Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9924

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
99.341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedrag echtgenoot tijdens faillissement: nodeloze boedelschulden laten ontstaan en niet voldoen van boedelsanering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te 's-Gravehage,

tweede civiele kamer,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

X.

wonende te Y.,

appellant,

procureur: mr. E. Grabandt,

Het geding

Bij verzoekschrift van 26 augustus 1999 heeft X., zijn echtgenote Y., hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 18 augustus 1999, waarbij het verzoek het faillissement van X.: op te heffen onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringeregeling is afgewezen.

Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

Op 19 oktober 1999 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de zaak is aangehouden om de curator in het faillissement van X. op te roepenen Op de mondelinge behandeling van 26 oktober 1999 is X. verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse en mr. B.K.A. Rijsbergen, advocaat te Spijkenisse, in zijn hoedanigheid van curator.

Beoordeling van het beroep

1. In zijn grief stelt X. dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat X. en zijn echtgenote ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden niet te goeder trouw zijn geweest, althans nieuwe schulden hebben gemaakt. X. voert daartoe aan dat de problemen worden veroorzaakt door een te late betaling van zijn salaris c.q. ziektewetuitkering en dat daardoor bepaalde rekeningen zijn blijven liggen met betrekking tot de vaste lasten.

2. Bij de beoordeling van deze zaak stelt het hof voorop dat de rechtbank het verzoek van X.; niet heeft afgewezen op grond van het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden, doch op grond van het oordeel dat nu X., tijdens zijn faillissement aanzienlijke boedelschulden heeft doen ontstaan er gegronde vrees bestaat dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortkomende verplichtingen niet zal nakomen. Het hof verstaat de grief van X., aldus dat hij tegen dat oordeel van de rechtbank opkomt.

3. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de terechtzittingen in onder meer gebleken dat X., die sedert 2 september 1997 in staat van faillissement verkeert, verschillende afspraken met de curator, onder meer schriftelijke afspraken in december 1998, met betrekking tot het inlopen van huurachterstand en het voldoen van een boedelbijdrage, niet is nagekomen. Ten aanzien van het in dit verband door X. gedane beroep op zijn arbeidsongeschiktheid, waardoor zijn inkomenspositie in negatieve zin werd beïnvloed, neemt het hof in aanmerking dat tijdens de terechtzittingen is gebleken, dat X., eerst in september 1998 arbeidsongeschikt is geworden, en dat ook vòòr dat moment terwijl uit een dienstbetrekking nog een salaris genoot, ondanks afspraken met de curator, aanzienlijke achterstanden in zijn lopende verplichtingen en in de faillissementsbijdragen zijn ontstaan.

4. Voorts is ter terechtzitting gebleken dat X. onder andere door de koop van een auto in maart 1999 en het af sluiten van verzekeringen hiervoor na de faillissementsdatum verplichtingen is aangegaan zonder toestemming van de curator. Tenslotte is het hof uit het verhandelde ter terechtzitting van 26 oktober gebleken dat X. geen mededeling heeft gedaan aan de curator van de verbetering in zijn inkomenspositie tengevolge van het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking in september 1999.

5. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat X. zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet zal nakomen. Het bestreden vonnis moet derhalve worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 18 augustus 1999.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Boer, Gerritzen en Roemers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november i999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Bij afwezigheid voorzitter getekend door de oudste raadsheer.