Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1999:AV1399

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-1999
Datum publicatie
09-02-2006
Zaaknummer
R98/298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om afgifte door de Staat van alle goederen die de Staat ter beschikking heeft gekregen uit de zogenaamde "Goudstikker-collectie".

Hof: "Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hof zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het beroepschrift voor zover dit is op te vatten als een hoger beroep ex artikel 18 lid 5 Besluit E 100 tegen de beslissing van de Staatssecretaris van 25 maart 1998. Voor zover de inhoud van het beroepschrift is te beschouwen als een rechtstreeks verzoek van belanghebbenden als bedoeld in art. 21 lid 1 Besluit E 100 verklaart het hof Goudstikker niet-ontvankelijk in dit verzoek. Voor ambtshalve toepassing van rechtsherstel ingevolge artikel 21 lid 3 Besluit E 100 is geen plaats."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 16 december 1999

req.nr.hof : 98/298

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer,

heeft de volgende beslissing gegeven in de zaak van:

1. De naamloze vennootschap

AMSTERDAMSE NEGOTIATIE COMPAGNIE N.V. in liquidatie,

(hierna afzonderlijk te noemen: de Vennootschap),

gevestigd te Amsterdam,

2. [M. von Saher],

(hierna afzonderlijk te noemen: Von Saher),

wonende te Greenwich, Connecticut, Verenigde Staten van Amerika,

appellanten (hierna gezamenlijk te noemen: Goudstikker),

procureur: mr. W. Taekema,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen),

zetelende te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde (hierna te noemen: de Staat),

procureur: mr. H.C. Grootveld.

Het geding

Goudstikker heeft bij beroepschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 19 augustus 1998, 21 grieven aangevoerd tegen de hierna onder 1.8 te noemen beslissing van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) en daarbij een tegen de Staat gericht verzoek ingediend.

De Staat heeft een, op 30 september 1998 ingekomen, verweerschrift (met producties) ingediend.

De nadere mondelinge toelichting van het beroepschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 18 oktober 1999. Partijen hebben bun standpunten alstoen nader doen uiteenzetten, Goudstikker door prof. mr. R.M.N. Schonis en jhr. mr. R.O.N. van Holthe tot Echten, beiden advocaat te Amsterdam, en de Staat door mr. M. van Rijn, advocaat te 's-Gravenhage, en door zijn procureur, alIen - met uitzondering van de procureur van de Staat - aan de hand van overgelegde pleitnota's.

Goudstikker heeft daarbij het petitum van haar beroepschrift gewijzigd als onder 2 te vermelden en nog een aantal producties overgelegd. De Staat heeft eveneens nog producties in het geding gebracht.

Beoordeling

1. De achtergrond van het beroepschrift is als voIgt.

1.1. De Vennootschap voerde tot mei 1940 te Amsterdam een internationaal bekende kunsthandel onder de naam “Kunsthandel J. Goudstikker N.V.”. Het aandelenkapitaal in de Vennootschap was aan het eind van de jaren dertig voor het overgrote deel in handen van Jacques Goudstikker, tevens directeur van de Vennootschap. Jacques Goudstikker is in mei 1940 tijdens zijn vlucht vanuit Nederland naar de Verenigde Staten door een ongeluk om het leven gekomen. Zijn echtgenote [D.] en hun zoon [E.] waren zijn enige erfgenamen.

1.2. Op 1 juli 1940 werd tussen de procuratiehouder van de Vennootschap, [T.B.], die met een andere werknemer de leiding van de Vennootschap aan zich had getrokken, enerzijds en de Rijksduitser Aloïs MiedI anderzijds een overeenkomst gesloten waarbij laatstgenoemde het gehele actief van de Vennootschap verwierf. Deze overeenkomst werd op 5 juli 1940 en 13 juli 1940 door middel van nadere overeenkomsten herzien en gedeeltelijk ontbonden, waarna het grootste gedeelte van het actief van de Vennootschap bij overeenkomst van 13 juli 1940 door de Rijksveldmaarschalk Hermann Göring werd verworven. Aloïs Miedl heeft f 550.000 betaald voor het door hem verworven gedeelte van de activa van de Vennootschap, welk gedeelte voornamelijk uit onroerend goed bestond alsook uit een aantal roerende zaken (de zogenaamde "Miedl-transactie"), terwijl Hermann Göring een bedrag van f 2.000.000,- heeft betaald voor de door hem verworven activa van de Vennootschap, voornamelijk bestaande uit schilderijen (de zogenaamde "Göring-transactie).

1.3. Op 31 juli 1945 zijn mrs. [E.J.K.H.] en [W.C.R.L.] in het kader van rechtsherstel benoemd tot beheerders van de Vennootschap. In oktober 1946 is het beheer van de Vennootschap overgedragen aan de inmiddels naar Nederland terugge- keerde weduwe van Jacques Goudstikker, [D.] voornoemd, schoonmoeder van Von Saher, alsmede aan de advocaat mr. [M.M.] en de accountant [E.L.]. Daarop zijn tussen partijen besprekingen en onderhandelingen gevolgd die uiteindelijk hebben geleid tot een akte van dading van 1 augustus 1952 terzake van (in elk geval) de Miedl-transactie.

1.4. In de jaren vijftig is de naarn van de Vennootschap gewijzigd in "Amsterdamse Negotiatie Compagnie N. V.", de vennootschap is met ingang van 14 december 1955 ont- bonden en de vereffening is per 28 februari 1960 geëindigd.

1.5. Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 31 maart 1998 is de vereffening van de Vennootschap heropend, met [A.B.] en Von Saher als vereffenaars, teneinde de distributie van de Goudstikker-collectie mogelijk te maken.

1.6. De Staatssecretaris heeft in 1997 een brochure met de titel "De NK-collectie van kunstvoorwerpen beheerd door de Staat" het. licht doen zien en daarin het standpunt ingenomen dat het nog steeds mogelijk is schriftelijk bij de Inspectie Cultuurbezit van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een claim uit te brengen op kunstwerken die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog in staatsbezit zijn geraakt. Het dient daarbij, aldus de brochure, te gaan om claims die niet eerder zijn ingediend. Claims op voorwerpen waarover reeds eerder een beslissing is genomen, kunnen in principe - zo wordt in deze brochure voorts aangegeven - alleen opnieuw worden bezien, indien er nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen. Van een beroep op verjaring zal worden afgezien jegens hen die aldus in hun recht staan. De beslissing over het al dan niet toewijzen van geclaimde kunstwerken wordt, met redenen omkleed, genomen door de Staatssecretaris.

1.7. Von Saher, enig erfgename van [E.] en [D.], heeft zich bij brief van 9 januari 1998 tot de Staatssecretaris gewend en daarbij, kort gezegd, in hoofd- zaak verzocht om afgifte door de Staat van alle goederen die de Staat ter beschikking heeft gekregen uit de zogenaamde "Goudstikker-collectie".

1.8. De Staatssecretaris heeft bij brief van 25 maart 1998 op dit verzoek geantwoord en daarbij onder meer geschreven:

"Naar mijn oordeel is direct na de oorlog - ook naar huidige maatstaven - het rechtsherstel op zorgvuldige wijze afgewikkeld. Daarom zie ik niet af van een beroep op verjaring. Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat ik op de door u uitgesproken wens om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag "of de afwikkeling in goed overleg kan worden afgerond", meer in het bijzonder uw verzoek om "de afgifte van alle goederen die de Staat ter beschikking heeft gekregen uit de Goudstikker-collectie", geen positieve reactie kan geven. Het inzicht in de lijst van voormalige Goudstikker-schilderijen, die thans in het bezit van de Staat zijn, wil ik gaarne verschaffen. Ik doe U die separaat toekomen."

2. Het ter zitting van her hof gewijzigde verzoek strekt ertoe dat het hof bij uitspraak, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor zover nodig met vernietiging van de bestreden beslissing van de Staatssecretaris van 25 maart 1998:

1. zal ingrijpen in de rechtsbetrekkingen die naar aanleiding van de koopovereenkomst de dato 13 juli 1940 zijn ontstaan in dier voege dat de Staat wordt gelast om alle goederen die Hermann Göring uit het vermogen van de Vennootschap heeft verkregen en die de Staat te zijner beschikking heeft verkregen, aan de Vennootschap ter hand te stellen, alsmede dat aan de Staat wordt gelast om aan scheiding en deling mede te werken van de goederen die Hermann Göring in 1940 uit het vermogen van de Vennootschap heeft verkregen en welke de Vennootschap in mede-eigendom had met derden, en welke goederen thans in mede-eigendom zijn van de Staat en de Vennootschap tezamen, een en ander voor zover voornoemde goederen op de dag van indiening van dit beroepschrift nog bij de Staat aanwezig zijn of voor de Staat worden gehouden, alsmede ervoor zorg te dragen dat alle voornoemde goederen die Hermann Göring van de Vennootschap verkreeg en terzake waarvan de Staat voor de retournering aan de Vennootschap kan zorg dragen aan de Vennootschap binnen vier weken na de te dezen te geven uitspraak aan de Vennootschap ter beschikking te laten stellen, dit alles naar die mate en die grootte hetwelk het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, en voorts al die maatregelen zal bevelen hetwelk het hof in het kader van het rechtsherstel van de Göring-transactie als in dit beroepschrift gedefinieerd voor nuttig c.q. noodzakelijk acht;

2. de Staat zal gelasten binnen vier weken na de door het hof te dezen te wijzen uitspraak aan de Vennootschap te overhandigen een volledige lijst van de aan de Staat bekende goederen, die in 1940 uit het vermogen van de Vennootschap zijn overgedragen aan Hermann Göring, welke de Staat tot op de dag van de te dezen te geven uitspraak (al dan niet in mede-eigendom) onder zich heeft verkregen, en, indien hij die goederen tussentijds heeft verkocht, mede te delen wat de koopsom van die goederen destijds is geweest alsmede de Staat te veroordelen deze koopsom(men) aan de Vennootschap af te dragen, dit alles naar die mate en die grootte hetwelk her hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

3. de Staat zal veroordelen in de kosten van het geding."

3. De Staat heeft een aantal verweren gevoerd en primair geconcludeerd dat het hof zich onbevoegd verklaart, subsidiair dat Goudstikker in haar beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, meer subsidiair dat het beroep van Goudstikker wordt verworpen, een en ander met veroordeling van Goudstikker in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de dag waarop het hof uitspraak zal doen.

Bevoegdheid van het hof

4. Ten aanzien van zijn bevoegdheid tot kennisneming van het beroepschrift overweegt het hof ais volgt. Maatstaf voor de beoordeling van deze bevoegdheid vormen de steIIingen van het beroepschrift en hetgeen daarbij (na wijziging van het petitum) wordt gevorderd of verzocht. De bevoegdheid van het hof berust, zoals het beroepschrift terecht aangeeft, op

na te meiden Rijkswet.

5. Bij Rijkswet van 9 maart 1967, Stb. 163 (hierna: de Rijkswet), houdende regelen in zake de opheffing van de Raad voor het Rechtsherstel (hierna: de Raad), zijn de Raad alsmede de afdelingen van de Raad, behoudens de afdeling effectenregistratie van de Raad, opgeheven. Ingevolge artikel III leden I, 2 en 3 van de Rijkswet zijn de taak en de bevoegdheden van de Raad met betrekking tot alle zaken, uitgezonderd die welke in eerste aanleg zijn behandeld door de afdeling effectenregistratie, overgegaan op het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

6. Ingevolge lid 4 van voornoemd artikel III zijn op de rechtsgang voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage, als rechtsopvolger van de Raad, de bepalingen van het Besluit van 17 september 1944 houdende vaststelling van het besluit herstel rechtsverkeer no. E 100 (hierna: Besluit E 100) van overeenkomstige toepassing.

7. Het hof is derhalve rechtsherstelrechter, terwijl op de voor het hof te volgen rechtsgang de bepalingen van het Besluit E 100 van toepassing zijn.

8. Het gaat er dan ook om of het hof op grond van de bepalingen van het Besluit E 100 bevoegd is om in hoger beroep te oordelen over de bestreden beslissing van de Staatsse- cretaris van 25 maart 1998.

9. Artikel 18 lid 5 van het Besluit E 100 stelt van besluiten van de afdelingen van de Raad (met uitzondering van die van de afdeling rechtspraak) hoger beroep open bij de afdeling rechtspraak, behoudens in gevallen waarin dit uitdrukkelijk is uitgesloten. De vraag of tegen de beslissing van de Staatssecretaris hoger beroep openstaat is dan ook afhankelijk van de vraag (A) of de Staatssecretaris is te beschouwen als rechtsopvolger van de na de Tweede Wereldoorlog opgerichte Stichting Nationaal Kunstbezit (SNK), welke stichting zich bezig hield met het opsporen van naar Duitsland weggevoerde kunstwerken en het beheer van gerecupereerde goederen, alsmede van de vraag (B) of de SNK een afdeling is van de Raad.

Ad A

10. Het hof deelt het standpunt van partijen dat "de Staatssecretaris (de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) is te beschouwen als de rechtsopvolger van de SNK. Dit blijkt ook uit de door partijen overgelegde producties. Laatstelijk is bij Besluit van 20 april 1988, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de recuperatie van tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Nederland weggevoerde kunstvoor- werpen, de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (thans de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) per 1 mei 1988 belast met de recuperatie, voor zover deze recuperatie tot dat moment was opgedragen aan de Minister van Financiën. Vraag A wordt bevestigend beantwoord.

Ad B

11. Artikel 4 lid 3 Besluit E 100, waarin onder meer is bepaald dat de Raad in ieder geval de afdelingen rechtspraak, effectenregistratie, beheer, voorzieningen voor afwezigen en voorzieningen voor rechtspersonen, zal omvatten, noemt de SNK niet als afdeling.

1.2. De SNK is ook niet met een afdeling gelijk te stellen. Bij de stukken bevinden zich (als nadere productie 9 door de Staat overgelegd) "(con- cept)richtlijnen voor het algemeen beleid van de Stichting Nederlandsch Kunstbezit". Hoewel deze concept-richtlijnen ongedateerd en ongetekend zijn en het hof geen kennis heeft kunnen nemen van de definitieve tekst van de richtlijnen, betrekt het hof deze concept-richtlijnen bij zijn oordeel, nu Goudstikker heeft erkend dat de richtlijnen uiteindelijk eind 1946 definitief zijn geworden en niet is gesteld of gebleken dat de thans aan het hof overgelegde versie op de voor deze zaak van belang zijnde punten afwijkt van de definitieve tekst van de richtlijnen.

Artikel 3 van de (concept)richtlijnen bepaalt: "De werkzaamheden van de afdeling binnenland geschieden in overeenstemming met de door het Nederlandsch Beheersinstituut aan de Stichting gegeven instructies en verdere aanwijzingen, onverminderd de bevoegdheid van de Stichting om in zaken van principieelen aard instructies aan de Ministers van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën te vragen."

Artikel 11 van de (concept)richtlijnen bepaalt:

”De Stichting zal kunstvoorwerpen aan de oorspronkelijke eigenaars of hun rechtsopvolgers, op hun daartoe strekkende verzoek, teruggeven, doch slechts in die gevallen, waarin ten genoegen van de Stichting de rechtmatigheid van hun aanspraken duidelijk is gebleken en aan de overige in deze richtlijnen gestelde voorwaarden is voldaan. Teruggave komt slechts in aanmerking indien aan de volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan:

a. vast moet staan, wie de oorspronkelijke eigenaar(s) is (zijn);

b. buiten twijfel dient te zijn, dat onvrijwillig bezitsverlies heeft plaats gehad;

c. geen onderling strijdige aanspraken mogen zijn ingediend en er mag geen reden zijn om aan te nemen, dat dergelijke aanspraken alsnog zullen worden geldend gemaakt.

( ……)

Van elke beslissing tot teruggave wordt door de Stichting kennis gegeven aan het Nederlandsch Beheersinstituut. Aan zoodanige beslissing wordt geen uitvoering gegeven, wanneer het Nederlandsch Beheersinstituut binnen 30 dagen mededeelt, dat het zijn goedkeuring daaraan onthoudt."

Uit deze bepalingen maakt het hof op dat de SNK niet bevoegd was voorwerpen terug te geven zonder goedkeuring van het Nederlandsch Beheersinstituut (hierna: NBI). De ondergeschikte rol van de SNK ten opzichte van het NBI blijkt voorts ook uit de namens Goudstikker tijdens de mondelinge behandeling bij het hof vermelde brief van het NBI van 26 juni 1951. Het is het NBI dat in deze brief haar medewerking onthoudt aan het totstandkomen van minnelijk rechtsherstel inzake de Miedl-transactie. Daarom dient het NBI en niet de SNK te worden beschouwd als de instantie aan wie de uiteindelijke beslissings- en beschikkingsbevoegdheid toekwam. Het hof merkt tenslotte in dit verband op dat ingevolge artikel V lid 3 van de Rijkswet de taak en de bevoegdheden van het NBI, voor zover het Nederland betreft, zijn overgegaan op de Minister van Justitie.

13. Vraag B moet ontkennend worden beantwoord.

14. Nu de SNK niet is (te beschouwen als) een afdeling van de Raad met beschikkingsbe- voegdheid komt het hof tot de slotsom dat het besluit van de Staatssecretaris als rechtsop- volger van de SNK niet is aan te merken als een besluit van een afdeling als bedoeld in artikel 18 lid 5 van het Besluit E 100, zodat daarvan geen hoger beroep openstaat bij het hof en het hof zich onbevoegd zal verklaren om in hoger beroep als rechtsherstelrechter kennis te nemen van het besluit van de Staatssecretaris.

Rechtstreeks verzoek

15. Voor zover het beroepschrift moet worden opgevat als een rechtstreeks verzoek van een belanghebbende aan het hof als bedoeld in artikel 21 lid 1 Besluit E 100 overweegt het hof het volgende.

16. Nadat de termijn voor het indienen van deze categorie verzoekschriften reeds een aantal malen was verlengd, is deze termijn bij besluit van het dagelijks bestuur van de Raad voor het rechtsherstel, gepubliceerd in de Staatscourant van 27 december 1950 (Stcrt. no. 251, bIz. 5) uitdrukkelijk voor de laatste maal verlengd en is bepaald dat dergelijke verzoeken uiterlijk vòòr 1 juli 1951 moesten worden ingediend.

17. Het op 19 augustus 1998 bij het hof ingediende verzoek is derhalve niet tijdig ingediend, zodat op die grond in beginsel een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen.

Ambtshalve verlening van rechtsherstel

18. Resteert de vraag of er aanleiding is te oordelen dat zich gewichtige redenen voordoen die zouden moeten leiden tot het ambtshalve verlenen van rechtsherstel. Artikel 21 lid 3 Besluit E 100 bepaalt immers dat de Raad zijn bevoegdheden ook ambtshalve kan uitoefenen na afloop van de daarvoor gestelde en in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakte termijn. De strekking van deze bepaling is dat rechtsherstel kan worden toegepast ook al is daartoe niet door één der daarbij betrokken partijen een verzoek gedaan.

19. Het hof neemt daarbij allereerst in aanmerking dat thans bijna 50 jaar zijn verstreken na het moment waarop voor het laatst verzoeken tot rechtsherstel konden worden ingediend.

20. Voorts is het volgende van belang.

Uit de stukken blijkt dat de Vennootschap destijds welbewust en weloverwogen heeft afgezien van het vragen van rechtsherstel terzake van de Göring-transactie. Het hof verwijst hiervoor naar het Memorandum van mr. [M.M.] van 10 november 1949 (als nadere productie 19 door de Staat overgelegd), alsook naar het rapport van mr. A.E.D. von Saher van april 1952 (als nadere productie 25 door de Staat overgelegd). Goudstikker betoogt nu dat de Vennootschap heeft afgezien van het vragen van rechtsher- stel terzake van de Göring-transactie, onder invloed van het standpunt van (de organen van) de Staat, inhoudende dat de Göring-transactie vrijwillig was geschied, en omdat [D.] is misleid door de uitlatingen van de toenmalige directeur van de SNK, Dr. [A.B.D.V.], met betrekking tot de waarde van de schilderijen die onderdeel uitmaakten van deze transactie.

Naar 's hofs oordeel stond het de Vennootschap vrij om - ongeacht welk standpunt de SNK, het NBI of andere organen van de Staat op enig moment na de oorlog in deze zaak hebben ingenomen - een verzoek tot rechtsherstel bij de Raad in te dienen. De Vennootschap beschikte over deskundige juridisch adviseurs die tijdens een eventuele procedure bij de Raad de onvrijwilligheid van de Göring-transactie hadden kunnen bepleiten, doch dit is om de Vennootschap moverende redenen nagelaten.

De stelling van Goudstikker dat [A.B.D.V.] [D.] heeft misleid met betrekking tot de waarde van de schilderijen legt onvoldoende gewicht in de schaal. Mocht daarvan sprake zijn geweest - hetgeen door de Staat wordt betwist - dan had het naar 's hofs oordeel, omdat de SNK (in zekere zin) haar tegenpartij was, op de weg gelegen van de Vennootschap dan weI van haar adviseurs [M.M.] en [E.L.], om met betrekking tot de waarde van de schilderijen door één of meer onafhankelijke deskundigen (contra-) expertises te Iaten uitvoeren.

21. Op grond van het voorgaande ziet het hof geen gewichtige redenen om ambtshalve rechtsherstel te verlenen.

22. Goudstikker doet voorts nog een, naar 's hofs oordeel vergeefs, beroep op het volkenrecht. Voor het afwikkelen van verzoeken tot rechtsherstel in Nederland is een voldoende gewaarborgde procedure in het leven geroepen. Het gegeven dat het volkenrecht geen strikte verjaringstermijnen kent, betekent niet dat de regeling van het rechtsherstel waarin een eindtermijn die evenmin strikt is voor het indienen van dergelijke verzoeken is opgenomen, op die grond in strijd is met het volkenrecht.

23. Voor zover, onder verwijzing naar de overgelegde opinie van prof. mr. A.K. Koekoek, door Goudstikker een beroep is gedaan op artikel 5 van de Grondwet kan dit beroep haar evenmin baten. Het in die bepaling opgenomen recht zich met een petitie te wenden tot het bevoegd gezag - waaronder de rechterlijke macht en daarmede dit hof kan worden begrepen - doet niet af aan het voorschreven oordeel van het hof dat er in het onderhavige geval geen gronden zijn voor ambtshalve toepassing van rechtsherstel terzake van de Göring-transactie.

24. Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hof zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het beroepschrift voor zover dit is op te vatten als een hoger beroep ex artikel 18 lid 5 Besluit E 100 tegen de beslissing van de Staatssecretaris van 25 maart 1998. Voor zover de inhoud van het beroepschrift is te beschouwen als een rechtstreeks verzoek van belanghebbenden als bedoeld in art. 21 lid 1 Besluit E 100 verklaart het hof Goudstikker niet-ontvankelijk in dit verzoek. Voor ambtshalve toepassing van rechtsherstel ingevolge artikel 21 lid 3 Besluit E 100 is geen plaats. Goudstikker zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld inclusief de gevorderde wettelijke rente.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroepschrift, voor zover inhoudend hoger beroep, op grond van artikel 18 lid 5 Besluit E 100, van de bestreden beslissing van de Staatssecretaris;

- verklaart het beroepschrift niet-ontvankelijk, voor zover te beschouwen als rechtstreeks verzoek tot rechtsherstel op grond van artikel 21 lid 1 Besluit E 100;

- veroordeelt Goudstikker in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op f 3.400,- aan salaris van de procureur en op f 440,- aan vast recht, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 2 weken na deze uitspraak.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Vrij, In 't Velt-Meijer en Dupain, bijgestaan door mr. Van Gessel als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 1999.