstond een goed contact tussen [MEDEDADER 1] en mij.

Eind 1990 of begin 1991 kwam [MEDEDADER 1] bij mij met een voor mij onbekende Hindoestaanse jongen (..) [MEDEDADER 1] vertelde mij dat hij tezamen met de Hindoestaanse jongen een hoeveelheid van 50 kilogram cocaïne had. Een gedeelte van die partij was inmiddels verkocht. Van de partij was 13 kilogram over. [MEDEDADER 1] vertelde mij dat de afnemers te weinig hadden betaald. [MEDEDADER 1] had derhalve 13 kilogram cocaïne achter gehouden. Hij vroeg mij om advies wat te doen met de resterende cocaïne. Ik heb hem gezegd dat hij die 13 kilogram cocaïne aan een ander moest verkopen. Tegen de leverancier van de 50 kilogram cocaïne moest hij zeggen dat de 13 kilogram gestolen was. Als er problemen van zouden komen, moest [MEDEDADER 1] zeggen dat iemand de partij gestolen had. [MEDEDADER 1] heeft niet verteld wie de leverancier van de cocaïne was. Ik kwam daar later achter.

[MEDEDADER 1] wist geen afnemer voor de resterende hoeveelheid cocaïne. Ik wist dat er in Amsterdam een persoon was die handelde in cocaïne. De naam van de Surinaamse man is FRIT Hij staat achter de bar van een café op de Dappermarkt. Ik heb [mededader 1] verteld hoe hij daar moest komen. Hij is daar later naar ik hoorde heengegaan en heeft daar de cocaïne verkocht via bemiddeling van FRIT [Mededader 1] heeft mij Fl 2500 per kilogram betaald.

Kort daarop ben ik naar Suriname gegaan. Daar ontmoette ik [MEDEVERDACHTE 1] en ROOSENDAA Ik moest in de auto van ROOSENDAAL, een Patrol, plaats nemen. [MEDEVERDACHTE 1] heeft niets gezegd. ROOSENDAAL vertelde mij dat er vervelende dingen waren gebeurd. Hij vertelde mij dat ik door [MEDEDADER 1] beschuldigd was van het feit dat ik een aantal kilogrammen cocaïne had gestolen. Ik begreep toen dat de partij van 50 kilogram cocaïne afkomstig was van [MEDEVERDACHTE 1] en ROOSENDAAL en dat zij in ieder geval enige betrokkenheid bij de 50 kilogram cocaïne hadden. Van ROOSENDAAL begreep ik dat [MEDEDADER 1] een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven. Ik heb ROOSENDAAL verteld hoe het werkelijk was gegaan. ROOSENDAAL aanvaardde mijn excuus. Ik heb [MEDEDADER 1] nooit meer gezien. (..)

Ik weet dat [MEDEDADER 1] in 1991 aangehouden is in verband met bijna 300 kilogram cocaïne. Deze cocaïne werd vervoerd met een schip. Het schip vaart een soort pendeldienst vanaf Paramaribo, via een aantal landen naar Engeland en vervolgens naar Nederland.

Zo heb ik gehoord dat [MEDEVERDACHTE 1] een Hindoestaanse jongen had benaderd, die elektricien was op een schip, waar later de cocaïne werd aangetroffen. Deze Hindoestaanse jongen werkte voor [MEDEDADER 1]. Na de aanhouding van [MEDEDADER 1] heeft [MEDEVERDACHTE 1] aan ROOZENDAAL verteld dat hij tijdens de aanhouding door het oog van de naald was gekropen, omdat hij op dat moment dat er in Rotterdam-Zuid aanhoudingen werden verricht in verband met de vondst van de 300 kilogram cocaïne. (..) (verhoor van 19 oktober 1994)

U vraagt mij naar de naam [MEDEVERDACHTE 2]. Ik ken die persoon. Hij heeft en winkeltje aan de [adres] te Rotterda In het winkeltje verkoopt hij sieraden etc. Tevens wisselt hij vreemde valuta. Ik ken [medeverdachte 2] persoonlijk. Ik weet dat DEW [MEDEVERDACHTE 2] af en toe naar ARUBA kwam om de administratie bij te houden van SUPERCAR RENTA De broers [MEDEVERDACHTE 2] bezitten SUPERCAR RENTA Ik weet dat [MEDEVERDACHTE 1] in principe eigenaar is van SUPER CAR RENTAL, of in ieder geval aandelen heeft in dit bedrijf. (..)

[MEDEVERDACHTE 1] is eigenaar van SUPER CAR RENTA SUPER CAR RENTAL is een groot bedrijf met honderden auto's. (..)

[MEDEVERDACHTE 1] in Nederland geen zaken kan doen zonder medewerking van de gebroeders [MEDEVERDACHTE 2]. Het afsluiten van contracten en dergelijke gebeurt door [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1]. De bedrijfsvoering van SUPER CAR RENTAL gebeurt door [familielid 1 van medeverdachte 2]. Een Arubaanse vrouw heeft de dagelijkse leiding. [Familielid 2 van medeverdachte 2] heeft een Surinaamse boekhouder genaamd NARAIN aangetrokken die de dagelijkse boekhouding verzorgt van SUPER CAR RENTA CHAN [MEDEVERDACHTE 2] heeft een goud en zilverwinkel genaamd SURI goud. Ik heb U reeds eerde verklaard over het feit dat [medeverdachte 2] via een van de door hem beheerde rekeningen Fl 350.000 heeft over gemaakt naar een bankrekening op Aruba. Dit geld was voor mij bestemd voor de oprichting van het bouwbedrijf. (verhoor van 19 oktober 1994)

U toonde mij voor mijn verhoor diverse foto's met daarop afbeeldingen van verschillende personen. Verschillende van die personen herken ik. Op een van de foto's staat een persoon afgebeeld die ik herken als [MEDEVERDACHTE 1]. Zijn bijnaam is PAPIE. Hij is eigenaar van een snoepwinkeltje in Suriname, dat gevestigd is aan het [adres]. Daar is ook en bedrijfje gevestigd dat handelt in vis. De naam van het bedrijf is "BRAZION KWIE KWIE, ook dit bedrijf is van [MEDEVERDACHTE 1].

Een feestje dat ter ere van RAWLINGS werd georganiseerd, de machthebber van het leger van GHANA, werd ik voorgesteld aan [MEDEVERDACHTE 1]. Op het feestje was bijna de gehele top van het leger van Suriname aanwezig, inclusief [VERDACHTE].

In verband met een bouwproject dat ik wilde opzetten op ARUB Ik zocht daarvoor een financier. [MEDEVERDACHTE 1] mogelijk mijn project op ARUBA wilde steunen. (..)

Een ander persoon die op de foto staat die u mij voor mijn verhoor toonde is een man die ik ken als [MEDEDADER 1]. (..) Ik heb gewerkt bij een avond winkel. Begin 1990 verscheen [MEDEDADER 1] in de avondwinkel. Ik raakte met [MEDEDADER 1] in gesprek. Hij kwam regelmatig als klant in de winkel. Tijdens diverse gesprekken vertelde hij mij dat hij als matroos op een binnenschip had gewerkt. Hij was toen werkeloos en zocht naar werk. Ik ben [MEDEDADER 1] enige tijd uit het oog verloren. Hij kwam geen inkopen meer doen in de avondwinkel. Enige maanden later (..), het moet medio 1990 zijn geweest, zag ik hem weer in de avondwinkel. Hij kwam weer regelmatig als klant in de winkel. Tijdens diverse gesprekken die tussen hem en mij plaats vonden, vertelde hij dat hij op een zeeschip werkte. Op een bepaald moment kwam [MEDEDADER 1] in de winkel tezamen met een mij onbekende man van Hindoestaanse afkomst. [MEDEDADER 1] vroeg mij of ik iemand wist die vreemde valuta kon wisselen. Ik wist niemand die dat kon. (..) vertelde mij dat ene [MEDEVERDACHTE 2], een goudhandelaar c.q. geldwisselaar, gevestigd aan de [adres] te Rotterdam, vreemde valuta wisselde. Ik heb dit aan [MEDEDADER 1] doorgegeven. [MEDEDADER 1] heeft niet verteld om hoeveel geld het ging. Wel heb ik van [MEDEDADER 1] fl 1500 gekregen. Ik heb [MEDEDADER 1] destijds ook nog in SURINAME ontmoet. Zodoende ontstond een vertrouwelijke relatie tussen [MEDEDADER 1] en mij. Tijdens de diverse gesprekken vertelte [MEDEDADER 1] mij dat hij "iets" samen deed met een persoon op CURACAO. (..) Op een bepaald moment (..) verscheen [MEDEDADER 1] in de winkel. In de winkel vertelde hij mij dat hij een probleem had. Hij vertelde mij dat hij "iets" voor iemand had gedaan. Hij had van een andere persoon niet het gewenste gekregen waar hij om gevraagd had. Ik wist dat [MEDEDADER 1] sprak over cocaïne. Uit latere gesprekken tussen [MEDEDADER 1] en mij werd mij duidelijk dat [MEDEDADER 1] een hoeveelheid van 50 kilogram had gekregen en dit moest verkopen. Hij had inmiddels 37 kilogram verkocht. Hij had echter niet de prijs gekregen die gevraagd was. [MEDEDADER 1] kwam dus geld tekort, edoch hij had nog 13 kilogram cocaïne over. Mij werd door [MEDEDADER 1] niet duidelijk gemaakt, wie de cocaïne had geleverd. Daar kwam ik later achter. Ik heb [MEDEDADER 1] geadviseerd dat hij het resterende deel van de cocaïne moest verkopen en aan de leverancier moest vertellen dat het resterende deel van de cocaïne gestolen was. Het geld van de verkoop van de 13 kilogram cocaïne moest hij dan bijleggen bij het deel dat hij tekort kwa [MEDEDADER 1] wist geen afnemer te vinden. Ik heb hem toen gezegd om naar een café te AMSTERDAM te gaan op de hoek van de DAPPERSTRAAT waar een Surinaamse jongen achter de bar staat die FRITS heet. Later hoorde ik van [MEDEDADER 1] dat hij middels bemiddeling van FRITS de cocaïne had verkocht. Ik ken PRITS al een hele tijd. FRITS doet veel in de muziek en hij kent de mensen.

Hij "rommelt" in de verdovende middelen. Ik ben nog nooit bij een financiële transactie of gesprek tussen [MEDEDADER 1] en FRITS aanwezig geweest. Ik heb van [MEDEDADER 1] Fl 30.000 ontvangen. Later ben ik naar Suriname geweest n(..). Op een gegeven moment stopte er een auto voor de deur met daarin twee personen. Een van de personen was [MEDEVERDACHTE 1], degene over wie ik eerder sprak. De andere persoon was [BETROKKENE 7]. De laatste maakt ook deel uit van 1 van de 16. Hij heeft thans een hoge militaire rang in het leger. In Suriname staat hij bekend als zeer ruw en do [BETROKKENE 7] was de bestuurder van de auto van het merk JEEP. Ik ben naar de auto gelopen. [BETROKKENE 7] draaide het raam van zijn auto open en stelde zich aan mij voor als [BETROKKENE 7] en vertelde mij dat hij van [MEDEDADER 1] had gehoord dat ik degene zou zijn die het resterende deel van het spul had gestolen. ik begreep onmiddellijk dat het hier ging over de partij cocaïne van [MEDEDADER 1] die hij middels FRITS in AMSTERDAM had verkocht. Ik heb [BETROKKENE 7] uitgelegd hoe de werkelijke gang van zaken was. Nadat ik [BETROKKENE 7] de werkelijke gang van zaken had verteld, geloofde hij mij. [MEDEVERDACHTE 1] heeft tijdens het gesprek dat ik met [BETROKKENE 7] had, niets gezegd. Ik begreep dat [BETROKKENE 7] en [MEDEVERDACHTE 1] enige betrokkenheid hadden bij de verhandeling c.q. levering van de 50 kilogram cocaïne, anders zouden zij mij nooit ter verantwoording hebben geroepen. Ik heb tegen [BETROKKENE 7] gezegd dat ik van [MEDEDADER 1] fl 30.OOO heb gekregen. Ik hoefde het geld niet aan [BETROKKENE 7] terug te betalen.

U vraagt mij naar het tijdstip dat dit heeft afgespeeld. Ik kan U daar geen zekerheid over geven. Het moet eind 1990 begin 1991 zijn geweest. (..)

Ik heb hierover met [MEDEDADER 1] nooit meer gesproken. (..)

Ik weet dat [MEDEDADER 1] in 1991 gearresteerd is in verband met de invoer van ongeveer 280 kilogram cocaïne. Ik hoorde dat BOKU was gearresteerd in verband met de invoer in Nederland van 280 kilogram cocaïne en dat de mannen problemen hadden en dat PAPIE door het oog van de naald was gekropen. [BETROKKENE 7] had van [MEDEVERDACHTE 1] gehoord dat [MEDEVERDACHTE 1] op het tijdstip dat [MEDEDADER 1] werd aangehouden zich in dezelfde straat bevond. Ik neem aan dat [MEDEVERDACHTE 1] niet per ongeluk in de buurt van [MEDEDADER 1] was. Ik vermoed dat hij er dus ook bij betrokken is, evenals [BETROKKENE 7]. BOKU betekent AFRIKAAN. Met AFRIKAAN bedoelt men [MEDEDADER 1]. Zoals verklaard heeft [MEDEVERDACHTE 1] de bijnaam PAPIE. (..) (verhoor van 31 oktober 1994)

ROOZENDAAL is de militaire beschermer van [MEDEVERDACHTE 1]. Door toedoen van ROOZENDAAL kan [MEDEVERDACHTE 1] ongehinderd met zijn schepen binnenvaren en goederen invoeren. Ergens in 1990 gesprek over Aceton en Ether, dat geleverd werd via een Duits bedrijf. Er waren grote problemen met de levering van deze partij, waarover ROOZENDAAL zich erg drukt maakte. Ik hoorde dat deze Aceton en Ether was gekocht via een contactpersoon van de Surinaamse Ambassade in Belgie, waarvan ik de naam niet weet. Het hiervoor beschreven geval heeft eerder plaatsgevonden dan de partij Ether en Aceton, die in de haven van Suriname ligt opgeslagen. Ook deze partij was voor [MEDEVERDACHTE 1] bestemd, echter hierover zijn problemen met de politie/douane ontstaan, zodat [MEDEVERDACHTE 1] er niet over kon beschikken. Verder kan ik alleen nog van ROOZENDAAL vertellen dat hij een Mercedes Benz Coupe als auto heeft.

[VERDACHTE]. er een Colombiaan was aangekomen, waarmee [VERDACHTE] moest praten. Ik ken geen namen van deze Colombianen, maar ik weet dat ze kwamen onderhandelen met [VERDACHTE] over cocaïnezaken. Van [VERDACHTE] weet ik verder heel weinig. Ik sprak [VERDACHTE] bij een aantal gelegenheden alleen maar oppervlakkig. heb ik medio 1990/1991 dat [VERDACHTE] zelf een partijen cocaïne vervoerd heeft via een Ghanees schip. Dit Ghanese schip vaart met zeep vanaf Ghana via Haïti en weer terug, waarbij de cocaïne in Haïti aan boord wordt gebracht. De cocaïne wordt vervolgens via Ghana op een mij onbekende wijze, verder gedistribueerd.

(..)

[BETROKKENE 6]. Van deze [BETROKKENE 6] kan ik vertellen dat dit familie is van de mij bekende familie [van medeverdachte 2], waarover ik, eerder heb verklaard. Medio 1990/1991 zag ik bij de woning van [betrokkene 6] aan de [adres] te [woonplaats] (Suriname) de mij bekende auto van [T.] daar stond. Van deze [T.] weet ik dat het een Indiaan is en een soort vrijbrief heeft van [VERDACHTE]. [T.] moet zorgdragen van opgeslagen goederen in het binnenland, waaronder cocaïne. Ik zag dat deze auto, een soort Jeep/Patrol, op het erf van [BETROKKENE 6] stond met een aantal lijfwachten er omheen [T.] heeft daar in ieder geval 4 uur verbleven, omdat ik

op de terugweg van mijn bestemming de situatie net zo aantrof als op de heenreis.

(..)

[MEDEDADER 2].

Ik weet ook nog het een en ander te vertellen van [MEDEDADER 2], die een vliegtuigmaatschappij heeft, genaamd TC De vliegtuigen van [MEDEDADER 2] vlogen naar de luchthaven van Oostende te België. [MEDEDADER 2] is zelf woonachtig in België.

[MEDEVERDACHTE 1] aandelen in deze vliegtuigmaatschappij bezit en brandstof heeft betaald voor de vliegtuigen in Paramaribo. De betrokkenheid van [MEDEVERDACHTE 1] bij de vliegmaatschappij werd bevestigd door

Door de betrokkenheid van [MEDEVERDACHTE 1] ga ik er vanuit dat hij invloed heeft op de lading. Ik weet dat er een partij van ongeveer 200 tot 300 kg cocaïne gepakt is in Brussel, waarvoor [MEDEVERDACHTE 1] verantwoordelijk was. Hierna is 65 kg. cocaïne gepakt op de luchthaven Oostende, die zeer waarschijnlijk afkomstig was van [MEDEVERDACHTE 1]. Hiervoor is [MEDEDADER 2] opgepakt. (verhoor van 3 november 1994)

15.59. Het hof merkt hieromtrent het volgende op.

In zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen heeft de getuige NN III nimmer gesproken over "vergunninghouders". Aangenomen moet worden dat de informatie dat een vergunninghouder toestemming kreeg om in cocaïne te handelen en daarbij ook van bovenaf werd bepaald in welke hoeveelheden cocaïne er gehandeld mocht worden, afkomstig is van de zogenaamde kennissen. Onduidelijk blijft waarom de getuige in al zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen over de structuur van de beweerde organisatie niet heeft gesproken, ook niet op 7 februari 1995, de dag waarop hij tegenover de rechter-commissaris zijn eerste verklaring als bedreigde getuige NN III heeft afgelegd. Hij verklaart voorts dat De Baas, daarmee bedoelt hij de verdachte, bepaal-de wie die toestemming kreeg en dat hij ook de hoeveelheid cocaïne waarin gehandeld mocht worden bepaalde, zulks terwijl hij tegenover de politie over de verdachte verklaart dat hij van hem verder heel weinig weet en dat hij hem bij een aantal gelegenheden alleen maar oppervlakkig heeft gesproken. Over de cocaïnehandel van de verdachte verklaart hij dat hij van een persoon, wiens naam is weggelakt, medio 1990/1991 had gehoord dat de verdachte zelf partijen cocaïne vervoerd had via een Ghanees schip dat cocaïne vervoerde vanaf Ghana via Haïti en weer terug.

15.60. Voor zijn verklaring dat [medeverdachte 1] zo'n vergunninghouder was, is in zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen geen enkel aanknopingspunt te vinden. Hij heeft met [medeverdachte 1] slechts contact gehad in verband met de financiering van een door hem opgezet bouwproject. Middels bemiddeling van de [broers van medeverdachte 2] heeft hij via de rekening van [betrokkene 6] f.350.000 ontvangen. [Medeverdachte 1] zou voorts eigenaar zijn van Super Car Rental en aandelen bezitten in de vliegtuigmaatschappij TCA en brandstof hebben betaald voor de vliegtuigen in Paramaribo. Verder verklaart hij over een ontmoeting met [medeverdachte 1] en [betrokkene 7] over de gang van zaken rondom het verdwijnen van 13 kg cocaïne, bij welke gelegenheid [medeverdachte 1] niets heeft gezegd.

15.61. Omtrent de relatie [mededader 1]-[medeverdachte 1] verklaart de getuige NN III verder dat [betrokkene 7] van [medeverdachte 1] had gehoord dat hij zich op het tijdstip dat [mededader 1] werd aangehouden in dezelfde straat bevond. Of [betrokkene 7] hem deze informatie rechtstreeks heeft verschaft, is niet duidelijk geworden omdat verschillende passages zijn weggelakt. De getuige NN III verklaart voorts tegenover de politie dat hij vermoedt dat [medeverdachte 1] erbij betrokken was. Als bedreigde getuige verklaart hij dat hij "weet dat [mededader 1] in Nederland gepakt is met een hoeveel-heid cocaïne en dat [mededader 1] een tussenschakel was en dat [medeverdachte 1], [betrokkene 7] en [verdachte] bij die cocaïne betrokken waren". Het hof heeft niet kunnen vaststellen waaraan de getuige NN III die wetenschap ontleent. Blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 15 februari 2000 heeft de getuige NN III (vraag 6 mr. Weski) verklaard dat hij van zijn twee contacten weet dat de verdovende middelen hun bestemming niet bereikt hebben omdat de politie ertussen zat en dat [mededader 1] functioneerde als tussenschakel tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

15.62. Voor de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] is in de door de getuige NN III tegenover de politie afgelegde verklaringen evenmin een aanknopingspunt te vinden.

15.63. Blijkens het proces-verbaal van het verhoor van de getuige NN III ten overstaan van de rechter-commissaris op 15 februari 2000 (vraag 60 mr. Korvinus) heeft de getuige zijn wetenschap over de transporten van zijn twee contacten.

15.64. Als militair beschermer van [medeverdachte 1] noemt de getuige NN III niet de verdachte maar [betrokkene 7].

15.65. Voor zijn verklaring dat [betrokkene 6] optrad als tussenpersoon om het geld uit de cocaïnehandel te incasseren en te beleggen is in zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen geen enkel aanknopingspunt te vinden.

15.66. Datzelfde geldt voor zijn verklaring dat het geld, dat door de vergunninghouders werd betaald ten behoeve van de Baas, voor hem beheerd werd door [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] in Nederland de beheerder van de financiën - het hof begrijpt dat bedoeld wordt van de criminele organisatie - was. Met betrekking tot het bouwproject heeft hij slechts contact gehad met de broer van de medeverdachte [medeverdachte 2], [familielid 1 van medeverdachte 2]. De medeverdachte [medeverdachte 2] komt in zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen slechts voor als de goudhandelaar/valutawisselaar aan de [adres] te Rotterda

In zijn op naam op 29 en 30 mei 2000 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring zegt hij -zakelijk weergegeven- het volgende (punt 28):

U vraagt of ik zelf weleens geld heb gewisseld bij [medeverdachte 2]. Ik heb weleens geld bij hem gebracht. Ik denk dat [medeverdachte 2] zich dat beter kan herinneren. Ik weet niet meer wanneer dat was. Het zou kunnen zijn dat het ging om overboekingen ten behoeve van de winkel. Iedereen stuurt verder weleens geld naar familie. Ik was toen bezig een huis te bouwen voor mijn moeder. Dat zou het ook geweest kunnen zijn.

Ik weet dat er meerdere winkeltjes waren van de familie [van medeverdachte 2] waar men geld kon wisselen. Er was Taj Mahal van [familielid 1 van medeverdachte 2], Surigoud van [familielid 2 van medeverdachte 2] en de naam van het derde winkeltje schiet me nu eventjes niet te binnen.

U vraagt of ik verder nog contact heb gehad met de familie [van medeverdachte 2]. Neen. Ik denk wel dat mijn vrouw er weleens sieraden heeft gekocht.

15.67. Blijkens het proces-verbaal van 15 februari 2000 heeft de getuige NN III -zakelijk weergegeven- (vraag 48 mr. Korvinus) verklaard:

Ik weet van mijn twee contacten dat er door de vergunninghouders werd betaald ten behoeve van de baas en dat geld voor hem beheerd werd door [medeverdachte 2].

15.68. Dat er een zakelijke relatie was tussen Moeniepersad [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat het een financiële relatie was waarbij geld werd doorgesluisd - al heeft de term doorsluizen in dit verband een te negatieve klank - staat wel vast, maar dat deze financiële relatie ook verband hield met cocaïnehandel kan niet worden bewezen. De getuige verklaart dat ook niet. Overigens heeft de getuige op 26 oktober 1998 tegenover de rechter-commissaris (vraag 63 mr. Harderwijk) verklaard dat hij de informatie, dat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een financiële relatie bestaat en geld wordt doorgesluisd, van zijn twee kennissen heeft gekregen.

15.69. De wetenschap dat [medeverdachte 2] en de verdachte enig persoonlijk contact hadden is, zo blijkt uit de door de getuige op 15 februari 2000 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring (vraag 54 mr. Korvinus), wederom afkomstig van de twee contacten van de getuige.

15.70. Ook de wetenschap dat [medeverdachte 2] de beheerder van de financiën in Nederland was en dat de baas hem in Suriname moet hebben ontvangen en hem op het matje moet hebben geroepen, ontleent de getuige NN III blijkens het proces-verbaal . 15 februari 2000 van de rechter-commissaris (vragen 55-57 mr. Korvinus) wederom aan zijn twee contacten.

15.71. Tot bewijs is door de rechtbank voorts gebezigd de verklaring van de getuige NN III, inhoudende -zakelijk weergegeven- :

Ik heb kennelijk in 1995 verklaard dat een man genaamd [betrokkene 7] er voor zorgde dat de schepen met cocaïne van [medeverdachte 1] niet gecontroleerd werden op verdovende midde-len. De taak van die persoon was om in opdracht van de baas, als tweede man, te zorgen dat alles goed liep bij de trans-porten van cocaïne.

15.72. Uit geen enkele andere bron dan de zogenaamde kennissen kan de informatie afkomstig zijn dat "de taak van die persoon" - [betrokkene 7] - "was om in opdracht van de baas, als tweede man, te zorgen dat alles goed liep bij de trans-porten van cocaïne." In zijn tegenover de politie op 3 november 1994 afgelegde verklaring zegt de getuige NN III slechts dat [betrokkene 7] de militaire beschermer van [medeverdachte 1] is.

15.73. Ook de informatie dat "men in de organisatie van [verdachte] strikt geschei-den houdt de groep die zich bezig houdt met de distributie van cocaïne, de groep die zich bezig houdt met de export ervan en de groep die zich bezig houdt met het witwassen van gelden" is blijkens de verklaring van de getuige NN III op 15 februari 2000 (vraag 45 mr. Korvinus) afkomstig van zijn twee contacten. In de door de getuige NN III tegenover de politie afgelegde verklaringen kan voor deze informatie geen enkel aanknopingspunt worden gevonden.

15.74. De informatie dat [betrokkene 7] degene is die de schoeners van [medeverdachte 1] beschermt in Suriname en [medeverdachte 1] degene is die voor de distributie van cocaïne zorgt, is kennelijk ook afkomstig van de zogenaamde kennissen. De juistheid van deze informatie kan door het hof niet worden gecontroleerd.

15.75. De verklaring dat bij de vliegtuigmaatschappij Trans Carribean Airline betrokken waren [mededader 2], [medeverdachte 1], de Baas en [medeverdachte 2] heeft bewijsrechtelijk gezien geen enkele betekenis.

15.76. Omtrent de verklaring van de getuige NN III dat "er op een gegeven moment problemen zijn ontstaan met [betrokkene 8], dat er een partij cocaïne is verdwenen en dat [verdachte] toen zelf heeft ingegrepen om de problemen op te lossen" is in de door de getuige tegenover de politie afgelegde verklaringen geen aanknopingspunt te vinden. De reden van wetenschap blijft duister. Ook de relevantie van deze verklaring is het hof ontgaan, nu geen enkel verband met de tenlastegelegde feiten bestaat. Zelfs is niet duidelijk of die cocaïne voor Nederland bestemd was.

15.77. Uit de door de getuige NN III tegenover de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen leidt het hof af dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft onthuld dat de door hem verkregen informatie omtrent de beweerde criminele organisatie afkomstig is van de twee zogenaamde kennissen. Nu deze twee kennissen verder anoniem zijn gebleven en over hen niet meer bekend is geworden dan hiervoor is vermeld en de juistheid van de door die kennissen verschafte informatie op geen enkele wijze kan worden gecontroleerd, acht het hof de verklaringen van de getuige NN III, voor zover aangenomen moet worden dat die berusten op het van horen zeggen van die kennissen, niet voor het bewijs bruikbaar.

15.78. Tot slot nog een enkele opmerking over de in de verklaringen van de getuige NN III voorkomende inconsistenties.

15.79. In zijn op naam op 29 en 30 mei 2000 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring zegt de getuige NN III -zakelijk weergegeven- het volgende:

Ik ben zelf gekneveld door [betrokkene 7] in bijzijn van [medeverdachte 1] (punt 14).

U vraagt waarom ik de laatste keer naar Suriname ben gegaan. Dat weet ik niet meer precies. Er was in ieder geval een vakantie aan gekoppeld. Ik weet nog wel precies hoe ik het land heb verlaten. Dat staat in mijn geheugen gegrift. U vraagt waaro Omdat ik toen ben gepijnigd en gekneveld. U vraagt waarom dat was, in verband met de kwestie [mededader 1]. Dat klopt. (punt 18)

U vraagt wat de inhoud was van de schuldbekentenis die bij notaris Ramautar is opgesteld. Dat weet ik niet. Ik heb het bedrag gezien, ik heb de omschrijving verder niet gelezen. Ik ben gedwongen te tekenen.

Ik was daartoe eerder gedwongen. Ik was onder valse voorwendsels naar het huis van [betrokkene 7] gebracht. Ik ben daar in de boeien geslagen. Er kwam een Uzi op tafel. Ik denk dat dat de dag was, voordat ik naar de notaris moest (punt 59).

U vraagt hoeveel 1 kilo cocaïne toen waard was. Dat weet ik niet meer. U vraagt wat [mededader 1] ervoor heeft gekregen. Hij heeft de partij aan meneer Frits gekocht. Ik weet niet wat hij daarvoor heeft gekregen. Dat moet u hemzelf vragen.

U vraagt of mij de kans is gegeven het bedrag van het verlies te vergoeden. Ik heb hen verteld hoe het precies in z'n werk is gegaan. Ik werd niet geloofd. Ik ben naar het huis van [betrokkene 7] gebracht. Ik werd daar gekneveld. Daarna moest ik naar de notaris. Toen het kon heb ik zo snel mogelijk het land verlaten. Bij de notaris moest ik een contract tekenen. U vraagt of ik een afschrift heb ontvangen. Nee, u denkt toch niet dat ze zo gek zijn.

U vraagt of er één bedrag op de akte stond of meerdere bedragen. U moet zich voorstellen wat mij is overkomen in het huis van [betrokkene 7]. De volgende dag moest ik iets tekenen. Ook al had er 10 miljoen gestaan had ik nog getekend. Daarna ben ik zo snel mogelijk mijn vrijheid tegemoet gegaan (punt 72).

U vraagt of ik met de politie over het knevelen heb gesproken. Dat weet ik niet meer. Ik weet nog wel precies wat mij is overkomen.

U vraagt of ik het de politie heb verteld. Dat weet ik niet meer. Gisteren werd het mij gevraagd. Toen heb ik het verteld. (punt 76).

15.80. Tegenover de politie heeft de getuige NN III verklaard dat [betrokkene 7] zijn excuses had aanvaard (19 oktober 1994) en dat [betrokkene 7] hem geloofde (31 oktober 1994).

15.81. Er is verwarring ontstaan over de namen [betrokkene 7] en [andere naam van betrokkene 7].

15.82. De getuige heeft op 26 oktober 1998 tegenover de rechter-commissaris -zakelijk weergegeven- verklaard:

Ik heb kennelijk in 1995 verklaard dat een man genaamd [betrokkene 7] er voor zorgde dat de schepen met cocaïne van [medeverdachte 1] niet gecontroleerd werden op verdovende middelen. Ik dacht dat de persoon waar u op doelt [andere naam van betrokkene 7] heette. De taak van die persoon was om in opdracht van de Baas, als tweede man, te zorgen dat alles goed liep bij de transporten van cocaïne. (punt 15)

De officier van justitie vraagt naar een nadere omschrijving van de man die ik in mijn eerdere verklaring [betrokkene 7] heb genoemd en waarvan ik hier vandaag bij u dacht dat hij [andere naam van betrokkene 7] heette. Vanmorgen heb ik bedoeld [betrokkene 7]; er was sprake van een persoonsverwisseling. De man die ik bedoel is de militair [betrokkene 7], een grote man in het leger. Ik ken ook een persoon die [andere naam van betrokkene 7] heet. (punt 68).

15.83. Zo verklaart de getuige NN III op 15 februari 2000 tegenover de rechter-commissaris -zakelijk weergegeven-(vraag 1 mr. Weski):

Ik heb verklaard omtrent [andere naam van betrokkene 7]. Zijn voornaam luidt . Hij is een van de zestien. Er is spraakverwarring geweest over een [betrokkene 7], maar dat is een lagere militair. [Andere naam van betrokkene 7] woont in een van de huizen van [verdachte].

15.84. Het hof merkt nog op dat de getuige [betrokkene 7] in laatstgenoemde verklaring als een "lagere militair" aanwijst.

15.85. De getuige NN III heeft op 15 februari 2000 tegenover de rechter-commissaris -zakelijk weergegeven- verklaard:

(vragen 1 en 2 mr. Korvinus) Ik ben tweemaal gehoord door de rechter-commissaris, ik dacht dat dat in 1996 en 1998 was. Ik ben niet door andere instanties gehoord.

(vragen 3,4 en 5 mr. Korvinus): "Voordat ik voor het eerst ben gehoord door de rechter-commissaris ben ik niet verhoord door de politie of justitie. Ik heb ook geen inhoudelijke voorbesprekingen met de politie gehad, waarbij is doorgenomen wat ik bij de rechter-commissaris zou gaan verklaren. De eerste keer dat ik inhoudelijk een verklaring heb afgelegd was bij de rechter-commissaris Haverkate.

Ik heb wel in grote lijnen verklaard tegenover de politie wat ik bij de rechter-commissaris zou gaan verklaren.

U vraagt of de politie dat op schrift heeft gesteld. Dat weet ik niet zeker, ik vermoed het wel. Zij hadden in ieder geval een laptop bij zich. U vraagt of ik die verklaring heb ondertekend. Dat weet ik niet meer.

(vraag 16 mr Korvinus): Behalve door het afleggen van getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris ben ik op generlei andere wijze betrokken geweest bij het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak.

15.86. Bij de stukken bevinden zich processen-verbaal van negen politieverhoren in de periode van 17 oktober 1994 tot 7 februari 1995. De verklaringen zijn alle door de getuige NN III ondertekend. Blijkens de processen-verbaal van de politieverhoren was de getuige toen gedetineerd. Het is opvallend dat het laatste politieverhoor heeft plaatsgevonden op dezelfde dag als waarop diens eerste verhoor als bedreigde getuige heeft plaatsgevonden (7 februari 1995). Dat de getuige zich zo weinig van die verhoren herinnert, acht het hof niet geloofwaardig.

15.87. Blijkens de verklaring van mr. Haverkate, die de getuige NN III op 7 februari 1995 heeft verhoord, tegenover de rechter-commissaris mr. Thomassen . 19 juni 1997 bleef de getuige bij de verklaringen zoals hij die bij de politie had afgelegd en zoals deze politieverklaringen schriftelijk aan de rechter-commissaris ter beschikking stonden. Het is opvallend dat de verklaring van de bedreigde getuige NN III wezenlijk afwijkt van de bij de politie afgelegde verklaringen in die zin dat de getuige pas bij de rechter-commissaris (punt 6) vermeldt: "Met betrekking tot [verdachte] weet ik hieromtrent van mijn twee bronnen het volgende" en pas bij de rechter-commissaris het begrip "vergunninghouder" introduceert.

15.88. Gelet op het voorgaande acht het hof de door de getuige NN III anoniem én op naam afgelegde verklaringen niet voor het bewijs bruikbaar. Bij de bespreking van de beschikbare bewijsmiddelen zal het hof die verklaringen daarom terzijde laten.

17. Het in de dagvaarding met parketnummer 0975408797 onder 2 tenlastegelegde feit ([mededader 0] I)

17.1. Tenlastegelegd in feit 2 op de dagvaarding is het op of omstreeks 3 december 1989, althans in of omstreeks de periode van 1 april 1989 tot en met 6 december 1989 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met [mededader 3] en/of [mededader 4] en/of een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van ongeveer 245 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

17.2. Op 3 december 1989 werd door de Belastingdienst/Douane te Rotterdam in een container, afkomstig van het motorschip de E.W. Paramaribo, een hoeveelheid van 244,9 kilogram cocaïne in kartonnen dozen aangetroffen. Dit schip kwam uit Suriname. Na het aantreffen van de cocaïne in de haven van Rotterdam kwam vanuit Suriname het bericht dat daar een onderzoek was gestart naar het aanbieden en verzenden van de hiervoor genoemde partij. Uit het onderzoek in Suriname bleek dat de kartonnen dozen in opdracht van [mededader 0] vanuit Suriname waren verzonden via een bedrijf genaamd Calypsona Shipping. Op 6 december 1989 en 7 december 1989 werd een aantal direct betrokken verdachten aangehouden.

17.3. In deze zaak zijn tot nu toe volgens het openbaar ministerie geen veroordelingen uitgesproken.

17.4. Als bewijsmiddel(en) waaruit volgens het openbaar ministerie de betrokkenheid van de verdachte bij dit transport zou kunnen worden afgeleid is voorhanden de verklaring van [getuige 1] tegenover de politie (O/G52/2, ordner D48) . 27 oktober 1994 voor zover inhoudende:

“[mededader 0] is een nauw contact van [verdachte].”

en

“Ik heb hen horen praten over de manier waarop de cocaïne uitgevoerd moest worden. Beiden spraken over het verstoppen van de cocaïne in containers tussen onder andere graan- en visprodukten.”

en

“Ik hoorde hen praten dat de winst die behaald zou worden op de cocaïnehandel tussen hen onderling zou worden verdeeld.

en

“Het gebeurde wel dat [mededader 0] zo’n vijf keer per jaar bij [verdachte] op bezoek kwam en zij over cocaïnetransporten spraken.”

en

“Daadwerkelijk heb ik echter geen ladingen cocaïne die bestemd waren voor [mededader 0], zien verschepen. Dit deden andere mensen in opdracht van [verdachte]. Wie die andere mensen waren weet ik niet.”

17.5. Uit deze verklaring kan slechts worden afgeleid dat de verdachte met [mededader 0] over cocaïnehandel heeft gesproken. Verder bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 2 tenlastegelegde transport is niet aanwezig.

17.6. De vrijspraak van de verdachte door de rechtbank van het in de dagvaarding onder 2 tenlasteglegde feit dient derhalve in stand te blijven, zoals ook door het openbaar ministerie is gevorderd.

18. Het in de dagvaarding met parketnummer 0975408797 onder 3 tenlastegelegde feit ([mededader 0] II)

18.1. Tenlastegelegd in feit 3 op de dagvaarding is het op of omstreeks de periode van 1 januari 1990 tot en met 3 juni 1990 te Rotterdam en/of ’s-Gravenhage en/of Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of elders te Nederland tezamen en in vereniging met [mededader 0] en/of een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van, een of meer hoeveelheden van (totaal) ongeveer 187 kilogram cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

18.2. Op 3 juni 1990 werd op de luchthaven Schiphol tijdens een douane-controle een tweetal personen aangehouden die een hoeveelheid cocaïne van ongeveer 187 kilogram met zich voerden. Deze personen waren voorzien van valse paspoorten en de cocaïne was verpakt in 4 tassen en 3 koffers. Zij waren vanuit Suriname naar Nederland gereisd.

Uit het in Suriname en Nederland gedane onderzoek bleek dat de directe opdrachtgever van deze personen was de hiervoor genoemde [mededader 0].

Tevens bleek dat [betrokkene 7], een hoge Surinaamse militair, bij dit transport behulpzaam is geweest. Hij heeft met name in Suriname de koffers inhoudende de cocaïne door de douane geloodst.

Uiteindelijk is voor dit transport [mededader 0] door het Hof ’s-Gravenhage op 29 april 1991 tot 12 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

De aangehouden koeriers [mededader 0] en [betrokkene 10] zijn respectievelijk tot 9 en 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

18.3. Het openbaar ministerie somt de volgende bewijsmiddelen op waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij dit transport zou moeten worden worden afgeleid.

18.3.1. Een proces-verbaal inhoudende de op 10 juni 1990 tegenover de politie afgelegde verklaring van P. Pershad (blz. 1647, ordner D29):

“Op uw vraag waarom ik eerder tegenover de politie had gelogen dat ik niet bij [kennis van getuige 4] was geweest op zondag 03 juni dezer tezamen met [kennis 2 van getuige 4].

Ik had dit verzwegen omdat mijn advocaat met name [verdachte] mij het advies had gegeven bij mijn eerder afgelegde verklaringen te blijven nadat ik hem had gezegd wat ik reeds bij de politie had verklaard.

Hieruit heb ik begrepen dat ik niets anders bij de politie moest verklaren.”

18.3.2. Dit bewijsmiddel acht het hof ondeugdelijk, omdat de betekenis van de woorden “mijn advocaat met name [verdachte]” onbegrijpelijk is.

18.3.3. Een proces-verbaal inhoudende de op 19 juni 1990 tegenover de politie afgelegde verklaring van P.Pershad (blz. 1651, ordner D29):

“Ik heb eerder verklaringen in deze zaak afgelegd. Volgens instructies van mijn raadsman Mr. Carilho wil ik alvorens een verklaring hieromtrent af te leggen contact met haar (mijn raadsman dus) opnemen.”

18.3.4. Dit bewijsmiddel is volgens het hof niet bruikbaar, omdat het bewijsmiddel niets zegt over de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 3 tenlastegelegde transport.

18.3.5. Een proces-verbaal opgemaakt door de politie van Suriname . 5 juni 1990 inhoudende een verklaring van [getuige 5] (blz. 1615-1617, ordner D29), waarin deze verklaart dat hij op verzoek van Persad en in opdracht van (hoge militair) [betrokkene 7], twee personen die later [mededader 0] en [betrokkene 10] bleken te zijn buiten de reguliere controles op het vliegveld om heeft geholpen het land te verlaten. Hierbij werd de bagage van beide personen verder niet gewogen en gecontroleerd.

18.3.6. Het hof merkt hierbij op dat [getuige 5] heeft verklaard dat hij de twee passagiers helemaal niet heeft gezien. Hij heeft slechts de foto’s in hun paspoorten gezien. [Getuige 5] spreekt voorts alleen over [betrokkene 7] en niet over de verdachte. Dit bewijsmiddel heeft derhalve slechts betrekking op de militair [betrokkene 7]. Het enkele feit dat [betrokkene 7] een (hoge) militair is, is niet zonder meer redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 3 tenlastegelegde transport.

18.3.7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 8 januari 1992 (parketnummer 10.008279/91, volgnummer 005) (pagina 5) inhoudende de verklaring van P. Pershad (O/AH/223, ordner D03):

“In Suriname heb ik 10 dagen vastgezeten. Het hoofd van de Narcotica brigade in Suriname heeft mij toen gezegd dat hij wist wie de hoofddader was. Toen ik hem vroeg waarom hij die persoon dan niet aanhield zei hij ”Ik ben niet gek. Die persoon, een hoge militair in Suriname, zou hem dan gelijk doodschieten.”

en

“In Suriname heb ik steeds tegen de rechter-commissaris verklaard, dat ik niets wist van drugszaken door militairen. Ik weet niet zeker of er een bepaalde hoge militair achter de zaak zit, maar ik vermoed dat.”

en op bladzijde 9:

legt hij een verklaring af omtrent het aantreffen van zijn vingerafdruk op verpakkingsmateriaal van de op Schiphol in beslag genomen cocaïne.

Hieruit wordt duidelijk dat hijzelf en een hoge militair betrokken zijn bij de cocaïnehandel. Letterlijk zegt hij: “Deze militair is een van de machtigste personen in Suriname. Je komt niet zomaar op zijn terrein.”

18.3.8. Ook deze verklaring wijst volgens het hof niet zonder meer op enige betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 3 tenlastegelegde transport. Immers uit niets blijkt dat de verdachte de door Pershad bedoelde hoge militair is.

18.3.9. Een proces-verbaal inhoudende de op 27 oktober 1994 afgelegde verklaring van [getuige 1] (0/G52/2, ordner D48):

“[mededader 0] is een nauw kontakt van [verdachte].”

en

“Ik ben bij verschillende gesprekken tussen hen, die over cocaïnetransporten gingen, aanwezig geweest. Ik trad tijdens die gesprekken op als persoonlijke lijfwacht van [verdachte] en had tot taak [verdachte] eventueel te beschermen tegen [mededader 0].”

en

“[verdachte] was altijd de verkoper en [mededader 0] altijd de koper van de cocaïne.”

en

“Ik ben in ieder geval zo’n vijf keer per jaar aanwezig geweest bij gesprekken tussen hen die over de handel in cocaïne gingen.”

18.3.10. Deze verklaring legt volgens het hof geen enkel verband tussen de door de verdachte gevoerde gesprekken en het in de dagvaarding onder 3 tenlastegelegde transport. Voorts is niet duidelijk of de stelling van [getuige 1] dat de verdachte altijd de verkoper en [mededader 0] de koper van de cocaïne was op eigen wetenschap berust. Dat de verdachte de verkoper zou zijn van dit transport, dan wel van enig ander transport waarbij [mededader 0] betrokken zou zijn, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

18.3.11. Een ambtsedig proces-verbaal inhoudende de op 13 mei 1998 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 2] O/G71/3, ordner D48):

U vraagt mij naar de naam [mededader 0]. Ik ken hem als “Simmie”. Ik heb hem voor het eerst ontmoet in 1984. Ik was toen persoonlijk lijfwacht van [verdachte] en heb hem in die functie ontmoet. Op een bepaald moment waren [verdachte], [kennis 1 van getuige 2], [kennis 2 van getuige 2] en ik in het kabinet gelegen aan de overzijde van de Membre Boekoekazerne te Paramaribo. Op dat moment waren ook [kennis 3 van getuige 2], [kennis 4 van getuige 2] en [kennis 5 van getuige 2] aanwezig. Deze personen bevonden zich allemaal in de vergaderzaal. Ik zat met de andere lijfwachten in de gang. Ik kon de mensen in die ruimte zien zitten. Ik heb de mensen echter niet horen praten. Op een bepaald moment bevond ik mij buiten. Op dat moment meldde zich een persoon die zich aan mij voorstelde als [mededader 0]. Er was ook een voor mij onbekende man bij. Ik ben vervolgens naar [verdachte] gelopen en heb hem gezegd dat er ene [mededader 0] zich had aangemeld. [Verdachte] zei mij dat ik [mededader 0] kon doorlaten. Ik weet niet wat er tijdens de vergadering is besproken. Ik heb erna [mededader 0] nog diverse keren bij [verdachte] thuis gezien, zowel op [geboorteplaats], Krakalaan en het kabinet. De ontmoetingen tussen hen waren regelmatig.”

18.3.12. Dit bewijsmiddel heeft volgens het hof geen toegevoegde waarde reeds omdat de verklaring van [getuige 2] zich niet over de tenlastegelegde periode (1989-1992) uitstrekt. Uit deze verklaring kan slechts worden afgeleid dat de verdachte voor de tenlastegelegde periode met [mededader 0] heeft gesproken. Uit deze verklaring kan zelfs niet worden afgeleid dat de ontmoetingen tussen de verdachte en [mededader 0] verband hielden met cocaïnehandel.

18.4.1. De rechtbank heeft nog tot bewijs gebezigd een pro-ces-verbaal van van het COPA III-team inhoudend als relaas van bevoegde opsporingsambtenaren(O/AH-/21, blz. 1-4, ordner D01):

"Op 15 juni 1993 werd van de Regionale Criminele Inlich-tingen Dienst in de politieregio Haaglanden (onder meer) de volgende informa-tie ontvangen:

Vanaf het jaar 1980 tot heden wordt [betrokkene 7] met grote regelmaat genoemd in verband met drugsaffaires en als de rechterhand van [verdachte].

[betrokkene 7] is vaak actief geweest op het vliegveld Zande-rij, alwaar hij dan van [verdachte] bericht kreeg als er iets opgehaald of weggebracht moest worden. [Betrokkene 7] zorgde er dan voor dat de koffers buiten alle controles om en met behulp van leden van de militaire politie aan/ dan wel van boord van de vliegtuigen werden gebracht.

[Betrokkene 7] is de leverancier van de cocaïne en draagt zorg voor het ongecontroleerd aan boord van vliegtuigen bren-gen van de cocaïne op de luchthaven Zanderij."

18.4.2. Dit proces-verbaal is volgens het hof niet zonder meer voor het bewijs bruikbaar, omdat het CID-informatie bevat, waarvan de juistheid door het hof niet kan worden gecontroleerd.

18.5. Ook overigens heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende stukken geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die wijzen in de richting van enige betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 3 tenlastegelegde transport.

18.6. Zoals reeds overwogen zijn de verklaringen van de getuige NN III door het hof terzijde gelaten. Nu uit de overige door het openbaar ministerie gepresenteerde en door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen niet, ook niet wanneer zij in onderling verband en samenhang worden bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is bij het in de dagvaarding onder 3 tenlastegelegde transport, dient een vrijspraak te volgen en kan de veroordeling door de rechtbank terzake van dit feit niet in stand blijven.

19. Het in de dagvaarding met parketnummer 0975408797 onder 4 tenlastegelegde feit ([mededader 1])

19.1. Tenlastegelegd in feit 4 op de dagvaarding is het in of omstreeks de periode van 1 april 1991 tot en met 19 mei 1991 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders te Nederland tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied brengen van een of meer hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 286 kilogram cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

19.2. Op 18 mei 1991 werd er bij de regiopolitie Rotterdam Rijnmond informatie ontvangen dat met het motorschip EWL Paramaribo op of omstreeks 18 mei 1991 een grote partij cocaïne binnen Nederland zou worden gebracht.

Deze informatie werd ter beschikking gesteld aan de toenmalige Douanerecherche van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) te Rotterda

Voornoemd motorschip werd vervolgens door deze Dienst onder observatie genomen.

Op 19 mei 1991 en 22 mei 1991 werd vervolgens door de toenmalige Gemeentepolitie te Rotterdam een aantal direct betrokken verdachten op diverse locaties aangehouden en na huiszoekingen een hoeveelheid van circa 279 kilogram cocaïne aangetroffen en inbeslaggenomen.

De partij cocaïne bleek met genoemd motorschip vanuit Suriname (Paramaribo) naar de Rotterdamse haven in Nederland te zijn verscheept.

De hoofdverdachte [mededader 1] is op 6 april 1992 door het Hof den Haag veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf en fl.73.000,= boete en verbeurdverklaring van fl. 950.000,=. De overige verdachten hebben straffen gekregen tussen de 5 en 8 jaar gevangenisstraf.

19.3. Het openbaar ministerie heeft als bewijs waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij dit transport zou moeten worden worden afgeleid slechts opgesomd de verklaringen van de getuige NN II Zoals reeds overwogen zijn die verklaringen door het hof terzijde gelaten.

19.4. De rechtbank heeft ten aanzien van het in de dagvaarding onder 4 tenlastegelegde feit nog de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

19.4.1. Een proces-verbaal inhoudende de op 12 mei 1998 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] (0/G52/3, blz. 2-4, ordner D48):

"In de jaren 1989 tot en met 1992 heb ik [medeverdachte 1] frequenter bezoeken zien brengen aan [verdachte]. De gesprekken die ik heb kunnen volgen hadden altijd betrekking op de handel in - en de uitvoer van cocaïne vanuit Suriname naar het buitenland en dan met name naar Nederland."

19.4.2. Uit niets blijkt volgens het hof dat deze verklaring (mede) op het in de dagvaarding onder 4 tenlastegelegde feit betrekking heeft. Bovendien heeft [getuige 1] ter terechtzitting van het hof van 16 mei 2000 uit de vele hem voorgehouden foto's [medeverdachte 1] niet herkend. Ook toen hem een foto uit het paspoort van [medeverdachte 1] werd voorgehouden, heeft hij hem niet herkend.

19.4.3. Een pro-ces-verbaal van de Rijkswacht Merksplas (België) PV Nr: 100368/98 . 18 maart 1998 inhou-dende de op 18 maart 1998 afgelegde verkla-ring van [getuige 6] (0/G84/1 ordner D48):

"U vraagt mij naar de persoon van [medeverdachte 1] en toont mij vervolgens een foto van he U vraagt mij wat ik van hem weet met betrekking tot de verdovende middelen han-del. Ik ken hem als [bijnaam 1 van medeverdachte 1] en als [bijnaam 2 van medeverdachte 1]. Hij handelt in vis met Brazilië. Hij heeft de beschikking over diverse boten. Hij importeert cocaïne vanuit Brazi-lië naar Suriname."

19.4.4. Deze verklaring heeft volgens het hof slechts betrekking op [medeverdachte 1], niet op de verdachte. Uit niets blijkt waaraan [getuige 6] zijn wetenschap,dat [medeverdachte 1] cocaïne vanuit Brazi-lië naar Suriname importeert, ontleent. Hij noemt voorts geen data en spreekt noch over de uitvoer van cocaïne naar Nederland noch over het onderhavige transport.

19.4.5. Een pro-ces-verbaal inhoudende de op 21 mei 1991 tegenover de politie afgelegde verklaring van [mededader 1] (blz. 0000-094 ordner D22):

"Enige tijd geleden was ik werkzaam aan boord van een schip, ge-naamd E.W. Paramaribo. Ongeveer een maand geleden ben ik naar Paramaribo gegaan. Daar ontmoette ik in een nachtclub een man genaamd [betrokkene 11]. [Betrokkene 11] was in het gezelschap van een man die ik ken als [bijnaam 1 van medeverdachte 1]. Ik weet dat [bijnaam 1 van medeverdachte 1] een eigen zaak heeft en contacten met mensen van de regering en leger in Suriname. De eerste keer dat ik [bijnaam 1 van medeverdachte 1] ontmoette was in Rotter-da

[betrokkene 11] vroeg mij of ik kon regelen dat de beman-ning van het schip E.W. Paramaribo wat goederen voor hem van Parama-ribo naar Rotterdam konden brengen en afleveren. Omdat ik de beman-ning van de E.W. Paramaribo goed kende heb ik toegezegd te informeren. Vervolgens ben ik naar het huis van een kennis, genaamd [getuige 7], gegaan. Hij vertelde mij dat hij wel het een en ander kon rege-len. Dezelfde nacht is hij naar mij toe gekomen en hij zei dat alles geregeld was. Omstreeks 12 mei 1991 werd ik in mijn woning te Rotterdam gebeld door [betrokkene 11], die mij vroeg naar het Hilton hotel te Rotterdam te komen. Ik ben toen naar hem toe gegaan. Hij gaf mij een zwart leren koffertje en zei tegen mij dat daar geld in zat, dat bestemd was voor de bemanning van de E.W. Paramari-bo. Hij vroeg mij of ik dat geld wilde bewaren. Hij zei mij dat er contact met mij zou worden opgenomen zodra het schip in Rot-terdam was aangekomen. Ik heb nog aan [betrokkene 11] gevraagd waar [bijnaam 1 van medeverdachte 1] was. [Betrokkene 11] vertelde mij dat [bijnaam 1 van medeverdachte 1] later zou komen. Ik heb het koffertje vervolgens meege-nomen en het in de woning van mijn vrouw aan de [adres] te [woonplaats] ver-stopt. Op 19 mei 1991 heb ik met [betrokkene 11] gespro-ken. Hij ver-telde mij dat het schip was aangekomen. Ik heb hem verteld dat [betrokkene 11] mij een koffer met geld had gegeven, die bestemd was voor de bemanning van dat schip. [Getuige 7] zei dat dat later wel in orde zou komen. Hij is toen naar de haven gegaan om de bemanning van het schip te ontmoeten. Ik ben hierop naar de Dord-tselaan 113 te Rotterdam gegaan."

19.4.6. Deze verklaring heeft volgens het hof geen betrekking op de verdachte en is voor diens betrokkenheid bij het onderhavige transport ook niet zonder meer redengevend te achten.

19.4.7. Een pro-ces-verbaal van de politie . 2 juni 1998 inhoudende als relaas van bevoegde opsporingsambtenaren (O/G83/1, ordner D48):

"Op 25 mei 1998 hoorden wij de getuige [mededader 1]. Wij vroe-gen aan hem of hij bereid was een verklaring over de organisa-toren van de partij cocaïne, waarvoor hij gedeti-neerd was af te leggen. Op onze vraag aan [mededader 1] of ene [medeverdachte 1] organisator van de bedoelde partij cocaïne was, antwoordde hij dat een man, genaamd [medeverdachte 1] inderdaad verantwoordelijk voor de partij was. Hij zei dat hij na zijn detentie naar Togo zou gaan en vervol-gens naar Surina-me om daar geld bij [medeverdachte 1] op te halen. Hij kon het niet ver-kroppen dat hij als kleine jongen 12 jaar gevan-ge-nisstraf gekregen had terwijl de verantwoorde-lijken "tranquil-lo" in Suriname verbleven."

19.4.8. Ook deze verklaring heeft volgens het hof geen betrekking op de verdachte en is voor diens betrokkenheid bij het onderhavige transport niet zonder meer redengevend te achten.

19.4.9. Een proces-verbaal inhoudende de op 19 juli 1991 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 7] (blz. 490-492, ordner D23):

"Ik heb verklaard dat ik verbaasd was dat [mededader 1] mij in Paramaribo in de aankomsthal kwam ophalen. Een normaal persoon lukt het niet om voorbij de portier, de douane en de militaire politie te komen. [Mededader 1] heeft mij zelf gezegd dat hij contact heeft met de militairen in Surina-me. Hij zei dat toen hij mij ervoor waarschuwde dat ik met niemand over de zaak moest praten, omdat het mij anders mijn leven zou kosten. Hij sprak over een grote organisatie waarbij de Government en de militairen be-trokken waren."

19.4.10. Een proces-verbaal inhoudende de op 9 juli 1991 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verkla-ring van [getuige 7] (blz. 496, ordner D23):

"Op 17 of 18 april (van dit jaar) zag ik dat de E.W. Paramaribo in de haven van Paramaribo lag. De volgende dag ben ik naar het hotel van [mededader 1] gegaan. [Mededader 1] vroeg zich toen af waarom ik zo nerveus was. Ik zei dat ik nergens mee te maken wilde hebben, waarop [mededader 1] zei dat ik er niet zomaar uit kon stappen. Hij zei dat hij bang was dat ik mijn mond zou voorbij praten. Hij zei: "These thing is from the big people here with power, military people. Als ik zou praten zou het mij mijn leven kunnen kosten of dat van mijn familieleden."

19.4.11. Naar 's hofs oordeel kan de verdachte niet zonder meer worden vereenzelvigd met de "militairen" of "military people".

19.5. Ook overigens heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende stukken geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die wijzen in de richting van enige betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 4 tenlastegelegde transport.

19.6. Zoals reeds overwogen zijn de verklaringen van de getuige NN III door het hof terzijde gelaten. Nu door het openbaar ministerie geen andere bewijsmiddelen zijn gepresenteerd en uit de overige door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen niet, ook niet wanneer zij in onderling verband en samenhang worden bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is bij het in de dagvaarding onder 4 tenlastegelegde transport, dient een vrijspraak te volgen en kan de veroordeling door de rechtbank terzake van dit feit niet in stand blijven.

20. Het in de dagvaarding met parketnummer 0975408797 onder 5 tenlastegelegde feit (Laundry)

20.1. Tenlastegelegd in feit 5 op de dagvaarding is het op of omstreeks de periode van 1 januari 1990 tot en met 17 mei 1991 te ‘s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders te Nederland en/of in Suriname tezamen en in vereniging met [mededader 5] en/of een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van, een hoeveelheid van ongeveer 357 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

20.2. Op vrijdag 17 mei 1991 werd te Rotterdam een partij cocaïne van ongeveer 357,5 kilogram aangetroffen welke vervoerd was met het onder Deense vlag varende motorschip “Elisabeth Boye” en verborgen was in een lading van 20 bundels “gezaagd” hout. Deze lading was afkomstig uit Suriname.

Nadat de partij van 357,5 kilogram cocaïne op 17 mei 1991 werd aangetroffen is vervolgens een aantal daarbij direct betrokken verdachten, o.a. [Mededader 6], aangehouden.

Uit dat ingestelde onderzoek is gebleken dat de criminele organisatie van [mededader 5], geboren [geboortedatum] 1945 te [geboorteplaats], bezig is geweest om een partij hout vanuit Suriname te importeren in Nederland. In het bezit van [mededader 5] was het bedrijf Peltzer Trading BV, gevestigd te Zwijndrecht. Deze BV was doende hout in Suriname aan te kopen. De daadwerkelijke handelingen werden namens deze BV verricht door genoemde verdachte [mededader 5] en de verdachte [getuige 8], geboren [geboortedatum] 1942 te [geboorteplaats].

Tevens bleek dat deze criminele organisatie een onderneming in Paramaribo had opgericht genaamd Peltzer Trading, ook wel opererende onder de naam Peltzer NV, gevestigd Gravenstraat 4 te Paramaribo.

Middels diverse contacten in Suriname werden er afspraken gemaakt om een hoeveelheid hout vanuit Suriname, naar Nederland te transporteren. Hiertoe werden ondermeer door genoemde [mededader 5] en [getuige 8] diverse bezoeken gebracht aan Suriname.

Uiteindelijk werden in het jaar 1994 diverse verdachten aangehouden, waaronder genoemde [mededader 5] en [getuige 8]. De hoofdverdachte [mededader 5] werd op 30 juni 1998 veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf en 1 miljoen gulden boete. Verdachte [getuige 8] werd bij arrest van de Hoge Raad van dezelfde datum veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf. Verdachte [mededader 6] werd door de rechtbank Rotterdam op 6 oktober 1992 veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf.

20.3. Het openbaar ministerie somt de volgende bewijsmiddelen op waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij dit transport zou moeten worden afgeleid.

20.3.1. Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van [getuige 9] . 2 september 1993 (blz. 1509 t/m 1522, ordner D40) dat hij aanwezig was geweest bij besprekingen tussen [mededader 5] en [getuige 8] ter voorbereiding van cocaïnetransporten vanuit Suriname. Verder verklaart hij dat [mededader 5] is afgereisd naar Suriname en na terugkomst aan hem mededeelde dat hij besprekingen had gevoerd met de militairen over het afnemen van cocaïne.

20.3.2. Dit bewijsmiddel rept volgens het hof slechts over militairen in het algemeen en niet over de verdachte en is mitsdien niet zonder meer redengevend te achten voor de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport.

20.3.3. Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van [getuige 9] . 22 september 1993 (blz. 1528 t/m 1531, ordner D40) dat [mededader 5] een boetiek gekocht had voor de vrouw van [verdachte] om [verdachte] daarmee te paaien. Verder verklaart hij dat [mededader 5] materiële ondersteuning, in de vorm van bussen, kantoormeubilair en een omroepinstallatie, aan de politieke partij van [verdachte] heeft gegeven.

20.3.4. [getuige 9] is inmiddels overleden. Wat er ook zij van de juistheid van de verklaring dat [mededader 5] een boetiek heeft gekocht voor de vrouw van de verdachte en materiële ondersteuning heeft gegeven aan de politieke partij van de verdachte, door het overlijden van de getuige kan hij hierover niet meer worden ondervraagd, enige betrokkenheid van de verdachte aan het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport kan hieruit volgens het hof niet worden afgeleid.

20.3.5.1. Een proces-verbaal inhoudende de op 6 mei 1994 afgelegde verklaring van [getuige 2] (O/G71/2, ordner D48):

“In de tijd dat ik als lijfwacht van [verdachte] in Suriname werkte, heb ik [mededader 6] ontmoet. [Mededader 6] heb ik 1 maal gezien bij [verdachte]. Dat was in de woning van [verdachte] aan de Krakalaan te Paramaribo. Ik wist dat [mededader 6] vanuit Nederland legervoertuigen en personenauto’s naar Paramaribo verscheepte. Een deel van deze voertuigen is in Nederland gestolen.

Van andere lijfwachten, genaamd [lijfwacht 1] en [lijfwacht 2], hoorde ik dat [verdachte] en Steven samen een cocaïne lijn naar Nederland hadden. Toen ik gedetineerd werd in de gevangenis Esserheem zag ik, dat [mededader 6] eveneens in Esserheem gedetineerd was. Ik was verbaasd en hij kennelijk ook.

Hij denkt namelijk dat ik nog steeds voor [verdachte] werk. Ik raakte met hem in gesprek. Hij vertelde mij, dat hij een straf uitzat van acht jaar ter zake de handel in cocaïne. Hij vertelde mij dat hij was aangehouden omdat hij ervan werd verdacht ongeveer 400 kilogram cocaïne in Nederland te hebben ingevoerd. Tegen mij vertelde deze Mac Donald dat de partij cocaïne rechtstreeks afkomstig was van [verdachte]. De partij was vervoerd in boomstammen. De partij was middels een boot vervoerd vanuit Suriname naar Rotterdam in Nederland. Hij vertelde mij dat het hier om stammen hout ging. Een deel van deze cocaïne was bestemd voor de Nederlandse markt en een klein deel voor de Arabische markt.”

20.3.5.2. Ter terechtzitting van het hof van 14 april 2000 heeft [getuige 2] -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende verklaard:

Bij het 400 kilo transport zijn Steve, Randy en [broer van mededader 6] en een Nederlandse jongen aangehouden. De partij is onderschept. [Mededader 6] heeft mij gezegd dat [verdachte] erbij betrokken was. Steven heeft mij verteld dat hij een afspraak met [verdachte] had. Er is gesproken over 500 en later 450 en weer later 400 kilo die verstopt zou worden in boomstammen. Het transport zou geleid worden door [politie-ambtenaar] en zou plaatsvinden op 25 februari, de dag van de coupe in Suriname. Er zouden dan feestelijkheden in Paramaribo plaatsvinden en de buitenwijken zouden dan vrijwel leeg zijn en dus was er een makkelijke toegang. Hij heeft dat verteld in de gevangenis Esserhee Het was niet de eerste en laatste keer. Wij kwamen dagelijks bij elkaar en hebben er over gesproken.

20.3.5.3. [getuige 2] was een persoonlijke lijfwacht van de verdachte in de periode van 1982 tot 1985.

Blijkens een geschrift, zijnde een registratiekaart van de Penitentiaire Inrichting Esserheem . 29 mei 2000 was [getuige 2] in die inrichting gedetineerd van 30 maart 1993 tot 12 juli 1994. Blijkens een registratiekaart van de Penitentiaire Inrichting Esserheem . 29 mei 2000 was [mededader 6] in die inrichting gedetineerd van 24 september 1993 tot 31 maart 1995. Het gesprek tussen [getuige 2] en [mededader 6] moet dus hebben plaatsgevonden in de periode van 24 september 1993 tot 6 mei 1994.

20.3.5.4. Aangetroffen is een partij cocaïne van ongeveer 357,5 kilogram en niet van 400 kg. De cocaïne, vervoerd met het onder Deense vlag varende motorschip “Elisabeth Boye”, was verborgen in een lading van 20 bundels “gezaagd” hout. [Getuige 2] spreekt over "boomstammen" en "stammen hout".

20.3.5.5. Blijkens de verklaring van de getuige [getuige 2] ter terechtzitting van het hof van 14 april 2000 zou het transport plaatsvinden op 25 februar Op 4 augustus 1994 verklaart [getuige 2] als bedreigde getuige NN I tegenover de rechter-commissaris (punt 15): "Dit transport naar de haven zou zijn gebeurd op 25 februari, van welk jaar weet ik niet precies". Hij verklaart voorts: "Hoe lang het hout nog in de haven heeft gelegen voorafgaand aan de afvaart van het schip, weet ik niet". De Elisabeth Boye is op 15 mei 1991 in Nederland aangekomen.

Q. Kouwenhoven, brigadier van politie Haaglanden, heeft op 24 mei 2000 op verzoek van het hof aan de hand van het beschikbare materiaal getracht om beweringen van de getuige [getuige 2] op juistheid te controleren (AH/432). Over het onderhoud van [getuige 2] met [mededader 6] wordt niet gerept.

20.3.5.6. Blijkens het proces-verbaal van van Vugt en G. van Dam, respectievelijk brigadier en hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Rotterdam van 20 mei 1991 (Ordner D 37, blz. 000010) zijn op 17 mei aangehouden [mededader 6], [famililid 1 van mededader 6] en [familielid 2 van mededader 6] en [familielid 3 van mededader 6] en [kennis van mededader 6]. Op grond van deze informatie zou kunnen worden aangenomen dat het transport waarover [mededader 6] volgens [getuige 2] met hem zou hebben gesproken het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport betreft, al blijven nog enkele onduidelijkheden, zoals hiervoor is aangegeven, onopgehelderd.

20.3.5.7. Van belang is evenwel dat [mededader 6] in de onderhavige zaak niet gehoord is kunnen worden. Het gaat hier dus om informatie van horen zeggen zonder dat de bron van die informatie door de verdediging ondervraagd is kunnen worden. Meer informatie dan dat "[verdachte] erbij betrokken was" is bovendien door [mededader 6] aan [getuige 2] niet verschaft.

20.3.5.8. Op 16 oktober 1998 verklaart de getuige [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris dat hij [mededader 6] een keer eerder, namelijk in 1983 of 1984 heeft ontmoet (punt 14, ordner GVO II). Niet geheel begrijpelijk is waarom [mededader 6], als [getuige 2] hem maar een keer in 1983 of in 1984 heeft ontmoet, in 1993 nog zou denken dat [getuige 2] nog steeds voor de verdachte zou werken.

20.3.5.9. In zijn eerste bij de politie op 18 mei 1991 afgelegde verklaring (ordner D37 blz. 137 e.v.) verklaart [mededader 6] -zakelijk weergegeven- onder meer:

Dat hij ongeveer een jaar geleden benaderd is door een groep mensen in Nederland wiens namen hij niet kan noemen in verband met zijn veiligheid, welke mensen hem vroegen hout te importeren naar Nederland;

Dat hij in verband met houtaankoop in Suriname gesproken heeft met ene Kowsoleaa, werkzaam bij Landbouw en Bosbeheer Paramaribo;

Dat hij op advies van deze man via de tussenpersoon Renardus heeft gesproken met ene [tussenpersoon];

Dat hij van opdrachtgevers een bedrijf moest zoeken om het hout door te verkopen aan Duitse firma Muller und Sohn (Hamburg);

Dat hij vervolgens contact heeft opgenomen met [een bedrijfsleider] die een bedrijf heeft te Rotterdam, op wiens naam het hout zou worden ingevoerd;

Dat hij na de verscheping van de partij hout uit Suriname [kennis 2 van mededader 6] te Breda heeft gevraagd de partij hout vrij te maken en op te slaan en deze [kennis 2 van mededader 6] het transport zou regelen;

Dat de groep mensen hem vertelden dat tussen de partij vals geld zou zitten en hij voor mensen moest zorgen om de partij te lossen en het geld naar het industrieterrein aan de Spaansepolder in Rotterdam moest brengen;

Dat hij vervolgens zijn broers David, Imro en Randy heeft gevraagd hem te helpen met het lossen van de partij en dat ook [kennis 2 van mededader 6] daarbij zou zijn;

Dat zij bij het lossen een aantal pakketten tussen het hout aantroffen, waarna zij door de politie werden aangehouden.

20.3.5.10. In zijn tweede bij de politie op 19 juni 1991 afgelegde verklaring (ordner D37 blz. 364 e.v.) verklaart [mededader 6] -zakelijk weergegeven- onder meer:

Dat hij het hout niet zelf heeft opgehaald, maar dat dat gedaan werd door zijn broer [broer van mededader 6] en [tussenpersoon].

Hij verwijst wat zijn opdrachtgevers betreft naar de eerder door hem genoemde groep mensen. Door hem is aan [handelaar 2] de opdracht gegeven tot transport van het hout. De organisatie stelde hem voor aan de heer [handelaar] die hem zou begeleiden bij de import van het hout in Nederland. Hij heeft [handelaar] voorgesteld aan ene [handelaar 1] in verband met diens beschikking over fax- en telefoonfaciliteiten.

20.3.5.11. In zijn derde bij de politie op 15 juli 1991 afgelegde verklaring (ordner D37 blz. 470 e.v.) verklaart [mededader 6] -zakelijk weergegeven- onder meer:

Zijn broer [broer van mededader 6] is naar het bedrijf Ronick Shipping gegaan om laad -en volgbrief op te halen. Vervolgens heeft hij de laad -en volgbrief aan [kennis 2 van mededader 6] gegeven. Aan zijn broers Randy en David heeft hij opdrachten gegeven met betrekking tot het transport.

De opdrachtgever, wiens naam betrokkene uit veiligheidsoverwegingen niet noemt, was bang dat zijn broers niet te vertrouwen waren. Hij heeft hem duidelijk gemaakt dat dat wel het geval was. Hij heeft een visitekaartje van de firma Muller en Sohn gekregen van [handelaar] waarover hij eerder heeft verklaard. Hij is zelf nooit bij die firma geweest en heeft evenmin contact met mensen van die firma gehad en van [de onbekende] heeft hij nooit gehoord.

20.3.5.12. In zijn tweede op 26 september 1991 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring (ordner D40 blz. 1341 e.v.) verklaart [mededader 6] -zakelijk weergegeven- onder meer:

Voor december 1990 heeft hij contact met Renardus via zijn broer Eric ([broer van mededader 6) in Suriname. Hij heeft twee mensen van de groep in het Torarica hotel in Suriname gezien in februari 1991.

Genoemd wordt ene [arbeider] die als werknemer van het bedrijf Amazone met een kettingzaag het hout heeft getopt.

Hij heeft een ontmoeting met [handelaar 2] en [tussenpersoon 1] in Paramaribo gehad. Hij heeft de Bill of lading opgehaald bij [handelaar 3] in Alkmaar.

20.3.5.13. Het proces-verbaal van de verhorend verbalisant naar aanleiding van verhoren van [mededader 6] (ordner D40 blz. 1317 e.v.) houdt -zakelijk weergegeven- nog het volgende in:

In vertrouwen en buiten het procesdossier om benoemde Mac Donald de groep Nederlanders en noemde hij de namen van [mededader 5] en [getuige 8] (in de zaak [mededader 5] wordt betrokkene later als getuige gehoord en ontkent dit).

20.3.5.14. Uit het voorgaande blijkt niet dat [mededader 6] in zijn eigen verklaringen iets heeft gezegd over de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport.

20.3.6.1. Een proces-verbaal inhoudende de op 10 maart 1993 afgelegde verklaring van [getuige 10] (0/D/1411 blz. 1494 t/m 1504, ordner D40) waarin hij onder meer verklaarde dat hij in de maand januari 1992 een zakelijk gesprek heeft gevoerd in een hotel met [mededader 5] vnd ().

Woordelijk weergegeven verklaarde [getuige 10] onder andere:

“Tijdens deze ontmoeting vertelde mij dat hij geen problemen had om aan cocaïne te komen. zei dat hij een goede vriend is van [verdachte], de legerleider in Suriname. zei dat hij nog niet zo lang geleden een ontmoeting met [verdachte] had gehad in Suriname. vertelde mij dat hij met [verdachte] een kontrakt op het gebied van houtzaken had afgesloten. zei dat hij hiervoor het bedrijf Peltzer Trading had opgezet. vertelde mij dat er grote hoeveelheden cocaïne in Suriname zouden liggen. zei dat deze cocaïne onder het beheer van [verdachte] zou zijn. zei dat [verdachte] veelvuldige kontakten zou onderhouden met de politie in Suriname. Als er mensen waren die het [verdachte] moeilijk maakten, dan zou hij ervoor zorgen middels zijn kontakten bij de politie, dat deze mensen opgepakt zouden worden. zei dat Peltzer Trading zou gaan dienen als dekmantel voor de cocaïnehandel. Verder zei mij, dat Peltzer Trading in Paramaribo werd bestuurd door een Surinaamse vrouw, een vriendinnetje van [..] zei mij dat hij vanuit Suriname naar Nederland partijen hout zou gaan verzenden. Tussen deze partijen hout zouden grote hoeveelheden cocaïne worden verstopt. zei mij dat hij voor deze houttransporten een boot zou kopen. Ik weet niet waarom mij dit vertelde. Ik heb hier verder geen vragen over gesteld. Dit is het enige wat mij hierover vertelde.” (blz. 1496 en 1497)

20.3.6.2. Dit gesprek heeft volgens [getuige 10] plaatsgevonden in januari 1992. Hij verklaart over transporten die nog zouden moeten plaatsvinden. Daargelaten het feit dat [getuige 10] zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris niet heeft gehandhaafd, kan deze verklaring niet zonder meer redengevend zijn te achten voor het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport, omdat dit transport heeft plaatsgevonden in mei 1991.

20.3.7. Een proces-verbaal inhoudende de op 6 juli 1994 door [getuige 11] afgelegde verklaring (0/D/1411 blz. 1505 t/m 1508, ordner D40):

“In het jaar 1992 ben ik met [mededader 5] bezig geweest met (...) het opzetten van een houtzagerij in Marokko”

en

“ [mededader 5] had tegen mij al eens gezegd dat [verdachte] in Suriname een grote vriend van hem was. Hij vertelde mij toen ook dat hij al eens in Suriname was geweest en daar door [verdachte] goed was ontvangen. Hij vertelde dat hij goede kontakten had verder in Suriname en wilde het hout rechtstreeks vanuit Suriname naar Marokko laten komen.

Het moesten hele boomstammen worden vanuit Suriname en deze zouden dan in de houtzagerij in Marokko verzaagd moeten worden tot planken.”

en

“Hij heeft toen aan mij gevraagd waar ik nu mee bezig was en ik heb hem verteld dat ik bezig was met het opzetten van een houtzagerij in Marokko voor [mededader 5]. heeft toen tegen mij gezegd dat ik dit niet moest doen omdat wist dat er tussen het hout uit Suriname cocaïne verstopt zou zitten. vertelde verder dat de cocaïne er in Marokko uit gehaald zou worden en de cocaïne zou dan verder naar Europa worden getransporteerd.”

20.3.8. Een proces-verbaal inhoudende de op 10 juni 1998 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 11] (0/G90/1, ordner D48):

Hem werd de eerder aangehaalde verklaring 1/V7/1 voorgelezen. Hij verklaarde dat hij volhardde bij de voorgelezen verklaring.

20.3.9. Ook de getuige [getuige 11] verklaart volgens het hof over de periode na mei 1991 en diens verklaringen zijn derhalve evenmin zonder meer redengevend te achten voor het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport.

20.3.10. Een proces-verbaal inhoudende de 15 november 1993 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 12] (O/G4/1, ordner D47):

Het openbaar ministerie betoogt: "Deze getuige is in 1993 gehoord in een andere strafzaak ([vriend van getuige 12]). Hij verklaart uit eigen wetenschap over een in 1991 onderschept cocaïnetransport middels boomstammen vanuit Suriname naar Nederland. Noemt als deelnemers danwel investeerders in de partij: [handelaar 12], [investeerder], een Bosland Creoolse man, een blanke man en ex-bevelhebber [verdachte]."

20.3.11. De volledige verklaring van [getuige 12], voor zover hier van belang, luidt -zakelijk weergegeven- als volgt:

In de maand november 1990 verbleef ik in Paramaribo (Suriname). Mijn toenmalige vriend genaamd [vriend van getuige 12] (..) vertelde mij in die tijd dat er iets groots in de richting van Nederland moest gaan. Omdat [vriend van getuige 12] deel uitmaakte van de cocaïnewereld in Paramaribo begreep ik uit zijn woorden dat er een groot cocaïnetransport naar Nederland zou worden verzonden. Een vriend van [vriend van getuige 12] is een man genaamd [betrokkene 10], Ricky, ongeveer 32 jaar oud. Ricky is een brildragende grote dikke Surinaamse man. Hij is werkzaam bij de Surinaamse douane.

In de maand november 1990 kwam Ricky naar [vriend van getuige 12] toe en vertelde hem dat Henk hem nodig had. Ik kende Henk. (..) Henk heeft mij in deze tijd ook verteld dat hij samenwerkte met een welgestelde blanke man en dat daarom de handel in cocaïne altijd goed verliep. Henk vertelde dat de blanke man veel macht en veel geld zou bezitten.

De volgende dag ben ik (..) met [vriend van getuige 12] naar de woning van [investeerder] gegaan. [Vriend van getuige 12] vertelde mij dat hij zou gaan kijken of er daadwerkelijk cocaïne was binnengekomen. Ik zag dat Henk en [handelaar 12] in de woning aanwezig waren. Henk deed erg opgewekt en wij moesten mee naar de garage. Ik zag dat er 2 of 3 auto's in de garage stonden, grijskleurige terreinwagen met een laadruimte die middels een scharnierende kap. Henk opende de achterzijde van de kap en verwijderde vervolgens een gedeelte van het dekzeil, welk een lading in de laadruimte verborg. Ik zag daar een heleboel pakketjes in de laadruimte lagen. Ik rook direct dat het hier vermoedelijk cocaïne betrof. Het had duidelijk de typische geur van cocaïne. Ik zag dat de pakketjes met geel tape waren omwikkeld.

Henk vertelde [vriend van getuige 12] dat de 400 kilo cocaïne niet de hele partij was, maar dat deze deel uitmaakte van een partij van 1000 of 2000 kilo. Henk vertelde dat de partij eigenlijk eigendom was van de grootste en machtigste man in Suriname. Uit dit gesprek begreep ik dat het hier om [verdachte] moest gaan. Deze naam is echter nooit genoemd. Uit alle daarop volgende gesprekken moest ik echter wel opmaken dat het hier om [verdachte] ging.

Het gebeurde echter wel dat in de auto [vriend van getuige 12] regelmatig tegen mij vertelde dat [verdachte] de grootste aandeelhouder van de partij was.

In Suriname hoorde ik van [vriend van getuige 12] dat de grote partij cocaïne per zeevracht naar Nederland zou worden verstuurd.

Vlak voor mijn vertrek naar Nederland was ik aanwezig bij gesprekken tussen [vriend van getuige 12] en de douaneambtenaar Ricky. Uit de gesprekken begreep ik dat de partij cocaïne van [investeerder] in een houtlading verstopt zou worden en dat deze per zeeschip naar Nederland verscheept zou worden. Uit gesprekken tussen [vriend van getuige 12] en mij begreep ik dat de welgestelde blanke man, waarover ik eerder heb verklaard, deelnemer was in de grote partij cocaïne.

Later las ik in de kranten dat er 350 kilo cocaïne, in hout verstopt, was in beslag genomen. Ik weet dat deelnemers danwel investeerders in de partij waren: [handelaar 12], [investeerder], een Bosland creoolse man, een blanke man en naar ik begrijp de ex-bevelhebber [verdachte].

20.3.12. [Vriend van getuige 12] zou [getuige 12] regelmatig in de auto hebben verteld "dat [verdachte] de grootste aandeelhouder van de partij was". [Investeerder] zou [vriend van getuige 12] in aanwezigheid van [getuige 12] hebben verteld dat de partij eigenlijk eigendom was van de grootste en machtigste man in Suriname. Uit dit gesprek zou [getuige 12] vervolgens hebben begrepen dat het hier om [verdachte] moest gaan. Deze naam is echter nooit genoemd. Uit alle daarop volgende gesprekken moest [getuige 12] wel opmaken dat het hier om [verdachte] ging. Toen [getuige 12] later in de kranten las dat er 350 kilo cocaïne, in hout verstopt, in beslag genomen was, begreep hij dat de ex-bevelhebber [verdachte] een van de deelnemers was.

20.3.13. Voor de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport is dit bewijsmiddel volgens het hof nauwelijks redengevend te noemen. De naam [verdachte] is door [investeerder] nooit genoemd. [Getuige 12] begreep in de gesprekken met [investeerder] steeds dat op [verdachte] werd gedoeld. De reden van wetenschap van [vriend van getuige 12] dat [verdachte] de grootste aandeelhouder van de partij was is onduidelijk gebleven. Het betreft hier bovendien een de auditu-verklaring. Noch [getuige 12] noch [vriend van getuige 12] noch [investeerder] is in de onderhavige zaak gehoord kunnen worden. De verklaring van horen zeggen van [getuige 12] kan dus niet op haar juistheid worden getoetst.

20.3.14. Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte [mededader 5] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen zaak . 16 februari 1995 (blz. 003133 e.v., ordner D45):

“In 1987-1988 heb ik gewerkt voor [mededader 6].

In 1989 ben ik getrouwd met [echtgenote van mededader 6].

Sinds 1991 ben ik directeur van Poldercars.

Poldercars en Peltzer Trading B.V. waren één. Peltzer Trading B.V. is voortgekomen uit Peltzer B.V. dat van [directeur] was.

[getuige 8] heb ik rond 1990 leren kennen via [mededader 6]. Op 1 januari 1991 ben ik directeur geworden van Peltzer Trading B.V. Peltzer Trading is eind 1991 verhuisd van de Gaesbeekstraat te Rotterdam naar de Houtkopersstraat te Zwijndrecht.

[getuige 8], die ook wel Lam of Lem genoemd wordt, [echtgenote van mededader 5] en ik waren de aandeelhouders van Peltzer Trading B.V.

[getuige 8] hield de papieren bij. Hij kreeg van mij geen geld. Hij kreeg een vergoeding voor de benzine e.d. Ik vertrouwde hem wel.

In 1991 heb ik met [handelaar 4] en [handelaar 5] gehandeld in Suriname. Op een gegeven moment kreeg Peltzer Trading een eigen vestiging in Suriname. [Medewerkster van Peltzer Trading] werd daarvoor aangetrokken.

In de zomer van 1992 heb ik [handelaar 6] en [handelaar 7] leren kennen. [Getuige 8] kende hen al langer. Zij zaten in van alles. Wij zaten allemaal in het hout. [Handelaar 6] en [handelaar 7] waren altijd bij elkaar. [Getuige 11] ken ik vanaf 1986. [Getuige 11] zat sinds 1983 in de hashhandel Ik heb [getuige 11] in een shoppie in Den Haag leren kennen. In maart 1991 is [getuige 10] met [getuige 9] bij me geweest. Ik heb in Den Haag een koffietent gehad. [Getuige 11] was mijn leverancier van soft drugs. Ik ben in augustus 1991 in Marokko geweest. Ik ben regelmatig in Marokko geweest. In de periode 1991/1992 ben ik twee keer met [getuige 11] naar Marokko geweest. Sbai jr. is een vriend van mij. Sbai sr. ken ik ook. [Kennis van mededader 5] ken ik via [getuige 11].

[getuige 10] ken ik vanaf begin 1991. Ik heb hem via [getuige 9] leren kennen.

[getuige 9] kwam in 1989 bij mij langs. Hij hielp mij bij het opkopen van faillissementspartijen.

In 1990/1991 kreeg ik contact met Suriname.

In februari 1991 ben ik samen met [getuige 8] bij besprekingen geweest met de bank in Suriname. Ik heb [mededader 6] in februari 1991 in het Toraricahotel in Paramaribo gezien. Ik ben twee keer in Suriname geweest.

Ik ken [vriendin van mededader 6]. Zij was een vriendin van [mededader 6]. In de tijd dat ik met [getuige 14] werkte, kwam ik regelmatig bij [vriendin van mededader 6].

[getuige 9] heeft in twee jaar bij mij fl. 125.000,= verdiend.

Voor november 1989 had ik niets met [getuige 9] te maken.

Ik ken [een bedrijfsleider]."

20.3.15. [Mededader 5] verklaart hier niet over [verdachte] en hij heeft dat ook niet ten overstaan van de rechter-commissaris gedaan.

20.3.16. [Mededader 5] is op 17 april 2000 ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft onder meer verklaard dat "[verdachte] niets met deze zaak te maken heeft". Hij heeft voorts verklaard: "[investeerder] zou moeten zitten waar ik nu zit. Hij is verantwoordelijk voor de partij van 357 kilo. Het betrof echter een partij van 900 kilo; ik weet niet waar de rest gebleven is. Dit transport is opgezet door [mededader 6]. Hij heeft mij dat zelf verteld. Ik heb dat steeds geweten. (..) hij had mij tevoren gezegd dat hij een grote klapper zou maken. Hij vertelde dat [investeerder], een van de [vriend van getuige 12]s en een persoon uit Den Haag daar achter hebben gezeten."

20.3.17. De rechtbank heeft, behalve de door het hof terzijde gelaten, verklaringen van de getuige NN III, geen andere bewijsmiddelen gebruikt dan die welke het openbaar ministerie heeft opgesomd.

20.3.18. Het hof heeft verder uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende stukken geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die wijzen in de richting van enige betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport.

20.3.19. Het bewijs inzake de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde feit berust uitsluitend op de auditu-verklaringen, met informatie afkomstig van [mededader 6], een van de [vriend van getuige 12]s, [investeerder]. Geen van hen is in de onderhavige zaak door een rechterlijke instantie gehoord kunnen worden, waarbij de verdediging de gelegenheid heeft gekregen vragen te stellen. Van de vertolkers van de de auditu-verklaringen is in de onderhavige zaak alleen [getuige 2] gehoord. Een ondervraging van [getuige 12] bleek niet mogelijk. Datzelfde geldt voor [betrokkene 10]. [getuige 8] is op 14 juli 1999 overleden.

20.3.19. Het bewijs dat de verdachte betrokken is bij het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport voldoet niet aan de wettelijke maatstaven, zodat een vrijspraak dient te volgen en de veroordeling door de rechtbank terzake van dit feit niet in stand kan blijven.

Het in de dagvaarding met parketnummer 0975408797 onder 6 tenlastegelegde feit (TCA)

21.1. Tenlastegelegd in feit 6 op de dagvaarding is het in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 1 maart 1991 te Amsterdam en/of ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Suriname ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met [mededader 2] en/of een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van ongeveer 274 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

21.2. Op 1 maart 1991 werd door de Rijkswacht te Zaventem (België), in de vracht van een vliegtuig van de maatschappij Trans Carribean Airlines (T.C.), komende rechtstreeks vanuit Paramaribo (Suriname), een partij van ongeveer 273 kilogram cocaïne aangetroffen en inbeslaggenomen. Naar aanleiding van deze inbeslagname is door de Rijkswacht te Zaventem een onderzoek ingesteld. Onder andere werd door de Rijkswacht de directeur van T.C., genaamd [mededader 2], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1942, aangehouden.

21.3. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het vliegtuig aanvankelijk alleen passagiers zou vervoeren. Nadat het vliegtuig in Suriname was aangekomen, is aan de piloot opdracht gegeven een hoeveelheid vracht mee te nemen. Als dat geweigerd zou worden zou het vliegtuig niet mogen vertrekken.

De vracht en de passagiers tezamen zouden het toestel echter te zwaar maken. Het vervoeren van de vracht kreeg prioriteit en dit had tot gevolg dat een aantal passagiers uit moest stappen. De piloot vond dit een merkwaardige gang van zaken en lichtte de Belgische autoriteiten in. Dit leidde tot een extra controle op het vliegveld Zaventem, waarbij de cocaïne in de vracht gedroogde vis werd aangetroffen.

21.4. Behalve de door het hof terzijde gelaten verklaringen van de getuige NN III, somt het openbaar ministerie de volgende bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 6 tenlastegelegde feit zou moeten worden afgeleid op.

21.4.1. Een proces-verbaal van de Belgische Rijkswacht inhoudende een verklaring van [getuige 13] over de gang van zaken met betrekking tot de gemaakte afspraak over de betreffende TCA-vlucht (blz. 13-16, ordner D34). Hieruit blijkt volgens het openbaar ministerie dat er in eerste instantie geen sprake van zou zijn dat er vracht mee zou gaan op de vlucht. Verder geeft hij aan dat de directeur van TCA, Arnie [mededader 2], gedreigd had om zijn militaire vrienden in Suriname in te schakelen indien [getuige 13] niet mee wilde werken. [Mededader 2] zou letterlijk gezegd hebben: “if [getuige 13] wants to play games he has to know this is maffia and if you play with maffia you have to be careful.”

21.4.2. Deze verklaring heeft volgens het hof geen betrekking op de verdachte. De “militaire vrienden in Suriname” mogen volgens het hof niet zonder meer vereenzelvigd worden met de verdachte.

21.4.3. Een geschrift bevattende de weergave van een gesprek tussen [mededader 2] en een vertegenwoordiger van een vliegmaatschappij in Brussel (blz. 288-292, ordner D34):

“[mededader 2]: De Surinaamse overheid helpt ons

..

[mededader 2]: Ik heb heel wat vrienden bij het leger

..

[mededader 2]: Het vliegtuig is er, het vliegtuig staat al een maand aan de grond, u gaat het terugbrengen zonder passagiers, dat zijn maffiapraktijken en maffiapraktijken bestrijd je met maffiapraktijken.”

21.4.4. Ook deze verklaring heeft geen betrekking op de verdachte. De “Surinaamse overheid” en de “vrienden bij het leger” mogen volgens het hof niet zonder meer vereenzelvigd worden met de verdachte.

21.4.5. Een proces-verbaal inhoudende de op 30 mei 1995 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige NN-VII (ordner GVO III):

“Ik ken ene Steve BAREND Het volgende verhaal heb ik rechtstreeks uit de mond van STEVE gehoord.

In 1991 (ik denk dat het ging om het laatste kwartaal) had STEVE het plan om een grote hoeveelheid cocaïne vanuit Suriname naar Nederland te vervoeren. Hij wilde deze verstoppen in groenten. Deze groenten zouden per vliegtuig van Suriname naar Nederland worden vervoerd. Het vliegtuig zou een vliegtuig zijn van de Trans Carribean Airlines (TCA), waarvan ene [MEDEDADER 2] directeur was. STEVE had zich reeds verzekerd van de medewerking van [MEDEDADER 2].

STEVE is toen, op diens verzoek, in contact gebracht met [VERDACHTE]. Dit contact is voor hem geregeld door ene JOHN, iemand die een im- en exportbedrijf in Surinaamse groenten heeft en over wie het sterke gerucht gaat dat hij samen met [VERDACHTE] in de cocaïne handel zit. Volgens hetzelfde gerucht zijn beiden goed bevriend. Zo zou JOHN ooit een belangrijke concessie van [VERDACHTE] hebben gekregen voor een stuk grond waarop hij, JOHN, pomtayers wilde laten telen.

Er is toen een gesprek gevolgd tussen STEVE, JOHN en DES Uitkomst van dit gesprek was, dat er een partij van 300 kilo cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd. De ene helft van de partij zou worden gefinancierd door DESI, de andere helft door STEVE zelf. [VERDACHTE] heeft toen wel een volledige garantie van STEVE verlangd: voor een eventueel verlies van de partij zou STEVE volledig aansprakelijk zijn.

Uiteindelijk bedroeg het gewicht van de totale partij (dus: groenten plus cocaïne) 1.000 kilogra Hierdoor was het vliegtuig te zwaar. [MEDEDADER 2] heeft er toen voor gezorgd dat er passagiers achter bleven. Ongeveer 10 a 15 passagiers konden niet meevliegen. Ik weet dat de partij cocaïne onder militaire begeleiding -dus onder auspiciën van [VERDACHTE]- naar het vliegveld is gebracht. Ik weet echter niet waar de partij precies vandaan kwam en van wie STEVE en die partij hadden gekocht.

De partij zou via België naar Nederland gaan. Op de Belgische luchthaven is de partij echter gepakt. STEVE vermoedde dat de piloot hier achter zat. Die zou het vreemd hebben gevonden dat er voorkeur werd gegeven aan vracht boven passagiers.

De Belgische autoriteiten hebben uiteindelijk ook [MEDEDADER 2] bij de partij gepakt. STEVE was zelf in Suriname gebleven.

Toen [VERDACHTE] van de mislukking vernam heeft hij, overeenkomstig de eerdere afspraak, STEVE daarvoor aansprakelijk gesteld. Hij heeft STEVE in de gelegenheid gesteld naar Nederland te gaan om daar voor het geld te zorgen. [VERDACHTE] had bedongen dat aan hem de Nederlandse straatwaarde zou worden betaald van het verloren gegane gedeelte dat hij, [VERDACHTE], had gefinancierd.”

21.4.6. [Getuige 14] heeft op 28 mei 1998 bij de politie verklaard dat hij tegen de rechercheurs had verklaard dat hij niet betrokken was bij de partij en dat zijn moeder en broer niet gegijzeld waren (O/G85.1, ordner D48). Een nader verhoor van [getuige 14] is onmogelijk gebleken.

21.5. De rechtbank heeft ten aanzien van het in de dagvaarding onder 6 tenlastegelegde feit nog de volgende bewijsmiddelen gebezigd.

21.5.1. Een proces-verbaal van tegenover de rechter-commissaris bij de arrondis-sementsrechtbank te Bobigny op 23 juni 1994 afgelegde verkla-ring van [getuige 15] (0/G/40, bijlage 7, ordner D47):

"Het was in 1985 toen het fenomeen werd geboren om cocaïne te transporteren vanuit Suriname, dit was met de komst van de militaire macht. Het was het begin van de handel in cocaïne door militairen."

21.5.2. Deze verklaring acht het hof niet zonder meer redengevend voor zover het de tenlastegelegde periode betreft. Voorts blijkt uit de verklaring niet waarop de wetenschap van de getuige berust. In de verklaring wordt niet gesproken over cocaïnetransporten naar Nederland en helemaal niet over het in de dagvaarding onder 5 tenlastegelegde transport

21.5.3. Een proces-verbaal inhoudende de op 22 april 1991 tegenover de politie afgelegde verklaring van [mededader 2] (O/D/1409, blz. 959-960, ordner D36):

"Ik ben directeur van Trans Carribean Airlines en alleen verantwoordelijke."

21.5.4. Deze verklaring voegt volgens het hof niets toe en heeft geen betrekking op de verdachte.

21.5.5. Een pro-ces-verbaal van het COPA III-team inhoudende relaas van bevoegde opspo-rings-ambte-naren(O/AH/-15, blz. 1, ordner D01):

"Op 16 juni 1993 werd van de Regionale Criminele Inlich-tingen Dienst in de politieregio Haaglanden (onder meer) de volgende informa-tie ontvangen:

[verdachte] zou betrokken zijn bij de internationale handel in verdovende middelen, met name cocaïne. Hij zou samen met [betrokkene 12] en [betrokkene 13] het leidende driemanschap vormen voor wat betreft het Surinaamse aandeel in deze handel."

21.5.6. Dit proces-verbaal is volgens het hof niet zonder meer voor het bewijs bruikbaar, omdat het CID-informatie bevat, waarvan de juistheid door het hof niet kan worden gecontroleerd.

21.5.7. Een pro-ces-verbaal inhoudende de op 2 september 1993 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 9] (blz 1509 t/m 1522, ordner D40):

"In de maand februari 1991 zijn [mededader 5] en Lambert [getuige 8] naar Suriname vertrokken.

[mededader 5] vertelde dat hij drie dagen besprekingen had gevoerd met de militairen, onder andere met [betrokkene 12], over het afnemen van cocaïne. [mededader 5] vertelde mij dat de mili-tairen afwilden van de kleine jongens, die maar hoeveelheden van 100 kilo cocaïne afnamen, en alleen met de grote jongens zoals [mededader 5] zaken wilden doen."

21.5.8. De verdachte mag volgens het hof niet zonder meer worden vereenzelvigd met "de militairen".

21.5.9. Een proces-verbaal inhoudende de op 11 november 1998 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [mededader 2] (ordner GVO II):

"[medeverdachte 1] ken ik. Ik heb met hem afspraken gemaakt over de aankoop van aandelen TC Ik begreep dat [medeverdachte 1] een kapitaalkrachtig man was en TCA kon uitbreiding van haar kapitaal goed gebruiken. In de tweede helft van januari 1991 heb ik [medeverdachte 1] ontmoet en heb ik hem gesproken in zijn winkel in Paramaribo. [Medeverdachte 1] zou een groot bedrag investeren, ik meen rond de een miljoen Nederland-se guldens. Eind januari 1991 heeft [medeverdachte 1] een keer gevlogen met TC Op zijn verzoek heb ik bemiddeld bij het ver-krijgen van een visum voor de Benelux. Ik had hem aange-meld als commissaris van TCA bij een contact van mij in Oostende genaamd [kennis van mededader 2].

Ik heb in januari 1991 met [betrokkene 12] gesproken over de moge-lijke aankoop van aandelen TC Hij zou willen inves-teren in de opvolger van TCA, STC"

21.5.10. Deze verklaring maakt volgens het hof geen gewag van de verdachte en heeft geen betrekking op een cocaïnetransport.

21.6. Nu de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 6 tenlastegelegde feit in beslissende mate berust op de verklaring van de bedreigde getuige NN VII voldoet de bewijsvoering niet aan de wettelijke maatstaven en kan de veroordeling van de verdachte door de rechtbank van het in de dagvaarding onder 6 tenlastegelegde feit niet in stand te blijven. Een vrijspraak dient te volgen, zoals ook door het openbaar ministerie is gevorderd.

Het in de dagvaarding met parketnummer 0975408797 onder 1 tenlastegelegde feit (de criminele organisatie):

22.1. Tenlastegelegd in feit 1 op de dagvaarding is dat de verdachte te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of België en/of Suriname in of omstreeks de periode van 1 januari 1989 tot augustus 1992 tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven;

Die organisatie betrof een groep personen ([verdachte] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer anderen) die zich bezighield met het plegen van misdrijven te weten:

Het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (een middel, vermeld op lijst I van de Opiumwet) en/of

Het plegen van voorbereidingshandelingen tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (een middel, vermeld op lijst I van de Opiumwet)

Strafbaar gesteld bij artikel 2, eerste lid onder A in verband met artikel 10, respectievelijk 10A van de Opiumwet door invoer op verschillende data en plaatsen van verschillende hoeveelheden cocaïne (zaak 2 t/m 6).

22.2. Behalve de door het hof terzijde gelaten verklaringen van de getuige NN III, somt het openbaar ministerie de volgende bewijsmiddelen op waaruit de deelneming van de verdachte aan de beoogde criminele organisatie zou moeten worden afgeleid.

22.2.1. Een proces-verbaal inhoudende de op 27 oktober 1994 afgelegde verklaring van [getuige 1] (0/G52/1, ordner D48):

Het openbaar ministerie licht deze verklaring als volgt toe:

"([getuige 1] is lid geweest van het zogenaamde elitecorps van [verdachte]. Hij is persoonlij-ke lijfwacht geweest van [verdachte] in de perio-de van 1982 tot en met 1992)"

[getuige 1] heeft onder meer verklaard:

"In 1982 werd ik door de mij bekende [kennis van getuige 1], een mili-tair, benaderd om deel uit te maken van het elitekorps van de mij bekende [verdachte], destijds de bevelhebber van Suriname en wonende op Dijkveld te Paramari-bo.”

en

“Dit elitekorps had onder andere tot taak de veiligheid van [verdachte] te garan-deren.

Ik heb in die jaren [verdachte] met verschillende mensen horen praten over de handel in verdo-vende middelen, met name cocaïne. Ik ben er persoonlijk getuige van geweest dat hij gesprekken met mensen voerde en dat er tijdens die ge-sprekken zakelijke transacties werden rond gemaakt de coca-ïnehandel betreffende. Deze cocaïne was dan bestemd voor de uitvoer vanuit Surina-me naar landen in Europa, waaronder Nederland. Het betrof-fen hier altijd zakelijke transacties waarbij gesproken werd over duizend of meer kilo cocaïne die bestemd was voor de uitvoer.”

en

"De werkwijze van [verdachte] is namelijk zo dat niet één persoon verant-woordelijk is voor een cocaïne-transport. Als er een cocaïnetransport plaats-vindt hebben daar vele mensen bemoei-enissen mee en draagt ieder zijn eigen verantwoorde-lijkheid. geeft mensen verschillende taken waaron-der het leggen van contacten voor het verkrijgen van de cocaï-ne, het ver-voer, de financiering, het houden van toezicht, het beschermen van diverse personen, het ver-stoppen van de cocaïne in goederen, het verschepen daarvan, het vervoer naar het buitenland waaronder Nederland, de eindbe-stemming, de distribu-tie van de cocaïne in het land van bestemming enzovoort."

en

“Ik weet dat [verdachte] een eigen organisatie heeft voor wat betreft de smokkel van cocaïne naar het buitenland omdat hij mij dit zelf heeft ge-zegd.

Een uitspraak die hij tegen mij deed is dat hij het land alleen maar groot kan ma-ken door cocaïnesmokkel omdat daar-mee op een makkelijke en korte manier harde valuta te ver-dienen is.”

22.2.2. Volgens het openbaar ministerie heeft [Getuige 1] zijn verklaringen ter terechtzitting van het Hof . 16 mei 2000 bevestigd.

22.2.3. Het hof acht het, gelet op de functie van [getuige 1], namelijk lijfwacht van [verdachte], en de indruk omtrent de persoon van [getuige 1], zoals deze tijdens zijn verhoor ter terechtzitting van het hof van 16 mei 2000 is gevormd, niet aannemelijk dat [getuige 1] op dergelijke wijze en op grond van eigen waarneming of ondervinding de werkwijze van [verdachte] en de taken binnen de beweerde criminele organisatie dermate gedetailleerd heeft kunnen beschrijven.

De verklaring van [getuige 1] heeft geen betrekking op een van de in de dagvaarding onder 1 genoemde transporten. Hij verklaart slechts in het algemeen dat "tijdens die ge-sprekken zakelijke transacties werden rond gemaakt de coca-ïnehandel betreffende en dat deze cocaïne bestemd - onderstreping door het hof - was voor de uitvoer vanuit Surina-me naar landen in Europa, waaronder Nederland". Dat enig concreet transport ook daadwerkelijk Nederland heeft bereikt of dat enig concreet transport naar Nederland door de verdachte werd voorbereid heeft hij noch gehoord noch gezien.

22.2.4. Een proces-verbaal inhoudende de op 18 mei 1995 afgelegde verklaring van de bedreigde getuige NN V (ordner GVO III):

Het openbaar ministerie licht deze verklaring als volgt toe:

"(NN-V is een van de anoniem gehoorde getuigen. Hij heeft dicht in de buurt van [verdachte] verbleven. Heeft in opdracht van [verdachte] een door de politie in beslag geno-men partij terug gehaald. Beschrijft uit eigen wetenschap gebeurtenissen in de periode van 1984 tot en met 1989)":

De getuige NN V heeft onder meer verklaard:

"-dat door politiechef Gooding in 1989 een lading cocaï-ne is onderschept op de weg naar Appoera, afgezet door een vlieg-tuig door Colombianen,

-dat deze lading bestemd was voor [verdachte] en dat deze na de onder-schepping een soort spoedberaad heeft belegd,

-dat vervolgens door een deel van de aanwezigen op het politiebureau Nieuwe Haven, nadat de deur was geopend door Jansen, de inbeslaggeno-men partij cocaïne is teruggestolen,

-dat bij terugkomst in het kabinet door [verdachte] werd ge-zegd dat wij het goed hadden gedaan,

-dat hij een dag later een soortgelijk pakketje in openge-sneden toestand op het bureau van [verdachte] heeft zien lig-gen en dat er een witte substantie inzat."

Het openbaar ministerie heeft hier nog aan toegevoegd:

"Het feit dat er een partij cocaïne onderschept is door de politie blijkt uit open bronnen (NRC april 1989). Uit een artikel in de NRC blijkt tevens dat een politie onderinspecteur enige dagen later is aangehouden.(0/AH/411, ordner D04.1)."

22.2.5. Deze verklaring heeft volgens het hof betrekking op problemen met betrekking tot de cocaïnehandel in Suriname en kan niet zonder meer betrokken worden op de criminele organisatie zoals beschreven in de tenlastelegging. Bovendien blijkt nergens uit dat deze cocaïne naar Nederland zou worden uitgevoerd.

22.2.6. Volgens het openbaar ministerie heeft NN V deze verklaring op 28 mei 1998 ten overstaan van de rechter-commis-saris uitgebreid herhaald en aangevuld met het volgende (punt 11):

"Ik heb eerder bij de rechter-commissaris verklaard over speedboten die over de Surinamerivier voeren. Ik weet wat u bedoelt.

Het was 's avonds verboden te varen op de Surinamerivier. Toch kwam het voor dat speedboten 's avonds van zee naar een speciale steiger voeren achter de woning van [verdachte] in [geboorteplaats]. [Verdachte] had daar die steiger speciaal laten bouwen. Die speedboten vervoerden cocaïne die op zee werd overgenomen van schepen die die cocaïne brachten."

22.2.7. Deze verklaring spreekt volgens het hof heel in het algemeen over activiteiten met betrekking tot de cocaïnehandel in Suriname. Enige aanwijzing dat het hier gaat om cocaïne die naar Nederland zou worden uitgevoerd is niet te vinden.

22.2.8. Een proces-verbaal inhoudende de op 18 mei 1995 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van NN IV (ordner GVO III):

Het openbaar ministerie geeft de volgende toelichting op deze verklaring:

"(deze getuige is één van de anoniem gehoorde getuigen. Heeft tot in 1992 in Suriname ge-woond en heeft daar in de directe omgeving van [verdachte] gewerkt. Tijdens die werkzaamheden had hij toegang tot de woningen van [verdachte]. Geeft inzicht in de cocaïne handel van [verdachte] en de opbouw van de criminele organisatie.)"

De verklaring houdt onder meer het volgende in:

"-dat hij tot 1992 woonde in Suriname en daar werkzaamheden heeft gehad waar-door hij regelmatig in persoonlijk contact kwam met [verdachte] en de hem omringende personen waar-bij hij toegang had tot de woningen van [verdachte],

-dat hij behalve grote hoeveelheden geld in die woningen ook pakketjes, omwikkeld met bruin papier, heeft zien lig-gen die door Engels sprekende mannen werden gebracht,

-dat hij in 1990 ongeveer 30 dozen uit de munitiebunker “Zorg en Hoop” heeft gebracht naar de woning van [verdachte] in [geboorteplaats] waar naast [verdachte] ook aan-wezig waren de mili-tairen [ondergeschikte 1 van verdachte], [ondergeschikte 2 van verdachte], [betrokkene 13] en [ondergeschikte 3 van verdachte ],

-dat [verdachte] uit één van de dozen een pakketje haalde van 20 bij 10 centi-meter en daarbij sprak over soekroe, het Surinaamse woord voor suiker,

-dat het hem wel duidelijk was dat het in werkelijkheid om cocaïne ging,

-dat hij in maart 1992 heeft gezien dat een gezelschap, bestaande uit [betrokkene 5], [ondergeschikte 1 van verdachte], [getuige 1], [kennis 1 van verdachte], [kennis 2 van verdachte] en [kennis 3 van verdachte], een tocht naar zee maakte met een vissersboot,

-dat ondergeschikte van verdachte bij vertrek in het bezit was van een at-tachékoffer,

-dat zich in de boot bij terugkomst ongeveer 50 kartonnen dozen bevonden die werden uitgeladen bij de woning van [verdachte] in [geboorteplaats],

-dat [betrokkene] bij terugkomst niet meer in het bezit was van de attachékof-fer,

-dat de ongeveer 50 kartonnen dozen naar de kelder in de woning van [verdachte] werden gebracht waar al 150 soortgelij-ke dozen aanwezig waren."

Het openbaar ministerie voegt daar het volgende aan toe:

"[kennis van getuige 1], [betrokkene 13] munitiebunker Zorg en Hoop en opslag in woning [verdachte] wordt bevestigd door cid-info, andere nn’s, [getuige 16] en [getuige 1] (zie ook 0/AH/410, ordner D04.1).

De relatie met [betrokkene] blijkt uit de tap op [betrokkene], die [verdachte] op zijn verjaardag belt. Tevens blijkt dit uit CID-info.

Het overladen in de surinamerivier/voor de kust van coke blijkt ook uit de verklaringen van [getuige 17] en [getuige 6]."

22.2.9. Volgens het hof blijkt uit niets dat de cocaïne naar Nederland zou worden uitgevoerd.

22.2.10. Een proces-verbaal inhoudende de op 23 juni 1994 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 15] (O/G40/1, ordner D47) nadat hem is gevraagd of hij weet of [handelaar 12] deel uitmaakt van een criminele organisatie en indien ja, welke criminele organi-sa-tie:

Het openbaar ministerie licht de verklaring als volgt toe:

"([getuige 15] is als verdachte aangehouden in Frankrijk in het bezit van enige kilo’s cocaïne en door de politie gehoord in Frankrijk.)"

De verklaring houdt het volgende in:

“Gezien mijn activiteiten, ken ik veel zaken. Het is zeker waar dat Butters en [handelaar 12] betrokken zijn bij de internatio-nale handel in cocaïne. Ik antwoord dus met ja. Maar ik heb Butters of [handelaar 12] nog nooit in het bezit gezien van een gram cocaïne. Zij die aan het hoofd staan van zoiets raken over het algemeen nooit de drugs aan. Maar in Suriname wordt over het algemeen gezegd dat [handelaar 12] deel uitmaakt van een belangrijke groep welke in cocaïne handelt.”

(opmerking verbalisant: de naam [verdachte] is door de aanwe-zige tolk in de Franse taal kennelijk met Butters aange-duid)

22.2.11. Een proces-verbaal inhoudende de op 8 maart 2000 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 15] (punt 41):

“nu u mij dit voorleest merk ik op dat u het niet geheel juist heeft geformuleerd. Voor mij is het een feit. Ik heb zelf gesproken met mensen die in cocaïnelaboratoria hebben gewerkt en die bij cocaïnetransporten betrokken waren. Ik overhandig u een Panorama van juli 1990, ik heb met die mensen gesproken, zij hebben mij nog meer verteld dan ik heb gepubliceerd. Ik heb mijn bronnen gecontroleerd. De bronnen van mijn informatie zal ik nooit prijsgeven. (...)”

22.2.12. Volgens het hof is onduidelijk in hoeverre deze verklaring betrekking heeft op de tenlastegelegde periode. Het betreft hier voorts een verklaring van horen zeggen, waarbij de bron anoniem blijft. Een dergelijke verklaring is volgens het hof niet zonder meer voor het bewijs bruikbaar. In de verklaring wordt niet gesproken over de invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland.

22.2.13. Een proces-verbaal inhoudende de op 19 december 1996 afgelegde verklaring van [getuige 17] (0/G78/1, ordner D48):

Het openbaar ministerie geeft de volgende toelichting bij de verklaring:

"([getuige 17] is een amerikaan. Begin jaren 90 heeft hij het plan opgevat om een fakehandel in goudconsessies op te zetten. Daarvoor had hij de medewerking nodig van een land. Hij is in contact gekomen met Suriname en met de Surinaamse leiding, met name in de persoon van [verdachte].

Met medewerking van de Surinaamse overheid heeft [getuige 17] vervol-gens zijn oplichtings-praktijken mogen uitoefenen en heeft hij een gedeelte van zijn opbre-n-gst aan [verdachte] moeten afgeven.

Het belang van zijn verklaring is enerzijds de poging van [verdachte] om hem over te halen in de cocaïnehandel mee te werken. Anderzijds is zijn verklaring van belang omdat het aan geeft wie op dat moment (1991-1992) de baas in Suriname was. Tevens is zijn verklaring van belang vanwege zijn eigen wetenschap dat er in Suriname cocaïne laboratoria van [verdachte] waren en is zijn verklaring van belang omdat het blijkbaar niet uit maakt wat er crimineel gedaan wordt, dezelf-de structuren blij-ven bestaan, met name aan de top.

Tot slot is zijn verklaring van belang omdat hij een per-soon is die niet afkomstig is uit de Nederlandse of de Surinaamse wereld en daarmee dus geen enkele historische of politieke band heeft. Hij vertelt zakelijk wat daar aan criminele activi-teiten plaatsvindt.)

De verklaring houdt onder meer in:

“[verdachte] zei tegen mij dat hij op zoek was naar iemand die toegang kon krijgen in meerdere Europese markten en dat ik heel veel geld kon verdie-nen door zijn verte-genwoordiger te zijn.”

en

“In wezen probeerde [verdachte] mij “lekker” te maken met de cocaïnehan-del, met de vermoede hoeveelheid aanzienlijke winsten en hoe goed het beheerd werd binnen zijn eigen land.”

en

“Tijdens dat diner, wees [verdachte] naar mij terwijl hij tegen de Chinese ambassa-deur zei dat ik stom was door mij niet in hun cocaïne-onderne-mingen te betrekken, vanwege de grote hoeveelheid geld die ze verdienen.”

Op 25 juni 1997 verklaart getuige [getuige 17] in aanvulling op zijn op 19 december 1996 afgeleg-de verklaring, nadat hem is gevraagd wat voor bijzonderheden [verdachte] heeft verteld omtrent zijn cocaïneplantages, onder meer (ordner D48):

“[verdachte] heeft wel verteld dat hij meerdere cocaïneplan-tages had. Op een gegeven ben ik met [verdachte] per helikop-ter weg gegaan. Wij gingen allereerst naar de goudvelden, daarna vlogen we naar een cocaïne laborato-riu Ik heb daar vaten met chemicaliën gezien. Dat het chemicaliën waren vermoedde ik, vanwege de stank. [Verdachte] zei daar, “waarom zoveel moeite doen voor een half miljoen, als hier het fortuin ligt.”

en

“U heeft mij een groot aantal foto’s getoond van personen, welke vermoe-delijk voorkomen in Uw onderzoek.

Ik herken hiervan de navolgende personen, te weten:

[handelaar 12] , [betrokkene 22], [mededader 8], Defares, Gijersingh, Ghobar-dan, [betrokkene 3], Hilden-berg, [medeverdachte 1], [betrokkene 14], [betrokkene 23] en [betrokkene 24].

Met vrijwel alle personen die ik herkend heb, heb ik ge-sproken tijdens sociale bijeenkomsten. Zij spraken dan vrijelijk over de handel in verdoven-de middelen en deden zich dan ook voor daarbij betrokken te zijn.”

Deze verklaring heeft de getuige, zo stelt het openbaar ministerie, herhaald ter terechtzitting van het Hof op 10 april 2000. Ook de verklaring van deze getuige is volgens het openbaar ministerie recht overeind gebleven.

22.2.14. [Getuige 17] beschrijft volgens het hof slechts dat de verdachte hem heeft verteld dat hij meerdere cocaïneplan-tages had en dat hij met de verdachte een cocaïnelaborato-rium heeft gezien. Hij heeft voorts aan de hand van foto's personen herkend die vrijelijk over de handel in verdoven-de middelen hebben gesproken en zich dan ook voordeden daarbij betrokken te zijn. Op geen enkele wijze blijkt evenwel dat het in deze verklaring gaat om cocaïne die naar Nederland zou worden getransporteerd. De verklaring van [getuige 17] doelt op betrokkenheid van de verdachte bij cocaïnehandel maar niet op de cocaïnehandel zoals beschreven in het in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit in de tenlastegelegde periode (1 januari 1989 - augustus 1992).

22.2.15. Een proces-verbaal inhoudende de tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 12] (0/G/4.1, ordner D47):

“In de maand november 1990 verbleef ik in Paramaribo (Suri-name). Mijn toenmali-ge vriend genaamd [vriend van getuige 12], toen wonende in de gemeente Arnhem te Ne-der-land en eigenaar van een bar genaamd Dubbel R in Rot-terdam, vertelde mij in die tijd dat er iets groots in de richting van Neder-land moest gaan. Omdat [vriend van getuige 12] deel uitmaakte van de cocaïnewereld in Paramaribo begreep ik uit zijn woorden dat er een groot cocaïnetransport naar Nederland zou worden verzon-den. Een vriend van [vriend van getuige 12] is een man genaamd [betrokkene 10], Ricky, onge-veer 32 jaar oud. Ricky is een brildragende grote dikke Surinaamse man. Hij is werkzaam bij de Surinaam-se douane.”

en

“Ik zag dat er 2 of 3 auto’s in de garage ston-den, grijskleu-rige terreinwagen

met een laadruimte die mid-dels een scha-rnie-rende kap. Henk opende de achterzijde van de kap en verwij-derde vervolgens een ge-deel-te van het dekzeil, welk een lading in de laadruimte verborg. Ik zag daar een hele-boel pakketjes in de laadruimte lagen. Ik rook direct dat het hier vermoedelijk cocaïne betrof. Het had duidelijk de typische geur van cocaïne. Ik zag dat de pak-ketjes met geel tape waren omwikkeld.

Ik denk dat het hier pakketjes betrof van ongeveer 1 kilo per stuk.

Ik moet u wel vertellen dat ik niet een pakje heb gewogen.

Henk begon vervolgens te bluffen. Henk vertelde [vriend van getuige 12] dat de 400 kilo cocaïne niet de hele partij was, maar dat deze deel uitmaakte van een partij van 1000 of 2000 kilo, dat weet ik niet meer”.

Henk vertelde dat de partij eigenlijk eigendom was van de groo-tste en machtigste man in Suriname. Uit dit gesprek begreep ik dat het hier om [verdachte] moest gaan.

Deze naam is echter nooit genoemd. Uit alle daarop volgen-de ge-sprekken moest ik echter wel opmaken dat het hier om [verdachte] ging. Het gebeurde echter wel dat in de auto, [vriend van getuige 12] regelmatig tegen mij vertel-de dat [verdachte] de grootste aandeelhouder van de partij was.”

en

“Ik weet de details niet over deze zaak. Ik weet alleen dat deel-nemers dan wel investeer-ders in de partij waren: [handelaar 12], [investeerder], een Bosland creoolse man, een blanke man en naar ik begrijp de ex-bevelhebber [verdachte].”

22.2.16. Dit bewijsmiddel is reeds in rechtsoverwegingen 20.3.10 - 20.3.13. door het hof besproken.

22.2.17. Een proces-verbaal inhoudende de op 2 september 1993 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 9] (O/G/68/1, ordner D48):

“In de maand februari 1991, het was ieder geval kort voor de verjaardag van op 7 maart, zijn [mededader 5] en Lambert [getuige 8] naar Suriname vertrok-ken.”

en

“ [mededader 5] vertelde dat hij drie dagen besprekingen had gevoerd met de militai-ren, onder andere met [betrokkene 12], over het afnemen van cocaï-ne. Namen van andere mili-tairen kan ik mij niet herinneren. [mededader 5] heeft mij echter in dat verband nooit de naam van [verdachte] ge-noemd. [mededader 5] vertelde mij dat de militairen afwilden van de kleine jongens, die maar hoeveelheden van 100 kilo cocaïne afnamen, en wilden alleen met de grote jongens zoals [mededader 5], zaken doen.”

en

“Ik hoorde van [mededader 5] dat hij de militairen geldelijk steunde door autobussen naar Suriname te sturen, die ge-bruikt werden tijdens de verkie-zingen en ook dat hij de militairen vreemde valuta, alsmede financiële steun tijdens de verkiezingen had toegezegd.”

en

“Met betrekking tot de investeringen in Suriname vertelde [mededader 5] mij dat hij voor een vrouw, genaamd Joyce, de ex-vrouw van [verdachte], een boetiek had gekocht om [verdachte] goed te stemmen.”

22.2.18. Ook deze verklaring is eerder door het hof besproken. Zie de rechtsoverwegingen 20.3.1. - 20.3.4. en 21.5.7. - 21.5.8. Het hof merkt op dat de [getuige 9] verklaart dat [mededader 5] in verband met het afnemen van cocaïne de naam van de verdachte nooit heeft genoemd.

22.2.19. Een proces-verbaal inhoudende de tekst van de in-gesproken cassettebandjes welke bij Allakondre Oomh BV op het adres [adres] 12B te Rotterdam zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen (0/AH/108, ordner D02 en 0/D/460, ordner D09)

"(Band 1, kant A, tellerstand 223-235)

[medeverdachte 2]: Albert ik ga je zeggen waarom ik het heb gedaan. Ik ben goed met iedereen in Suriname. Ik weet dat we macht hebben daar. Ik heb in het land contacten met zowel de politie en de militairen........Ik stuur het voor Bout ..... Ik stuur het voor die .... kijk dit is mijn register."

Het openbaar ministerie heeft dienaangaande opgemerkt:

"Dit bandje is ter terechtzitting en in het dossier een aantal malen vertaald. Geen van die vertalingen heeft de versie opgeleverd zoals [medeverdachte 2] die aan uw Hof heeft overgelegd. Ter terechtzitting heeft uw Hof door eigen waarneming kunnen horen dat [medeverdachte 2] spreekt over Bout en niet over “about”. Er is een duidelijk verschil in klemtoon te horen. Deze waarneming is bevestigd in een aantal vertalingen van de tolken.1 Met betrekking tot het onderdeel wie nu de macht heeft, wordt ook door geen van de tolken de versie van [medeverdachte 2] onderschreven. Zelfs de door [medeverdachte 2] overgelegde vertaling van de deskundige bevestigt de vertaling van [medeverdachte 2] niet. Alleen een brief van een advocaat, die telefonisch de bewuste zin voorgelezen heeft gekregen door mr. Gorris, die ter zitting heeft aangegeven de Surinaamse taal niet te beheersen, bevestigt de vertaling van [medeverdachte 2]. Opmerkelijk is echter dat de zin die deze advocaat heeft verstaan en opgeschreven weer afwijkt van de wijze waarop de bewuste zin door [medeverdachte 2] in zijn overgelegde vertaling werd opgeschreven. Onduidelijk blijft derhalve of dit verschil tussen wat [medeverdachte 2] heeft opgeschreven en wat de advocaat heeft verstaan, redengevend kan zijn voor de overeenstemming in de vertaling."

22.2.20 Dit bandje is volgens het hof door de verschillende tolken voor wat betreft het woord "Bout" niet eenduidig vertaald. Het hof acht niet zonder meer aannemelijk dat door [medeverdachte 2] met het woord "Bout" ook "[verdachte]" wordt bedoeld, nu uit geen enkel ander wettig bewijsmiddel van een relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] blijkt. Voorzover al zou moeten worden aangenomen dat de medeverdachte in 1993 iets voor “Bout” stuurde en met “Bout” alleen [verdachte] bedoeld zou kunnen zijn, is in het geheel niet duidelijk wat de medeverdachte in 1993 - en derhalve niet in de tenlastegelegde periode - gestuurd dan wel gedaan zou hebben.

22.2.21. Een proces-verbaal van de op 20 oktober 1998 tegenover de politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] (0/V1/4, ordner D49):

"Over [medeverdachte 1], [betrokkene 25], [mededader 0], Pershad en [investeerder] kan ik het volgen-de verklaren.

Zolang ik uit Suriname geen bericht ontvang dat het geld naar mij is over-gemaakt kan ik de persoon in kwestie hier niet uitbetalen. [Medeverdachte 1] wachtte bijvoorbeeld een aantal uren in mijn kantoor op een bevesti-ging zodat hij daarna kon worden uitbetaald. Het is logisch dat hij herkend wordt als bezoeker aan mijn kantoor door het personeel.

Dat geldt ook voor [betrokkene 25] maar hij kwam ook geld brengen. Hij was geld-koerier voor [medeverdachte 1].

[mededader 0] is een of twee keer geweest. Hij heeft geld gebracht, hij vertelde mij dat dat was voor de aankoop van 15 tot 20 auto’s voor het taxibedrijf van zijn vader in Suriname.

[medeverdachte 1] heeft een rekening-courant bij mij.

Hij had geen bankrekening lopen waarop ik gemachtigd was.

Als hij een tegoed had gaf hij meestal opdrachten om bedragen over te maken of uit te betalen.

Het tegoed van [medeverdachte 1] kwam mede tot stand doordat [betrokkene 25] het geld in contanten bij mij bracht, een enkele keer kwam iemand anders, waaron-der [betrokkene 26].

Alles bijeen is het een bedrag geweest van miljoenen."

Het openbaar ministerie heeft de verklaring als volgt toegelicht:

"Wij weten dat bijvoorbeeld [medeverdachte 1] zelf ook bankrekeningen in Nederland had. Dat [medeverdachte 1] ook geld via [medeverdachte 2] liet lopen valt te verklaren uit het feit, hetgeen inmiddels ook bekend is uit andere drugsonderzoeken, dat hij de legale geldstromen kennelijk strikt wilde scheiden van zijn illegale (drugs)geldstromen. Opvallend is dat ook [medeverdachte 2] kennelijk zijn eigen rekeningen niet wil gebruiken om deze gelden te versturen."

22.2.22. Volgens het hof voegt deze verklaring voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit niets toe.

22.2.23. Een proces-verbaal van de op 8 januari 1992 ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank afgelegde verklaring van P. Pershad (O/AH/223, blz. 5 ordner D03):

“In Suriname heb ik voor deze zaak tien dagen vastgezeten. Het hoofd van de Narcoticabrigade in Suriname heeft mij toen gezegd dat hij wist wie de hoofddader was. Toen ik hem vroeg waarom hij die persoon dan niet aanhield zei hij: “ik ben niet gek”. Die persoon, een hoge militair in Suriname zou hem dan meteen neerschieten.Ik heb tot nu toe gezwegen omdat ik bang ben voor represailles. Ik en mijn familie wonen in Suriname."

22.2.24. Deze verklaring is eerder door het hof besproken. Zie rechtsoverwegingen 18.3.7. - 18.3.8.

22.2.25. Een proces-verbaal inhoudende de op 19 maart 1992 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van P. Pershad (O/AH/225, blz. 4 ordner D03):

“Na de laatste zitting heeft in, voorzover ik weet, 8 Nederlandse kranten gestaan dat ik v. deze zaak de naam van militairen genoemd zou hebben. Naar aanleiding daarvan zijn mijn moeder en mijn zusje telefonisch in Suriname bedreigd.”

22.2.26 Van deze verklaring kan volgens het hof niet zonder meer worden gezegd dat deze in de richting van de verdachte wijst.

22.2.27. Het proces-verbaal van de tegenover de rechter-commissaris op 25 mei 1998 afgelegde verklaring van de bedreigde getuige NN IV (ordner GVO III) voor zover inhoudende (punten 11 en 18):

“In mijn eerder verklaring bij de rechter-commissaris heb ik verklaard over een beroving van [betrokkene 13]. Hij is beroofd van een pakketje.

[verdachte] was op de hoogte van die beroving en was daar boos over. Zijn vertrouwen in [betrokkene 13] had daardoor een deuk opgelopen. De daders van die beroving en de tipgever zijn later vermoord.

“Naar aanleiding van vraag 13 (omtrent mijn redenen van wetenschap van het doodschieten van personen) verklaar ik dat mij door een leidinggevende is gezegd dat bedoelde personen zijn doodgeschoten. Ik heb die mededeling serieus genomen en als waarschuwing opgevat.”

22.2.28 Deze verklaring is volgens het hof in geen enkel opzicht redengevend te achten voor het bewijs van het in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit.

22.2.29 Door het openbaar ministerie is in zijn requisitoir nog ondersteunend bewijs met betrekking tot de organisatie vermeld, te weten het onderzoeks- en strafdossier in de zaak [mededader 8]/[betrokkene 27] versus het Amerikaanse Openbaar Ministerie (O/AH/197, ordner D02), de op 28 september tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 20] (O/G5/1, ordner D47), de op 2 juni 1994 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 21] (O/G6, ordner D47), de op 20 april 1994 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 2] (O/G71/1, ordner D48), de op 27 april 1998 en 2 mei 1998 afgelegde verklaringen van [getuige 16](O/G81/1 en O/G81/2, ordner D48), de op 28 mei 1998 afgelegde verklaring van de getuige NN V, de op 18 maart 1998 tegenover de politie (O/G84/2, ordner D48) en op 8 juli 1998 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [getuige 6] (O/G84, ordner D48), en tenslotte de in zijn eigen zaak afgelegde verklaring van [vriend van getuige 12] (O/G2/1, ordner D47).

Al deze verklaringen hebben evenwel geen betrekking op de tenlastegelegde periode (1 januari 1989 - augustus 1992) en kunnen derhalve het bewijs van het in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit niet zelfstandig dragen.

22.3. Het hof zal vervolgens de door de rechtbank ten aanzien van de organisatie gebezigde bewijsmiddelen bespreken. De door de rechtbank tot bewijs gebezigde verklaring van de getuige NN III laat het hof, om redenen als hiervoor uiteengezet, buiten beschouwing.

22.3.1. Een proces-verbaal van tegenover de rechter-commissaris bij de arrondis-sementsrechtbank te Bobigny op 23 juni 1994 afgelegde verkla-ring van [getuige 15] (0/G/40, bijlage 7, ordner D47):

"Het was in 1985 toen het fenomeen werd geboren om cocaïne te transporteren vanuit Suriname, dit was met de komst van de militaire macht. Het was het begin van de handel in cocaïne door militairen."

22.3.2. Dit bewijsmiddel is door het hof reeds besproken in rechtsoverweging 21.5.1.

22.3.3. Een proces-verbaal inhoudende de op 14 oktober 1998 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] (ordner GVO II):

"Ik ben van 1984 tot 1993 in Suriname in de directe omgeving van [verdachte], de voormalige legerleider van Suriname, geweest in verband met mijn werk; ik was lid van zijn elitekorps.

Dat de heer [verdachte] zich met cocaïne bezighield wist ik omdat ik bij de gesprekken ben geweest die hij daarover met anderen heeft gevoerd.

Die man [[verdachte]] is vierentwintig uur per dag met cocaïne bezig."

22.3.4. Uit deze verklaring van [getuige 1] blijkt volgens het hof niet zonder meer dat de gesprekken waarover hij verklaart ook in de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden. Ook blijkt uit diens verklaring niet dat het hier gaat om cocaïne die bestemd was om (naar Nederland) uit te voeren. De verklaring dat de verdachte vierentwintig uur met cocaïne bezig zou zijn is volgens het hof een voor het bewijs niet bruikbare conclusie.

22.3.5. Een proces-verbaal inhoudende de op 27 oktober tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] (ordner D48, 0/G52/1, blz. 2-9):

"In de periode 1982/1993 heb ik veel persoonlijke kontak-ten gehad met [verdachte] en met mensen waarmee hij zaken deed.

De werkwijze van [verdachte] is namelijk zo dat niet één persoon verantwoor-delijk is voor een cocaïnetrans-port. Als er een cocaïne transport plaatsvindt hebben daar vele mensen bemoeienissen mee en draagt ieder zijn eigen verantwoordelijkheid. geeft mensen ver-schil-lende taken waaronder het leggen van kontakten voor het verkrijgen van de cocaïne, het vervoer, de financiering, het houden van toezicht, het beschermen van diverse personen, het verstoppen van de cocaïne in goederen, het verschepen daarvan, het vervoer naar het buitenland waaronder Nederland, de eindbestemming, de distributie van de cocaïne in het land van bestemming enzovoort.

Deze verschillende mensen maken deel uit van de criminele organisatie van [verdachte] en weten vaak niet eens van elkaars bestaan af. Ik weet dat [verdachte] een eigen organisatie heeft voor wat betreft de smokkel van cocaïne naar het buitenland omdat hij mij dit zelf heeft gezegd. Een uitspraak die hij tegen mij deed is dat hij het land alleen maar groot kon maken door cocaïnesmokkel omdat daarmee op een makkelijke en korte manier harde valuta te verdienen is."

22.3.6. Het hof verwijst naar hetgeen in rechtsoverweging 22.2.3. is overwogen. Onduidelijk blijft waaraan [getuige 1], gelet op zijn functie, de wetenschap ontleent dat "deze verschillende mensen deel uit maken van de criminele organisatie van [verdachte] en vaak niet eens van elkaars bestaan af weten". Onduidelijk is wanneer de verdachte tegen [getuige 1] heeft gezegd "dat [verdachte] een eigen organisatie heeft voor wat betreft de smokkel van cocaïne naar het buitenland en dat hij het land alleen maar groot kon maken door cocaïnesmokkel omdat daarmee op een makkelijke en korte manier harde valuta te verdienen is".

22.3.7. Een pro-ces-verbaal van de op 25 juni 1997 tegenover de politie afgelegde verklaring van getuige 17 (0/G78/1, blz. 3-5, ordner D48):

"Op 13 april 1991 ben ik, samen met een kennis, voor de eerste keer afge-reisd naar Suriname.

[verdachte] heeft wel verteld dat hij meerdere cocaïneplan-tages had. Op een gegeven ben ik met [verdachte] per heli-kop-ter weg gegaan. Daarna vlo-gen we naar een cocaïnelabo-ra-toriu Ik heb daar vaten met chemicaliën gezien. Dat het chemicaliën waren vermoedde ik, vanwege de stank. [Verdachte] zei daar:"Waarom zoveel moeite doen voor een half mil-joen, als hier het fortuin ligt."

Ik ben in totaal ongeveer vier à vijf keer in Suri-name ge-weest, tijdens de bezoeken aan Suriname ont-moette ik [verdachte] telkens opnieuw.

U heeft mij een groot aantal foto's getoond van personen, welke vermoedelijk voorkomen in uw onderzoek. Ik herken daarvan herkenning 1, [medeverdachte 1], herkenning 2 (en a-nde-r-e-n). Met vrijwel alle personen die ik herkend heb, heb ik ge-spro-ken. Zij spra-ken dan vrijelijk over de handel in verdo-vende middelen en deden zich dan ook voor daarbij betrok-ken te zijn."

22.3.8. Het hof heeft die verklaring reeds in de rechtsoverwegingen 22.2.13 - 22.2.14 besproken.

22.3.9. Een op 19 december 1996 tegenover Beiner, Special Agent FBI afge-leg-de verklaring van [getuige 17] (0/G78/1 bijlage 2 blz. VII, ordner D48):

"Ofschoon [verdachte] tegen mij zei dat hij al plaatsen had, waar hij cocaïne leverde, wilde hij zijn handel uitbrei-den, voorna-melijk in Europa. [Verdachte] vertel-de mij dat Neder-land een van de plaatsen was, alwaar hij lever-de.

[Verdachte] vertelde mij bij verschillende gelegenheden, dat hij via Nederland smokkelde en maakte gebruik van een Nederlandse vlucht, die speciaal van Paramaribo naar het vliegveld Schip-hol in Amster-dam vloog."

22.3.10. De verklaring is volgens het hof niet gedetailleerd waar het de periode betreft waarin de verdachte aan Nederland cocaïne zou leveren. Voor het overige is deze verklaring zo weinig concreet dat zij slechts geschikt is om als steunbewijs te worden gebruikt.

22.3.11. Een proces-verbaal inhoudende de op 27 oktober 1994 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] (0/G52/-1, blz. 3-9, ordner D48):

"Februari 1989 kreeg ik persoonlijk van [verdachte] de op-dracht om als persoonlijk lijfwacht op te treden van [betrokkene 13] die een persoonlijk gesprek zou hebben in Fort Zeelandia met [betrokkene 14]. [Verdachte] zei mij toen dat [betrokkene 13] en [betrokkene 14] een cocaïne transak-tie te be-spreken hadden.

Ik hoorde hen praten over een partij van 1000 ki-lo cocaï-ne die in een partij rijst verstopt moest wor-den en verscheept diende te worden naar Neder-land.

In 1990 ben ik aanwezig geweest bij een gesprek van [medeverdachte 1] en een andere man met [verdachte]. Dat gesprek ging over de handel in verdovende middelen, met name cocaïne. [Medeverdachte 1] wilde van [verdachte] een partij van vijfentwintighonderd kilo kopen. Ik hoorde [verdachte] tegen [medeverdachte 1] zeggen dat hij die partij kon leveren en wel wilde verkopen. Ik heb [verdachte] en [medeverdachte 1] horen praten dat de cocaïne in holle boomstammen gedaan moest worden en dat deze boomstammen met een schip vervoerd zouden worden naar Neder-land.

Ik heb [verdachte] tegen [medeverdachte 1] horen zeggen dat hij er voor zou zorgen dat de vijfentwintighonderd kilo cocaïne opgehaald zou worden en in de boomstammen zou worden gedaan.

Ik kreeg diezelfde dag persoonlijk van [verdachte] de op-dracht om kontakt te zoeken bij de douane in Paramaribo met ene [handelaar 8]. Ik heb [handelaar 8] namens [verdachte] gezegd dat hij kontakt moest opnemen met [verdachte].

In 1992 kwam [bedrijfsleider 1] bij [verdachte] thuis te Paramaribo. Ik hoorde hen praten over een partij van vijftienhonderd kilo cocaïne die zij wilden uitvoeren en die bestemd was voor Nederland. De cocaïne zou bij het bedrijf van [bedrijfsleider 1] verstopt worden in ingevro-ren pom-tayre.

In 1992 kreeg ik persoonlijk van [verdachte] opdracht te gaan naar Abina om te controleren of een vrachtau-to van [bedrijfsleider 1] de veerboot op ging naar Cayenne.

Ik sprak [bedrijfsleider 1] s, net als ik lid van het elite-korps van [verdachte], en hij vertel-de dat hij op-dracht van [verdachte] had gekregen een vrachtauto met vijf-tienhon-derd kilo cocaï-ne uit het bin-nenland van Suriname op te halen en naar het bedrijf van [bedrijfsleider 1] te bren-gen, waar de cocaï-ne verstopt zou worden tussen pom-tayre.

De vrachtauto met de lading moest dan met de veerboot mee waarna volgens s de cocaïne via Cayenne verder getransporteerd zou worden. De lading was volgens s bestemd voor Nederland.

Toen ik in Abina was zag ik dat s een vrachtauto van het bedrijf [bedrijfsleider 1] de veerboot opreed."

22.3.12. [Getuige 1] hoorde de verdachte praten "over een partij van 1000 ki-lo cocaï-ne die in een partij rijst verstopt moest wor-den en verscheept diende te worden naar Neder-land". Voor het bewijs van een strafbare voorbereidingshandeling is volgens het hof deze verklaring niet redengevend te achten.

[getuige 1] spreekt verder over een gesprek tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. Ter terechtzitting van het hof van 16 mei 2000 heeft [getuige 1] uit de vele hem voorgehouden foto's [medeverdachte 1] niet herkend. Ook toen hem een foto uit het paspoort van [medeverdachte 1] werd voorgehouden, heeft hij hem niet herkend. Ook hier verklaart [getuige 1] slechts over een gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1], waarin de verdachte zou hebben verklaard dat hij ervoor zou zorgen dat 2500 kilo cocaïne zou worden opgehaald en in boomstammen zou worden gedaan. Voor het bewijs van een strafbare voorbereidingshandeling is ook deze verklaring naar 's hofs oordeel niet redengevend te achten. Dat de opdracht van de verdachte aan [getuige 1] om contact te zoeken met de douane in Paramaribo verband houdt met het transport van genoemde 2500 kilogram cocaïne kan uit de verklaring van [getuige 1] alleen niet zonder meer worden afgeleid.

[getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij van 1984 tot 1993 in de directe omgeving van de verdachte is geweest. Zijn verklaring omtrent een transport van 1500 kilogram cocaïne verstopt in ingevroren pomtayre zou volgens [getuige 1] hebben plaatsgevonden in 1992. Niet uit te sluiten valt dat dit transport buiten de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden.

22.3.13. Een proces-verbaal inhoudende de op 27 oktober 1994 tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] (0/G52/2, blz. 2-4, ordner D 48):

"[mededader 0] deed in de jaren tachtig en begin jaren ne-gentig veel zaken op het gebied van verdovende mid-delen met [verdachte]. Ik vermoed dat er per jaar en dat gedurende ongeveer twaalf jaar, zo'n vijf cocaïne-transporten plaat-svonden waar-bij [verdachte] per-soonlijk met [mededader 0] betrokken was. Ik ben in ieder geval zo'n vijf keer betrokken geweest bij gesprekken tussen hen die over de handel in cocaïne gin-gen.

Ik heb zowel [verdachte] als [mededader 0] tijdens hun ge-sprekken horen praten dat de cocaïne door [mededader 0] in Nederland in ontvangst zou worden genomen en dat [mededader 0] voor distribu-tie zou zorg dragen. Het ver-schepen van de cocaïne deden andere mensen in op-dracht van [verdachte]."

22.3.14. De betekenis van de verklaring van [getuige 1] is dat hij vijf keer in een periode van ongeveer twaalf jaar betrokken - naar het hof gelet op zijn functie begrijpt aanwezig - is geweest bij gesprekken tussen de verdachte en [mededader 0] over cocaïnetransporten naar Nederland. De periode die [getuige 1] beschrijft is evenwel heel ruim en valt voor een groot deel buiten de tenlastegelegde periode. Over de door hem bedoelde cocaïnetransporten geeft [getuige 1] geen specifieke informatie.

22.3.15. Een proces-verbaal inhoudende de op 25 mei 1998 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de be-dreigde getuige (NN IV, ordner GVO III) (punten 4, 5, 6, 7, 8 en 34):

"Ik heb eerder bij de rechter-commissaris verklaard over een transport van dozen vanuit de munitiebunker Zorg en Hoop naar de woning van [verdachte] in [geboorteplaats]. Ik meen dat dat trans-port in 1988 plaats vond en dat het om ongeveer 50 dozen ging.

In de woning van [verdachte] heb ik gezien [ondergeschikte 1 van verdachte], een commandant van het leger, [ondergeschikte 2 van verdachte ], ook een comman-dant van het leger, en [ondergeschikte 3 van verdachte], een commandant van de mari-ne. [Verdachte] was er ook; die was later gekomen. Op ver-zoek van [verdachte] is er een doos open gemaakt. Er zaten pakketjes in. Men sprak over 'soekroe', dat is het Suri-naamse woord voor suiker. Voor mij was het wel duidelijk dat het niet om suiker ging. Ik trok die conclusie uit het feit dat suiker niet zo ingewikkeld verpakt wordt. Volgens mij zat er cocaïne in die pakketjes.

Ik heb eerder bij de rechter-commissaris verklaard over een reis die ik heb gemaakt op een vissersboot van betrokkene 5. Ik weet niet meer wanneer ik dat voor de eerste keer deed. De boot vertrok uit Paramaribo. Ik ging voor de beveili-ging mee. Bij Alliance ben ik van boord gegaan waarna de boot verder naar zee is gevaren. Enige tijd later werd ik met diezelfde boot weer opgehaald. Ik zag toen aan boord kartonnen dozen die niet aan boord waren toen ik naar Alliance werd gebracht. Die dozen zijn gebracht naar de woning van [verdachte] in [geboorteplaats]. De dozen zijn opgeslagen in de kelder van die woning. Daar zag ik meer van dergelijke dozen staan. Ik zou nu niet meer weten hoeveel er al stonden toen de nieuwe dozen werden ge-bracht.

Van die nieuwe lading zijn een paar dozen open gemaakt en ik zag dat daar kleine pakketjes in zaten, die er het-zelfde uit zagen als de kleine pakketjes omwikkeld met bruin papier, die ik al bij andere gelegenheden had gezien en waar ik ook over heb verklaard.

Volgens mij zat er cocaïne in de dozen die door de vis-sersboot van betrokkene 5 werden vervoerd. Ik had namelijk al eerder gehoord van anderen dat de legerleiding in cocaïne handelde. De wijze waarop de pakketjes waren verpakt en de manier waarop de transporten plaats vonden bevestigden dat idee. Bovendien had ik gezien dat betrokkene 5 op de heenreis een attachékoffer bij zich had, terwijl hij die op de terugreis niet meer bij zich had. Ik ging ervan uit dat die koffer verhandeld is.

Op de terugreis naar de woning van [verdachte] hoorde ik van de mensen aan boord dat de dozen op zee waren overgeladen van een Braziliaans vissersboot in de boot van betrokkene 5.

Volgens mij heb ik drie of vier keer aan dergelijke transporten deel genomen.

Ik kan mij niet herinneren in welke periode dat was. Als ik in mijn eerdere verklaring bij de rechter-commissaris heb verklaard dat dat in de periode 1990 tot 1992 was, dan kan dat kloppen.

Eerdergenoemde betrokkene 5 schepte op over wat hij deed. Hij zei dat hij een maffiabaas was en hij noemde zich de rechterhand van [verdachte] in Nederland. Hij sprak regelma-tig over cocaïne.

Ik heb de naam van betrokkene 15 in mijn verklaring genoemd. Hij was er vaak bij als er dozen met pakketjes werden vervoerd. Toen het transport vanuit de munitiebunker Zorg en Hoop gebracht werd naar de woning van [verdachte] in [geboorteplaats], was hij er bij."

22.3.16. Het door de bedreigde getuige genoemde transport vanuit de munitiebunker Zorg en Hoop in 1988 moet voor wat de bewijsvoering betreft reeds buiten beschouwing blijven, omdat dit transport buiten de tenlastegelegde periode valt. Naar welk land de cocaïne is uitgevoerd, blijft in het ongewisse. Dat dit Nederland zou zijn, kan volgens het hof niet zonder meer worden afgeleid uit de verklaring van betrokkene 5 dat hij in Nederland de rechterhand van de verdachte is.

22.3.17. Een pro-ces-verbaal inhoudende de tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 2] (0/G71/1, blz. 1-4, ordner D48):

"Van 1982 tot en met 1988 ben ik persoonlijke lijf-wacht geweest van de toenmalige legerleider van Suriname, genaamd Delano [verdachte].

Ongeveer een week geleden (februari/april 1994) heb ik in de gevangenis bezoek gekregen van een man wiens naam ik nog niet wens te noemen. Ik vroeg aan deze man of hij nog voor zijn baas werkte. Thans is hij een van de per-soon-lijke lijfwachten van de huidige legerleider [A.G.]. De man antwoordde mij, dat hij inderdaad nog voor [A.G. ] werkte. Ik vroeg de man wat hij in Nederland kwam doen. Ik hoorde dat de man zei dat hij voor Gorre naar mannen moest zoeken die cocaïne van hem hadden afgenomen en die nog steeds niet betaald hadden. De man vroeg mij naar namen en de eventuele verblijfplaatsen van de wanbe-talers. In ieder geval sta ik er niet van te kijken dat [A.G. ] cocaïne naar Nederland exporteert. Hij deed dat al in de tijd dat ik nog in Suriname verbleef, al dan niet samen met of in opdracht van [verdachte]."

22.3.18. Op geen enkele wijze blijkt volgens het hof uit deze verklaring dat de geëxporteerde cocaïne betrekking heeft op de tenlastegelegde periode. Het betreft hier voorts een verklaring van horen zeggen van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Die verklaring is derhalve niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs.

22.4. De door de rechtbank onder het kopje "De dwang" gebezigde bewijsmiddelen laat het hof buiten beschouwing, omdat in de tenlastelegging aan de beoogde criminele organisatie niet wordt verweten dat die organisatie bij de invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland dwang heeft gebruikt. Het hof acht die bewijsmiddelen niet zonder meer redengevend.

22.5. Alles overziende komt het hof, anders dan het openbaar ministerie en de rechtbank, niet tot een bewezenverklaring van het in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit.

22.6. Naar het oordeel van het hof zijn de door de zaaksofficier van justitie mr. Van der Voort aangeduide verhalen omtrent de verdachte in de loop van het onderzoek uitgemond in bezwaren, hier en daar zelfs ernstige bezwaren, tegen de verdachte maar hebben die bezwaren niet het niveau van wettig bewijs voor de feiten zoals tenlastegelegd bereikt.

Een belangrijke factor bij de vorming van dit oordeel is voor het hof geweest het wegvallen van de verklaring van de getuige NN II Diens verklaring is met betrekking tot het bewijs van de opbouw, de structuur en de werkwijze van de in de tenlastelegging beoogde criminele organisatie voor de rechtbank, zo meent het hof uit haar vonnis te moeten afleiden, van essentiële betekenis geweest, terwijl ook het openbaar ministerie de voorgestelde bewijsconstructie in belangrijke mate op de verklaringen van de getuige NN III heeft doen steunen.

Enerzijds moet worden vastgesteld, dat het bekend worden van de identiteit van de getuige NN III voor de betrokkene ingrijpende gevolgen heeft gehad en in de toekomst ook nog zal hebben en ook vanuit het perspectief van de plicht van de overheid om bedreigde getuigen zo goed mogelijk te beschermen in sterke mate moet worden betreurd. Anderzijds kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de onthulling van de identiteit van de getuige NN III, en dientengevolge het beschikbaar komen van de door deze getuige bij de politie afgelegde verklaringen en diens daarop volgende verhoor op naam ten overstaan van de rechter-commissaris, ertoe heeft geleid dat het hof de verklaringen van de getuige NN III voor het bewijs beter heeft kunnen toetsen dan de rechtbank en uiteindelijk na die toetsing deze als onbruikbaar heeft bestempeld. Het hof heeft dit oordeel in het voorgaande met redenen omkleed.

22.7. Voor wat betreft de opbouw van de organisatie - het bestaan van die organisatie is kennelijk op voorhand al aangenomen - heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Zoals uit de hieronder volgende bewijsmiddelen blijkt is al vanaf midden jaren '80 een groep personen in Suriname bezig met de handel in cocaïne.

De personen die zorgen voor de daadwerkelijke uitvoer en verkoop in bijvoorbeeld Nederland hebben daarvoor een vergun-ning nodig van en moeten commissie betalen aan de 'harde kern' van de organisatie.

De 'harde kern' van de organisatie bestaat uit een aantal hoge militairen waaronder in ieder geval [verdachte] en [betrokkene 7]. Zij verstrekken de vergunningen, ontvangen de commissie en dragen zorg voor de beveiliging en controle.

Grote vergunninghouders zijn onder meer [medeverdachte 1] en [mededader 0].

Degenen die zorgen voor het binnen het grondgebied van Neder-land brengen zijn ook zelf georganiseerd als onderdeel van de grote organisatie.

Zij maken gebruik van een vaste rederij (Calypsonia Shipping) en van bij de handel betrokken beman-ning, van vaste geldkoe-riers en van een wisselkantoor in Nederland (Allakondré Oomh).

Via het wisselkantoor worden onder andere cheques gekocht op naam van bij de cocaïnehandel betrokken personen welke onder meer worden geïncasseerd in Belèm (Brazilië).

[medeverdachte 2] is in Nederland verantwoordelijk voor een deel van het geldverkeer van de organisatie en voor een deel van de aankoop van cheques bestemd voor Brazilië.

Hij maakt daarbij gebruik van en is gemachtigd voor de reke-ningen van [betrokkene 19], [betrokkene 6] en Tjen a Loo

Er zijn ook kleinere/incidentele vergunninghouders/uitvoer-ders. In de bewijsmiddelen bij de bewezenverklaarde transpor-ten komen onder meer voor Pershad, [betrokkene 10], [mededader 1], Steve Mac Donald, [mededader 5] en [getuige 14]."

22.8. Zeker nu de verklaring van de getuige NN III is weggevallen, heeft het hof voor deze, door de rechtbank beschreven, opbouw - en dus ook het bestaan - van de in de tenlastelegging beoogde criminele organisatie onvoldoende wettig bewijs kunnen vinden.

De verklaring van de getuige [getuige 1] omtrent de werkwijze van de verdachte kan, mede in aanmerking genomen de indruk die deze getuige ter terechtzitting van het hof van 16 mei 2000 heeft achtergelaten, dat wettige bewijs niet opleveren. Begrippen als grote en kleine vergunninghouders vinden geen enkele steun in andere bewijsmiddelen.

22.9. Zoals reeds aangegeven, is naar 's hofs oordeel onvoldoende wettig bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de in de dagvaarding onder 1 sub 1 tot en met 5 vermelde transporten voorhanden.

22.10. Van het bestaan van enige (financiële) relatie tussen de verdachte enerzijds en [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] anderzijds, waar het invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland in de tenlastegelegde periode (1 januari 1989 - augustus 1992) betreft, is niet gebleken.

22.11. Ook het wettige bewijs dat de beoogde criminele organisatie in de tenlastegelegde periode een groep personen betrof van wie, behalve de verdachte [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] deel zouden uitmaken, is derhalve niet geleverd.

22.12. Het wettige bewijs dat in de tenlastegelegde periode een andere criminele organisatie rondom de verdachte, bestaande uit andere personen dan de in de tenlastelegging genoemde personen van [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] actief is geweest, die zich bezighield met de invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland, een mogelijkheid die de bewoordingen van de tenlastelegging openlaten, al moet worden gezegd dat deze mogelijkheid nauwelijks valt in te passen in de wijze waarop het voorbereidend onderzoek in de zaken tegen [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is verricht, is naar 's hofs oordeel evenmin geleverd.

22.13. De invoer van andere cocaïnetransporten in Nederland in de tenlastegelegde periode dan die welke in de dagvaarding onder 1 tot en met 5 zijn tenlastegelegd is evenmin bewijsbaar.

22.14. Dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de uitvoer uit Suriname van cocaïne daarentegen is wèl aannemelijk te achten. Vele getuigenverklaringen maken immers melding van gesprekken van de verdachte over en bemoeienissen van de verdachte met internationale cocaïnehandel. Voor het bewijs evenwel dat het voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet betreft en deze hebben plaatsgevonden én in het kader van een bepaalde organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht én in de tenlastegelegde periode, te weten 1 januari 1989 tot augustus 1992, én bovendien betrekking hadden op de invoer in Nederland, bieden alleen de door de getuigen [getuige 17] en [getuige 1] afgelegde verklaringen enige, naar 's hofs oordeel echter onvoldoende, steun, nog daargelaten de vraag of de verklaringen van de getuige [getuige 17] uit het oogpunt van betrouwbaarheid gelet op zijn persoon en de wijze van totstandkoming van diens verklaringen boven elke twijfel verheven zijn.

22.15. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Ook indien de identiteit van de voorheen anonieme getuige NN III niet bekend zou zijn geworden, zou het wettig en overtuigend bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit naar 's hofs oordeel niet zijn geleverd, omdat het bewijs van het bestaan van de criminele organisatie rondom de verdachte in beslissende mate op deze verklaring zou hebben gesteund en het hof ook na het afleggen van zijn verklaring op 15 februari 2000 al kon vaststellen dat de wetenschap van die getuige grotendeels afkomstig was van zijn twee anonieme kennissen.

23. Vrijspraak

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 0975408797 is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

24. Bewezenverklaring

24.1. Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 0975403399 tenlastegelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.Commentaar: Na deze alinea dient de "uitgestreepte" telastelegging te worden ingevoegd waarna bouwsteen M20 wordt vervolgd bovenaan volgende pagina in het arrest.

24.2. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlasteg-elegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewe-zen. De verdachte moet daarvan worden vrij-gesproken.

24.3. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blij-kens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daar-door niet geschaad in de verdediging.

25. Bewijsvoering

25.1. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen-ver-klaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

25.2. Een als bijlage AH/1 (ordner O/D/1437) bij proces-verbaal nr. 898/1997 van politie Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal nr. 807/1997 . 9 september 1997, opgemaakt door G. van den Brink, W. van Bommel, D. van der Heijde en van den Berg, allen ambtenaar van de Belastingdienst en werkzaam bij de douane Rotterdam, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisanten:

Op 9 september 1997 omstreeks 22.45 uur bevonden wij ons in de haven van Stellenda Wij zagen een motorjacht, genaamd El Primero, de sluis binnenvaren. Met instemming van de schipper hebben wij een controle aan boord van het jacht uitgevoerd. Tijdens de controle vonden wij een gevulde sporttas en enkele losliggende pakketten die met plakband omwikkeld waren. Nadat een verbalisant de pakketten opengemaakt had, zag hij dat er een witte substantie in zat, naar geur en uiterlijk aanzien cocaïne als bedoeld in de Opiumwet. Wij hebben deze witte substantie getest, deze kleurde positief voor cocaïne. Vervol-gens hebben wij de opvarenden aangehouden. Onder hen was [mededader 7], geboren op 24 oktober 1966 te Deurne.

Op 10 september 1997 is het jacht en alle daarop aanwezi-ge goederen voor nader in te stellen onderzoek overgedragen aan regiopolitie Haaglanden.

25.3. Een als bijlage AH/3 (ordner O/D/1437) bij proces-verbaal nr. 898/1997 van politie Haaglanden gevoegd proces-verbaal nr. 098/97 . 12 september 1997 van de regiopolitie Haag-landen, opge-maakt door N. Groenheide, inspecteur van politie bij de regiopolitie Zeeland, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisant:

Op 10 september 1997 was ik aanwezig bij de huiszoeking onder leiding van de rechter-commissaris mr. W. Lok aan boord van het motorjacht El Primero, liggende te Stellenda

Aan boord van dit jacht werd op die dag op verschillende plaatsen een partij stof, kennelijk verdovende middelen aange-troffen. De totale partij verdovende middelen is vervoerd voor nadere weging, analyse en bemonstering onder beheer van een tactisch rechercheteam van de politie Haaglanden.

25.4. Een als bijlage AH/4 (ordner O/D/1437) bij proces-verbaal nr. 898/1997 van politie Regio Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal . 17 september 1997 opgemaakt door F. Jespers, brigadier van politie van het korps Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van verrichtingen en bevin-dingen van de verbali-sant:

Op 15 september 1997 heb ik de op woensdag 10 september 1997 in Stellendam aan boord van de El Primero in beslaggenomen partij verdovende middelen bemonsterd. De inbeslaggenomen partij verdovende middelen bestond uit 12 partijen. In al die partijen werd op sommige plakken substantie de afbeelding van een paardehoofd aangetroffen. In totaal werd 473 kilo en 883,02 gram bruto inbeslaggeno-men. Ik heb de inhoud van deze pakketten vervolgens bemonsterd met de nummers G 173101 tot en met G 173146. De monsters zijn ter hand ge-steld van een des-kundige van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.

25.5. Een geschrift, te weten een als bijlage D/18 (ordner O/D/1437) bij proces-ver-baal nr. 898/1997 van politie Haaglanden gevoegd rapport van het Ge-rechtelijk Laboratorium van het Minis-terie van Justitie te Rijswijk, nr. 97.09.18.001 . 9 oktober 1997 opgemaakt door drs. H.T.C. van der Laan, op zijn als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed, inhoudende -zakelijk weergegeven- :

Op 17 september 1997 ontving het Gerechtelijk Laboratorium een onderzoeksaanvrage en materiaal van de regiopolitie Haaglan-den met betrekking tot 46 monsters genummerd G 173101 tot en met G 173146. Van deze 46 monsters cremekleurig poeder en brokjes heb ik er 20 willekeurig onderzocht. Alle twintig bevatten cocaïne.

25.6. Een als bijlage G/3/1 (ordner PV/NR 1/1999) bij proces-verbaal 1/1999 van de politie Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Haag-lan-den . 17 maart 1999, opgemaakt door G.H. Groe-ne-boer en Slobbe, beiden briga-dier-rechercheur van politie Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de op 4 maart 1999 tegenover de verbali-santen afgelegde verkla-ring [mededader 7]:

Ik werd op 9 september 1997 aangehouden in Stellen-dam, aan boord van het motorschip El Primero. Aan boord was toen een partij cocaïne van ongeveer 440 kilogra

Ik ben in contact gekomen met [betrokkene 17] in Suriname. Iemand had aangegeven dat [betrokkene 17] een hele grote jongen in de cocaïne was. Op 6 februari 1996 ben ik met [betrokkene 18], een zeer goede vriend van mij die ik al jaren ken en met wie ik verdovende middelen zaken doe, naar de woning van [betrokkene 17] gegaan aan de [adres] in [woonplaats]. De volgende dag in de middag kwamen bij [betrokkene 17] thuis drie man die mij later bleken te zijn [handelaar 9]], [handelaar 10] en [handelaar 11]. Voor [betrokkene 17] waren dit de mensen waarmee "zaken" gedaan konden wor-den.

[handelaar 9]] had gezegd dat hij de papieren kon regelen. Met het regelen bedoelde hij een visum, stempels en handtekeningen die nodig waren om in Suriname te verblijven.

Eén of twee dagen later zijn en ik in de ochtend naar de woning van [handelaar 9]] gegaan. [Handelaar 9]] woont aan de Kwattaweg in Paramaribo. Tegen de middag zijn we met z'n drieën, vanaf de woning van [handelaar 9]] naar een kantoorpand in het centrum van Paramaribo ge-gaan. Het kantoorpand is gelegen in de nabijheid van het hoofdkantoor van Telesur. Het kantoorpand ligt eigenlijk in het verlengde van de Kwattaweg in Suriname.

Achter de tafel stond een Surinaamse man. [Handelaar 9]] voerde het woord in de Surinaamse taal. Wat mij opviel was dat de man kalend was en een klein ringbaardje had.

Ik zag dat hij tijdens het gesprek met [handelaar 9]] een la van zijn bureau opende en daar het paspoort van mij en uithaal-de. De paspoorten gooide hij op tafel. Ik zag dat [handelaar 9]] de paspoorten oppakte en deze inkeek. Ik hoorde dat [handelaar 9]] zei dat de paspoorten in orde waren. Vervolgens gaf [handelaar 9]] ons de pas-poorten terug.

U toont mij nu een krantenfoto van [verdachte], de dato 4 maart 1999. Ik verklaar dat dit de man is die ik in het kan-toorpand heb ontmoet en die onze paspoorten in orde heeft laten maken in opdracht van [handelaar 9]]. [Verdachte] was dus onze refe-rentie voor dit visu Later heb ik met deze man zaken gedaan met betrekking tot de handel in cocaïne. Na enkele dagen zijn en ik naar Nederland teruggegaan.

Rond half mei 1996 werd [handelaar 9]] samen met Bis op de luchthaven van Detroit (USA) aangehouden. [Handelaar 9]] had in zijn koffer een geldbedrag van ongeveer fl. 1.600.000,-. Het geld werd toen ingevolgde de Deviezenwet inbeslaggenomen.

Op 7 maart 1997 ben ik met aangekomen op Barbados. Een paar dagen later kwam [handelaar 9]].

In de avond-uren stelde [handelaar 9]] mij voor aan zijn gezelschap. Ik kan mij nog herinneren dat [handelaar 9]] mij vertelde dat een van de mannen die bij het gezelschap van [handelaar 9]] aanwezig was in Miami vast gezeten had.

(Opmerking verbalisanten: Wij verbalisanten toonden de getuige een foto van [mededader 8], geboren [geboortedatum] 1957)

U toont mij nu een foto van een manspersoon. Ik herken die man als zijnde de man die bij de bespreking is geweest. Hij zei tegen mij dat hij de beschikking had over roosters van de douanecontroles en dat hij invloed uit kon oefenen op de controles. Hij kon er dus voor zorgen dat de cocaïne veilig naar het zeilschip gebracht kon worden. Tevens kon hij ons buiten de controles houden. Deze man sprak in de Nederlandse taal. Ik begreep direct dat dit een belangrijke persoon was die werkzaam was voor de organisatie van [handelaar 9]] en [verdachte].

In eerste instantie bespraken , [handelaar 9]] en ik de zaken. [Handelaar 9]] gaf aan dat Bis en Jes er tussenuit waren.

In Suriname hadden de drie grote mannen de koppen bij elkaar gestoken, te weten hij, [verdachte] en een voor mij nog steeds onbekende derde man.

Nu kon er veel meer cocaïne geleverd worden en dit zou via meerdere landen kunnen. [Handelaar 9]] had ons dus benaderd om een partij cocaïne vanuit Suriname naar Nederland te zenden. Hij had ons voor het vervoer nodig. [Handelaar 9]] vertelde mij dat ik net zoveel cocaïne kon krijgen als ik kon afleveren. Hij gaf mij dus het initiatief. Hij had dit ook met [verdachte] doorge-sproken. Dit was nu mogelijk omdat zowel [handelaar 9]], [verdachte] en de derde man de cocaïne aan mij zouden leveren. Er werd afgespro-ken dat ik de helft van iedere gelukte partij cocaïne zou krijgen om mijn onkosten te dekken.

[handelaar 9]] en wij kwamen overeen dat het in eerste instantie zou gaan om een partij van 2 maal 500 kilogram cocaïne. De partij-en zouden via Suriname naar Nederland vervoerd worden. Ik zou voor het hele transport zorgdragen.

Eind juli 1997 was de eerste partij cocaïne door [handelaar 9]] gere-geld. [Handelaar 9]] had totaal 330 kilogram cocaïne geregeld.

Ik beschikte inmiddels op [geboorteplaats] (Suriname) over een woning die [handelaar 9]] mij ter beschikking had gesteld. In deze woning heb ik de partij van 330 kilogram cocaïne overgepakt en verpakt.

Later heb ik deze partij samen met overgeladen in een speedboot van [handelaar 9]] en vervoerd naar een van de zeilboten waarop zich een Engelse marineofficier bevond. De partij is daarna daadwerkelijk vertrokken naar Engeland en daar ook daadwerke-lijk in Southampton aangekomen. De boot is in het weekend voor 22 augustus 1997 aangekomen in Engeland.

Ik had van te voren afgesproken dat ik met [handelaar 9]] 165 kilogram cocaïne zou afrekenen. Ik moest hem 17.500 Engelse pond per kilo betalen. De cocaïne kostte mij dus 2.887500 Engelse Pond. heeft dit geld later aan [handelaar 9]] betaald.

Ongeveer 4 à 5 dagen nadat de eerste partij vertrokken was richting Engeland, zaten en ik bij [handelaar 9]] op zijn kantoor in zijn woning te Suriname. Na verloop van tijd zag ik dat [handelaar 9]] met [verdachte] het kantoor binnen kwam lopen.

Ik had al aangegeven dat de deal niet door zou gaan, omdat de afgesproken hoeveelheid, de 2 maal 500 kilogram, niet geleverd kon worden. Men had immers bij mijn eerste partij maar 330 kilogram geleverd, in plaats van de beloofde 500.

[verdachte] en [handelaar 9]] wilden echter de tweede partij door laten gaan. Er zou cocaïne geleverd worden. Er volgde een gesprek tussen ons vieren. Ik bedoel hier , [handelaar 9]], [verdachte] en mijzelf mee.

De vragen die ik had liepen via [handelaar 9]] naar [verdachte] en van [verdachte] via [handelaar 9]] naar ons.

Ik vroeg onder andere wanneer mijn handel er zou zijn. In eerste instantie was afgesproken dat er 500 kilogram cocaïne geleverd zou worden, doch toen [verdachte] erbij kwam kon er 750 kilogram cocaïne geleverd worden.

[verdachte] vertelde tegen [handelaar 9]] dat er 3000 kilogram cocaïne beschikbaar was op Trinidad. Hij kon daar over beschikken. Hij had het plan om mij terug te laten varen naar Trinidad en om daar cocaïne te gaan laden. [Handelaar 9]] vertaalde het een en ander voor mij. Ik hoorde [verdachte] alleen het getal 3000 noemen. Ik ben daar verder niet op ingegaan. Ik had al andere afspraken gemaakt. Tevens begon het orkaanseizoen in het Caribisch gebied.

Vervolgens hebben wij het gesprek over de 750 kilogram cocaïne doorgesproken. Toen ik dit hoorde werd ik gerustge-steld door [verdachte] en was ik ervan overtuigd dat de cocaïne daad-werkelijk geleverd zou worden. [Verdachte] gaf mij de garantie dat de partij cocaïne daadwerkelijk geleverd zou worden. De afspraken met betrekking tot de cocaïne waren niet veranderd. Ik zou de helft van de cocaïne die in Nederland zou worden afgeleverd afrekenen met [handelaar 9]] en met [verdachte]. De andere helft zou ik krijgen voor het transport. Indien het mis zou gaan moest ik de kostprijs van de cocaïne betalen te weten 2500 US dollar per kilogram cocaïne.

Op een gegeven moment zat ik bij [handelaar 9]] in de auto en reden we ergens naartoe. Uit tegengesteld richting kwam een witte Pick-up aanrijden met als passagier [verdachte]. [Verdachte] herken-de waarschijnlijk de wagen van [handelaar 9]] want hij knipperde met zijn groot licht. De auto's stopten naast elkaar en door de geopende ramen volgde een gesprek tussen [handelaar 9]] en [verdachte]. Uit de reactie van [verdachte] kon ik opmaken dat het allemaal gere-geld was. Ik bemerkte dat de stress eraf was. Het gesprek duurde ongeveer 5 minuten en toen vertrokken we weer. Drie dagen na de ont-moeting tussen [handelaar 9]] en [verdachte] werd de cocaïne weer afgele-verd bij de woning in [geboorteplaats], waar ook de partij van 330 kilogram cocaïne was gebracht. Daar werd de cocaïne gele-verd in nylon zakken, werd daarna geteld en over-gepakt.

De partij is aan boord van een boot gegaan en ik heb de 2-koppige bemanning een goede reis gewenst. Zij hadden de coördinaten van mij gekregen om richting Portugal te varen.

Van hoorde ik toen dat hij alles geregeld had om de partij cocaïne op volle zee nabij Portugal over te nemen van het zeilschip. Later hebben wij besloten om de cocaïne in de Golf van Biskaje over te laden in een motorjacht.

Ik ben toen zelf met anderen op 24 augustus 1997 vanuit de haven van Stellendam met het motorschip El Primero vertrokken richting de Golf van Biskaje. Onderweg hebben we nog schipbreuk opgelopen. We hebben ongeveer 100 miles uit de kust van de inmiddels gearriveerde zeilboot de partij cocaïne op volle zee overgenomen. Hierna zijn we terug-gevaren naar de haven van Stellendam, waar we door de douane werden aangehouden.

De inbeslaggenomen partij cocaïne is ongeveer twee maanden na mijn aanhouding betaald aan de mensen in Suriname door . Ik bedoel hiermee te zeggen dat [handelaar 9]] en [verdachte] de kostprijs hebben betaald gekregen. Ik denk dat er ongeveer 2000 US dollar is betaald per kilogra

25.7. Een als bijlage G/3/2 (ordner PV/NR 1/1999) bij proces-verbaal 1/1999 van de poli-tie Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Haag-lan-den . 17 maart 1999, opgemaakt door G.H. Groe-ne-boer en Slobbe voornoemd, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als op die datum tegenover de verbali-santen afgelegde verklaring van getuige [mededader 7]:

In mijn eerdere verklaring staat dat ik toen voor het eerst naar de woning van [handelaar 9]] ben geweest. De woning ligt volgens mij aan de Kwattaweg doch dit kan ook de Verlengde Kwattaweg te Paramaribo zijn. Eind juli 1997 heb ik wel rechtstreeks met [verdachte] gespro-ken. Het gesprek liep echter via [handelaar 9]]. [Handelaar 9]] en [verdachte] communiceerden namelijk in de Surinaamse taal. [Handelaar 9]] vertaalde het dan weer in de Nederlandse taal. Ik sprak met [handelaar 9]] in de Nederlandse taal. Ik zal proberen om dit uit te leggen. Tijdens het gesprek bleef [verdachte] mij aankij-ken. Indien hij het begreep knikte hij naar mij. Ik ging er dan van uit dat hij mij goed begreep.

Het gesprek ging hoofdzakelijk over de levering van de tweede partij.

Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] [handelaar 9]] aan het over-tuigen was dat hij de tweede partij kon leveren. Later zei [handelaar 9]] tegen mij dat [verdachte] er voor kon zorgen dat de partij cocaïne binnen 5 dagen geleverd kon worden.

Kort hierna gaf [verdachte] mij een hand, hetgeen zeer ongebrui-kelijk is in Suriname. Ik keek hem recht in zijn ogen. Uit zijn gelaatsuitdrukking en houding maakte ik op dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. Ik zag aan zijn gezichtsuitdruk-king van [verdachte] dat hij het meende.

25.8. De verklaring van de getuige [mededader 7], op 5 april 2000 afgelegd ter terechtzitting van het hof, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- :

Ik was in Suriname en had paspoorten meegenomen voor het krijgen van een visu In februari van 1996 gingen we de paspoorten ophalen in een pand in het centrum; ik kreeg de paspoorten terug, moest een document tekenen en we zijn vertrokken. Terug in de auto is mij door [handelaar 9] gezegd dat dat [verdachte] was. De man waarvan [handelaar 9] zei, dit is [verdachte], heeft een visum van 1 jaar in het paspoort gezet. Je hebt normaal een visum nodig om het land binnen te komen. Ik was via Frans-Guyana het land in gekomen. Via de contacten met de militaire politie lukte het om zonder visum het land in te komen. Vanaf de luchthaven daar hebben we een taxi genomen en zijn we naar de rivier, die de grens vormt van Guyana met Suriname, gereden. In een boomstambootje zijn we de rivier overgestoken. Het bootje was zo smal dat ik mijn koffer niet eens tussen mijn benen kon houden. Het was een uitgeholde boomsta [verdachte] heeft het paspoort gegeven met een papier met getypte tekst. Wij hebben het afgetekend. Er zaten visums met stempels in de paspoorten. Hij heeft alleen de paspoorten uit een la gehaald. Naderhand is mij gezegd: dat was [verdachte].

[betrokkene 18] heeft gebeld naar mijn privénummer en er zijn afspraken gemaakt voor maart 1997 voor een gesprek op Barbados. Ik dacht dat er een rechtstreekse verbinding was van Suriname naar Barbados, maar dat bleek niet het geval. Er is een speciaal vliegtuig geregeld. Aanvankelijk werd er weinig over zaken gesproken tot het moment dat [betrokkene 18] en [handelaar 9] bij mij aan tafel zijn komen zitten. Toen heb ik zaken besproken met [handelaar 9]. [Handelaar 9] vertelde over andere mensen die bij mij aan tafel zaten met functies bij de militaire politie en een man met een hoge rang in het leger. De naam is tijdens het tonen van de foto’s naar voren gekomen en zo is de naam in het dossier terecht gekomen. Ik heb [mededader 8] aan de hand van een foto herkend.

Er heeft een gesprek plaatsgevonden met [handelaar 9]], [handelaar 11] en twee anderen.

Er is gesproken over een hoofd van de militairen of van de politie. Mij is verteld dat zij op iedere plek de juiste mensen hadden en vrij konden werken. Alles was mogelijk en er was geen tegenwicht van het leger of de politie.

Ik ben in 1996 voorgesteld aan ene en de groep van [handelaar 9]. [Handelaar 9] heeft laten zien dat zij het belangrijkste, het verzorgen van een paspoort en contacten met mensen met macht, beschikten.

Zij hebben de eerste keer dingen laten zien die overtuigend waren. Zij konden doen wat zij wilden; zo was de politie van de straat als er iets moest gebeuren. Zij hebben verder ook twee of drie militaire schepen laten verplaatsen en het licht laten uitgaan in een deel van de stad.

Voor ons was [handelaar 9] het belangrijkste contact. Mij werd verteld dat hij samen met [verdachte] en een onbekende man een organisatie had die cocaïne kon leveren.

Mijn taak was het weghalen van de cocaïne en het richting Europa brengen. Aan mij werd overgelaten of ik dat alleen zou doen of met derden erbij. Ik was bijna altijd samen met Gelad Vanaf het begin was hij erbij. Ik ken [betrokkene 18] en heb samen met [betrokkene 18] de opdracht aangenomen.

Door de Surinamers is gesproken over de manier waarop het zou plaatsvinden, maar zonder details. Per boot was voor mij het makkelijkste.

De financiële kant en de tegenprestatie is al in 1996 besproken. De afspraken waren hetzelfde gebleven als bij dat eerdere transport dat uiteindelijk niet doorging; dat was met de eerste groep van [handelaar 11] en [handelaar 9]. De naam van [verdachte] is een paar keer gevallen; bij het ophalen van de paspoorten en later nog eens. In 1997 heb ik kunnen waarnemen dat er met [verdachte] overleg plaatsvond. Op een bepaald moment wilden we vertrekken omdat het te lang duurde voor het transport rond was. We zijn naar het kantoor van [handelaar 9] gegaan. [Handelaar 9] kwam toen binnen met [verdachte] en er heeft overleg plaatsgevonden waarbij is gediscussieerd over het gewicht. Toen zijn we overeengekomen om toch te blijven. Dit gesprek vond in Suriname plaats.

Ik had de vrijheid over de route, maar ik moest het wel doortransporteren naar Nederland. De helft van de partij moest ik in Nederland teruggeven. Ik moest het aan mensen van de organisatie in Nederland geven. De afspraak was dat ik de helft moest teruggeven aan de organisatie. Bij inbeslagname mocht ik niet vertellen hoe en waar het was binnengekomen en moest ik de kostprijs van de Colombianen betalen. In Nederland moest ik het afgeven aan iemand die ook bij het gesprek op Barbados aanwezig was. Concreet aan die man moest ik het afgeven en dat moest gebeuren in de Zoo in Rotterdam Blijdorp.

Op Barbados zijn afspraken gemaakt en heb ik met [handelaar 9] afgesproken dat ik de partij gewoon zou afrekenen. Bij het latere gesprek met [handelaar 9] en [verdachte] is dit afgewezen en hebben zij aangegeven dat zij wilden dat een deel van de handel in Nederland zou worden teruggegeven. Dat is bij de tweede ontmoeting met [verdachte] besproken.

Op 23 mei 1997 ben ik vervolgens naar Venezuela gegaan.

Ik was in het bezit van twee boten: Moonstreak en Cheers.

Het zijn zeilboten van ongeveer 14 meter. Cheers voer onder Amerikaanse vlag. Moonstreak voer onder Zuid-Afrikaanse vlag en lag in Trinidad. Ik was geen eigenaar van de boten, maar beschikte erover. heeft een en ander met de eigenaars van de boten geregeld. Ik heb alleen met de bemanning gesproken. Zij zouden een deel van de opbrengst krijgen. heeft dat in Spanje met de eigenaars geregeld. De eigenaar van Moonstreak was een Australiër en de eigenaar van Cheers was een Amerikaan. Zij wisten van het doel van de vaart. Zij zouden van mijn deel een deel krijgen. We hadden eerst contanten nodig. Een eerste zending naar Engeland had ik de Moonstreak geregeld. Het was de bedoeling dat bij een tweede partij de helft betaald zou worden.

In de havens van Isla Margaritha en Trinidad zijn toen de boten in orde gemaakt. Op een van de boten moest een nieuw zeil, ook zijn de watertanks er uit gehaald en zijn er computers en een radarsysteem in geplaatst. Toen ik op Isla Margaritha kwam was de bemanning al geregeld. Het waren drie blanken - een Amerikaan, Engelsman en Zuid-Afrikaan - en een Chinees. Op 2 juni 1997 ben ik naar Nederland en op 24 juni 1997 samen met naar Barbados gegaan. De boot Moonstreak lag voor de kust en is richting Suriname gegaan. Op 1 juli 1997 ben ik met [betrokkene 18], [kennis 1 van mededader 7] en [kennis 2 van mededader 7] naar Suriname gereisd.

Ik heb aangegeven waar de boten moesten blijven wachten, ik heb daartoe coördinaten aangegeven. Ik had kaarten van Suriname, Trinidad en Barbados. Op die kaarten heb ik de coördinaten aangegeven. Allebei de boten heb ik drie verschillende coördinaten opgegeven. Op een bepaald moment zouden de boten dan bij elkaar komen. De eerste levering is te laat gekomen en de boten kwamen 40 tot 50 mijl uit de kust samen. Er kon toen niet geleverd worden.

Ik heb mijn intrek genomen in een huis aan de rivier bij [geboorteplaats]. Eerst had ik in hotel Krasnapolski in het centrum gezeten. Vervolgens ben ik naar het huis in [geboorteplaats] gegaan. Ik ben in die periode in twee hotels geweest; een aan de rivier en een ander in het centru

Ik heb een paar weken in het Krasnapolski hotel verbleven. Ook ben ik in een oud hotel geweest, waar een nieuw hotel naast gebouwd wordt; het zogenaamde KLM-hotel. Er was ook een club waar we regelmatig kwamen en we zijn vanuit [geboorteplaats] een eind gaan varen, naar Boxtel. Ook gingen we wel jetskiën, maar het was bij dit alles wel steeds de bedoeling uit de kijker te blijven gelet op het feit dat het zo’n klein land is.

De eerste partij is naar Engeland gebracht, 330 kilogram, of 303 kilogram, daarover is discussie, is uiteindelijk in Engeland aangekomen met de Moonstreak. Er was een Engelse marine-officier bij betrokken, die zich aan boord van het schip bevond. Hij is aan mij voorgesteld door de Zuid-Afrikaanse jongen.

Ik kreeg een bericht dat het er aan kwa Het zou 500 kilogram moeten zijn. Het is ingepakt en 50 mijl buiten de kust gebracht. Ik ben vertrokken. [Betrokkene 18] is teruggegaan en heeft de rest afgehandeld.

Er stonden verschillende stempels op, verder waren het pakketten in zwart en geel rubber die in rijstzakken werden gedaan.

Ik heb gezien dat er pakketten van gemaakt zijn die samengetaped zijn.

De tweede partij liep nog langer op zich wachten. Ik wou vertrekken. Het orkaanseizoen brak aan en de stromingen werden minder gunstig. Er heeft toen een ontmoeting plaatsgevonden met [verdachte] om ervoor te zorgen dat wij toch zouden wachten. Die ontmoeting vond plaats bij [handelaar 9] op kantoor en [handelaar 9], [verdachte] en [betrokkene 18] waren erbij.

Het was de bedoeling van de ontmoeting om toen over het tweede transport te spreken. [Handelaar 9] en [verdachte] zaten achter en spraken Surinaams, onverstaanbaar; en ik zaten voor aan de andere kant en spraken Nederlands. [Handelaar 9] vertaalde alles; hij sprak Nederlands. Als wij rechtstreeks spraken vertaalde [handelaar 9]; het gebeurde gewoon zo. Soms werd er ook wel Nederlands en Spaans gesproken; bij voorbeeld getallen. Iedereen wist waar het over ging. Je kon het gesprek volgen en de reactie van de ander vermoeden zonder dat een vertaling nodig was; daarna werd het alsnog vertaald. Over het gewicht dat naar Nederland zou gaan was een discussie tussen [handelaar 9] en [verdachte] en daarbij werden constant hoeveelheden genoemd. De afspraak was 700 of 750 kilogram en daarvoor kwam de garantie door [verdachte] omdat ik [handelaar 9] niet meer geloofde. De ontmoeting was bedoeld om mij het vertrouwen terug te laten krijgen.

De regering van Colombia berekende 10% over de uitvoer van de partij naar Suriname, 10% zou naar de regering gaan die daarover zou kunnen beschikken. Colombia was het land van herkomst. Met een klein vliegtuigje zou het in Suriname komen.

De tweede keer dat wij wachtten ging het verhaal dat Colombia was platgegooid door de Amerikanen en toen is het voorstel gedaan dat wij terug zouden gaan naar Trinidad omdat daar nog een partij zou liggen. In verband met de stromingen konden wij op dat moment niet terug. We wisten eerder niet, toen we van Trinidad vertrokken, dat het daar ook was. We hebben gevraagd hoeveel we dan mee konden nemen en op een bepaald moment is gezegd dat het om 3 ton zou gaan.

De kosten zijn betaald, maar ik heb verder geen deel gehad.

De Cheers is door [betrokkene 18] geregeld.

Bij de tweede ontmoeting heb ik indirect met [verdachte] gecommuniceerd. Ik was heel kwaad dat we daar nog waren; we wilden vertrekken. Er was een gespannen sfeer, toen heeft het onderling overleg plaatsgevonden en kwam de partij rond en hebben we de garantie gekregen dat het nog maar een paar dagen zou duren. Ik dacht dat het zou gaan om 750 kilogram, maar uiteindelijk hebben we maar 440 kilogram gekregen.

Op het moment dat we daar vertrokken waren beide partijen tevreden.

We hebben vragen gesteld en [verdachte] leek zeker van de zaak. De stemming werd losser en ik begreep dat het geregeld kon worden. Ik heb de beweging gezien van knikken om te zeggen het zit wel goed, je hoeft je geen zorgen te maken. Die beweging heeft hij naar mij gemaakt. Bij het einde van de tweede ontmoeting heb ik hem wel de hand geschud, dacht ik, bij de eerste ontmoeting niet.

[verdachte] knikte zo van het komt in orde. Er is steeds gezegd het komt in orde. Wij wisten niet precies wat er gaande was. Wij leidden dat echter af uit zijn bewegingen naar ons toe en de mededeling van [handelaar 9] daarover.

Er heeft, heel kort, nog een derde ontmoeting plaatsgevonden.

De dag voor de Cheers vertrok reed ik samen met [handelaar 9] van Paramaribo Centrum naar de kust. Er kwam een auto uit de tegengestelde richting met [verdachte] en nog iemand erin. De ramen waren open en in het Surinaams hebben zij met elkaar gesproken; zij waren heel vrolijk. In Suriname rijdt men op de Engelse manier en ik zat in de weg. [Handelaar 9] leunde daarom over mij heen. Later kneep hij mij of gaf mij een ander teken dat het rond was. Dat liet hij non-verbaal blijken.

De cocaïne is toen in het huis in [geboorteplaats] afgeleverd. Het is daar geteld en overgepakt. Er waren verschillende stempels en het werd in dezelfde witte rijstzakken gedaan. Wat in de Cheers zat, ging naar El Primero. We hebben pakketten gemaakt en het getaped. Toen we het kregen, zat het los in kiloblokken in rijstzakken. We hebben pakketten van 25 of 30 blokken gemaakt en die bij elkaar getaped. Die zijn in de Cheers gebracht. Ik was erbij toen het opgeborgen werd. Aan de achterzijde zijn twee slaapplaatsen en binnen is een trap met nog twee slaapcompartimenten. Toen is het eruit gehaald en in de El Primero overgeladen. Het waren dezelfde pakketten als die ik eerder had gezien. Ik heb ze herkend aan de manier van verpakken; ik had ze zelf mee ingepakt. Het was waterdicht verpakt. We hebben het gele rubber eraf gehaald en in zakken gestopt. Het werd gebracht in een bestelbus door een oudere man. De coördinaten voor die route waren door mij verstrekt. [Betrokkene 18] heeft het later anders opgelost en coördinaten zijn komen te vervallen.

Er zijn drie bazen van andere groepen samen gaan werken. Er zijn in dat verband twee namen genoemd: [handelaar 9] en [verdachte]. Het is een verhaal van [handelaar 9] dat er een privaat landingsstrip in Saramacca zou zijn en dat [verdachte] contacten in Colombia had hetgeen de zaken zou vergemakkelijken.

Met betrekking tot het gewicht, de hoeveelheid en de verdeelsleutel van de partij zijn de volgende afspraken gemaakt. De helft zou worden teruggegeven en de andere helft was voor ons; wij moesten dan nog wel de kosten betalen. Ik nam dus bijvoorbeeld 2 kilogram mee, dan was 1 kilogram voor mij en moest ik 1 kilogram teruggeven. De onkosten waren in de helft die ik kreeg verdisconteerd. De ene helft moest expliciet naar Nederland; hoe maakte hen niet veel uit. De helft moest dus naar Nederland.

Ik dacht dat het een probleem was de partij naar Nederland te krijgen maar [verdachte] stond er op dat een deel naar Nederland zou komen. Ik stelde [handelaar 9] de vraag over verkoop van de partij elders en er ontstond een discussie, hij was niet tevreden; het ging om de handel en niet om het geld. Ik denk dat er afspraken gemaakt waren met mensen die er zeker op zaten te wachten. De verdeelsleutel is vanaf 1996 hetzelfde geweest. Een deel van deze partij moest naar Nederland.

Bij de tweede ontmoeting is gesproken over 750 kilogra Bij de derde ontmoeting in de auto zijn getallen genoemd en bij aankomst bleek het om 440 kilogram te gaan en 90 kilogram lag al klaar. Het waren twee verschillende partijen. Ik hoorde het bedrag in het Nederlands en het is vijf keer herhaald door allebe Er is Surinaams gepiep, Nederlands en Spaans gesproken; 440 hoorde ik niet in het Surinaams. Ik koppelde dat later aan de partij.

25.9. Een ambtsedig proces-verbaal van het Regiokorps Haaglanden, Kernteam Haaglanden/Hollands Midden, COPA IV, nr. 0/AH 430, opgemaakt op 3 april 2000 door B. den Toom en P. de Kok, beiden brigadier-rechercheur en werkzaam binnen het team Copa IV, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten:

Naar aanleiding van de verklaringen [mededader 7], geboren op [geboortedatum] 1966 te [woonplaats] (België) hebben wij een onderzoek ingesteld.

"Van de beweringen die op juistheid konden worden gecontroleerd zullen de bronnen worden vermeld.

Verhoor . 4 maart 1999 te 12.00 uur

Bewering 1: Op blz. 2 alinea 5

"Wij zijn toen naar de woning van [betrokkene 17] gegaan. Deze is gevestigd aan de [adres] te [woonplaats]

Controle: Volgens het telefoonboek van Suriname jaargang 1999 (pagina 14) heeft ene [BETROKKENE 17], [adres] te [woonplaats] de telefoonaansluiting: [telefoonnummer].

Bewering 2: Op blz. 3 alinea 3:

"[handelaar 9]] woont aan de Kwattaweg te Paramaribo

Controle: Wij verbalisanten merken op, dat de Rijweg naar Kwatta in Paramaribo bij de bevolking in de volksmond bekend is als Kwattaweg. In het verlengde van de Kwattaweg ligt het [adres].

In het Surinaamse telefoonboek van 1995 staat op blz. 131 vermeld:

[handelaar 9], [adres], met telefoonnummer [telefoonnummer].

Bewering 5: Op blz. 3 onderste alinea.

" Tegen de middag zijn met met z'n drieen, vanaf de woning

van [handelaar 9]] naar een kantoorpand in het centrum van Paramaribo gegaan" en "Het kantoorpand is gelegen in de nabijheid van het hoofdkantoor van TELESUR "

Controle: In het telefoonboek van Suriname jaargang 1999, staat dat het hoofdkantoor van TELESUR is gevestigd aan de Heiligenweg te Paramaribo. De Heiligenweg ligt in het centrum van Paramaribo.

Bewering 6: Op blz. 4, alinea 3 en 4

" Vervolgens gaf [handelaar 9]] ons de paspoorten terug" en

"Ik zag dat er een visum in was aangebracht en dat er andere stempels instonden"

Controle: In het paspoort [mededader 7], pagina 11, staat een visum voor Suriname, afgegeven . 7 februari 1996.

Bewering 7: Op blz. 2 alinea 4

" Op 6 februari 1996 ben ik samen met [BETROKKENE 18] via Parijs naar Guyana gegaan" en

" In een uitgeholde boomstam zijn wij toen via het water naar Suriname gegaan."

Op blz 5, alinea 3

"Na enkele dagen zijn en ik naar Nederland terug gegaan."

Controle: Op pagina 12 van het paspoort [mededader 7] is een uitreisstempel van Suriname te zien . 12.2.96.

Bewering 9: Op blz. 12 alinea 10.

"Ik ben toen zelf met anderen op 24 augustus 1997 vanuit de haven van Stellendam met het motorschip EL PRIMERO vertrokken richting Golf van Biskaje. Onderweg hebben we nog schipbreuk opgelopen".

Controle: In het proces-verbaal 1/1/999, contra de verdachte. [VERDACHTE] is in de bijlage OID/1437 een ambtshandeling opgenomen (na ambtshandeling AH/27), te weten een schrijven van de belastingdienst. Hierin is weergegeven een onderzoek naar aanleiding van een reddingsoperatie.

Verhoor . 17 maart 1999, te 10.10 uur.

Bewering 10: Op blz 1, onderste alinea

" In mijn eerdere verklaring staat op bladzijde 3, 2e alinea dat ik toen voor het eerst naar de woning van [handelaar 9]] ben geweest. De woning ligt volgens mij aan de Kwattaweg, doch dit kan ook de Verlengde Kwattaweg te Paramaribo zijn.

Controle: Zie hiervoor bewering 2.

In verband met het door [mededader 7] verklaarde, op pagina 6 onderste alinea en pagina 7, le alinea, (Ondere andere dat [handelaar 9]] werd aangehouden op de luchthaven te Detroit met een groot geldbedrag) is aan de DCRI verzocht een proces-verbaal hieromtrent op te stellen naar aanleiding van door hen ontvangen informatie."

25.10 Een proces-verbaal van het Korps Landelijke Politiediensten, Divisie Centrale Recherche Informatie, Dienst Recherche Informatie, nr. 2000CB004109497, op 5 april 2000 opgemaakt door B. de Wit, commissaris van politie en Hoofd Nationaal Inzicht van de Divisie Centrale Recherche Informatie, onderdeel van het Korps Landelijke Politie Diensten, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant -zakelijk weergegeven-:

De afdeling IIU heeft onder meer tot taak het onderhouden van contacten met buitenlandse liaison-officers die in Nederland zijn gestationeerd en/of zijn aangemeld en de contacten met Nederlandse liaison-officers die in het buitenland zijn gestationeerd. Vanuit deze taakstelling vindt vanuit de afdeling IIU de informatieuitwisseling met genoemde liaison-officers plaats. De informatie die op deze wijze Nederland binnenkomt, wordt onder mijn verantwoordelijkheid geregistreerd in het NCID register en vervolgens verstrekt aan Nederlandse opsporingsdiensten voor welke deze informatie relevant kan zijn. De informatie wordt doorgaans door het buitenland verstrekt onder de beperkende voorwaarde: 'for police use only'.

Op 7 juni 1996, werd door de afdeling IIU, door tussenkomst van de in Venezuela gestationeerde Nederlandse liaison-officer, vanuit Venezuela een bericht ontvangen, welk bericht onder nummer INCC44839 werd geregistreerd.

In het bericht was de navolgende informatie opgenomen.

"Betreft: Van de USA douaneliaison in Venezuela de informatie ontvangen dat, op 14-05-1996, na aankomst op de luchthaven van Detroit (USA) met vlucht KLO67 vanaf Schiphol, werden aangehouden in verband met overtreding van de deviezen bepalingen: [handelaar 9]], [HANDELAAR 11] en [handelaar 10].

[Handelaar 9]] was in het bezit van Nederlandse valuta ter waarde van USD 986833. [HANDELAAR 11] was in het bezit van guldens ter waarde van USD 13865. [HANDELAAR 10] had guldens ter waarde van USD 5192 bij zich. Het geld van [handelaar 9]] en [HANDELAAR 11] werd inbeslaggenomen.

De USA douane ontving de informatie van de Surinaamse politie dat [HANDELAAR 10] werkte voor de verdovende middelen smokkel organisatie van [HANDELAAR 11] en dat [HANDELAAR 10] zijn positie als boekhouder van de catering afdeling van Surinam Airlines gebruikt om verdovende middelen via catering activiteiten, te smokkelen.

Op 5 april 2000 verzocht het COPA-Team van de regiopolitie Haaglanden de bovenstaande informatie vast te leggen in een proces-verbaal teneinde deze informatie te kunnen gebreken in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek.

25.11. Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 17 september 1997 opgemaakt door T. Sloof, hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechtercheteam Haaglanden, en W. van Bommel, ambtenaar van de belastingdienst, buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de douane Rotterdam, post Surveillance, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de op 17 september 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/3, ordner O/D/1437):

Op zondag 24 augustus heb ik met [mededader 7] en in Antwerpen boodschappen gedaan en hebben [mededader 7] en ik wat kleding voor de bootreis ingepakt. Omstreeks 14.00 uur hebben [mededader 7], en ik, [kennis 2 van mededader 7] opgehaald vanaf het station in Rotterda Wij zijn toen naar de "El Primero" gegaan. Dat was in de haven van Stellenda Aan boord zag ik [getuige 21] voor het eerst. ging niet mee op reis.

Toen wij in Brest in de haven lagen kreeg ik van [kennis 2 van mededader 7] te horen wat het doel van onze reis was, namelijk een partij cocaïne naar Nederland brengen. In Brest is bij ons gekomen. Hij was toen in gezelschap van een mij verder onbekend gebleven man. kwam geld brengen voor de reparatie van de boot. Ook gaf hij ons Engelse ponden om de rest van de reis te bekostigen.

25.12. Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 13 september 1997 opgemaakt door T. Sloof en P. Vincenten, beiden hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechtercheteam Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de op 13 september 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/2, ordner O/D/1437):

Toen wij in Brest waren aangekomen, merkte ik aan [getuige 21] en [mededader 7], dat er iets te gebeuren stond. [Getuige 21] en [mededader 7] hadden tijdens de reis enkele keren gesprekken met elkaar. In Brest maakten [getuige 21] en [mededader 7] op mij een zenuwachtige indruk. [Getuige 21] had diverse keren telefonisch contact, in een telefooncel op de kade. In Brest werden, onder andere, een rubberen zak en enkele binnenbanden van een vrachtauto gekocht door [getuige 21] en [mededader 7]. Vrijdag 5 september 1997 werd de boot in Brest na reparatie, weer in het water werd getakeld en nadat we brandstof hadden getankt, zijn we uitgevaren. Ook de rubberen zak werd volgetankt met brandstof.

25.13. Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 17 september 1997 opgemaakt door T. Sloof, hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechtercheteam Haaglanden, en W. van Bommel, ambtenaar van de belastingdienst, buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de douane Rotterdam, post Surveillance, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de op 17 september 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/3, ordner O/D/1437):

Nadat wij Brest hadden verlaten, zag ik dat er een bepaalde route werd gevaren. Wij moesten kennelijk naar een bepaalde plaats varen. op geregelde tijden vond er via de boordradio contact plaats met kennelijk een andere boot. Ik begreep dat wij deze boot die nacht zouden moeten treffen. Later bleek dat er iets mis was met deze boot en ik begreep dat we 100 mijl verder moesten doorvaren.

25.14. Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 13 september 1997 opgemaakt door T. Sloof en P. Vincenten, beiden hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechercheteam Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de op 13 september 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/2, O/D/1437):

Op zaterdag 6 september 1997, in de namiddag, zag ik dat de "El Primero" in de buurt van een andere boot bleef varen. We hadden toen al ongeveer 24 uur gevaren. Het was een witte zeilboot, die ongeveer even groot was als de "El Primero". Deze boot was aan de achterzijde open en de voorzijde was geheel dicht. [Getuige 21] en [mededader 7] stapten over in de Zodiac, die bij ons aan boord dienst deed, als bijboot. Ik zag dat op de zeilboot twee mannen aan dek stonden. Ik zag dat [getuige 21] en [mededader 7] de Zodiac langszij de zeilboot brachten. Ik zag vervolgens dat de twee mannen op de zeilboot, bruine pakketten, vanaf de zeilboot in de Zodiac gooiden. Na enige tijd voeren [getuige 21] en [mededader 7] terug naar de "El Primero". Daar werd de Zodiac aan de boot vastgemaakt en kwam [getuige 21] op de waterspiegel staan. Vervolgens gooide [getuige 21] de bruine pakketten aan boord van de "El Primero". Toen de Zodiac leeg was, voeren [getuige 21] en [mededader 7] nog een keer naar de zeilboot. Er werden toen weer meerdere bruine pakketten vanaf de zeilboot in de Zodiac gegooid, door dezelfde mannen, die dat de eerste keer ook hadden gedaan. Het waren blanke mannen. De zeilboot lag ongeveer 25 meter van onze boot verwijderd. Vervolgens voeren [getuige 21] en [mededader 7] terug naar de "El Primero". [Getuige 21] en [mededader 7] gooiden ook deze bruine pakketten aan boord. De Zodiac werd aan de achterzijde van de boot vastgemaakt. Vervolgens brachten [getuige 21] en [mededader 7] de bruine pakket- ten naar de hut van [getuige 21], gelegen aan de achterzijde van de "El Primero". Daar zag ik dat de pakketten onder het bed van [getuige 21] werden neergezet. [Kennis 2 van mededader 7] heeft gedurende de het overladen van de pakketten, van de zeilboot naar de "El Primero" en het overbrengen naar de hut van [getuige 21], de gehele tijd aan het roer gestaan van de "El Primero", om de boot op koers te houden. Ik was toen bij [kennis 2 van mededader 7]. [Mededader 7] en [getuige 21] kwamen, na de pakketten in de hut van [getuige 21] te hebben gebracht, naar ons toe. Ik zag dat ze opgewekt en blij waren en ik hoorde dat [mededader 7] zei: "Het is binnen", of woorden van gelijke strekking.

[getuige 21] en [mededader 7] gingen, even later, weer naar de hut van [getuige 21]. Daar deden ze de pakketten in blauwe Adidas sporttassen. Deze sporttassen verzwaarden ze met stukken zink. Later hoorde ik, dat het de bedoeling was, in geval van een controle door de douane, dat de sporttassen in het water zouden worden gegooid. Die nacht heeft [mededader 7] een gat gezaagd in het zwemplateau aan de achterzijde van de boot. In geval van een controle zouden hierdoor de tassen met de pakketten overboord gegooid worden. Kennelijk was het de bedoeling dat de tassen dan later weer werden opgedoken.

25.15. Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 17 september 1997 opgemaakt door T. Sloof, hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechtercheteam Haaglanden, en W. van Bommel, ambtenaar van de belastingdienst, buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de douane Rotterdam, post Surveillance, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de op 17 september 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/3, ordner O/D/1437):

Over de ontmoeting met deze boot heb ik al verklaard. Ik heb toen verklaard dat [kennis 2 van mededader 7] aan het roer stond. [Kennis 2 van mededader 7] heeft echter samen met [mededader 7] de pakketten overgeladen en [getuige 21] heeft toen het roer bediend. Ik heb toen ook geholpen om de pakketten cocaïne naar de hut van [getuige 21] te brengen. Wij verborgen de cocaïne onder het bed van [getuige 21]. Er was echter, dat bleek later, niet voldoende plaats onder het bed. Er is toen door [getuige 21] of door [mededader 7] een tas met cocaïne apart gezet. Later is deze tas in de hut van [kennis 2 van mededader 7] en mij onder ons bed gevonden.

Op dinsdag 9 september 1997 omstreeks 14.00 uur heeft [mededader 7] geprobeerd via de telefoon te bereiken. Hij kreeg hem echter niet aan de telefoon. Omstreeks 21.30 uur belde [mededader 7] naar . bevond zich in de haven van Stellenda Hij vertelde dat er bij de sluizen een boot van de Kustwacht lag. [Mededader 7] had overleg met over wat er nu moest gebeuren. [Getuige 21] wilde doorvaren, maar er was niet meer voldoende brandstof aan boord en toen is heeft [mededader 7] besloten om toch maar de haven van Stellendam binnen te lopen. [Mededader 7] was de man die de beslissingen na Er zouden in Stellendam twee auto's klaarstaan om ons op te halen. Toen ik op de kade stond, zag ik de auto van staan. Deze auto reed weg, toen wij zijn aangehouden.

25.16 Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 26 september 1997 opgemaakt door T. Sloof, hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechtercheteam Haaglanden, en W. van Bommel, ambtenaar van de belastingdienst, buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de douane Rotterdam, post Surveillance, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de op 26 september 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/4, ordner O/D/1437):

U vraagt mij naar de autobinnenbanden die aan boord zijn aangetroffen. Deze zijn in Brest door aan boord gebracht, samen met de aan boord aangetroffen stukken lood. Het aan boord aangetroffen net, was al eerder aan boord. In mijn eerdere verklaring heb ik gezegd dat er bruine pakketten aan boord zijn gekomen. Dat klopt niet. Het waren pakketten van acht stuks, verpakt in geel en zwart plastic. Ik weet nog dat op enkele pakketten het woord "COCA" vermeld stond. Nadat de pakketten aan boord waren, bleef [getuige 21] aan het roer staan. [Kennis 2 van mededader 7] ging de route, die gevaren moest worden, uitzetten. [Mededader 7] ging naar de hut van [getuige 21] om de pakketten uit te pakken. Ik moest van [mededader 7] en [kennis 2 van mededader 7] gaan helpen om de pakketten uit te pakken. Ik wist dat er cocaïne in de pakketten zat. Er was een vacuümmachine in de hut van [getuige 21] aanwezig. [Mededader 7] en ik pakte de pakketten die per acht blokken van ongeveer een kilo verpakt waren, uit. [Mededader 7] deed twee van deze blokken bij elkaar en deed ze in de vacuümmachine, waardoor ze in plastic vacuüm werden verpakt. Daarna heb ik samen met [mededader 7] deze pakketten met bruin plastic omwikkeld. Toen wij een aantal van deze pakketten hadden gemaakt, nam [mededader 7] een van de autobinnenbanden. Daarna zag ik dat hij een aantal van de door ons verpakte pakketten, in de band deed. Hij probeerde de band vervolgens aan twee kanten dicht te maken, waardoor er een soort worst ontstond. Ik hoorde van [mededader 7] dat het niet lukte met die autoband, omdat er te veel lucht in bleef zitten. Toen het met die autoband niet lukte, hebben [mededader 7] en ik de vacuüum verpakte pakketten, in de blauwe Adidas sporttassen gedaan en verborgen deze onder het bed van [getuige 21]. U toont mij een briefje met het opschrift: "[onbekende], [adres], [geboorteplaats], tel [telefoonnummer]. Dit briefje heb ik van [kennis 2 van mededader 7] gekregen en moest ik voor hem bewaren. U toont mij twee, in plastic verpakte papiertjes, een met het opschrift "Platon en op de achterzijde "Chiricuto" en een stukje uit een krant met het opschrift "Bulevar". Volgens mij waren deze papiertjes op de blokken cocaïne geplakt.

25.17. Een ambtsedig proces-verbaal nr. 898/97, op 9 oktober 1997 opgemaakt door T. Sloof, hoofdagent/rechercheur van politie van het Regiokorps Haaglanden, werkzaam bij het Interregionale rechercheteam Haaglanden, en W. van Bommel, ambtenaar van de belastingdienst, buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de douane Rotterdam, post Surveillance, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de op 9 oktober 1997 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 18] (V/2/5, ordner O/D/1437):

Wij verbalisanten toonden de verdachte politiefoto's van personen die op de "El Primero" zijn aangehouden. Hierop verklaarde zij: Foto nr. 099/1997 van de politie Hellevoetsluis: Deze persoon ken ik als [kennis 2 van mededader 7] [KENNIS 2 VAN MEDEDADER 7], als bedoeld in door mij eerder afgelegde verklaringen. Foto nr. 097/1997 van de politie Hellevoetsluis. Deze persoon ken ik als [mededader 7], als bedoeld in door mij eerder afgelegde verklaringen. Foto nr. 098/1997 van de politie Hellevoet- sluis. Deze persoon ken ik als [getuige 21], als bedoeld in door mij eerder afgelegde verklaringen. Wij verbalisanten toonden de verdachte een foto van de politie van MERKSEM (Belgie), nr 399759. Zij verklaarde hierover dit is die ik in mijn eerdere verklaring heb genoemd. Wij verbalisanten toonden de verdachte een foto, volgens bijlage AH/3/foto 6. Zij verklaarde hierover: "Dit zijn de sporttassen, waarover ik in mijn verklaringen heb gesproken." Wij verbalisanten toonden de verdachte een foto, volgens bijlage D/foto 10. Zij verklaarde hierover: "De blauwe Adidas sporttassen op de foto zijn de tassen die in Brest aan boord van de "El Primero" heeft gebracht.

De blauwe sporttas met het opschrift "Ccessi-sub", is van [mededader 7]. Deze had hij in Stellendam bij zich toen hij aan boord kwa Wij verbalisanten toonden de verdachte een foto volgens bijlage D/foto 11. Zij verklaarde hierover:

"Op deze foto zijn de autobinnenbanden te zien, die door in Brest aan boord van de "El Primero" zijn gebracht en waarvan het de bedoeling was, dat hierin de cocaïne werd verborgen.

25.18. Een als bijlage AH/2 (ordner O/D/1437) bij proces-verbaal nr. 898/1997 van politie Regio Haaglanden gevoegd ambts-edig proces-verbaal van 11 september 1997, opgemaakt door T.Koornneef, hoofdagent/rechercheur van de regiopolitie Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisant:

Op 10 september 1997 werd op heterdaad een partij cocaïne aangetroffen op het motorjacht, genaamd "EL PRIMERO". Onder leiding van de rechter-commissaris werd een zoeking verricht op genoemd motorjacht. Tijdens de zoeking werden door de rechter-commissaris onder andere de volgende voorwerpen/goede-ren inbeslag genomen:

Woonkamer/stuurhut (ruimte 1):

- vier losse briefjes met aantekeningen, waaronder met coördi-na-ten.

Achter stuurstand (ruimte 1):

boekje satelliet Navigator (Magellan GPS 2000) met op verschillende pagina's coördinaten genoteerd.

25.19. Een als bijlage AH/27 (ordner O/D/1437) bij proces-verbaal nr. 898/1997 van politie Regio Haaglanden gevoegd ambts-edig proces-verbaal . 13 november 1997, opgemaakt door P. Vincenten, hoofd-agent van het regiokorps Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van verrichtingen en bevin-dingen van de verbalisant:

Bij onderzoek werden aan boord van de El Primero, alsmede in de persoonlijke bescheiden van de aangehouden verdachten, meerdere notities aangetroffen met daarop diverse navigatie coördinaten. Deze coördinaten, bleken na onderzoek bij de dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine te 's-Graven-hage, betrekking te hebben op route's vanaf Nederland naar Engeland en vanaf Nederland in de richting van Brest te Frank-rijk. Andere aangetroffen coördinaten bleken posities te betreffen voor de kust van Zuid Amerika.

25.20. Een ambtsedig proces-verbaal van regiopolitie Haaglanden . 14 juni 1999, opge-maakt door G.H. Groeneboer en Slobbe, beiden brigadier van politie in het regio-korps Haaglan-den, voor zover inhou-dende als op 14 juni 1999 tegen-over de verbali-santen afgelegde verklaring van getuige [getuige 19] (ordner PV/NR 1/1999) -zakelijk weergegeven- :

Ik ben werkzaam als kartograaf gegevens inwinning bij de Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine.

Op verzoek van de officier van justitie zijn door mij coördi-naten weergegeven die ik op zeekaarten heb ingetekend. Deze kaarten stel ik ter beschikking aan het onderzoek. De coördi-naten heb ik hetzelfde genummerd als opgegeven. Deze postities zijn op de kaart weergegeven met codes 1P t/m 4P. Deze punten zijn omgerekend en in de kaart gezet met de codes 1W t/m 4W.

25.21. Een geschrift, zijnde een zeekaart van Suriname, nr. 2014, ge-voegd als bijlage bij het onder 14 genoemde ambtsedig pro-ces-verbaal, waarop staat vermeld 1P t/m 4P en 1W t/m 4W.

25.22. Een geschrift, zijnde een zeekaart van de Surinamerivier, nr. 2218, gevoegd als bijlage bij het onder 25.10. genoemde ambts-edig proces-verbaal, waarop onder meer staat vermeld 4P en 4W.

25.23 Een als bijlage G/2/2 (ordner PV/NR 1/1999) bij proces-verbaal nr. 1/1999 van politie Regio Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal . 2 mei 1999, opgemaakt door Slobbe voornoemd en de Mooij, inspecteur van politie, beiden van het Regiokorps Haaglanden, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als op die datum tegenover de verbali-santen afge-legde verklaring van getuige [getuige 16]:

Ik heb u reeds eerder verklaard over de relatie die ik had met [verdachte]. Ik ben gedurende 4 jaar zeer intensief met hem omgegaan. Ik praat dan over de jaren 1993, 1994, 1995 en 1996. Gedurende deze tijd heb ik veel wapens, welke afkomstig waren uit de depots van het Surinaamse leger, afgedragen aan [betrokkene 20]. In ruil hiervoor leverde [betrokkene 20] zuivere cocaïne aan de organisatie van het Suri-kartel. Ik heb gezien dat [betrokkene 20] grote partijen cocaïne aan het Suri-kartel lever-de. Ik heb zelf viermaal gezien dat [betrokkene 20] partijen cocaïne aan [verdachte] heeft afgeleverd. Deze partijen waren tussen de 200 en 250 kilogram groot. Er waren meerdere leveranties van cocaïne in deze tijd. De cocaïne die [betrokkene 20] in mijn bijzijn afleverde in de woning van [betrokkene 21] was veelal verpakt in witte nylon zakken. De pakken cocaïne zelf waren veelal verpakt in bruin tape welke gemerkt waren met diverse tekens. Ik kan mij herinneren dat er tekens op de kiloverpak-kingen waren aangebracht zoals onder andere een paard.

[verdachte] vertelde mij dat hij de cocaïne aan zijn vader moest afdragen. Ik heb het dan over de huidige adviseur van Staat. [Betrokkene 21] heeft mij dit ook verklaard.

is ondanks dat hij thans niet meer in de regering zit een machtig man in Suriname. Ik weet dat hij veel zaken doet met mensen die thans nog een belangrijke positie hebben bij de Surinaamse overheid.

Alle cocaïne die [betrokkene 20] leverde aan [betrokkene 21] en [verdachte], werd overgedragen aan de huidige adviseur van Staat [verdachte]. Hij ging over de verde-ling van de cocaïne en regelde de dis-tri-butie. Dit is mij meerdere malen door [betrokkene 21] en [verdachte] in een persoonlijk onderhoud verteld. Ik had immers een groot ver-trouwen bij het Suri-kartel. Men zag mij immers als de rech-terhand van [betrokkene 20]. Ik weet dat [mededader 8], thans werkzaam op het Ministerie van Defensie te Suriname, een aandeel heeft in de distributie van de cocaïne, welke [verdachte] van zijn zoon [verdachte] en [betrokkene 21] krijgt. Ik weet dat [mededader 8] voornoemd, 500 automatische machinepis-tolen heeft ontvreemd uit militaire wapendepots. Deze wapens zijn door handlangers van [mededader 8] afgeleverd bij [betrokkene 20]. [Betrokkene 20] vertelde mij dit in september 1997. Ik had nog wel een vriend-schappelijke band met [betrokkene 20]. Omdat ik door hem volledig werd vertrouwd vertelde hij mij dit. De partij cocaïne is geleverd aan [betrokkene 21], [verdachte] en [mededader 8].

25.24. Een als bijlage G/2/3 (ordner PV/NR 1/1999) bij proces-verbaal nr. 1/1999 van politie Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal . 14 mei 1999, opgemaakt door P. de Kok en van der Holst, respectievelijk brigadier/rechercheur en hoofdagent/rechercheur van politie van het regiokorps Haaglanden, voor zover inhou-dende -zakelijk weergegeven- als op 3 mei 1998 tegen-over de verbali-santen afgelegde verklaring van getuige Getuige 16:

Over de afnemers van cocaïne van [betrokkene 20] kan ik u het volgende vertellen. Een grote afnemer van [betrokkene 20] is [handelaar 9]]. Hij woont aan de [adres] in [woonplaats]. Deze weg verbindt Paramaribo met Nickerie. Ik weet dat [handelaar 9]] grote partijen cocaïne van [betrokkene 20] afna Dat waren soms partijen van meer van 500 kilo cocaïne.

25.25. Een als bijlage G/2/4 (ordner PV/NR 1/1999) bij proces-verbaal nr. 1/1999 van politie Haaglanden gevoegd ambtsedig proces-verbaal . 29 april 1999, opgemaakt door P. de Kok en Slobbe, beiden brigadier-rechercheur van de regiopoli-tie Haaglanden, voor zover inhou-dende -zakelijk weergegeven- als op 19 april 1999 tegen-over de verbali-santen afgelegde ver-klaring van de getuige Getuige 16:

U vraagt mij naar een persoon genaamd [handelaar 9]]. Ik heb het dan over [handelaar 9]]. Het is een hindoestaanse man die nauw samenwerkt met het Suri-kartel.

Ik wil benadrukken dat zowel [verdachte] en [handelaar 9]] regelmatig partijen cocaïne afnamen van [betrokkene 20]. Tevens werkte men later nauw samen. Men had elkaar nodig. Ook toen [handelaar 9]] zelf partijen cocaïne kocht, maakte de organisatie van [verdachte] nog gebruik van de faciliteiten van [handelaar 9]]. [Handelaar 9]] werkte dus zowel voor de organisatie van [verdachte] als voor zichzelf.

Ik kan mij verder nog herinneren dat [betrokkene 20] mij in septem-ber of oktober 1997 bij hem thuis uitnodigde om iets te komen drinken. De woning waar [betrokkene 20] toen woonde was de woning van [verdachte] in de Jozef Israëlstraat in Para-maribo. Toen ik daar bij [betrokkene 20] thuis was, vertelde hij mij dat hij iets te vieren had. [Betrokkene 20] vertelde mij dat er een grote partij cocaïne goed aangekomen was. Ik begreep hieruit dat hij Nederland of Engeland bedoelde, omdat ze altijd op deze landen werkten. Ik heb bij besprekingen namelijk ook wel gehoord dat er partijen cocaïne via Engeland naar Nederland werden gestuurd. [Betrokkene 20] had het over een grote partij. Het was een partij cocaïne die met een boot was verstuurd, ik weet niet wat voor boot. [Betrokkene 20] vertelde mij dat hijzelf, [handelaar 9]] en [verdachte] de eigenaren van die partij cocaïne waren. [Betrokkene 20] vertelde mij persoonlijk dat [handelaar 9]] het transport van die partij cocaïne had verzorgd. [Betrokkene 20] liep tegen mij op te scheppen dat hij cocaïnezaken deed met [verdachte]. Ik wist dat al maar [betrokkene 20] greep het geslaagde transport aan om hier nog-maals over uit te weiden.

25.26. Een ambtsedig proces-verbaal van het Regiokorps Haaglanden, Kernteam Haaglanden/Hollands Midden, COPA IV, nr. 0/AH 429, opgemaakt op 3 april 2000 door B. den Toom en P. de Kok, beiden brigadier-rechercheur en werkzaam binnen het team Copa IV, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten:

Naar aanleiding van de verklaringen van [getuige 16], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] hebben wij een onderzoek ingesteld.

"Verhoor politie, 3 mei 1998, getuigenverklaring G/2/3:

Bewering 7: Blz. 1, laatste alinea:

"Een grote afnemer van [betrokkene 20] is [handelaar 9]]. Hij woont aan de [adres] in [woonplaats]."

Controle: Wij verbalisanten merken op, dat de Rijweg naar Kwatta (Kwattaweg) in Paramaribo bij de bevolking in de volksmond bekendis als eerste-tot en met vierde- rijweg. In het verlengde van de Rijweg naar Kwatta, en dus in het verlengde van de officieuze Vierderijweg, ligt het Garnizoenspad.

In het Surinaamse telefoonboek van 1995 staat op blz. 131 vermeld:

[handelaar 9]],[adres]."

25.27. Het hof bezigt deze verklaringen van [getuige 16], niettegenstaande het feit dat die verklaringen geen betrekking hebben op het tenlastegelegde tijdstip, toch als steunbewijs, omdat die verklaringen het bestaan van een relatie tussen de verdachte en [handelaar 9]] met betrekking tot de cocaïnehandel in Suriname bevestigt en wel reeds in 1993.

26. De met de getuige [mededader 7] door de Staat der Nederlanden gesloten overeenkomst

26.1. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 30 juni 1998, NJ 1998, 799, HR 6 april 1999, NJ 1999, 565 en 566 en HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567) blijkt dat het doen van toezeggingen aan getuigen in strafzaken door het openbaar ministerie in ruil voor het verkrijgen van een verklaring onder bepaalde - nader in de wet te specificeren omstandigheden - rechtmatig kan zijn. Zolang een wettelijke regeling niet tot stand gekomen is gekomen, zal de rechter de concrete omstandigheden van het geval dienen te toetsen aan de in artikel 6 EVRM aan een verdachte gewaarborgde fundamentele rechten en aan de uit artikel 6 EVRM afgeleide beginselen van een behoorlijke procesorde. De Hoge Raad constateert dat het EHRM zich nog niet heeft uitgesproken over het gebruik van bewijsmateriaal dat is verkregen op basis van met verdachten gemaakte afspraken, waarbij door het openbaar ministerie toezeggingen zijn gedaan omtrent de strafvervolging van hen dan wel de executie van de hen betreffende rechterlijke beslissingen. Onder omstandigheden kan de betrouwbaarheid van verklaringen afgelegd door een verdachte nadat door hem en het openbaar ministerie afspraken zijn gemaakt waarbij toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot strafvermindering of strafrechtelijke vervolging nadelig worden beïnvloed door datgene waartoe de verdachte zich bij het afleggen van een getuigenverklaring waardoor een ander wordt belast, verplicht voelt, of door wat hij in zijn belang acht gelet op de gemaakte afspraken. In verband daarmee, aldus nog steeds de Hoge Raad, dient, indien de betrouwbaarheid van de verklaringen door de verdediging wordt betwist, de getuige te worden ondervraagd door een rechter, bij voorkeur op de openbare terechtzitting waar de strafzaak wordt behandeld, waarbij ook de verdediging de gelegenheid krijgt tot het stellen van vragen aan de getuige.

26.2. Bij de stukken bevindt zich een overeenkomst als bedoeld in de Richtlijn afspraken met criminelen (Stcrt. 1997, 61) tussen de Staat der Nederlanden, te dezen in opdracht van het College van Procureurs-Generaal vertegenwoordigd door de hoofdofficier, Hoofd van het arrondissementsparket te Den Haag, en de getuige [mededader 7], geboren op [geboortedatum] 1966. Deze overeenkomst is op 19 maart 1999 door Hoofdofficier en de getuige ondertekend (ordner PV/NR 1/1999).

Deze overeenkomst houdt in:

"IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- de getuige bij uitspraak van het Gerechtshof te Den Haag van 21 december 1998, in de zaak met parketnummer 22/001844.98, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren voor zijn aandeel in de invoer van ongeveer 474 kilo cocaïne, inclusief verpakkingsmateriaal;

de getuige tijdens gesprekken met de behandelend Officier van Justitie en/of rechercheurs van de regiopolitie Haaglanden heeft aangegeven in staat en bereid te zijn tot het afleggen van (een aantal) getuigenverklaringen, in het bijzonder in het kader van de strafzaak tegen [verdachte], met name over de hierna in art. 1.1. te noemen handel in verdovende middelen in georganiseerd verband en de betrokkenheid van [verdachte] en andere personen daarbij;

- de getuige daartoe gedurende een verhoor op 4 maart 1999 en een aanvullend verhoor op 17 maart 1999 uitgebreid heeft verklaard over de betrokkenheid van een aantal personen, onder wie [verdachte], bij de in art. 1.1. van deze overeenkomst bedoelde strafbare feiten, in het bijzonder de invoer van diverse grote partijen cocaïne; van deze verklaringen zijn processen-verbaal opgemaakt, die als bijlagen bij deze overeenkomst zijn gevoegd;

- de getuige bij de totstandkoming van deze overeenkomst heeft aangegeven zich bewust te zijn van de mogelijke risico's die zijn verbonden aan het afleggen van verklaringen als bedoeld in deze overeenkomst;

- de getuige het gebruik van de hiervoor vermelde verklaring als bewijsmiddel, alsmede het afleggen van nadere verklaringen, heeft gebonden aan een aantal voorwaarden, welke voorwaarden in deze overeenkomst worden vastgelegd;

- de Hoofdofficier op grond van de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaringen van mening is dat de door de getuige verschafte en te verschaffen informatie essentieel is voor de bewijsvoering in het strafrechtelijk onderzoek naar [verdachte] en anderen en dat een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van deze informatie en de in art. 2 van de overeenkomst neergelegde tegenprestaties;

- tegen de getuige een vervolging aanhangig is bij de Rechtbank Arnhem, onder parketnummer 05.079267/98;

- deze overeenkomst en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex aan het College van Procureurs-Generaal en op diens verzoek aan de Centrale Toetsingscommissie is voorgelegd; dat het College van Procureurs-Generaal, na advies van de Centrale Toetsingscommissie, heeft ingestemd met het aangaan van deze overeenkomst en zijn beslissing vervolgens op 10 maart 1999 ter kennis heeft gebracht van de Minister van Justitie;

- het College van Procureurs-Generaal op 18 maart 1999 heeft ingestemd met de uiteindelijke inhoud van deze overeenkomst;

- de getuige bij de totstandkoming van deze overeenkomst is bijgestaan door zijn raadslieden, Mr G. Spong en Mr T.B. Trotman.

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

1.1 De getuige verplicht zich vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst telkens overeenkomstig de hem door of vanwege het College van Procureurs- Generaal of de Hoofdofficier gegeven aanwijzingen onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van (nadere) verklaringen tegenover leden van het Openbaar Ministerie of door of vanwege de Hoofdofficier aangewezen ambtenaren als bedoeld in art. 141 Wetboek van Strafvordering (Sv). De verplichting tot het afleggen van deze (nadere) verklaringen heeft in ieder geval betrekking op de handel in verdovende middelen, in het bijzonder cocaïne, en de betrokkenheid daarbij van [verdachte] en anderen die in de verklaringen die als bijlagen bij deze overeenkomst zijn gevoegd worden genoemd.

1.2 Eenzelfde verplichting als onder 1.1 genoemd bestaat ten aanzien van het afleggen van getuigenverklaringen tegenover de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement, en/of de strafkamer van enige Rechtbank of Gerechtshof in het kader van de strafrechtelijke vervolging, waaronder begrepen het op naam en zonder vermomming afleggen van verklaringen in een openbare terechtzitting, tenzij het Openbaar Ministerie vermomming noodzakelijk acht.

1.3 De getuige zal bij gelegenheid van de hiervoor onder 1.1 en/of 1.2 genoemde verhoren niet weigeren te verklaren over zijn eigen (al dan niet strafrechtelijk relevante) betrokkenheid bij de feiten die worden genoemd in de verklaringen zoals neergelegd in de bijgevoegde processen-verbaal. Hij zal zijn verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen.

1.4 De getuige verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat de inhoud van zijn verklaringen, zoals deze blijkt uit de processen-verbaal die als bijlagen bij deze overeenkomst zijn gevoegd, volledig op waarheid berust.

2.1 Bij onverkorte nakoming van het onder 1 overeengekomene zal de Hoofdofficier bevorderen dat:

a)

1. indien het door de getuige ingediende beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof Den Haag van 21 december 1998 wordt verworpen:

het Openbaar Ministerie een positief advies zal uitbrengen ten aanzien van een door de getuige in te dienen gratieverzoek met betrekking tot de door het Hof Den Haag opgelegde gevangenisstraf van acht jaren, in dier voege dat zal worden geadviseerd dat de tenuitvoerlegging van deze straf middels gratie effectief met 21 maanden zal worden verminderd;

2. indien de Hoge Raad in de procedure naar aanleiding van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof Den Haag van 21 december 1998 verandering aanbrengt in de gevangenisstraf van acht jaar:

het Openbaar Ministerie een positief advies zal uitbrengen ten aanzien van een door de getuige in te dienen gratieverzoek met betrekking tot de uiteindelijk opgelegde gevangenisstraf, in dier voege dat zal worden geadviseerd dat de tenuitvoerlegging van deze straf middels gratie effectief met een derde zal worden verminderd;

3. indien de Hoge Raad in de procedure naar aanleiding van het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Hof Den Haag van 21 december 1998 de zaak verwijst of terugwijst:

het Openbaar Ministerie zijn strafeis na verwijzing of terugwijzing in dier voege zal aanpassen dat deze een vermindering van een derde van de te vorderen gevangenisstraf inhoudt;

b) het Openbaar Ministerie een positief advies zal uitbrengen ten aanzien van door de getuige in te dienen verzoeken om begeleid verlof dan wel om schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarde dat de getuige begeleiding zal dulden, ter gelegenheid van de verjaardag van zijn minderjarige dochter, op 13 juni 1999 en op 13 juni 2000.

2.2 Indien de getuige het verzoek daartoe doet en het Openbaar Ministerie van oordeel is dat nadere maatregelen ter bescherming van de veiligheid van de getuige geboden zijn, zullen daartoe zo nodig in een afzonderlijke overeenkomst nadere regels worden gesteld.

3.1 De Hoofdofficier heeft het recht deze overeenkomst schriftelijk te ontbinden in geval:

a) de getuige enige voorwaarde uit deze overeenkomst niet, niet volledig of niet naar behoren nakomt;

b) uit verklaringen van de getuige dan wel anderszins blijkt dat de getuige in de verklaringen, neergelegd in de processen-verbaal die als bijlagen bij deze overeenkomst zijn gevoegd, niet volledig de waarheid heeft gesproken dan wel essentiële informatie niet heeft verschaft;

c) de getuige in nadere verhoren als bedoeld in art. 1.1 en 1.2 van deze overeenkomst niet de volledige waarheid spreekt, dan wel essentiële informatie niet verschaft.

3.2 Ontbinding van deze overeenkomst heeft tot gevolg dat de hiervoor onder 2 genoemde verplichtingen van de Hoofdofficier vervallen. Ontbinding van de overeenkomst heeft niet tot gevolg dat de in deze overeenkomst genoemde of de ter uitvoering van het bepaalde in art. 1.1 en 1.2 afgelegde verklaringen van de getuige niet meer mogen worden gebruikt ten behoeve van de opsporing en strafvervolging van enig strafbaar feit door het Openbaar Ministerie in Nederland of de justitiële autoriteiten van enig ander land waarmee Nederland een rechtshulpverdrag heeft gesloten.

4.1 De getuige zal vanaf het moment van ondertekening van deze overeenkomst, behoudens het onder 4.2 gestelde, op geen enkele wijze tegenover derden, met uitzondering van zijn raadslieden, Mr G. Spong en Mr T.B. Trotman, of een door Mr Spong of Mr Trotman aangewezen andere raadsman, melding maken van deze overeenkomst en de (inhoud van de) daarin opgenomen verklaringen.

4.2 De getuige zal rechtstreeks noch door middel van een derde, onder wie zijn raadsman, anders dan tegenover de Rechter-Commissaris, belast met strafzaken in enig arrondissement, of in een (openbare) terechtzitting van de strafkamer van enige Rechtbank of Gerechtshof, mededeling doen over de totstandkoming van deze overeenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering is of wordt gegeven. Het is getuige toegestaan deze overeenkomst als bijlage bij een door hem in te dienen gratieverzoek en in de onder 2.1 sub b in te dienen verzoeken om verlof dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis te voegen.

5. De Hoofdofficier zal rechtstreeks dan wel door tussenkomst van het Openbaar Ministerie te Arnhem de Rechtbank Arnhem en - in geval de in de considerans van deze overeenkomst genoemde vervolging, die is aangevangen onder parketnummer 05.079267198, in hoger beroep wordt voortgezet - het Hof Arnhem in kennis stellen van de inhoud van deze overeenkomst en de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven.

6. De getuige doet afstand van enig mogelijk recht op vergoeding, buitenwettelijke compensatie of schadeloosstelling terzake respectievelijk ten gevolge van zijn in deze overeenkomst opgenomen verplichtingen en de ook overigens door de getuige aan het Openbaar Ministerie verleende medewerking.

7. De verplichtingen voor de Staat uit hoofde van deze overeenkomst hebben slechts betrekking op verplichtingen van het Openbaar Ministerie en brengen geen verplichtingen voor andere organen van de Staat der Nederlanden met zich.

8. Wijzigingen of aanvullingen van deze overeenkomst worden schriftelijk vastgelegd en als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd.

26.3. De officier van justitie, mr. E.D. Harderwijk, heeft op 28 april 1999 een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt inzake de met de getuige [mededader 7] gesloten overeenkomst (ordner PV/NR 1/1999).

Blijkens dit proces-verbaal heeft mr. Harderwijk overeenkomstig het bepaalde onder 5.3 in de Richtlijn afspraken met criminelen van 1 april 1997 (Stcrt. 1997, 61), een journaal bijgehouden van elke stap teneinde te komen tot een de afspraak met [mededader 7] in de strafzaak tegen [verdachte].

Dit proces-verbaal houdt het volgende in:

“In oktober 1997 heeft [mededader 7] tijdens zijn verhoor als verdachte in zijn eigen strafzaak aan de verbalisanten "off the record" medegedeeld, dat hij geen openheid van zaken wil geven over het transport waarvan hij verdacht wordt. Hij verklaarde dat hij eventueel later, indien hij terzake tot een hoge vrijheidsstraf veroordeeld zou worden, bereid zou zijn om een verklaring af te leggen over de organisatoren van het betreffende transport. Hij heeft daar toen de naam van [verdachte] genoemd.

In januari 1999 bereikte mij het bericht dat [mededader 7] door het Hof Den Haag veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 8 jaar.

In februari 1999 heb ik opdracht gegeven aan leden van het COPA-team, om met [mededader 7] een gesprek aan te gaan om te bezien of hij bereid was een verklaring af te leggen over de organisatoren van het transport. Daarbij uitdrukkelijk vermeld dat het een oriënterend gesprek moest zijn.

Op 24 februari 1999 kreeg ik van het team (Reterink) het volgende telefonische bericht.

[Mededader 7] kan een verklaring afleggen over de organisatoren van het transport waarvoor hij is veroordeeld. Hij is bereid om dat te doen, maar hij wenst als tegenprestatie een strafvermindering van 2 jaar.

Volgens [mededader 7] is [verdachte] de organisator van het transport. Hij heeft direct met [verdachte] onderhandelingen terzake gevoerd.

[Mededader 7] vertelde tevens dat hij nog een strafzaak in Arnhem had lopen, waarbij hij vroeg of een eventuele afspraak daarop ook betrekking had.

Ik heb vervolgens aan het team medegedeeld, dat ik akkoord ga met het verder aftasten van de mogelijkheden.

Daarbij moet aan [mededader 7] duidelijk worden gemaakt, dat wij slechts belangstelling hebben indien hij een verklaring op naam geeft, die gebruikt wordt in het strafproces en waarbij hij bereid moet zijn die verklaring op de openbare terechtzitting af te leggen.

Een eventuele tegenprestatie zal slechts betrekking hebben op de Rotterdamse zaak, niet op de zaak in Arnhe

Tevens moet [mededader 7] duidelijk worden gemaakt, dat alvorens beslist kan worden over een eventuele afspraak met hem, eerst duidelijk moet zijn wat hij eventueel kan verklaren.

Verder moet hem uitgelegd worden de procedure voor een eventuele deal. Te weten een toestemming van het College van Procureurs-Generaal, na advisering door de Centrale Toetsingscommissie.

Daarvoor is het nodig, dat hij eerste een verklaring op papier aflegt, welke verklaring gebruikt zal worden bij het verkrijgen van de toestemming om een afspraak met hem te maken.

Door mij is het team gezegd geen enkele toezegging aan [mededader 7] te doen, behalve de toezegging dat zijn op schrift af te leggen verklaring slechts dan gebruikt zal worden indien een overeenkomst met hem terzake wordt gesloten.

Ik heb Reterink opdracht gegeven genoemde punten met [mededader 7] te bespreken. Tevens heb ik Reterink gezegd [mededader 7] te adviseren een advocaat in de arm te nemen die hem kan bij staan in het eventueel sluiten van een overeenkomst.

Op 24 februari 1999 heeft collega Mooijen telefonisch overleg gevoerd met de Hoofdofficier van Justitie mr. Van Gend, die toestemming gaf om met de voorbereiding van de afspraak voort te gaan.

Op 26 februari 1999 heeft Reterink mij telefonisch medegedeeld, dat hij zojuist een gesprek met [mededader 7] had gehad, waarbij de genoemde punten ter sprake zijn gekomen.

[Mededader 7] gaat akkoord met de punten. Hij verklaarde momenteel geen behoefte te hebben aan de bijstand van een advocaat. Tevens verklaarde hij geen probleem te hebben met het feit dat de afspraak slechts betrekking zou hebben op de strafzaak waarbij hij door het Hof Den Haag tot een gevangenisstraf van 8 jaar was veroordeeld.

Inhoudelijk had [mededader 7] aangegeven dat het transport waarvoor hij veroordeeld was georganiseerd was door [verdachte] en [handelaar 9]. Tevens gaf hij aan dat hij terzake dat transport daadwerkelijk met [verdachte] onderhandeld had. Met [mededader 7] is de nadere afspraak gemaakt, dat hij van 3 tot en met 5 maart gelicht zou worden door het COPA-team en dat dan een verklaring van hem op papier zou worden afgenomen.

Op woensdag 3 maart 1999 ontving ik de concept verklaring [mededader 7].

Op donderdag 4 maart 1999 te 13.30 uur heb ik in aanwezigheid van G.H. Groeneboer en Slobbe, belden brigadier-rechercheur van de politie Haaglanden, een gesprek gehad met [mededader 7] in de bewaarplaats van het hoofdbureau van politie te Den Haag.

Daarbij heb ik hem geadviseerd een advocaat te nemen. Hij verklaarde op dit moment geen behoefte te hebben aan een advocaat. Hem uitgelegd, dat dit voor zowel hemzelf als voor de waarde van de overeenkomst van groot belang was. Hem daarbij aangegeven dat het natuurlijk zijn eigen beslissing is, maar dat het risico aanwezig is dat hij een overeenkomst gaat sluiten waarvan hij de reikwijdte niet geheel en al doorgrondt.

Hij verklaarde hierover nog te zullen nadenken en later een beslissing te zullen nemen.

Ik heb hem uitgelegd dat we ons momenteel in de fase van voorbereiding op een overeenkomst bevonden, waarbij uitdrukkelijk nog niets vast stond.

Hem uitgelegd, dat we slechts voortgaan met de voorbereiding van een overeenkomst indien: hij bereid was een verklaring naar waarheid ter zitting af te leggen; hij bereid was die verklaring zonder bijzondere maatregelen af te leggen, dwz geen baarden, petjes en dergelijke, waarbij hij voor de procespartijen (rechters, advocaten, verdachten en OM) duidelijk zichtbaar zou zijn; de tegenprestatie maximaal 1/3 van zijn straf zou betreffen; hij bereid was om zijn verklaring op papier te zetten, voorafgaand aan het in gang zetten van het besluitvormingsproces bij het College van Procureurs- Generaal;

Door mij is aan [mededader 7] de procedure omschreven in de Richtlijn afspraken met criminelen uitgelegd. Daarbij aangegeven dat een eventuele tegenprestatie -zoals de stand van zaken in zijn eigen strafzaak thans is- formeel in een positief gratieadvies zal worden gegoten.

Op vrijdag 5 maart 1999 heb ik ontvangen de ongetekende verklaring van [mededader 7], zoals door hem afgelegd bij Groeneboer en Slobbe.

Op vrijdag 5 maart 1999 heb ik deze verklaring naar de CTC per fax verzonden.

Op maandag 8 maart 1999 heb ik de voorgestelde deal toegelicht aan de CTC.

Daarbij zijn met name de vragen van proportionaliteit en subsidiariteit ter sprake gekomen.

Op dinsdag 9 maart 1999 heb ik samen met collega Mooijen overleg gevoerd met de mr. Bitter, Landsadvocaat, teneinde een concept overeenkomst te laten maken.

Op dinsdag 9 maart 1999 heb ik samen met de Hoofdofficier van justitie mr. Van Gend, de voorgestelde deal toegelicht aan het College van Procureurs-Generaal. Daarbij zijn net als bij de CTC met name de vragen van proportionaliteit en subsidiariteit ter sprake gekomen.

Tijdens de vergadering werd door het College medegedeeld, dat de CTC positief heeft geadviseerd.

Aan het eind van de vergadering deelde het College mede dat ingestemd werd met het voorstel tot het sluiten van een deal met [mededader 7], waarbij opgemerkt werd dat terzake een schriftelijke overeenkomst moet worden gesloten. Tevens is opgemerkt dat het aspect van getuigenbescherming in de overeenkomst meegenomen moet worden.

Op woensdag 10 maart 1999 werd mij door procureur-generaal Blok telefonisch medegedeeld, dat de Minister van Justitie op 10 maart 1999 met het besluit van het College van Procureurs-Generaal heeft ingestemd.

Op donderdag 11 maart 1999 opdracht gegeven aan het team om [mededader 7] te lichten voor 16 en 17 maart 1999, teneinde de overeenkomst met hem te sluiten.

Tevens overleg gevoerd met de landsadvocaat over de inhoud van de overeenkomst.

Op 15 maart 1999 ontving ik telefonisch bericht van de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal (mr. Ficq), dat de Minister van Justitie op 10 maart 1999 het besluit van het College van Procureurs-Generaal heeft ingestemd.

Op dinsdag 16 maart 1999 te 12.00 uur heb ik in aanwezigheid van G.H. Groeneboer en Slobbe, beiden brigadier-rechercheur van de politie Haaglanden, wederom een gesprek gehad met [mededader 7] in de bewaarplaats van het hoofdbureau van politie te Den Haag.

Daarbij heb ik hem op de hoogte gebracht van de stand van zaken met betrekking tot de afspraak met he

Hij verzocht of het, naast hetgeen reeds eerder was besproken als tegenprestatie, tevens mogelijk was om op de verjaardag van zijn dochter telkens een dag begeleid verlof te krijgen. Hem toegezegd dit te trachten in de overeenkomst op te nemen. Tevens verzocht hij mij om contact op te nemen met zijn advocaat mr. Spong met het verzoek hem bij te staan bij het sluiten van de overeenkomst.

Op dinsdag 16 maart 1999 heb ik telefonisch contact opgenomen met het kantoor van mr. Spong. Kort daarna belde mr. Spong mij. Heb hem de boodschap van [mededader 7] doorgegeven en tevens aangegeven waarover [mededader 7] met hem wilde spreken. Mr. Spong zegde toe heden contact met [mededader 7] op te nemen, maar dat hij nog niet zeker wist of hij dan wel een kantoorgenoot [mededader 7] bij de overeenkomst zou bijstaan.

Op 16 maart 1999 te 14.50 uur belde mr. Spong met de mededeling dat hij en mr. Trotman bij [mededader 7] waren geweest en hij vroeg mij of de Arnhemse zaak bij de afspraak betrokken kon worden. Hem medegedeeld dat dat niet kon.

Vervolgens vroeg Spong of in de Arnhemse zaak het bestaan van de overeenkomst kon worden bevestigd. Hem medegedeeld dat dat wel kon.

Op 16 maart 1999 te 17.30 uur deelt mr. Bitter, landsadvocaat, telefonisch mede, dat zij overleg heeft gehad met mr. Spong en dat [mededader 7] graag in de overeenkomst wil hebben, dat indien het cassatieberoep in zijn zaak voor hem succesvol verloopt, de overeenkomst in de Arnhemse zaak zal worden ingebracht.

Mr. Bitter mijn eerdere standpunt terzake (zie hiervoor) medegedeeld.

Op 17 maart 1999 te 11.00 uur deelt mr. Bitter mij mede dat mr. Spong akkoord is met het feit dat in Arnhem de inhoud van de overeenkomst en de wijze van tenuitvoerlegging van de overeenkomst wordt medegedeeld. Dit wordt ook zo in de overeenkomst vastgelegd.

Tevens deelt mr. Bitter mede dat in de overeenkomst wordt opgenomen dat indien [mededader 7] dit verzoekt en indien het Openbaar Ministerie zulks noodzakelijk acht, er nadere maatregelen genomen zullen worden ter bescherming van zijn veiligheid.

Op 17 maart 1999 19.45 uur een gesprek gehad met [mededader 7], waarbij hij aangaf te blijven bij de verklaring zoals door hem aan de politie afgelegd op 3 en 4 maart 1999.

Op 17 maart 1999 te 20.30 uur heeft mr. Trotman overleg met [mededader 7]. Na dit overleg tekent [mededader 7] de overeenkomst.

Op 18 maart 1999 te 9.00 uur heb ik de overeenkomst aan de hoofdofficier van justitie mr. Van Gend gegeven. Om 9.35 heeft mr. Van Gend verklaard akkoord te gaan en mij verzocht de overeenkomst voor te leggen aan het college van Procureurs- Generaal, teneinde hen ook de overeenkomst te laten bekijken.

Op 18 maart 1999 te 9.40 uur heb ik de overeenkomst aan de procureur-generaal mr. Blok gegeven. Mr. Blok deelde mede heden de overeenkomst aan de Minister van Justitie te zullen melden.

Op 18 maart 1999 14.00 uur is in overleg met mr. Blok de overeenkomst in zoverre gewijzigd, dat daarbij de in acht genomen procedure van advies van de Centrale Toetsingscommissie, de instemming van het college en het ter kennis brengen aan de Minister duidelijker is omschreven. Voor het overige was het College akkoord met de inhoud van de overeenkomst.

Na overleg met mr. Bitter en Mr. Spong is de wijziging in de overeenkomst aangebracht.

In overleg met mr. Spong is op 19 maart 1999 verbalisant Slobbe met de gewijzigde overeenkomst naar [mededader 7] gegaan en is de gewijzigde overeenkomst door [mededader 7] getekend.

Op 19 maart 1999 te 18.30 uur is de gewijzigde overeenkomst door mr. Van Gend getekend.”

26.4. Aangezien de betrouwbaarheid van de door de getuige [mededader 7] afgelegde verklaring door de verdediging werd betwist, is mr. Harderwijk door het hof ter terechtzitting van 28 maart 2000 ondervraagd, waarbij ook de verdediging de gelegenheid heeft gekregen tot het stellen van vragen aan de getuige.

Mr. Harderwijk heeft toen onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard:

De overeenkomst is niet schriftelijk ontbonden als bedoeld in 3.1 sub a in die overeenkomst. Dat is afhankelijk van de vraag of hij nog presteert in hoger beroep. Als hij alsnog presteert dan doen wij dat wellicht ook. [Mededader 7] weet hiervan via zijn advocaat. Direct na of tijdens de zitting in eerste aanleg, nadat [mededader 7] aangegeven had niet te zullen presteren, hebben wij gezegd niet te zullen presteren maar wellicht wel na een prestatie van zijn kant in hoger beroep. Volgens mij is dat aan zijn advocaat mr. Spong zo gezegd en niet schriftelijk vastgelegd.

Wij sluiten een overeenkomst in de veronderstelling dat beide partijen zich er aan houden. Er zijn politieverklaringen afgelegd die gebruikt zouden worden voor onze beslissing van wel of geen deal met de getuige hebben wij gezegd. Als er geen deal gesloten zou worden zouden we de verklaringen niet gebruiken. De overeenkomst is gesloten en de verklaringen zijn ingebracht. Voorwaarde was het sluiten van de overeenkomst en daaraan is voldaan. De inhoud van de overeenkomst was dat de verklaringen bij de politie juist waren, en dat de getuige zo vaak als nodig een verklaring onder ede zou afleggen ter terechtzitting. Bij de totstandkoming van de overeenkomst was er bijstand van de landsadvocaat. Over een overmachtsituatie hebben wij het niet gehad in mijn aanwezigheid.

Er is uitgebreid over de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit gesproken en wij vonden dat het zo was. Er is volledige informatie en openheid van zaken gegeven door [mededader 7].

26.5. De getuige [mededader 7] zelf is over de gesloten overeenkomst ter terechtzitting van 5 april 2000 ondervraagd, waarbij ook de verdediging in de gelegenheid is gesteld om vragen te stellen.

De getuige [mededader 7] heeft onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard:

Vorig jaar februari kwamen twee rechercheurs in Zwolle. Ik heb gezegd te moeten nadenken. Later ben ik naar Den Haag gegaan en is de overeenkomst besproken en tot stand gekomen. Zij zijn mij het eerst komen opzoeken. Ik heb hen niet gebeld of een sein gegeven.

Er is geen initiatief van mij uit gegaan. Eind februari ben ik geconfronteerd met de mogelijkheid van een overeenkomst. Ik denk dat Groeneboer en Slobbe bij mij zijn gekomen en gevraagd hebben of ik wil meewerken. De exacte bewoordingen weet ik niet meer. De eerste vraag die zij hadden was of ik bereid was een gesprek over die zaak in Den Haag te voeren. Ik wist verder niet wat zij van mij verwachtten of wat de mogelijkheden waren.

Er zijn telefoonnummers en adressen van mensen in Suriname gevonden en ik denk dat men zo het verband gelegd heeft. Vanaf het begin was duidelijk over wie het ging, vanaf het eerste voorstel. De naam is later gekomen.

Ik denk dat aan mij gevraagd is wie de grote mensen achter de transporten waren en dat door mij voor het eerst de naam is genoemd. Dat was tijdens de derde afspraak in Den Haag. Op 24 februari 1999 was het eerste gesprek. Toen is niet inhoudelijk op de zaak ingegaan. Een week later ben ik naar Den Haag gebracht en ben daar twee tot drie dagen gebleven; toen is de naam gevallen. Dat was een week na 24 februar

In de PI Zwolle hebben 2 gesprekken plaatsgevonden over mijn bereidheid om naar Den Haag te komen. Ik heb na het eerste gesprek bedenktijd gevraagd, toen heeft 2 dagen later het tweede gesprek plaatsgevonden en op woensdag ben ik gelicht en naar Den Haag gebracht.

Er zijn 2 rechercheurs verschillende malen bij mij geweest. Ik heb het dan over oktober 1997. Ik wilde toen niets zeggen. Voor hen was duidelijk van wie de partij was en zij hebben mij duidelijk gemaakt dat zij terug zouden komen. Toen is niet de naam [verdachte] genoemd. Die naam is pas in 1998 in Den Haag genoemd. Begin maart 1998 na mijn lichting, of nee, ik bedoel 1999.

Ik heb niet gezegd dat ik rechtstreeks zaken had gedaan met mensen in Suriname, waaronder [verdachte]. Het was misschien wel op te maken uit mijn verklaring, maar ik heb toen geen naam genoemd. Pas in maart 1999 heb ik voor het eerst de naam van [verdachte] genoemd. Iedereen wist wel waar het over ging.

Ik zal de naam [verdachte] niet genoemd hebben. Ik heb drie mensen genoemd. In de eerste week van maart kwam de naam naar boven. Zij wisten dat ik namen wist en toen is dat gezegd.

Het was voor mij duidelijk dat onder bereidheid om mee te werken werd verstaan dat ik de naam van [verdachte] zou noemen.

In het begin zag mijn zaak er goed uit. Mr. Spong dacht dat ik er tussenuit zou springen en ik had nog de hoop dat mijn zaak zou stuklopen.

Mijn motief om mee te werken was strafvermindering.

Ik had in die zaak nog geen verklaring afgelegd en men heeft mij nooit gevraagd of ik zonder meer een verklaring wilde afleggen.

Tot maart vorig jaar heb ik mij op mijn verschoningsrecht beroepen.

In het begin kreeg ik van mijn raadsman de raad gebruik te maken van mijn verschoningsrecht. In hoger beroep bleek dat dat de verkeerde beslissing was gelet op de strafmaat. Mijn houding bleek schadelijk voor de straf. Toen kwamen de rechercheurs twee maanden later en stond ik er heel anders tegenover.

Ik heb mijn verklaringen van 4 maart 1999 en 17 maart 1999 volledig en zonder voorbehoud afgelegd.

Bij de rechtbank heb ik alleen aangegeven dat ik geen afstand van mijn verklaringen deed. De veiligheid van mijn vriendin en dochter waren in het geding. Vanmorgen is er ook over gesproken. Er zijn eerder oplossingen geboden die niet zijn uitgevoerd. Het is iets waar ik niets aan kan doen.

Ik heb naar waarheid verklaard.

Ik wil nu wel verklaren in tegenstelling tot destijds bij de rechtbank, omdat nu maatregelen zijn genomen. Na de vorige zitting zijn afspraken gemaakt. Die afspraken zijn op het gebied van beveiliging. Die afspraken staan op papier, ik heb het nog niet gezien, maar heb dat wel van mr. Spong gehoord.

Op 4 maart heb ik mijn eerste verklaring afgelegd. Toen was de overeenkomst nog niet ondertekend. De zaken liepen samen. De papieren met mijn verklaringen zijn blijven liggen en uiteindelijk heb ik alles tegelijk later ondertekend.

Ik heb eerst een verklaring afgelegd en pas daarna is over de overeenkomst gesproken. Ik heb eerst in mijn verklaring gezegd wat ik wist en dan pas is het contract opgesteld. Mr. Spong heeft het nagekeken en ik heb het toen ondertekend.

Het was een kwestie van vertrouwen; dat moet er op een bepaald moment zijn anders gaat het niet.

Spong is gebeld toen alles op papier stond, 15 of 16 maart.

Er is gezegd dat als ik in hoger beroep mijn verklaring bevestig, het contract weer bestaat.

Mr. Spong heeft me gewezen op het feit dat de overeenkomst schriftelijk ontbonden moet worden en de Haagse rechercheurs Groeneboer en Slobbe hebben een bezoek aan mij gebracht in het huis van bewaring. Zij hebben mij in september of oktober vorig jaar bezocht. Zij hebben mij vaker bezocht. Het ging meer over hoe het buiten ging en hoe ik tegenover een eventuele verklaring stond. Zij zijn steeds een half uur tot drie kwartier bij mij geweest.

Er is gesproken over hoe het mij verging in het huis van bewaring. Ook is gesproken over het feit dat er stukken zijn gelekt naar de pers. Er was de afspraak gemaakt dat de stukken opgeborgen zouden worden maar enige tijd daarna stond alles in de krant. Ook is er gesproken over mijn situatie in het huis van bewaring na het uitlekken. Inhoudelijk is niet over de zaak gesproken.

Er is gezegd dat het contract bleef bestaan.

De verklaringen zouden pas worden gebruikt als de overeenkomst werd gesloten. En dat was een punt van vertrouwen.

Op de dag van ondertekening van de overeenkomst kwam de advocaat in beeld. Mr. Spong heeft toen de overeenkomst nagelezen en nog wat punten toegevoegd.

Ik dacht pas een advocaat nodig te hebben als ik iets zou tekenen. Ik was niet op de hoogte van de reikwijdte van een en ander.

Ik heb op 4 maart 1999 een verklaring afgelegd en die is later gebruikt. Tot 16 maart 1999 had ik geen bijstand van een advocaat. Dat hield verband met het feit dat de verklaring pas gebruikt zou worden na het sluiten van de overeenkomst.

Ik ben mijn verplichtingen genoemd in de overeenkomst niet nagekomen. De overeenkomst is nog niet ontbonden. Ik begreep dat het een soort goodwill van hun kant was.

Er is niet gesproken over een tegenprestatie in de vorm van het niet toepassen van een straf of maatregel, zoals wederrechtelijk verkregen voordeel. Er was ook geen indicatie voor een dergelijke maatregel. Dan is het beter daar ook niet zelf over te beginnen.

Er is mij gezegd: stel dat er een straf van 8 à 10 jaar volgt, kan er dan een verklaring komen? Zo is men verdergegaan en er zijn daarbij geen concrete dingen of namen genoemd.

De verbalisanten waren Vincenten en Groeneboer. Zij zijn op bezoek gekomen in Zoetermeer. Zij begonnen te vertellen over de zaak en dat het een gelopen zaak was. Vincenten heeft notities gemaakt op een kladblok en heeft gezegd dat een derde van de straf eraf tot de mogelijkheden zou behoren als ik later zou verklaren. Ik heb geluisterd en niets bevestigd of ontkend. Er was geen voorstel maar het was een hypothese. Zij hebben gezegd dat er hooggeplaatste mensen bij waren, waar zij al jaren naar aan het zoeken waren. Er is geen naam uitgesproken. Het waren enkel veronderstellingen van de rechercheurs. Ik dacht dat ik in een getuigenbeschermingsprogramma zat, maar het blijkt van niet.

Mijn bereidheid om een verklaring af te leggen houdt verband met getroffen veiligheidsmaatregelen.

Ik heb maar één verklaring afgelegd en dat is deze, die is nooit veranderd.

Er is eerst gesproken over wat verklaard kon worden. Er is alleen maar gesproken en er is niets op papier gezet.

Ik heb nooit stukken onder ogen gekregen met betrekking tot de strafbare feiten waarover ik heb verklaard, bij voorbeeld processen-verbaal.

De verbalisanten hebben naar aanleiding van mijn verklaring niet gesproken over wijzigingen of onjuistheden in die verklaring. Er waren een paar punten waarop zij meer duidelijkheid wilden. Ik dacht dat ik mijn verklaring van 4 maart op 17 maart heb ondertekend.

De verklaring van 4 maart en de conceptverklaring van 3 maart zijn een en dezelfde verklaring. Op bepaalde punten hebben zij meer duidelijkheid gevraagd. Ik kon niet duidelijker zijn en dus is er niets gebeurd. Zowel tijdens, als na het afleggen van de verklaring, maar vóór de ondertekening daarvan, stelden zij vragen ter verduidelijking. Ik kon niet duidelijker zijn.

De reden om een verklaring tegen [verdachte] af te leggen was de volgende. Het was een moeilijke periode. Ik had de strafvermindering voor ogen. Iedereen die vastzit is graag zo snel mogelijk thuis.

Ik heb in het kader van mijn eigen strafzaak niet inhoudelijk verklaard. Ik heb steeds een beroep gedaan op mijn zwijgrecht en niet inhoudelijk verklaard. Ik heb naar waarheid verklaard, in zoverre als dat mogelijk was zonder belasting van mijzelf. Ik heb wel dingen weggelaten. In de verklaringen in 1997 heb ik punten weggelaten.

Mij wordt voorgehouden de volgende passage uit het proces-verbaal van mr. Harderwijk: “In januari 1999 bereikte mij het bericht dat [mededader 7] door het Hof Den Haag veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 8 jaar. In februari 1999 heb ik opdracht gegeven aan de leden van het COPA-team, om met [mededader 7] een gesprek aan te gaan om te bezien of hij bereid was een verklaring af te leggen over de organisatoren van het transport. Daarbij uitdrukkelijk vermeld dat het een oriënterend gesprek moest zijn.” Deze beschrijving van de gebeurtenissen is volgens mijn beleving adequaat. Ik had toen niet aangegeven dat ik beducht was voor bedreigingen.

Ook van de andere zijde, van verbalisanten, is niet aangegeven dat er wellicht gevaar kon ontstaan.

Ik ben niet gewezen op het gevaar dat kon ontstaan als ik zou verklaren. Dat is niet aan de orde geweest tot het moment dat mr. Spong de overeenkomst heeft gelezen. Mij is door mr. Harderwijk gezegd dat wettelijk een strafvermindering van 30 of 33 procent mogelijk is. In het overleg met mr. Spong bleek ook dat dit de juridische mogelijkheid was; ik had me daarnaar te schikken.

De strafkorting is door de verbalisanten en mr. Harderwijk aan de orde gesteld. Het is nooit mijn voorstel geweest. Van mijn kant heb ik alleen gevraagd om schorsing in verband met de verjaardag van mijn dochter.

Eind februari is tegen mij gezegd dat ik een verklaring zou afleggen zonder dat mijn naam werd genoemd; verder zou ik worden vermomd met stemvervorming.

Toen ik in Den Haag kwam zei men dat het niet kon, en dat ik op naam moest verklaren in verband met het feit dat er al tientallen anonieme verklaringen waren. Toen was dus duidelijk dat ik op naam moest verklaren.

In eerste instantie, eind februari, voor de lichting, dacht ik dat ik anoniem zou verklaren. Op 4 maart toen ik in Den Haag kwam bleek mij dat ik niet anoniem zou verklaren. Men heeft mij uitgelegd hoe het zou gebeuren: met een baard, bril en helm, waarbij mijn naam alleen bij de rechtbank en het openbaar ministerie bekend zou zijn; dat is in het begin gezegd.

Ik heb met verbalisanten gesprekken gehad en tot 3 of 4 maart verkeerde ik in de veronderstelling dat ik anoniem verklaringen af zou leggen. Dus tot vlak voor het moment dat ik mijn verklaring op naam heb afgelegd. Ik zat toen al daar.

Vanaf 3 maart zijn er concrete afspraken gemaakt, daarvóór niet.

In de gesprekken met de verbalisanten verkeerde ik nog in de veronderstelling dat ik anoniem zou gaan verklaren. Ik was daarom niet bang voor enige bedreiging. Maar het is opgelost: mijn naam zou twee weken voor de zitting bekend worden omdat op dat moment mijn verklaringen naar de rechtbank en naar de raadsman zouden worden gestuurd; verder zou ik bij mijn verhoor bij de rechtbank onherkenbaar zijn en zou mijn naam uit de pers worden gehouden. De situatie is nu volledig anders. Mijn naam is wel bij de pers bekend geworden.

In de eerste gesprekken is gesproken over de mogelijkheid anoniem een verklaring af te leggen, er is echter geen afspraak over gemaakt, ik ging er alleen van uit. Als er een afspraak was gemaakt was ik er zeker van geweest. Ik had het gevoel gekregen uit het gesprek, door wat er werd verteld, dat ik niet op naam zou hoeven verklaren. Nogmaals het waren geen concrete afspraken; het waren pas de eerste gesprekken.

Het kwam op mij eind februari zo over dat ik anoniem zou verklaren; begin maart bleek dat het anders was. Het was een oriënterend gesprek, niet concreet. Een andere voorstelling was ook voorstelbaar. Er is mij geen toezegging gedaan dat ik anoniem zou kunnen verklaren. Er was absoluut geen sprake van toezeggingen. De rechercheurs kunnen die beslissing ook niet nemen. Ik heb in februari in Zwolle de vraag aan de rechercheurs gesteld en zij hebben gezegd: wij veronderstellen dat wel. Het was naar aanleiding van mijn vragen of ik op naam of anoniem kon verklaren. Daaraan heb ik de verwachting ontleend. Ik heb uiteindelijk van Groeneboer gehoord dat ik toch op naam moest verklaren en hij heeft gezegd dat het van mr. Harderwijk kwa

Op 3 maart was direct duidelijk dat zij het eerder verkeerd hadden voorgesteld. De verbalisanten hebben mij gezegd dat de eerder gegeven informatie niet juist was. Zij hebben gezegd dat het was veranderd. Het zou kunnen dat ik op 4 maart een onderhoud heb gehad met mr. Harderwijk. Ik weet absoluut niet meer wat toen is besproken. Ik weet ook niet hoe lang het heeft geduurd. Ik heb hem een paar keer gezien. Dat Slobbe en Groeneboer er waren klopt, maar verder weet ik het echt niet meer. Was het op dag 2 dat ik daar was? Ik weet niet wat besproken is. Mr. Harderwijk heeft zich voorgesteld, het was de eerste keer dat ik hem zag. Voordat ik in Den Haag kwam heb ik mr. Harderwijk nooit ontmoet. Het zou kunnen dat mr. Harderwijk mij toen heeft geadviseerd een advocaat te nemen. Ik zal het toen geweigerd hebben omdat ik het nut of het belang er toen nog niet van inzag. Ik weet niet of mijn verklaring toen al rond was. Ik denk dat ik mijn verklaring al had afgelegd, maar ik ben er niet honderd procent zeker van. Volgens mij is niet over de inhoud gesproken, maar ik kan me het gesprek niet herinneren. Los van de overeenkomst zijn mij geen financiële toezeggingen gedaan. Ik heb daar niet om gevraagd. Over onkosten van mijn beveiliging is wellicht wel gesproken, maar verder is niets financieels besproken. Ik heb daar nooit aan gedacht.

Er was sprake van een concrete bedreiging. Dat was vóór de zitting bij de rechtbank.

Ik ben helemaal niet getraind in het afleggen van verklaringen, ook niet in de wijze waarop je antwoorden moet geven. Ik heb geen inzage gehad in het verhoor van [betrokkene 17] . 14 februari 2000. Er is met mij niet gesproken over de inhoud van zijn verklaring. Het is de eerste keer dat ik verneem dat hij een verklaring heeft afgelegd. Ik heb wel eens cocaïne gebruikt.

Onder anoniem versta ik dat mijn naam bekend zou zijn bij het openbaar ministerie, maar in het dossier vervangen zou worden. Dus alleen bekendheid bij het openbaar ministerie en niet bij de verdediging. Begin maart is echter gezegd dat mijn naam bij het openbaar ministerie, de rechtbank en de verdediging bekend zou zijn, zoals ik eerder al heb gezegd.

Vanaf 3 maart is mij verteld dat ik wel op naam in het dossier zou verklaren, maar dat mijn naam, die wel bekend zou zijn bij de verdediging, openbaar ministerie en de rechtbank, naar buiten afgeschermd zou worden. Er is beloofd dat het contract en mijn verklaringen in een kluis gingen om het niet te laten uitlekken. Twee weken voor de zitting zouden de stukken dan pas naar, onder andere, de verdediging worden gestuurd. Daarvoor zou dan niets kunnen uitlekken. Het is anders gegaan want een week later stond alles in de krant. De toezegging is gedaan door Harderwijk, Slobbe en Groeneboer. Men wist niet hoe het uiteindelijk bekend is geworden, men deed er geheimzinnig over. Er bleek een lek te zitten.

Ik heb de vraag over het anoniem afleggen van een verklaring gesteld en er is op geantwoord, zoals ik eerder heb aangegeven. Het was voorbarig, het was een oriënterend gesprek.

Mij wordt voorgehouden dat ik blijkens het proces-verbaal van mijn verhoor van 4 maart 1999 om 12.00 uur ben gehoord en dat ik blijkens het proces-verbaal van mr. Harderwijk om 13.30 uur samen een gesprek heb gehad en dat daar dus maar anderhalf uur tussen zit. Ik denk dat ik om 12.00 uur eerst heb gegeten en nog geen verklaring heb afgelegd. Ik denk dat het verhoor is onderbroken door het gesprek met mr. Harderwijk. Ik kan het me niet herinneren. Ik denk dat mr. Harderwijk is binnengewandeld toen ik aan het eten was. Ik werd in een politiecel geplaatst en vervolgens gingen de verbalisanten eten halen en hebben we samen gegeten. Ik denk dat we nog niet bezig waren met het verhoor, maar ik ben er niet honderd procent zeker van.

Het zou kunnen dat mr. Harderwijk toen heeft geadviseerd een advocaat te nemen. Mij is gezegd dat ik op naam moest verklaren en in het begin is mij het advies gegeven een advocaat te nemen. Ik weet het niet meer; ik kan me het gesprek niet meer voorstellen. Ik wist op 4 maart dat mijn verklaring een verklaring op naam zou zijn. Ik was mij bewust van het feit dat ik toen nog geen advocaat had. Met die wetenschap heb ik een verklaring afgelegd. Het verhoor is afgewerkt en niet onderbroken door gesprekken over de tegenprestatie. Mij zijn open vragen gesteld, waarbij mij geen stukken zijn voorgehouden. Ik heb uit mijn geheugen verklaringen hebt afgelegd. Ik ben helemaal niet met verklaringen geconfronteerd. Er zijn geen concrete vragen gesteld, ik heb mijn verhaal verteld, er zijn korte notities gemaakt en ik ben aan mijn verklaring begonnen. Datums waar ik niet uit kwam zijn opgezocht. Er zijn geen vragen gesteld waar de antwoorden al in opgesloten lagen. Het was geen verhoor van vraag en antwoord. Er werd een algemene vraag gesteld. Het was geen situatie van vraag en antwoord. Later zijn mij ook foto’s getoond. Tijdens de ondervraging is verder niet over de overeenkomst gesproken.

Mij is, toen gesproken is over strafvermindering, gezegd dat het positief gratieadvies de normale procedure was; ik heb dat aangenomen en me erbij neergelegd.”

26.6. De verdediging heeft allereerst betoogd dat niet is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof is een andere opvatting toegedaan.

Het gaat in de onderhavige zaak om een ernstig misdrijf (het medeplegen van invoer van 474 kilogram cocaïne vanuit Suriname naar Nederland) waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren is gesteld. Redelijkerwijs viel aan te nemen dat zonder de verklaring van de getuige [mededader 7], de organisator van het transport, de betrokkenheid van de verdachte bij dit misdrijf niet zou kunnen worden bewezen. Gelet op door de getuige en de betrokken officier van justitie mr. Harderwijk afgelegde verklaringen acht het hof voorts aannemelijk dat de getuige [mededader 7] in de onderhavige zaak alleen een verklaring zou hebben willen afleggen als hem van de kant van de Staat een tegenprestatie zou worden geboden. Het sluiten van een overeenkomst overeenkomstig de Richtlijn “afspraken met criminelen” van 13 maart 1997 (Stcrt. 1997, 61) was derhalve noodzakelijk. De vervolgens door de Staat geleverde tegenprestatie, te weten in geval van een verwerping van het cassatieberoep een positief advies ten aanzien van een door de getuige in te dienen gratieverzoek met betrekking tot de door het Hof Den Haag opgelegde gevangenisstraf van acht jaren, in dier voege dat zal worden geadviseerd dat de tenuitvoerlegging van deze straf middels gratie effectief met 21 maanden zal worden verminderd, staat volgens het hof in een redelijke verhouding tot de door de getuige na te komen verplichtingen, te weten het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring tegenover iedere rechterlijke instantie die daarom verzoekt, in aanmerking genomen de veiligheidsrisico's die het afleggen van een zodanige, voor de verdachte belastende, verklaring voor de getuige en zijn gezin zou opleveren.

26.7. De verdediging heeft voorts enige beschouwingen gewijd aan de partijen bij de gesloten overeenkomst. Het hof heeft uit die beschouwingen geen duidelijk verweer kunnen destilleren. De omstandigheid dat de overeenkomst is gesloten door de Staat der Nederlanden, te dezen in opdracht van het College van Procureurs-Generaal vertegenwoordigd door de hoofdofficier, Hoofd van het arrondissementsparket te Den Haag, acht het hof niet in strijd met enige wettelijke regel. De verdediging heeft ook niet aangegeven met welke wettelijke regel die strijdigheid zou bestaan. Een wettelijke basis voor het sluiten van een dergelijke overeenkomst is vooralsnog niet noodzakelijk, nu een voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken) (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 294, nr. 2, zoals nadien gewijzigd) bij de Tweede Kamer aanhangig is. Dat de Minister van Justitie zowel bij het sluiten van deze overeenkomst als bij het verlenen van gratie betrokken is doet niet terzake, nu gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd (art. 122, eerste lid, Grondwet) en de overeenkomst met de getuige [mededader 7] is gesloten door de Staat der Nederlanden.

26.8. De verdediging stelt vervolgens dat de aan de getuige [mededader 7] gedane toezegging ontoelaatbaar is. De verdediging betoogt dat het Openbaar Ministerie de facto aan de getuige [mededader 7] de toezegging heeft gedaan dat een deel van de hem opgelegde straf niet zal worden ten uitvoer gelegd.

Deze stelling van de verdediging is volgens het hof onjuist.

In HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 heeft de Hoge Raad overwogen (rechtsoverweging 3.3):

"'s Hofs oordeel dat die toezegging aan K., dat hij niet van zijn vrijheid zou worden beroofd, ook niet als een eventueel door de rechter op te leggen gevangenisstraf de reeds ondergane detentie zou overtreffen in strijd is met de wet - met name met art. 553 Sv - is juist. Het staat het openbaar ministerie niet vrij toezeggingen te doen omtrent het achterwege laten van de executie van een te verwachten rechterlijke beslissing, ook niet indien die toezegging betrekking heeft op een mogelijk onderdeel - een gevangenisstraf die in duur de tijd in uitleveringsdetentie en voorlopige hechtenis doorgebracht overtreft - van die rechterlijke beslissing."

26.9. De geschonden wetsbepaling was in deze zaak derhalve met name artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering, dat onder meer voorschrijft dat de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt door het openbaar ministerie. Rechterlijke beslissingen, in casu opgelegde vrijheidsstraffen, behoren in ons wettelijk stelsel door het openbaar ministerie te worden ten uitvoer gelegd. Het openbaar ministerie heeft niet de vrijheid uit eigen hoofde overeenkomsten te sluiten om van tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf geheel of gedeeltelijk af te zien. Schending van deze wetsbepaling doet zich in de onderhavige zaak niet voor.

26.10. Ons wettelijk stelsel kent wel een andere voorziening die het mogelijk maakt dat geheel of gedeeltelijk van de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf wordt afgezien, namelijk de gratiëring.

Gratie wordt niet verleend door het openbaar ministerie doch bij koninklijk besluit. Het openbaar ministerie doet over het gratieverzoek verslag aan het gerecht dat de straf heeft opgelegd en geeft een oordeel over de beslissing die daarop ware te nemen (art.5, eerste lid, Gratiewet). Het gerecht dat de straf heeft opgelegd, zendt vervolgens zijn advies, met daarbij gevoegd het verslag van het openbaar ministerie, naar de Minister van Justitie.

26.11. Gratie kan onder meer worden verleend op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of heeft kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf (art. 2, onder a, Gratiewet).

26.12. Het is niet ondenkbaar dat de rechter die de straf aan [mededader 7] heeft opgelegd over de hoogte van de straf anders zou hebben geoordeeld indien hij bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat met [mededader 7] een afspraak als bedoeld in de Richtlijn "afspraken met criminelen" zou zijn gemaakt. Immers het afleggen van een belastende verklaring door [mededader 7], waardoor de waarheidsvinding kan worden gediend, kan een gevaar voor het leven of de persoonlijke veiligheid van hemzelf en of zijn gezin opleveren en deze omstandigheid zou de rechter aanleiding hebben kunnen geven de op te leggen straf te verminderen. Gratie is in de ogen van de wetgever in de eerste plaats een instrument van gerechtigheid (Eerste Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 19 075, nr. 22a, blz. 3). De gerechtigheid zou niet worden gediend als de rechter bij de straftoemeting geen rekening zou houden met de gevolgen van het nakomen van de wettelijke spreekplicht van getuigen. Een van die gevolgen kan namelijk zijn dat de getuige en zijn gezin in een getuigenbeschermingsprogramma moeten worden opgenomen.

26.13. Het openbaar ministerie is in deze zaak in zoverre aan de overeenkomst gebonden dat het openbaar ministerie niet alleen in zijn verslag aan de rechter als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Gratiewet melding moet maken van de gesloten overeenkomst maar ook een oordeel moet geven dat aansluit bij diezelfde overeenkomst. De toezegging van het openbaar ministerie om een positief gratieadvies te geven is niet in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Gratiewet dan wel met enige andere wetsbepaling.

De rechter die de straf heeft opgelegd is aan dit advies niet gebonden. Het is heel goed mogelijk dat de rechter in zijn advies aangeeft tot welke strafvermindering de door de getuige geleverde tegenprestatie naar zijn oordeel aanleiding zou hebben gegeven. Het staat vervolgens de rechter geheel vrij van het positieve gratieadvies van het openbaar ministerie af te wijken. Ook de Minister van Justitie is bij zijn voordracht omtrent het op het gratieverzoek te nemen besluit als bedoeld in artikel 9 van de Gratiewet niet gebonden aan de overeenkomst, omdat hij immers volgens de wet het rechterlijk advies bij zijn voordracht moet betrekken. Niet uit te sluiten valt bij voorbeeld dat, ingeval de rechter gemotiveerd aangeeft dat de door de getuige geleverde tegenprestatie in geen enkele verhouding staat tot de verplichting die de getuige krachtens de gesloten overeenkomst op zich heeft genomen of dat de rechter de gesloten overeenkomst in strijd acht met de Richtlijn "afspraken met criminelen" de Minister van Justitie zijn voordracht wijzigt. Niet uit te sluiten valt voorts dat Hare Majesteit de Koningin in het rechterlijk advies aanleiding vindt om het gratieverzoek niet in te willigen. Een dergelijke situatie kan voor de Staat der Nederlanden aanleiding zijn om een andere tegenprestatie te leveren dan gratiëring.

26.14. Het hof heeft ter terechtzitting van 5 april 2000 kunnen vaststellen dat de getuige heeft begrepen wat een positief gratieadvies inhoudt.

26.15. De gesloten overeenkomst acht het hof derhalve toelaatbaar en rechtmatig. Het verweer van de verdediging dat vanwege de gesloten overeenkomst het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel de verklaring van de getuige [mededader 7] van het bewijs dient te worden uitgesloten wordt derhalve verworpen.

26.16. Het ondervragingsrecht van de verdediging is op geen enkele wijze beperkt. Aan de getuige zijn door het hof zoveel mogelijk open vragen gesteld en is zoveel mogelijk vermeden de getuige te confronteren met reeds in het dossier voorkomende feiten en omstandigheden. De getuige heeft puttend uit zijn geheugen zonder enige aarzeling op gestelde vragen geantwoord. Zijn antwoorden stemden, enkele details daargelaten, overeen met eerder tegenover de politie afgelegde verklaringen. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat de getuige niet naar waarheid heeft verklaard.

Het hof heeft zowel de door de getuige [mededader 7] bij de politie afgelegde verklaringen als de ter terechtzitting van het hof van 5 april 2000 afgelegde verklaring bij de bewijsmiddelen opgenomen, omdat daaruit blijkt dat de getuige, enkele details daargelaten maar dat is gelet op het tijdsverloop begrijpelijk, consistent heeft verklaard.

Geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de door de getuige [mededader 7] afgelegde verklaring doet het feit dat de getuige al voordat de overeenkomst was getekend bij de politie een verklaring heeft afgelegd. De indruk van de verdediging, dat de getuige een voor de verdachte zo belastend mogelijke verklaring heeft afgelegd om aldus zijn onderhandelingspositie te versterken, heeft de getuige bij het hof niet achtergelaten. De getuige stond strafvermindering voor ogen en vertrouwde erop dat een overeenkomst zou worden gesloten waarin een voor beide partijen acceptabele strafvermindering zou zijn opgenomen. Op geen enkele wijze is gebleken dat de getuige de inhoud van zijn verklaring als onderhandelingsinstrument heeft gebruikt.

Aan de door de verdediging ingebrachte verklaringen van [betrokkene 17] komt naar 's hofs oordeel geen enkele overtuigende kracht toe. Ook aan de stelling van de verdediging, dat de woning in [geboorteplaats], waarover de getuige [mededader 7] verklaart, is afgebroken gaat het hof voorbij, nu deze stelling niet is onderbouwd en steunt op een anonieme bron.

26.17. Uit het voorgaande volgt naar 's hofs oordeel dat er voldoende wettig en ook overtuigend bewijs is dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 0975403399 tenlastegelegde feit heeft begaan.

27. Overweging ten overvloede

27.1. Omdat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 7 tenlastegelegde feit in beslissende mate op de verklaring van de getuige [mededader 7] steunt, overweegt het hof ten overvloede nog het volgende.

27.2. In het pleidooi brengt de verdediging onder meer het volgende naar voren:

"[verdachte] zou een visum hebben geregeld. [Mededader 7] zag zijn bezoek aan [verdachte] als machtsver-toon, waarbij aannemelijk is dat hij doelt op machtsvertoon van anderen dan [verdachte]. Zelfs al zou [verdachte] papieren kunnen regelen, dan is niet gezegd dat hij deze dienst heeft verleend met het oog op een cocaïne-transport. En de verklaring van [mededader 7] dan.

[mededader 7] zegt in zijn verklaring dat hij - als Belg - [verdachte] niet kende, toen hij met hem in contact kwa Op zichzelf is dat niet uitgesloten, want [mededader 7] heeft de terechte vergelijking getroffen met de Belgische Congo, en als U mij vraagt wie daar de machthebber is of was, dan moet ik U het antwoord schuldig blijven. Maar er zit een adder-tje onder het gras. [Mededader 7] zat al geruime tijd in Nederland gevangen (vanaf september 1997 im-mers) en vanaf dat moment (toevallig - of niet toevallig - ongeveer het moment waarop op (het hof leest: het ) opspo-ringsbevel tegen [verdachte] werd uitgevaardigd) zal [mededader 7] - net als vele anderen - de zaak hebben gevolgd. Althans niet goed voorstelbaar is dat iemand die naar eigen zeggen betrokken is bij een groot cocaïne-transport vanuit Suriname, zo'n zaak aan zich voorbij zou laten gaan. En dan is in ieder geval een motief gegeven om [verdachte] te belasten. [Mededader 7] zal - in dat scenario - doordrongen zijn geweest van het feit dat hij niet met verklaringen over [handelaar 11] of [handelaar 9]] hoefde aan te komen, om strafvermindering c.q. enige andere tegenprestatie te verwachten.

(..)

Inhoudelijk heb ik toch ook nog grote moeite met de verklaring van [mededader 7]. Hij plaatst zijn be-zoek aan Suriname (en zijn ontmoeting met [verdachte]) in februari 1996. Dat is net het moment, waarop [verdachte] vanuit Nederland (door beteke-ning van de vordering en nadere vordering gerech-telijk vooronderzoek) formeel op de hoogte komt van het feit dat Nederland een formele vervolging is aangevangen. Hoe aannemelijk is het dat [verdachte] net in die periode een nieuw contact zou aangaan met een voor hem onbekende persoon en vervolgens - maar wel indirect - met hem een groot transport cocaïne zou gaan opzetten. Het is niet helemaal uitgesloten, Voorzitter, maar ik denk toch eerlijk gezegd niet dat het zo is gegaan.

(..)

Ook hier ter zitting kwam [mededader 7] terug op zijn verklaringen over het oogcontact met [verdachte], toen de auto waarin [mededader 7] reed langszij kwam aan de auto van [verdachte]. Je kunt je afvragen waarom [mededader 7] van [verdachte] zou moeten wor-den afgehouden, als juist met hem zulke vergaande besprekingen zou zijn ge-voerd. Of zou het zo zijn dat [verdachte] er door derden voor is geschoven om indruk te maken, maar hij niet bij de partij cocaïne betrokken was. Dat zou dan mooi passen bij het machtsvertoon waarover de getuige elders sprak; vergelijk hier-voor."

27.3. Het is het hof niet ontgaan dat in het pleidooi het mededaderschap van de verdachte slechts globaal wordt ontkend. In het bijzonder wordt niet uitdrukkelijk ontkend (a) dat de verdachte [mededader 7] kent, (b) dat de verdachte [mededader 7] ooit heeft ontmoet, (c) dat de verdachte een visum voor [mededader 7] heeft geregeld en (d) dat sprake is geweest van een ontmoeting tussen [mededader 7] en de verdachte waarbij de auto waarin [mededader 7] reed langszij kwam aan de auto van de verdachte. De verdediging trekt slechts in twijfel de stelling van [mededader 7] dat [mededader 7], toen hij met de verdachte in contact kwam, hem niet kende. De verdediging trekt voorts in twijfel het tijdstip van de ontmoeting van [mededader 7] met de verdachte (februari 1996). De verdediging vraagt zich tenslotte af waarom [mededader 7] van de verdachte zou moeten worden afgehouden, als juist met hem zulke vergaande besprekingen zouden zijn gevoerd.

27.4. Niet uitgesloten is dat de raadsman van de verdachte, hetzij omdat hij door de verdachte niet uitdrukkelijk is gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, hetzij omdat hij door de verdachte niet uitdrukkelijk is gemachtigd het mededaderschap gemotiveerd te ontkennen, zich niet vrij gevoeld heeft een alibiverweer in zijn pleidooi te voeren. Daar staat tegenover dat het hof zich bij de waardering van het bewijs en het bekomen van zijn overtuiging niet heeft kunnen laten leiden door een - gemotiveerde - ontkenning van het daderschap van de verdachte.

28. De door de verdediging opgegeven getuigen

28.1 De raadsman van de verdachte heeft bij aangetekend schrijven van 25 november 1999 de advocaten-generaal verzocht 107 getuigen op te roepen. De getuigen 1 tot en met 103 hebben allen betrekking op de zaak met de feiten bekend onder parketnummer 0975408797. Resteren nog de getuigen [mededader 7], [getuige 6], [betrokkene 17], [handelaar 9]] en E. Gelad

28.2. [Mededader 7] is als getuige ter terechtzitting van het hof van 5 april 2000 gehoord. [Betrokkene 17] is op 14 februari 2000 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging als getuige gehoord. De getuige is ondervraagd. De rechter-commissaris heeft niet belet dat aan enige door de verdediging gestelde vraag gevolg werd gegeven.

28.3. [Getuige 6] is reeds op 8 juli 1998 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Uit het proces-verbaal van dit verhoor valt niet af te leiden in hoeverre [getuige 6] zou kunnen verklaren omtrent de juistheid van de verklaringen van [mededader 7]. Redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het achterwege blijven van een tweede verhoor van de getuige [getuige 6] met betrekking tot de zaak bekend onder parketnummer 0975403399 niet in zijn verdediging is geschaad.

28.4. Het proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage in de zaak tegen de verdachte [verdachte] . 21 maart 2000, houdt, voor zover nog van belang, het volgende in.

"Middels een rechtshulpverzoek aan de bevoegde autoriteiten in Suriname is verzocht een dagvaarding aan de getuige [handelaar 9]] uit te reiken om in Nederland als getuige te worden gehoord.

De getuige [handelaar 9]] heeft telefonisch contact opgenomen met het kabinet. Hij heeft medegedeeld dat hij bereid is als getuige te worden gehoord; hij is echter verhinderd om in maart of april naar Nederland te komen. In mei zou het verhoor eventueel kunnen plaatsvinden. Indien mogelijk zou hij in Suriname gehoord willen worden. Hij zou op 24 februari een dagvaarding hebben ontvangen. Van [handelaar 9]] was geen adres bekend.

E. Gelad Van de getuige [betrokkene 18] was een adres in België beschikbaar. Middels een rechtshulpverzoek aan de bevoegde autoriteiten in België is verzocht een dagvaarding aan [betrokkene 18] uit te reiken om in Nederland als getuige te worden gehoord. Dit rechtshulpverzoek is . 2 februari jl. onuitgevoerd terug gekomen met vermelding: "Betrokkene werd ambtelijk geschrapt sedert 26 mei 1999. Zijn huidige woon- of verblijfplaats is niet gekend." Voorts is een aangetekend schrijven verzonden naar hetzelfde adres; dit schrijven is retour gekomen met vermelding "Woont niet meer op aangeduid adres". Van de getuige is geen ander adres bekend.

De vermoedelijk in Suriname verblijvende getuigen zijn vermeld in het Nationaal Schengen informatie Systeem (NSIS) in verband met de opsporing van de verblijfplaats hier te lande. Deze vermelding heeft tot op heden geen resultaat opgeleverd ten aanzien van de in dit proces-verbaal vermelde getuigen.

28.5. Op 20 maart 2000 heeft de rechter-commissaris voor aanvang van de terechtzitting van het Gerechtshof een (aanvullend) rechtshulpverzoek ter verzending aan de bevoegde autoriteiten te Suriname aan de Minister van Justitie doen toekomen, inhoudende het verzoek om in Suriname onder meer de volgende getuige te horen: [handelaar 9]].

28.6. Het proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, in de zaak tegen de verdachte van 15 mei 2000 houdt onder meer het volgende in:

"Er zijn 12 januari 2000 drie rechtshulpverzoeken ter verzending aan de bevoegde autoriteiten te Suriname aan de Minister van Justitie doen toekomen, en op 11 april 2000 een (aanvullend) rechtshulpverzoek, inhoudende het verzoek om in Suriname getuigen te horen. (Er was een aanvullend rechtshulpverzoek van 20 maart 2000; dit is aangepast in het rechtshulpverzoek van 11 april 2000; het verzoek van 20 maart 2000 is in overleg met de rechter-commissaris door de minister van justitie niet aan de autoriteiten te Suriname verzonden.)

Tot op heden is geen reactie van Surinaamse autoriteiten ontvangen; een brief van het ministerie van justitie terzake is aan dit proces-verbaal gehecht."

28.7. Aan bovengenoemd proces-verbaal is een brief van de Minister van Justitie, namens deze ondertekend door N. Ruyters, (plv) hoofd Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken, . 10 mei 2000, gericht aan de rechter-commissaris gehecht.

Deze brief houdt onder meer het volgende in:

“Op 11 april 2000 ontving ik van u een rechtshulpverzoek inzake [verdachte] met het verzoek dit door te geleiden aan de Surinaamse autoriteiten.

In het rechtshulpverzoek verzocht u aan de Surinaamse autoriteiten om een aantal personen als getuige te horen. Tevens verzocht U om toestemming om met een Nederlandse delegatie naar Suriname te mogen afreizen om bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek in Suriname aanwezig te mogen zijn.

Het rechtshulpverzoek heb ik op 12 april langs diplomatieke weg doorgestuurd aan de Surinaamse autoriteiten. De Nederlandse ambassadeur in Suriname heeft het rechtshulpverzoek een aantal dagen later schriftelijk aangeboden aan de Surinaamse Minister van Justitie daar het onmogelijk bleek om het rechtshulpverzoek persoonlijk aan haar aan te bieden wegens haar veelvuldige afwezigheid.

Inmiddels heeft de Nederlandse ambassadeur in Suriname in een brief aan de Surinaamse Minister van Justitie nogmaals aangedrongen op een zo spoedig mogelijke reactie op het betreffende rechtshulpverzoek.

Tot op heden heb ik nog geen reactie van Surinaamse zijde op het rechtshulpverzoek ontvangen. Zodra ik een reactie ontvang, zal ik u daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen.”

28.8. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting van 9 juni 2000 meegedeeld dat nog steeds geen reactie van Surinaamse zijde door de Minister van Justitie is ontvangen.

28.9. Het hof heeft ervan afgezien de getuigen [handelaar 9]] en [betrokkene 18] op te roepen, omdat de verdediging geen adres van deze getuigen heeft opgegeven, een recent adres van deze getuigen niet bekend is en de rechter-commissaris zich alle mogelijke inspanningen heeft getroost om deze getuigen te horen.

29. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in

artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

30. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

31. Strafmotivering

31.1. De rechtbank heeft de dagvaarding in de zaak met parketnummer 0975408797 ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde sub 6 nietig verklaard.

31.2. De verdachte is in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 0975408797 terzake van het onder 2 tenlastegelegde feit vrijgesproken en terzake van het onder 1, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar, alsmede tot een geldboete van f.1.000.000,-- terzake van feit 3 primair, een geldboete van f.1.000.000,-- terzake van feit 4 primair, een geldboete van f.1.000.000,-- terzake van feit 5 primair, een geldboete van f.666.667,-- terzake van feit 6 primair, subsidiair 8 maanden hechtenis

31.3. De verdachte is voorts in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 09754033/99 terzake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, alsmede tot een geldboete van f.1.000.000,--, subsidiair 4 maanden hechtenis.

31.4. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de vonnissen in eerste aanleg worden vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, de verdachte terzake van het onder 2 en 6 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en terzake van het onder 1 (met uitzondering van de niet bewezen transporten onder punt 1 en punt 5), 3 primair, 4 primair, 5 primair en 7 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar, alsmede tot een geldboete van f.4.000.000,--, subsidiair 1 jaar hechtenis.

31.5. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voorzover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

31.6. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking geno-men.

31.7. De verdachte heeft in samenwerking met anderen van hem afkomstige cocaïne binnen het grondge-bied van Nederland laten brengen. Het ging hier om een zeer aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, ongeveer 474 kilo-gram inclusief verpakking. Bovendien heeft de verdachte dit gedaan in georga-niseerd verband.

31.8. Cocaïne vormt, zoals algemeen bekend, een groot gevaar voor de volksgezondheid. Bovendien werkt de verslaving aan cocaïne, gekoppeld aan de door verslaafden te betalen hoge koopprijzen, verdere criminaliteit in de hand. De verdachte heeft kennelijk de belangen van de gezondheid naast zich neergelegd en slechts oog gehad voor eigen financieel gewin. De wetgever heeft op feiten van deze ernst en aard in het belang van de volksge-zondheid strenge straffen gesteld.

31.9. Het hof heeft voorts rekening gehouden met de (machts)positie die de verdachte in de Surinaamse samenleving bekleedt. Als een gezaghebbend persoon als de verdachte zich met cocaïnehandel vanuit Suriname naar Nederland inlaat, dan levert dit niet alleen gevaar voor de volksgezondheid en toename van aan het gebruik van cocaïne gerelateerde criminaliteit op. Personen als de verdachte hebben een voorbeeldfunctie. Als zij hun (machts)positie misbruiken voor eigen geldelijk gewin en de aan cocaïnehandel verbonden schadelijke gevolgen veronachtzamen, dan dient hen dit zwaarder te worden aangerekend dan de doorsnee burger. Voorts kan, indien personen met een maatschappelijke positie als die van de verdachte internationale cocaïnehandel bedrijven, het aanzien van het land van waaruit de export plaatsvindt ernstig worden geschaad, hetgeen verstrekkende gevolgen kan hebben voor de positie van dat land in het internationale (rechts)verkeer, waaronder het rechtsverkeer met Nederland.

31.10. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij het onderhavige feit heeft gepleegd op een moment dat hij wist dat hij

terzake van soortgelijke feiten, begaan in georganiseerd verband, werd vervolgd.

31.11. Het hof heeft acht geslagen op het feit dat uit het uittreksel uit het documentatieregister niet blijkt dat verdachte eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof acht dit feit echter van ondergeschikt belang omdat de verdachte al lange tijd niet meer van de Nederlandse samenleving deel uitmaakt.

31.12. Het hof stelt vast dat de verdediging in haar pleidooi geen beschouwingen aan de eventueel op te leggen straf heeft gewijd en het hof derhalve ook geen rekening kan houden met eventuele strafverminderende omstandigheden.

31.13. Het hof heeft acht geslagen op het feit dat aan de mededader, [mededader 7], de organisator van het onderhavige cocaïnetransport, een gevangenisstraf van acht jaren is opgelegd. Hoewel de verdachte als opdrachtgever en leverancier van de grote hoeveelheid in Nederland ingevoerde cocaïne een (veel) hogere straf verdient dan de organisator van het transport, [mededader 7], komt het hof niet, ook niet indien de hiervoor ten bezware van de verdachte in aanmerking genomen omstandigheden bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf worden betrokken, tot de maximaal toelaatbare straf, te weten twaalf jaren gevangenisstraf. Het hof heeft laten meewegen dat de verdachte terzake van de onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde feiten is vrijgesproken.

31.14. Het hof is, gelet op alle hiervoor genoemde strafbepalende omstandigheden van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

31.15. Het hof legt een hogere straf op dan de rechtbank voor dit feit heeft opgelegd. De rechtbank heeft evenwel met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de eerder in de zaak met parketnummer 0975408797 uitgesproken veroordeling van de verdachte tot negen jaren gevangenisstraf.

31.16. Het hof is van oordeel dat daarnaast niet, zoals door het openbaar ministerie is gevorderd, een aanzienlijke geldboete geboden is, nu de cocaïne inbeslaggenomen is en de verdachte ten aanzien van dit transport geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

32. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 47 van het Wetboek van Straf-recht en de artikelen 2 (oud) en 10 van de Opiumwet, en de daarbij beho-rende lijst

33. Bevel tot gevangenneming

De vordering van het openbaar ministerie tot het geven van een bevel tot gevangenneming zal, voorzover betrekking hebbende op de zaak met parketnummer 0975403399, worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het feit waarvoor de verdachte door het hof is veroordeeld en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren is gesteld door zijn bijzondere ernst alsmede de publieke reactie daarop, ook thans nog een maatschappelijke onrust veroorzaakt die een voorlopige hechtenis rechtvaardigt.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt de vonnissen waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding in de zaak met parketnummer 0975408797 nietig voor wat betreft de in het onder 1 tenlastegelegde sub 6 voorkomende woorden: “althans het buitenland”.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 0975408797 tenlastegelegde feiten, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 0975403399 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde straf-bare feit oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ELF JAREN.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte in de zaak met parketnummer 0975403399.

Beveelt dat, indien de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis wordt gesteld, de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Von Brucken Fock, Oosterhof en Stoker-Klein,

in bijzijn van de griffiers Van Pelt en mr Nijssen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juni 2000.

1) De enige tolk die hier niet over rept heeft opmerkelijk genoeg de gehele zin niet vertaald!